ORA Dordrecht 1587-1605

Een selectie uit ORA Dordrecht inv. 717, 718, 719, 739,740, 741, 742, 897 en 898.

3 mrt. 1587: op verzoek van Adriaen Huijgen, wonende te Alblasserdam, verklaren Adriaen Pietersz., schout van Dubbeldam, 57 jaar oud, Cornelis Huijgen, ongeveer 36 jaar oud en Adriaen Ariensz. Huijsman van Heinenoord, ongeveer 28 jaar oud, dat zij op 23 okt. 1586 zijn geweest te Dordrecht met een zekere Claes Jansz., hoesemaecker [hoos = waterlaars] of schoenmaker, wonende te Dordrecht en dat die Claes Jansz. van de rekwirantgekocht heeft een koe, die op de markt stond, “opte conditie bij soe verre de stadt van Zutphen in Gelderlant opten voorsz. dach alsboven aen de sijde vande Grave van Leijcester wesen soude, hij de voorsz. coe om niet hebben soude ende indien de voorsz. stadt opten voorsz. dach niet aen onsen sijde wesen soude, den voorsz. Claes voorde voorsz. coe betaelen soude eens de somme van seventhien gulden sonder meer.” (739, f. 114)

23 mei 1587: Quirina Romboutsdr., weduwe van Anthonis Willemsz. en haar zuster Anna Romboutsdr., geassisteerd met haar man Jan Anthonisz. ijzerkoper, verklaren, dat zij met elkaar en hun zuster Neeltgen Romboutsdr. “diversche coopmanschappen ende handelinghe ghedaen hebben.” (717, f. 177)

25 mei 1587: verklaring op verzoek van Jan Jacobsz., inwoner van Haarlem, door Jan Lupaert, ongeveer 42 jaar oud en Hans van Aelst, ongeveer 36 jaar, burgers van Dordrecht. Zij verklaren begin juni 1586in Alkmaar te zijn geweest ten huize van Cornelia Jansdr., waardin in “het Gulden Hoofd”, waar mede aanwezig was Pieter Jansz., timmerman wonende te Alkmaar. “Ende dat zij deposanten ten zelven tijde de voorsz. Pieter Jansz. aenbesteet hebben omme te maecken eenen achtcanten wintmoelen dienende tot papiermaecken, die de selve Pieter Jansz. omme tenemael te volmaecken … aengenomen heeft voor de somme van [1215 Rijnse gl.] … verclaerende mede dat hoe wel zij deposanten de selve bestedinge mede metten requirant gedaen hebben dat nochtans tselve hen nijet int minste en is aengaen[de], noch dat zijlieden paert noch deel daer in en hebben dan dat de selve alleen is aengaende den requirant ende nijet hen deposanten.” (739, 171v)

18 juni 1587: Floris Willemsz., zeilmaker en poorter van Dordrecht, stelt zich borg voor Dirick van Soest, schipper van Nijmegen, nu wonende te “Dusenburgh” in het Land van Kleef, voor de lichting van een somma van 84 gl., welke Michiel de Wael door het Hof van Holland veroordeeld is te betalen aan Dirick van Soest. (717, f. 198)

23 nov. 1587: Willem Jansz. leidekker, waard in “de Leijhamer”, als man van Jaepken Aertsdr., transporteert aan Hubert Sluijmer, boomsluiter aan het Groothoofd, een huis in de Wijngaardstraat aan de landzijde, staande tussen het huis van Stijn Jacobsdr., weduwe van Pouwels de schoenlapperoostwaartsen dat van Jan de Veer westwaarts. (717, f. 230)

ca. 21/22 nov. 1587: Roerende de dood van Jacob Pietersz. Vos. Marichgen Jacobsdr., weduwe van Jacob Pietersz. Vos, enerzijds en Jan Thoenisz. Vos, Maerten Thonisz. Vos, beiden wonende in Veenendaal onder de jurisdictie van “Rijnen”, als naaste bloedvoogden van Pieter Jacobsz., ongeveer 14 jr., Neeltgen Jacobsdr., ongeveer 12 jr., Jacob Jacobsz., ongeveer 11 jaar, Jacobmina Jacobsdr., ongeveer 9 jaar, Abraham Jacobsz., ongeveer 8 jaar en Sara Jacobsdr., ongeveer 6 jaar, onmondige kinderen van Jacob Pietersz. Vos, verwekt bij Marichgen Jacobsdr., anderzijds.De weduwe is toebedeeld alle goederen, die haar man heeft nagelaten, in ruil waarvoor zij haar kinderen zal onderhouden tot hun achttiende jaar en dan een bedrag van 9 ponden groten Vlaams zal uitkeren. Voor de nakoming hiervan verbindt zij een schepenenschuldbrief, gepasseerd voor schepenen van Gorinchem, inhoudende 13 morgen 4 hont land, gelegen in vijf partijen land, belast met 4 gl. 10 st., welke de stad Gorinchem daar op sprekende heeft. Deze brief gegeven op 1 okt. 1584. (740, f. 4)

18 mrt. 1588: Jacob van Haltteren, als broeder en voogd van de weeskinderen van wijlen Hans van Haltteren, verwekt bij Anneken Lambert Heringsdr. en Willem Herings, als oom en voogd van Anneken Lambertsdr., beide comparantenals executeurs-testamentair van Hans van Haltteren en Anneken Lambertsdr. volgens hun testament, gepasseerd op 4 jan. 1588, verlenen procuratie ad recipienda debita aan Willem van Kelff, wonende te Haarlem. (718, f. 33 e.v.)

