Van Wesel

Zie ook M. Balen, Beschryvinge der stad Dordrecht (1677), p. 1281

I. Rochus Fransz. van Wesel, houtkoper, trouwde 10 jan. 1588 Aefken Henricxdr. van Merken

ORA Dordrecht inv. 1579, f. 302v: op 2 mei 1595 verkoopt Pieter Andriesz. Waelen aan Rochus Fransz. houtkoper een huis aan de havenzijde omtrent de Pelserbrug, staande tussen het huis van Jopgen Cornelisdr. en dat van Trijntgen Jansdr. Waarborg: Andries Waelen.

ORA Dordrecht inv. 1580, f. 196: op 5 sept. 1597 verklaart Maria van Thol, weduwe van Blasius Brouwer, schuldig te zijn aan haar “cosijn”, Rochus Fransz. van Wesel houtkoper, een somma van 480 gl. verbindende een huis omtrent de Nieuwbrug aan de Poortzijde, genaamd “Spaengnie”, staande tussen het huis van comparante, genaamd “Jerusalem”,en dat van de weduwe van Jan van Bronchorst.

ORA Dordrecht inv. 1584, f. 10 e.v.: op 7 febr. 1605 verkopen Cornelis Wor Godtschalcxsz., Margrieta Godtschalcxsdr. en Aechte Godtschalcken, weduwe van mr. Sijmon Menniker, allen kinderen van wijlen kapitein Godtschalck Wor, voor zichzelf, en procureur Henrick van Naerden, als procuratie hebbende van Andries Jansz., als bloedvoogd van de overige, nog onmondige kinderen van Godtschalck Wor, aan Rochus Fransz. van Wesel, burger van Dordrecht, een huis, genaamd “den Hemel”, staande omtrent de Vuilpoort [omtrent de Pelserbrug], tussen het huis van Jan Cornelisz. van Gesel, genaamd “het Rechte Cromhout”, en het huis van de weduwe en kinderen van Henrick Cornelisz. lakenkoper. Waarborg: Cornelis van Beveren. De koopsom bedraagt 6562 gl., waarvan de koper reeds 800 gl. contant betaald heeft en de rest zal aflossen in termijnen. Borg: Franchois Rastiau.

Kinderen (o.a.):

a. Frans van Wesel, gedoopt NG Dordrecht 19 okt. 1588, OSP, trouwde Maria Loyks Joppendr.

b. Govert Rochusz. van Wesel, geboren naar schatting ca. 1590, volgt II

c.NN, gedoopt Dordrecht sept. 1591

d. NN, gedoopt NG Dordrecht dec. 1593

e. Thomas, gedoopt NG Dordrecht aug. 1595

f. Maria van Wesel, trouwde Henrik Rijken

g. Claasje Rokusdr. van Wesel, gedoopt NG Dordrecht okt. 1597, trouwde Simon de Gelder

ORA Dordrecht inv. 784, f. 79v: op 7 nov. 1663 verkoopt Cleijsken Rochusdr. van Wesel, weduwe van Sijmon de Gelder, aan Cornelis Terwe, pondgaarder te Dordrecht, een huis staande omtrent de Vuilpoort, genaamd “Noorwegen”, uitkomende met een gang in de Ruitenstraat en een huisje naast en boven die gang, staande tussen het huis van koper en dat van Jasper Kels, voor 4450 gl., deels contant en deels met het verlijden van een schepenenschuldbrief. Waarborg (voor verkoopster): Rochus van Wesel, koopman te Dordrecht.

II. Govert Rochusz. van Wesel, van Dordrecht, geboren naar schatting ca. 1590, wonende in [het huis genaamd] “Noorwegen” (1621), houtkoper, trouwde NG Dordrecht 18 juli 1621 Lijsbert Evertsdr. van Eijssel (van Eijssen), van Dordrecht, wonende op de hoek van de Visstraat (1621), dochter van Evert Schrevelsz. van Eijssel en Maricken van As Cornelisdr.

16 april 1626: Jan Henricxsz. van Slingerlant, Abraham Henricxsz. van Slingerlant, Pieter Claesz. van Hensberch, als man van Maddaleentge Henricxdr. van Slingerlant, en Jacob Stoop Dircxsz., als man van Henricxken Nicolaes Coltsensdr., voor zichzelf en tevens vervangende zijn broers en zuster, verkopen aan Govert Roechusz. van Wesel, houtkoper en burger van Dordrecht, een huis omtrent de Pelserbrug, staande tussen het huis van Aefken Henricx, weduwe van Roechus Fransz. van Wesel, en dat van Gerrit Schut. De koper is schuldig aan Maria Bouwensdr. van Bercheijck een somma 4100 gl. Borgen: Evert Schrevelsz. van Eijssel en Schrevel Evertsz. (ORA Dordrecht inv. 1602 f. 11v)

ORA Dordrecht inv. 1604, f. 42: op 23 aug. 1630 verklaren Schrevel Evertsz. van Eijssel, Cornelis Evertsz. van Eijssel, Govert Rochusz. van Wesel, als man van Elisabeth Evertsdr., en Dirck Kelderman, als man van Neeltgen Evertsdr. van Eijssel, kinderen en erfgenamenvan wijlen Evert Schrevelsz. van Eijssel, dat zij de goederen, die hun vader heeft nagelaten, onderling hebben verdeeld. Daarbij is aan Dirck Kelderman toebedeeld een visstal op de Grote Vismarkt.

