ORA Dordrecht 1560-1566

Een selectie uit ORA Dordrecht inv. 722, 702 , 703, 704, 705

31 mei 1560: mr. Pieter Aertsz. priester, als voogd van de weeskinderen verwekt bij Beatris Aertsdr., zijn zuster, met name Aert Maertensz., nagelaten zoon van Maerten [sic], haar eerste man en Marigen Heijndricxdr. en Heijndrick Heijndricxsz., nagelaten kinderen van Heijndrick Muijsen, verleent procuratie aan mr. Adriaen Heijndricxsz. van Delfshaven, wonende te “Loeven” [Leuven], om over te gaan tot de verdeling van Heijndrick Muijsens nalatenschap. (722, f. 39v)

19 juli 1560: op verzoek van Geertruijt Jansdr. verklaren Cornelis Claesz., lid van de Achtraad te Dordrecht, 41 jaar oud,en Egbert Claesz. lakenkoper, 30 jaar oud, dat zij er meerdere malen getuige van zijn geweest, dat Marighe mr. Heijndricksdr. tegen Geertruijt gezegd heeft,dat zij een “heerhoer”[soldatenhoer] is, en dat zij naar Zeeland gereisd zou zijn en zich daar had laten “zoenen” door krijgsknechten en weer thuisgekomen zijnde, haar buren diets gemaakt zouhebben, dat zij in Antwerpen geweest was. (722, akte 222)

19 juli 1560: op verzoek van bovengenoemde Geertruijt Jansdr. verklaart Stijntge Pietersdr., 30 jaar oud, dat zij meerdere malen gehoord heeft, dat Marighe mr. Heijndricksdr. tegen Geertruijt gezegd heeft “ghij heerhoer, alle dije kinderen dij ghij hebt hebt ghij int heer geraept ende dat sijn hoerenkinderen ende dije hebt ghij achter den dijck vvtgscudt”. Ook zou Marighe tegen Geertruijt gezegd hebben, dat zij zekere jonggezellen in huis had “ende met henluijden om eenen boelingketel gedanst hadde ende hemluijden tbijer te voeren gegeven hadde omme datsij van hemluijden wel gesoent soude worden”. (722, akte 223)

19 aug. 1560: op verzoek van Lijsbet Jansdr., weduwe van Saris van Slingelant, verklaart Egmont Mathijsz. Benninck, 60 jaar oud, dat hij aanwezig is geweest bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden van de rekwirante en haar man tussen haar vader Jan Gerritsz. de Heer en haar mans vader Ot van Slingelant en dat die huwelijkse voorwaarden op 23 dec. 1544 zijn gepasseerd voor notaris mr. Joris Sylvius, inhoudende onder meer een douarie van 600 gl. (722, f. 67v)

“Actum den XVIIIen September 1560 coram Philips Ogiersz. [schepen van Dordrecht]. Ter instantie van Adrijaen van den Duijn als gemachtigde van Lijsgen Zijbrant Foppen weduwe. Heer Jan Aertsz. pastoer tot s Heeraertsberge oudt ontrent LXX Jaeren juramenti dicit dat geleden ontrent een Jaer sonder anders den precisen tijt int seeckere te weten hij deposant [doorgehaald: versocht es geweest ten huijse van eenen Luijt Cornelis Cornelisz. wonend tot Berchambocht om aldaer te tracteren van een nederslach van een soijn] versocht is geweest bij de vrunden ende maegen van wijlen Fop Sijbrantsz. nedergeslaechen, om te comen ten huijse van Cornelis Cornelisz. woenende tot s Heeraertsberge ende aldaer helpen tracteren van de soene van eenen Wigger Pietersz. woenende tot Streefkerck handadige ende dat eijntelicken die zelve soene gemaect is geweest deur tusschenspreecken van hem deposant ende die vrunden vanden nedergeslaegen inder manieren hier naer verclaert te weten dat die kinderen vande voirsz. handadige onder andere zouden betalen vierdalffhondert soen guldens van thien stuvers t stuck tot profijte vande kercke van Berchambocht voirsz. tot een euwige memorievanden voirsz. nedergeslagen ende den handadigen voirsz. maer en zijn die zelve nijet gecomen tot profijte vande voirsz. kercke dan zijn ontfangen geweest bij de moeder vande nedergeslagen voirsz. die nochtans overgegeven hadde, dat zij die voirsz. penningen nijet en begeerde te sijen noch te ontfangen.” (702, f. 14r en 14v)