[Hans van Halteren en Anneken Lambertsdr. laten dopen (NG Dordrecht):

a. Tanneken, mrt. 1585

b. Sara, juni 1586

c. Johannes april (sic) 1588]

29 mrt. 1588: Roerende de dood van Jan Henricxsz. Droegie. Boedelscheiding tussen Janneken Jansdr., weduwe van Jan Henricxsz., enerzijds en Pieter Pietersz. schipper, als oom en voogd van Marijcken Jansdr., 14 jaar oud en Jan Jansz., 3 jaar oud, beiden onmondige kinderen van Jan Henricxsz. en Janneken Jansdr., anderzijds. Zij verbindt voor de nakoming hiervan haar huis in Middelburg, staande in de Spangestraat tussen het huis van Henrick Jansz. Schooneman en dat van Jan Op Solder. (740, f. 82)

29 dec. 1588: verklaring op verzoek van Arien Thonisz. Repelaer door Cleijs Aertsz., ongeveer 64 jaar, Leenert Thonisz., ongeveer 60 jaar, Ghijs Ariensz. Vlijm, ongeveer 56 jaar en Bastiaen Pouwelsz., ongeveer 42 jaar oud, allen inwoners van Papendrecht. (740, f. 265)

6 juli 1589: verklaring door Arien Cornelisz., ongeveer 21 jaar oud, Pieter Cornelisz. Leeuwenberch, ongeveer 38 jaar oud, beiden wonende in Barendrecht en Cornelis Henricxsz. timmerman, ongeveer 32 jaar oud, wonende in Ridderkerk. (718, f.275v)

23 april 1591: op verzoek van de schout van Dordrecht, nomini officii, verklaart bij edeGertruijdt Bartholomeeus, geboren te Antwerpen, 23 jaar oud, “gehoort ende geëxamineert zijnde opt innehouden van zeker interrogatorium ofte vraechstucken haer voorgehouden …dat zij hier int lant gewoont heeft omtrent zess jaren”, o.a. als dienstmaagd ten huize van Pieter Busschop, koopman van linnen laken te Rotterdam, voor een tijd vanvier jaren en in Dordrecht ongeveer anderhalf jaar, dat zij een half jaar te Dordrecht heeft gewoond in “de Ariaenappelboom” op de Riedijk “ende dat inden tijdt dat zij deposante daer diende geleden ontrent zesthijen maenden, aldaer heeft comen logeren ter herbergen eenen Gerart Anthonisz. weert inden Gulden Beer tot Huesden [Heusden] wijens huijsvrouw genaamt is Neeltgen ende dat den voorsz. Gerart Anthonisz. haer deposante soe wel heeft bepraet dat zij bijden zelven heeft geslapen ende bij hem geprocreeert eenen jonge zoone die zij deposante noch hout deur zijnen last zonder dat het zelve kindt alsnoch is gedoopt, maer zoude tzelve gedoopt geworden hebben door last vande vaeder Gerard Anthonisz. voorsz., dan en heeft tzelve nijet connen werden geëffectueert door ’t overlijden van capitein Moncreeff, die daer last van hadde, verclarende voorts dat het kindt oudt is omtrent ses maenden ende dat den vader haer niet meer en heeft gesonden dan eens thijen gulden ende eens achthijen gulden ende voorts niet meer, maer beloeft haer veel dingen. Ende d’voorsz. deposante gevraecht zijnde wie haer heeft gedient voer vroevrouwe zeijt dat Elsken de vroevrouwe haer heeft gedient ende dat zij inde craem gelegen heeft ten huijse van Ael de Voocht ende dat haer de voorsz. Ael heeft bij gestaen met oock haer dochter ende vrouwe van Moncreeff.” (719, f. 323)