Kinderen:

a. Rochus Govertsz. van Wesel, geboren naar schatting ca. 1625, volgt III

b. Marike van Wesel, gedoopt NG Dordrecht okt. 1628, trouwde Paulus van Helmont Nicolaasz.

c. Johanna van Wesel, trouwde Johan van Eijssel

c. Aeltgen, gedoopt NG Dordrecht juni 1634

d. Aechtgen (Agatha) van Wesel, gedoopt NG Dordrecht nov. 1635, trouwde 1654 Gerard Baan Okkersz.

 Gerridt Baen, gedoopt NG Dordrecht nov. 1629, jongman van Dordrecht wonende bij de Boom (1654), trouwde NG Dordrecht 21 juni 1654 ondertrouw) Agatha van Wesel, jonge dochter van Dordrecht wonende op de Nieuwe Haven (1654)

ORA Dordrecht inv. 1617, f. 2 e.v.: op 9 jan. 1657 verkoopt Huijbert de Laresse, als procuratie hebbende van de erfgenamen van Roeloff Bacx, aan Gerard Baen, koopman en burger van Dordrecht, een huis in de Oude Houttuin, staande tussen het huis van Pieter Vinck en dat van de weduwe van Cornelis Fransz. van Breedenhoff, alsmede twee huisjes in de Heer Heijmansuijsstraat. De koper is schuldig aan mr. Nicolaes Stoop een somma van 4330 gl.

ORA Dordrecht inv. 1620, f. 135: op 10 juni 1664 verkoopt Gerrit Baen, als man van Agata van Wesel, mede-erfgename van Lijsbeth Evertsdr. van Eijssel, weduwe van Govert Rochusz. van Wesel, voor 1950 gl. aan Elisabeth Hulsthout, weduwe van Anthonij van Meenich, koopvrouw en burgeres van Dordrecht, een “ouden affbreuck”, genaamd “het Vischschip”, staande tussen de Schuitenmakersstraat en het huis en de houttuin van Joris Hendriksz. Aldewijn.

ORA Dordrecht inv. 798 (oud), f. 95v e.v.: op 19 april 1694 verkoopt Agatha van Wesel, weduwe van Gerrit Baan, aan Govert van Wesel, equipagemeester en koopman te Dordrecht, voor 800 gl. een huis in de Houttuinen op de Nieuwe Haven, staande tussen de gang van de weduwe van mr. Nicolaes Vivien en het huis van Johannes de Heer mr. kuiper.

ORA Dordrecht inv. 1634 , f. 118v e.v.: op 22 mei 1694 verkoopt Agatha van Wesel, weduwe van Gerrit Baan, voor 270 gl. contant aan Margareta de Vries, weduwe van Rochus van Wesel, een huis in de Schuitenmakersstraat, staande tussen het huis van Elisabeth van Meeningen en dat van de erfgenamen van de heer Van de Werff.

ORA Dordrecht inv. 1634, f. 95v: op 19 april 1694 verkoopt Agatha van Wesel, weduwe van Gerrit Baen, voor 500 gl. aan Govert van Wesel, equipagemeester en koopman te Dordrecht, een huis in de Houttuinen aan de Nieuwe Haven, staande tussen de gang van mr. Nicolaes Vivien en het huis van Johannes de Heer mr. kuiper.

ORA Dordrecht inv. 1634, f. 119: op 22 mei 1694 verkoopt Agatha van Wesel, weduwe van Gerrit Baan, voor 200 gl. aan mr. Johan de Witt, secretaris van Dordrecht, en Jacob van Bodland, burger van Dordrecht, ieder de helft van een huis in de Heer Heijmansuijsstraat, staande tussen het huis van de heer Bodland en het pakhuis van de verkoopster.

ORA Dordrecht inv. 799 (oud), f. 72v e.v.: op 15 sept. 1695 verkoopt Daniël van Veen, kamerbewaarder en burger van Dordrecht, als procuratie hebbende van Agatha van Wesell, weduwe van Gerard Baan, koopman te Dordrecht, voor 1200 gl. aan Johan de Haas, brouwer en burger van Dordrecht, een pakhuis in de Heer Heijmansuijsstraat, staande tussen het huis van mr. Johan de Witt, secretaris van Dordrecht, en dat van Lijsbet Lammerts.

e. Frans, gedoopt NG Dordrecht 3 aug. 1637

III. Rochus Govertsz. van Wesel, geboren naar schatting ca. 1625, jongman van Dordrecht wonende op de Nieuwe Haven (1646), houtkoper, dijkgraaf van het Oosteinde en Westeinde van de Nes, hoogdijkheemraad van de Zuidpolder van Barendrecht en Carnisse, trouwde NG Dordrecht 15 april/1 mei 1646 Margrita de Vries, jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Visbrug (1646)