14 mei 1561: Baernt Veris, als man van Elisabeth Dircxdr., verleent procuratie ad lites aan Joest van der Bie Jacobsz., procureur voor het Hof van Holland. (723, akte 78)

23 aug. 1561: op verzoek van Dirck van Juekeren legt Thomas Cornelisz. Braet, gezworen reetrekker te Dordrecht, 52 jaar oud, een verklaring af. (723, f. 50)

23 aug. 1561: op verzoek van de weduwe van Henrick van der Schoer verklaart mr. Thielman Scoeck, oudraad in wette te Dordrecht, 72 jaar oud, dat 8 of 9 jaar tevoren, toen hij stadhouder van Adriaen van Blienburg, de schout van Dordrecht, was, een zekere brouwer van Rotterdam, genaamd Cornelis Joestensz., “ bevonden zitten drinckende met een Barbara Sampsons, lichte vrouwe” ten huize van Marij Danckerts, door de dienaren van de schout “van boeten beslaegen is geweest volgende zeeckere cleppinge daer van zijnde”. Voor die boete heeft een zekere Jan Die Wel Wat Weet, waard in het “T Lam” te Rotterdam, “gecomposteerd”, maar Scoeck weet niet voor hoeveel, omdat Cornelis “daeroff nijet en hadde willen composeren”. (1539, akte 4)

1 sept. 1561: scheiding tussen Batken Daniëlsdr. en Commerken Daniëlsdr., van de goederen, die hun zijn aanbestorven bij overlijden van Daniël Cornelisz. kuiper, hun vader. Batken krijgt o.a. een een rentebrief van 3 Vlaamse ponden jaarlijks op een huis, genaamd “Oostervant”, met een zeperij, staande aan de Landzijde tussen het St. Jansgasthuis en het huis van de weduwe van Gerit Schoer bakker, een rentebrief van 12 gl. jaarlijks op een huis aan de Poortzijde, genaamd “de Nobel “, toebehorende aan mr. Thielman Scoeck, een rentebrief van 3 gl. jaarlijks op een huis, eigendom van Eeuwout Sijmonsz. procureur, staande in de Nieuwe Tolbrugstraat tussen het erf van Dirck Dircksz. en het huis van Gijsbrecht Dirxsz., en een rentebrief van 6 gl. jaarlijks op een huis, staande tussen de St. Annensteiger en het huis van Cornelis Adriaensz. Roerom. Aan Commerken is o.a. toebedeeld een rentebrief van 3 gl jaarlijks op een huis in de Marienbornstraat, toebehorende aan Marijken en Neeltgen Fransdr., een rentebrief van 7 gl. jaarlijks op een huis achter in de Tolbrugstraat Landzijde, staande tussen het huis van mr. Wouter de barbier en dat van Henrick Luijckenaer, alsmede een rentebrief van 4 gl. jaarlijks op een huis aan de Landzijde, staande tussen het huis van Pieter Eeuwoutsz. smid en dat van Pieter de kaaskoper. (1539, akte 25)

16 sept. 1561: Caspar Michielsz. van Mens, als man van Lijnken Wouters, die eerder getrouwd was met wijlen Evert Knipping, geboren te Duisburg in het Land van Kleef, verleent procuratie aan Jan van Nuys, als testamentaire voogd van Aechken Evertsdr. Knipping, verwekt bij Lijnken Wouters, om te vorderen en in ontvangst te nemen, hetgeen Evert Knipping is aanbestorven bij overlijden van zijn oom [naam niet vermeld], wonende [sic] te Keulen of elders. (ORA Dordrecht inv. 703, akte 65)