23 juli 1591: “Coram Beaumont. Ter instantie van Adriaen van Empel jegenwoordich gevangen alhier, requirant. Wouterken [Claesdr. is doogehaald] huijsvrouwe van Cornelis Pieters zeepsieder, oudt omtrent 30 jaren ende Arken Pietersdr. dienstmaecht vande selve Wouterken, oudt omtrent 35 jaren, verclaren bij ede warachtich te sijn, dat des avonts doen den reqt. tot haren huijse quam alleenlick versochte daer te slaepen, sonder te versoucken dat men hem bergen off versteecken soude, alwaer hij inde camere geslapen heeft tot smorgens die clocke slouch negen uren, verclaerende voorts dat nadien den reqt. verstaen hadde datter ommegeslaegen was dat niemant hem reqt. soude logeren, den selven reqt. nijet begeert en heeft verborgen ofte versteecken te wesen, dan seijde tegens Cornelis Pieters de voorsz. Wouterkens man (deposante alhier): ’t geen ick gedaen hebbe, dat sal ick wel verantwoorden, brengt mij bij een van de heeren. Dat mede nadien den reqt. den voorsz. Cornelis Pietersz. last gegeven hadde omme hem aen te brengen, dat den reqt. niet en begeerde verborgen te wesen deurdien hij seijde vervaert te wesen van ’t roupen der gemeente. Alsoe daer worde gestroijt dat hij Graff Mauritz [Maurits van Nassau, stadhouder van Holland en Zeeland 1585-1625] hadde willen vermoorden ende andere seijden hij steden hadde willen verraden, deur welcke fame hij alsdoen begeerde verborgen te wesen ten eijnde hij vande gemeente nijet en soude worden gemassacreert ende ommegebrocht, dan verzochte dat ijmant van de heeren bij hem soude comen, die hem voor het roupen ende overlast vande gemeente soude defenderen sonder langer verborgen te wesen te versoucken.” (741, f. 284 e.v.)

6 mrt. 1592: op verzoek van Karel de la Faillie verklaren Jacob Jansz. de Jonge, muntmeester van de Munt van Holland te Dordrecht, ongeveer 57 jaar oud en doctor Caerl Baten, ongeveer 51 jaar oud, dat zij de voorgaande zaterdag bij Maerten Jansz., houtkoper te Dordrecht,geweest zijn, waar mede aanwezig waren Jan de lae Faillia endiens zwagerDaniël van der Molen en dat zij, attestanten, toen gehoord hebben, dat Jan de lae Faillia tegen Daniël van der Molen zei: “Ghij hout met mijn broeder Jaques de Falliaende staet hem in alles voor ende ghij weet immers wel doen [= toen] hij ende ick lestmael inde waech waren voor commissarissen dat den voorsz. Jaques mijnen broeder aldaer eenen valschen eedt dede.” Daarop zou Daniël van der Molengezegd hebben: “Waer toe dienen alle dese woorden, dat ghij malcanderen dus onteert ende diffameert.” Voornoemde Jacob Jansz.verklaart tevens, dat hij de zondag daarna,toen hijbuiten het convent van de Cellebroeders wandelde,in gezelschap van Jan de lae Faillie,deze tegen hem gezegd heeft: “Ick sal mijn broeder Jaques bewijsen met sijn eijgen missive dat [hij] eenen valschen eedt voor commissarissen gedaen heeft.” (ORA Dordrecht inv. 742, f. 21 e.v.)

12 okt. 1599: dr. Karel Batten [sic], “gezworen medicus”van Dordrecht, verklaart dat hij meerdere malen in Zevenbergen is geweest omde prinses van Arenburch, die daar ziek lag, te bezoeken en dat zij tot het uur van haar dood “haer volcomen verstant, redene ende memorie” gehad heeft. (ORA Dordrecht inv. 897, geen folionrs.)

[Stadsarchief Dordrecht nr. 3,inv. 3965 (verponding Dordrecht anno 1594), f. 227v en 228r: doctor Karel Baten betaalt nihil voor zijn huis in de Visstraat (“ter slickerhant ingaende” [d. i. Visstraat bij de Sarisgang]), belenders: Lijsbeth Pietersdr., die huurt van het Gasthuis en Dirck Jacobsz. schiptimmerman, die een erfje huurt van het Gasthuis. Zij betalen eveneens nihil.]

15 juni 1600: verklaring door dr. Carel Baten, ongeveer 59 jaar oud, ten verzoeke van Herman Stevensz. schipper. (ORA Dordrecht inv. 897, geen folionrs.)

1 april 1602: verklaring op verzoek van Mathijs Ariensz., als “medestander” geweest zijnde van de pachter van de impost vande hoorngelden en bezaaide landen over de stad Dordrecht, Dubbeldam, Merwede etc., door Jacob Ariensz., schout van Dubbeldam, ongeveer 55 jaar oud, Cornelis Huijgen, ongeveer 53 jaar oud, Willem Cornelisz., ongeveer 47 jaar oud en Aris Ariensz., ongeveer 42 jaar oud, heemraden van Dubbeldam. Zij verklaren, dat op 30 sept. 1601 alle landen “onder den ringe van Dubbeldam” door hevige storm, onweder en hoge vloed “ingebroken” zijn en daarna door de gebruikers van die landen “gevorst” zijn. (ORA Dordrecht inv. 899, geen folionrs.)