ONA Dordrecht inv. 336, f. 464: op 19 dec. 1672 comp. voor een Dordtse notaris Jan Geemansz. van Cappel, dijkgraaf Rochus van Wesel, Matthijs Paradijs, Pieter Joosten van Ardennen, Henrick van Breda, Bartholomeus Cramerheijn, Jacob van Hoochstraten, Willem Holaert, Jan Claesz. Vlieger, Arijen Boogaert, Hendrick de Groot, Albert Fredericxsz. Smith, Adriaen Jacobsz. van de Werff en Maijcke Blasius, weduwe van Sander Fransz., kooplieden en burgers van Dordrecht. De comparanten verklaren, dat zij “tottet maecken ende opbouwen van des lants ponten door ordre van … Aelwijn van Haelwijn hebben gelevert verscheijde materialen, soo hout, ijserwerck, spijckers, touwerck als anders, waarvan haer ijder een merckelijcke somme van penningen is competerende [nl. Van Wesel een bedrag van 575 gl. 2 st.] … ende onder den notaris en solliciteur Casper van Rensen berustende, ende dewijle sij .. tot noch toe van ijders achterwesen niet en sijn gecontenteert, verclaerden sij uijt het midden van haer gestelt en gecommitteert te hebben … dijkgraeff van Wesel en sr. Matthijs Paradijs specialijck omme hen te begeven naer ’s Gravenhage ende aldaer … soodanige middelen int werck te stellen waerdoor sij … soo haest mogelijck sal sijn ijder tot sijn deuchdelijck achterwesen sal connen geraecken”.

ORA Dordrecht inv. 1626, f. 116: op 15 nov. 1678 verkoopt Johan van der Hoop, notaris te Dordrecht, als gemachtigde van het Gerecht van Dordrecht, voor 2650 gl. aan Margreta de Vries, weduwe van dijkgraaf Rochus van Wesel, een huis in de Grotekerksbuurt bij de Lombardbrug, dat laatst eigendom is geweest van Gijsbert de Jager, notaris te Dordrecht, staande tussen het huis van Jan van Veen en dat van Anthonij de Tricht

ORA Dordrecht inv. 1629, f. 21: op 13 mei 1683 verkopen de notarissen Pieter Muijs en Johan van der Hoop als gemachtigden van het Gerecht voor 3600 gl. aan Margarita de Vries, weduwe van dijkgraaf Rochus van Wesel, een huis op de Varkenmarkt, strekkende van de straat tot achter op de Nieuwe Haven en staande tussen het huis van Balthasar de Latour en het pakhuis van Johannes Beijen

ORA Dordrecht inv. 1631, f. 39v: op 16 juli 1687 verkoopt Margarita de Vries, weduwe en erfgename van dijkgraaf Rochus van Wesel, voor 4500 gl. aan Petrus van Son, notaris te Dordrecht, een huis in de Grotekerksbuurt, strekkende voor van de straat tot achter op de haven en staande tussen het huis van Jan van Veen en dat van Anthonij van Tricht mandenmaker

ORA Dordrecht inv. 799 (oud), f. 16v e.v.: op 16 mrt. 1695 verkoopt Margareta de Vries, weduwe van Rookus van Wesell, koopman te Dordrecht, 12.000 gl. aan Govert van Wesell, equipagemeester en koopman te Dordrecht, een huis in de Houttuinen, vanouds genaamd “den Voetboogh”, staande tussen het huis van Henderick van Wessum en de gang van de vrouwe van Beuvignie, met een pakhuis en loods, komende over de gang van de vrouwe van Beuvignie, met de kaden en erven daarvoor, strekkende tot de haven en daaromheen liggende, zoals genoemd pakhuis en loods zijn gekocht van Jacob de Witt, in zijn leven oud-burgemeester van Dordrecht.

ORA Dordrecht inv. 799 (oud), f. 74v: op 20 sept. 1695 verkoopt Margrita de Vries, weduwe van Rochus van Wesell, voor 700 gl. aan Johannes Louwa, kleermaker en burger van Dordrecht, een huis in de Vleeshouwersstraat, staande tussen het huis van Christiaan van Aansorgh en dat van Jacobus de Nijs. De koper is schuldig aan verkoopster een somma van 300 gl. In margine: op 18 okt. 1702 toont Geertruij Dobbel, vrouw van Johannes Louwa, de originele brief met kwitantie, waaruit blijkt, dat de schuld volledig is afbetaald.

17 juli 1696: Michiell van der Monde, koopman van wijnen, als man van Maria Moll, erfgename van haar grootvader van vaderszijde wijlen Frans Mol, verkoopt voor 60 gl. aan Margrita de Vries, weduwe van Rochus van Wesell, de eigendom van een halve muur aan de noordzijde van zijn huis, staande op het Bagijnhof, naast het erf van de koopster, gekocht van Boudewijn Volgraff, alsmede de halve gang van zijn, verkopers, huis, aan één zijde afgescheiden met de gemeenschappelijke heining tussen de tuin en het erf van koopster, door haar eveneens gekocht van Boudewijn Volgrafft, gescheiden door de gemeenschappelijke heining tussen verkopers huis en dat van Verbroeck, schoenmaker te Dordrecht, strekkende van voren “gelijcx aff” van de dwarsheining tussen de verkoper en tot achter aan de stadsgracht toe, met het secreet achter in de gang en verder overeenkomstig de koopvoorwaarden, die daarvan zijn gepasseerd voor notaris P. van Son te Dordrecht op 14 juli 1696. (ORA Dordrecht inv. 799 (oud), f. 154v e.v.)