8 nov. 1563: Lijntgen Pouwelsdr., weduwe van Cornelis Snouck, verleent procuratie ad recipienda debita aan Pieter Adriaensz. Snouck.(704, f. 51v)

15 april 1564: ten behoeve van Adriaen Cornelisz. Cloot. schipper te Dordrecht, legt Zoetman Adriaensz., 43 jaar oud, burger van Dordrecht, wonende in de Grote Doelen te Dordrecht, een verklaring af. (725, f. 44)

1 okt. 1564: Cornelis Snouck Govertsz. verklaart voldaan en betaald te zijn door Govert Snouck Adriaensz., zijn vader, van hetgeen hij geërfd heeft van Christina van Schelborch, zijn moeder en Gerrit Snouck Govertsz., zijn broeder (708, f. 223v e.v.)

26 okt. 1564: Lijsken Claesdr. en Lijntken Henricxdr., burgeressen van Dordrecht, verlenen procuratie aan Franchoijs Aertsz., wonende te Brussel en Jasper de Joede, wonende te Antwerpen, om onder ede te bevestigen hetgeen zij op verzoek van mr. Jacob van Eijnden, als man van Elijsabeth Voorwerck, dochter van Anna van Drolishaven, op 10 sept. 1560 geattesteerd hebben ten overstaan van het Gerecht van Dordrecht. (704, akte 735)

1 juni 1565: Jan Barthoutsz. en Claes Barthoutsz. stellen zich waarborg voor Baernt Veris, koopman van Rijnse wijnen, voor alzulke 15 gemeten land in St. Maartenspolder onder de parochie van Oudenbosch als door Veris verkocht is aan Gijsbrecht van Haerlem Jansz., oudraad in wette van Dordrecht. (704, akte 1050)

22 dec. 1565: Jacob Adriaensz. en Gijsbert van Haerlem Jansz., schepenen van Dordrecht, oorkonden dat voor hen compareerde Ghijsbrecht Jansz., als man en voogd van Marijchen Jansdr.,die bekende volledig voldaan en betaald te zijn door zijn zwager Jacob Jansz. viskoper van de goederen, erfenis en besterfenis, die hem in voornoemde hoedanigheid zijn aangekomen door overlijden van Hans van Nieumechen en Jannechen Cornelisdr., de ouders van Marijchen Jansdr., zijn vrouw. (705, f. 11v)

29 mrt. 1566: op verzoek van Aechken Joostensdr. leggen Wouter Oom Boudewijnsz., heer van Papendrecht, 41 jaar oud, en Margaretha de Joede Gerritsdr., 55 jaar oud, een verklaring af. Zij getuigen, dat na het overlijden van jonkvrouwe Katharina Suijs, in haar leven echtgenote van voornoemde Wouter Oom, in diens huis zijn bijeengekomen Nicolaes van Berendrecht en zijn vrouw, als erfgenamen van Katharina Suijs. Van Berendrecht heeft toen de rekwirante, dieindertijd de dienstmaagd van Wouter Oom was, laten komen en heeft haar gezegd: “Ick ben met mijn broeder [Wouter Oom] geaccordeert maer ick en ben nu nijet wel bijden gelde om U te betalen die twee ponden Vls. die U bij testament vande voirsz. joncvrouwe Cornelia [sic]Suijs mijn suster gelegateert en gemaect zijn maer weest te vreeden ick sall mijn zoen in Zeelant ofte inde Tonge seijnden om gelt te halen ende alsdan belove ick U uwe gelt te seijnden”. Van Berendrecht heeft aan Aechken toen ook overgedragen “den besten laecken boijen”, die aan haar was gelegateerd boven de genoemde twee Vlaamse ponden. (705, akte 272)