ONA Dordrecht inv. 194, f. 138: op 8 jan. 1697 testeert Margrieta de Vries, weduwe van Rochus van Wesel, burgeres van Dordrecht, ziek in bed liggende. Zij herroept eerder testamenten, in het bijzonder het testament en codicil, welke zij gepasseerd heeft ten overstaan van notaris J. Melanen te Dordrecht op 20 en 26 okt. 1696. Zij legateert aan de NG huisarmen van Dordrecht een bedrag van 500 gl. en aan haar dienstmaagd Lijntie Pietersdr., als die bij haar overlijden nog bij haar inwoont, een “dubbele rouw” en 100 gl., met nog een eiken kastje en dat alles boven het loon, dat zij tegoed zal hebben. Aan haar vijf dochters, Marija, Elisabeth, Everdijna, Anna en Cornelia van Wesel, legateert zij elk 1000 gl. Zij prelegateert aan haar Marija, Elisabeth, Everdijna en Anna al haar inboedel, huisraad en linnen en wollen goederen, op voorwaarde, dat die vier dochters aan haar jongste dochter Cornelia elk 400 gl. zullen uitkeren. Als haar zoons zich tegen voorgaande bepaling zullen verzetten, prelegateert zij aan haar vijf dochters elk een somma van 1000 gl. en bovendien haar inboedel, huisraad en linnen en wollen goederen. De testatrice prelegateert aan haar dochter Everdijna al haar tuinen met de drie huisjes, die bij elkaar staan op het Bagijnhof, op voorwaarde, dat Everdijna haar dienstmaagd, Lijntje Pieters, als die bij haar overlijden nog bij haar inwoont, zal verlenen de vrije inwoning in één van de twee achterste kamertjes, die op haar tuin uitzien, “t’sij onder of boven”, ingaande wanneer Lijntje haar dienst zal verlaten en op zichzelf zal willen gaan wonen, en dat tot aan haar overlijden of tot wanneer zij gaat trouwen. Maar indien Everdijna dat liever heeft, mag zij volstaan met aan Lijntje uit te keren iedere week een schelling of 6 stuivers. Voorts benoemt de testatrice tot haar erfgenamen de twee kinderen van haar dochter Agatha van Wesel, genaamd Rochus en Margrieta Nolthenius, in een somma van 7000 gl., ofwel ieder 3500 gl., en al haar ongemunt zilver. Aan Rochus alleen legateert zij twee pakken onderkleren, twaalf manshemden en dassen en mouwen, en aan Margrieta alleen 16 vrouwenhemden, zes linnen schortekleden, twaalf neusdoeken, vier paar slaaplakens, vier paar slopen, een tafellaken, een dozijn servetten, een testamentboekje met gouden sloten, enig klein goed en een “luijrkasken”. Als de eerststervende van beide kleinkinderen voor hun mondigheid of huwelijk komt te overlijden, moet een somma van 1500 gl. vererven op de langstlevende. Als de langstlevende van hen beiden komt te overlijden voor mondigheid of huwelijk, moet een bedrag van 3000 gl. vererven op haar overige kleinkinderen, t.w. de kinderen van Elisabeth van Wesel, de kinderen van Everdijna van Wesel, de kinderen van Evert van Wesel, de kinderen van Cornelia van Wesel en de kinderen van Jacob van Wesel. De testatrice wenst, dat Margrieta Nolthenius na haar overlijden zal gaan inwonen bij haar dochter Everdijna van Wesel, zolang dat aan laatstgenoemde zal goeddunken, voor een jaarlijks kostgeld van 150 g. Tot erfgenamen van al haar overige goederen benoemt zij haar negen kinderen, nl. Marija, Elisabeth, Govert, Everdijna, Anna, Evert, Anthonij, Cornelia en Jacobus van Wesel. Aan haar dochter Marija van Wesel maakt zij het huis, waarin zij woont, staande op de Varkenmarkt, voor 6000 gl., op voorwaarde, dat haar dochter Everdijna en haar kinderen, zolang zij dat wenst en zonder ervoor huur te betalen in dat huis mag blijven wonen tot het moment, waarop de boedel van haar, testatrice, zal zijn gescheiden. Aan haar dochter Elisabeth van Wesel legateert zij haar hofstede met alle daarin zich bevindende huisraad en inboedel, staande in de Kleine Lindt, met 9 1/2 morgen land, een halve hont griend, nu weiland, en 5 hont land, genaamd “de Twaalf Roeden”, ongeveer 200 roeden “elsegriendt”, alle gelegen in het Land van Es, 4 1/2 morgen land, genaamd “de Koekoeksnest”, samen voor de somma van 6400 gl., en dat op voorwaarde, dat haar boedel van de kerk van Heerjansdam zal kopen een halve morgen land, die de kerk van Heerjansdam onder de 9 1/2 morgen gemeen heeft liggen. Aan haar zoon Govert van Wesel legateert zij een stuk leenland van ongeveer 16 morgen in het Land van Es voor 8000 gl. en een rentebrief, waarvan resteert 666 gl. 12 st.; aan Everdijna van Wesel een huis in de Kannenkopersbuurt voor 5500 gl. en een hypotheekbrief van 300 gl., verzekerd op een huis in de Vleeshouwersstraat, staande ten laste van de mr. kleermaker Loua, , op voorwaarde dat Everdijna zo lang in het huis mag blijven wonen, als zij dat wenst, zonder huur ervoor te betalen en tot het moment, waarop de boedel van haar, testatrice, zal zijn gescheiden; aan Anna van Wesel een stuk land in Barendrecht, groot 6 1/2 morgen, gepacht door Geerit Cornelisz. Driesprongh, een stuk boezemland buiten de Spuipoort en een huis in de Schuitenmakersstraat, dat wordt bewoond door Grietgen van Houwelingen, samen voor 6000 gl.; aan Evert van Wesel de helft van een stuk land in de polder van Wieldrecht van 15 morgen en enige roeden, gepacht door Leendert Jansz. de Hooch, voor 6300 gl.; aan Anthonij van Wesel de helft van haar hofstede met de helft van het huis, de schuur en verdere “timmeragie” en “plantagie”, groot ongeveer 32 gemeten, staande en gelegen in Ooltgensplaat, waarvan de wederhelft toebehoort aan de erfgenamen van ds. Pelsius, voor 5800 gl., en een bedrag van 2500 gl., die Anthonij aan haar schuldig is; aan Cornelia van Wesel de wederhelft van voornoemde 15 morgen en enige roeden land in de Wieldrechtse polder, voor 6300 gl; en tenslotte aan haar jongste zoon Jacob van Wesel haar huis staande tegenover brouwerij “’t Cruijs” [in de Voorstraat bij de Heer Heijmansuijsstraat], 6 1/2 morgen land in het Zomerland van Heinenoord en 6 1/2 morgen land in het Oudeland van Strijen, samen voor 6500 gl. De testatrice wil dat, indien haar dochter Everdijna voor haar komt te overlijden, haar drie zoons Rochus, Daniël en Jacobus Roelandus ieder vooraf uit haar dochters erfportie een bedrag van 2000 gl. zullen moeten krijgen en het overige, dat resteert van haar erfportie, door haar drie zoons en dochter Marija Roelandus ieder voor een vierde part zal worden verdeeld. Zij legateert nog aan haar zoon Jacob van Wesel het huis “de Kapraven”, waarin zij woont, met de daarbij behorende loodsen, houttuinen, kaden, etc., voor 5500 gl. Zij sluit de echtgenote van haar zoon Anthonij uit van haar boedel, en bepaalt, dat die vrouw zich niet mag bemoeien met de verdeling van haar nalatenschap. Indien één van haar kinderen zich zal verzetten tegen hetgeen in dit testament is bepaald, benoemt zij diegene tot erfgenaam van slechts de legitieme portie. Anthonij van Wesel moet, voordat hij zijn erfportie kan aanvaarden, eerst aantonen, dat hij de pacht van zijn pondgaardersambt, waarvoor zij, testatrice borg heeft gestaan, volledig heeft betaald, en voordat hij al zijn schulden aan haar boedel heeft voldaan. Geen van haar kinderen mag vorderen staat of inventaris van de nagelaten boedel van haar zoon Simeon van Wesel “omme die tot meerder verwervinge van haere boedel, te willen separeren, alsoo sij testatrice verclaerde den selven boedel van [Simeon] … alleene aengeslagen en genadert, mitsgaders die voorts in baten ende schaden geredt ende geeffent te hebben opde begeert van alle haere kinderen selve”. Tot voogd over de minderjarige kinderen van haar dochter Elisabeth van Wesel benoemt zij hun vader Pieter van Son of bij diens vooroverlijden Govert en Evert van Wesel, en tot voogden over alle overige minderjarige kinderen en als beheerders van de erfportie van haar in het buitenland verblijvende dochter Cornelia van Wesel benoemt zij Govert van Wesel, Hendrick Taeij en Evert van Wesel. Tot executeurs van haar testament wijst zij aan mr. Herman van den Honert en haar schoonzoon Pieter van Son.

ONA Dordrecht inv. 194, akte 94: op 29 april 1697 comp. Govert van Wesel, enerzijds, en Marija van Wesel, weduwe van Samuel Thooft, Petrus van Son, als man van Elisabeth van Wesel, Everdina van Wesel, weduwe van ds. Jacobus Rolandus, Hendrick Taeij, als man van Anna van Wesel, voor zichzelf en als procuratie hebbende van Wilhelmus Lupardus, predikant te Nieuw-Beijerland, en diens vrouw Cornelia van Wesel, Evert van Wesel, Anthonij van Wesel en Jacob van Wesel, allen kinderen en erfgenamen van Margarieta de Vries, weduwe van Rochus van Wesel, anderzijds. De comparanten verklaren overeengekomen te zijn, dat Govert van Wesel, “tot voldoeninge van alle t’gene den selven … aenden boedel van Margrieta de Vries zar. schuldich is … in den gemeenen boedel van Margrieta de Vries zar. binnen ses weecken in contanten penningen [zal inbrengen] … eens eene somme van negen duijsent car. guldens”.

Kinderen (o.a., allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Maria van Wesel, 8 mrt. 1647, weduwe van Dordrecht (1699), trouwde 1e Samuel ’t Hooft, 2e Gerecht/NG Dordrecht 5/19 april 1699 (vermoedelijk ” gesepareerd” ca. 1703) Adriaen Wilmart, gedoopt NG Dordrecht 20 mei 1647, jongman van Dordrecht wonende in de Kannekopersbuurt (1671), weduwnaar van Dordrecht (1699), koopman, zoon van Pieter Gillisz. Wilmaer (Willemart), kuiper te Dordrecht, en Aeltjen Balthensdr. de Best, trouwde 1e NG Dordrecht/Dubbeldam 8 febr./8 mrt. 1671 Sara Hardi, gedoopt NG Dordrecht 1 nov. 1647, jonge dochter van Dordrecht, wonende bij het Stadhuis (1671)

ONA Dordrecht inv. 237, f. 312: op 28 aug. 1676 testeert Samuel Thooft, koopman en burger van Dordrecht. Hij herroept het testament, dat hij samen met zijn vrouw Maria van Wesel heeft verleden voor notaris Govert de With te Dordrecht op 22 juni 1671. Als hij zonder kinderen komt te overlijden, legateert hij aan de NG huisarmen van Dordrecht een somma van 300 gl., aan zijn broer Adriaan Thooft 700 gl., aan zijn zuster Maria Thooft, de vrouw van Jan de Bruijn, 1000 gl., aan zijn broer Jasper Thooft 1000 gl., aan zijn broer Cornelis Thooft 1000 gl., en aan het kind van zijn broer Jasper, dat naar hem is vernoemt, nl. Samuel Thooft, 2000 gl ., of bij vooroverlijden aan hun nakomelingen. Van deze in totaal 6000 gl. legateert hij aan zij vrouw Maria van Wesel het jaarlijkse vruchtgebruik tot het moment, waarop zij gaat hertrouwen of anders tot aan haar overlijden. In al zijn overige na te laten goederen benoemt hij tot erfgenaam zijn vrouw Maria van Wesel.

ORA Dordrecht inv. 797 (oud), f. 146v e.v.: op 18 dec. 1692 verkoopt Maria van Wesel, weduwe en erfgename van Samuel Thooft, koopman en burger van Dordrecht, voor 11.000 gl. aan Adriaen Thooft Jaspersz. een huis, met de woning, loods en houttuinen daarnaast, staande en gelegen op de Nieuwe Haven omtrent de Roobrug tussen het huis van Herman Appels en het erf van de kinderen en erfgenamen van Pieter Carpentier. De koper, die veniam aetatis verkregen heeft van de Hoge Overheid op 11 sept. 1692, is schuldig aan verkoopster een bedrag van 11.000 gl. Zijn moeder, Catarina van Gent, weduwe van Jasper Thooft, houtkoper, stelt zich hiervoor borg.

ORA Dordrecht inv. 1638, f. 15v e.v.: op 6 febr. 1700 verkoopt Adriaan Wilmart, achtraad en koopman te Dordrecht, voor 9000 gl. aan Marija van Wesell, zijn echtgenote, een huis met een pakhuis daarnaast, vanouds genaamd “’t Noortsche Rosch”, staande bij de Pelserbrug tussen het huis van Cornelis Neringh en dat van de weduwe van Govert van de Velde, van achteren uitkomende op de Vest. Het huis wordt bewoond door de verkoper en zijn vrouw.

 6 febr. 1700: Adriaan Wilmart, achtraad en koopman te Dordrecht, verkoopt aan zijn vrouw, Marija van Wesell, voor 2800 gl. een huis bij de Vleeshouwersstraat, staande tussen het huis van Isaacq Verhoeven mr. schoenmaker en het stadhuis. (ORA Dordrecht inv. 1638, f. 15v e.v.)

ORA Dordrecht inv. 1639, f. 155: op 19 nov. 1702 verkoopt Maria van Wesel, echtgenote van Adriaan Wilmart, achtraad van Dordrecht, voor 5500 gl. aan Adriana Coenen, weduwe van Willem van Claveren, pondgaarder en koopman te Dordrecht, een huis in de Voorstraat aan de landzijde omtrent de Pelserburg, vanouds genaamd “’t Noortse Ros”, staande tussen het huis van de weduwe van Govert van de Velde en dat van de weduwe van Cornelis Nering.

ORA Dordrecht inv. 1751, f. 12: op 24 mei 1704 verkoopt Jan de Gelder, advocaat voor het Hof van Holland, als procuratie hebbende van Maria van Wesel, volgens procuratie gepasseerd voor notaris J. Blommendal te Leiden op 6 mei 1704, voor 400 gl. aan Hendrik Geerling, mr. twijnder en burger van Dordrecht, een tuin buiten de Spuipoort, gelegen naast het Goud- en Zilverleerhuis en achter de tuin van notaris Petrus van Son.

Archief Leiden en omstreken, notarieel archief, archief 506, inv. 1425, akte 120: op 2 okt. 1708 benoemt Maria van Wesel [“gesepareerde huijsvrou” is doorgehaald] tot voogden over haar haar minderjarige erfgenamen Govert van Wesel, president-schepen en equipagemeester van Dordrecht, en Evert van Wesel, commis de recherche te Rotterdam, haar broers.

Archief Leiden en omstreken, notarieel archief, archief 506, inv. 1467, akte 144: op 1 nov. 1708 prelegateert Maria van Wesel, wonende te Leiden in de Hogewoert bij de Hogewoertse poort, ziek zijnde, aan Evert van Wesel haar broer, en aan Elisabet van Wesel, vrouw van Petrus van Son, haar zuster, haar hofstede, woning en landerijen in Ridderkerk, samen groot ongeveer 32 morgen, en aan Anna van Nieuwenhuijse, haar dienstmaagd, een somma van 100 gl., maar indien zij haar niet tot genoegen komt te gedragen, slechts 50 gl.

Archief Leiden en omstreken, memoriaalboek mr. 6, inv. 210+6, f. 75v, dd 1 mei 1709: Maria van Wesel heeft t.b.v. haar collaterale erfgenamen nagelaten: een huis op de Varkenmarkt te Dordrecht, getaxeerd op 1900 gl., een huis op de Varkenmarkt te Dordrecht omtrent de paardenstal, getaxeerd op 600 gl., een huis te Dordrecht aan de zuidzijde van de Nieuwe Haven, staande achter het eerstgenoemde huis, getaxeerd op 600 gl., een huis in de Grotekerksbuurt te Dordrecht, getaxeerd op 1400 gl., een pakhuis op de Vest, getaxeerd op 400 gl., een woning, schuur, berging en keet, met ongeveer 1 morgen 400 roeden land in Nieunijenvaert onder Ridderkerk, getaxeerd op 1700 gl., stukken land aldaar en obligaties.

ORA Dordrecht inv. 1644A, f. 72en 82: op 13 okt. 1712 verkopen “mr. Johan de Gelder advoct. voor den Ed: Hove van Hollt. als last en procuratie hebbende van(de) Heer Govert van Wesel, in den Oudraad ende out schepen deser Stad, Soo voor sijn Ed. selve, en als voogd o(ver) Juffr. Margrita Nolthenius, dogter van(de) heer Corn. Nolthenius, verwekt bij Juffr. Agatha van Wesell, Petrus van Son nots. en procur. binnen dese Stad, als in Huwelijck hebbende Juffr. Elisabeth van Wesel, ende nog doende de Sake voor Martien Schenk, als in Huwel. hebbende Juffr. Cornelia van Wesel, item Juffr. Anna van Wesel wed.e van zal.r de Heer Hendrik Taaij, Juffr. Anna van Bree, Huijsv: vande Heer Anthonij van Wesel, en als procur. vanden selven hebbende nog de Heer Jacob van Wezell in t Collegie van d’Agten deser Stad, Messr.s Johan de Wijs, apothequer, als in Huwel. hebbende Juffr. Maria Roelandus, en Daniel Roelandus Coopman mede alhier, bijde kinderen van heer Jacobus Roelandus, verweckt bij Juffr. Everdina van Wesel, alle broeders, susters, swagers, susters neven en nigten mitsgrs. Erfgen: abintestato van zal.r. Juffr. Maria van Wesel,” voor 330 gl. aan Pieter Dormaal, kruidenier en burger van Dordrecht, een pakhuis, staande op de Vest achter het huis van Adriaan van Claveren, alsmede voor 1510 gl. aan Lijsbeth van Driel, dochter van Arij van Driel, een huis op de Nieuwe Haven, staande tussen de huizen ten oosten van de erfgenamen van Johannis Beije en ten westen het huis van Arie van Driel, tot achter tegen de plaats en het erf van het grote huis, dat door Maria van Wesel “selve nieuw opgebouwt en getimmert” is.

ORA Dordrecht inv. 1650, f. 31: op 5 juni 1723 verkoopt “Bartholomeus van Gelsdorp notaris en Procureur binnen dese Stad als bij mijn Ed:e Heeren vanden Gerechten ende Camere Juditeel deser opgemelte Stad hiertoe Specialijk geauthoriseert sijnde volgens den Appoinctemente (geslagen op de Requeste gepresenteert bijde Erfgenamen van wijlen de Heer Govert van Wezel in sijn leeven inden Oudraad deser Stad, mitsgrs: Petrus van Son, Procureur alhier als in huwelijk hebbende Elisabeth van Wezel mede Erffgenamen van wijle Maria van Wezel in haar leven laast huijsv: van Adriaan Wilmart)”, voor 1260 gl. aan Marcelis van Horbag een huis op de Varkenmarkt, staande tussen de gang van het huis van mr. Johan Marin van Wevort van Ossenbrugh en het huis van Jan Piket mr. schoenmaker.

b. Elisabeth van Wesel, 8 mrt. 1648, weduwe wonende bij de Grote Kerk (1681), trouwde 1e NG Dordrecht 7 dec. 1670 Pieter Nolthenius, 2e NG Dordrecht 4 mei 1681 (ondertrouw) Petrus van Son, jongman van Klundert, wonende bij de Grote Kerk (1681)

c. Govert van Wesel, 14 aug. 1650, volgt IV

d. Everdina van Wesel, 29 sept. 1652, trouwde Jacobus Ro(e)landus, predikant te Dordrecht (zie ook Fragment Genealogie Rolandus, Generatie 1 (nikhef.nl))

ORA Dordrecht inv. 1626, f. 112 e.v.: op 8 nov. 1679 verkopen Beatris, Johannes, Abraham, Sara en Helena van Dijck, allen meerderjarige, ongehuwde kinderen en erfgenamen van Leonard van Dijck, voor zichzelf en tevens vervangende de overige kinderen en erfgenamen van hun overleden vader, voor 5200 gl. aan ds. Jacobus Roelandus, predikant te Dordrecht, een huis in de Kannenkopersbuurt, staande tussen het huis van Philips Daelman en dat van Maerten Sandertsz. [de Bont], alsmede een woninkje achter het verkochte huis, staande in de Mariënbornstraat. De koper is schuldig aan verkopers een somma van 4000 gl. 

Jacob Rolandus, predikant te Rijsoord en later te Dordrecht, trouwde 1e Agneta Colvius, dochter van Andreas Colvius Nicolaasz., predikant in de Waalse gemeente te Dordrecht, en Anna van der Myle Abrahamsdr. (Balen, o.c., p. 1088 e.v.), 2e Everdina van Wesel 

NG trouwboek Dordrecht 16 juli 1656: ds. Jacobus Rolandus predikant in Rijsoord jongman en Agneta Colvius jonge dochter van Dordrecht wonende in de Nieuwstraat, per schrijven van de Franse kerk, getrouwd op 1 aug. 1656

Begraafboek Grote Kerk Dordrecht 27 juli 1672: een zwarte baar in de Nieuwstraat voor juffrouw Colfius de vrouw van ds. Jacobus Roelandus 

NG trouwboek Dordrecht 31 mrt.1675: ds. Jacobus Rolandus weduwnaar predikant te Dordrecht en Everdina van Wesel jonge dochter van Dordrecht wonende op de Nieuwe Haven, getrouwd op 16 april 1675

 Begraafboek Grote Kerk Dordrecht 17 juni 1686: een zwarte baar voor ds. Roelandus predikant in de Kannenkopersbuurt 

ONA Dordrecht inv. 190, f. 444 e.v.: op 12 juni 1686 testeert Jacobus Roelandus, predikant te Dordrecht, ziek in een stoel zittende. Hij prelegateert aan Everdina van Wesel, zijn vrouw, de portretten van hem en zijn vrouw, geschilderd door Nicolaes Maes, aan zijn oudste zoon, Andreas Roelandus de portretten van hem, testateur, en zijn eerste vrouw, Angnieta Colvius, alsmede de portretten van ds. Andreas Colvius en diens vrouw, de beschrijving van het leven van ds. Jacobus Roelandus, testateurs grootvader, door hemzelf geschreven, met testateurs grote bijbel en al zijn theologische geschriften en die van wijlen ds. Daniël Roelandus, zijn vader, op voorwaarde, dat, als één van zijn andere zoons theologie gaat studeren en predikant wil worden, diegene de helft van de theologische geschriften zal moeten krijgen, alsmede het portret van Daniël Roelandus, zijn vader, doch indien die zoon kinderloos komt te overlijden, zal het portret moeten komen aan zijn zuster Anna Roelandus of haar kinderen, aan Anna Roelandus, zijn oudste dochter, de portretten van ds. Andreas Roelandus en zijn vrouw en het portret van wijlen Agneta Colvius door [Bernard] Vaillant, welke al aan Anna zijn overgedragen, het portret van Nicolaes Colvius en dat van mevrouw Nieupoort, testateurs overleden nicht, aan Marija Roelandus, zijn dochter, het schilderij met alle kinderen van ds. Daniël Roelandus, aan zijn zoon Daniël Roelandus het portret van ds. Thomas Doelegius, zijn oom zaliger, aan Jacob Roelandus, testateurs zoon, het portret van ds. Jacobus Roelandus, testateurs grootvader, aan Rochus Roelandus, testateurs zoon, de portretten van ds. Daniël Roelandus en zijn vrouw, en tenslotte aan Simeon Roelandus, zijn jongste zoon, het portret van Marija Roelandus, zijn jongste overleden dochter. Hij prelegateert aan zijn vrouw Everdina van Wesel o.a. een doosje met zilveren potpenningen. Tot erfgenamen van al zijn overige goederen benoemt hij Everdina van Wesel, zijn vrouw, zijn voorkinderen, Andreas Roelandus en Anna Roelandus, de vrouw van Evert van Wesel, en zijn vijf nakinderen, verwekt bij Everdina van Wesel, of bij vooroverlijden hun kinderen. Hij wil, dat zijn dochter Anna Roelandus eerst in de boedel zal inbrengen een somma van 350 gl., in plaats van de uitzet, die hij en zijn vrouw voor haar betaald hebben, toen zij ging trouwen. Aangezien hij zijn beide voorkinderen voor hun moederlijke goederen elk uitgekeerd heeft een bedrag van 300 gl. volgens akte gepasseerd voor notaris J. Melanen te Dordrecht op 7 april 1675 en hij aan zijn dochter Anna Roelandus, toen zijn ging trouwen met Evert van Wesel, in plaats van die 300 gl. beloofd heeft een jaarlijkse uitkering, die zes jaar zal duren, moet aan zijn dochter of haar erfgenamen terstond na zijn overlijden verstrekt worden hetgeen nog aan die 300 gl. zal ontbreken. Hij geeft aan zijn vrouw de keuze of zij haar erfportie wil voldaan hebben in het geheel of gedeeltelijk met huisraad en roerende goederen. De testateur wenst, dat zijn nakinderen tot zij mondig zijn geworden of gaan trouwen bij hun moeder blijven wonen en haar dan voor kostgeld, kleding etc. elk 100 gl. per jaar zullen betalen. Hij wenst ook, dat zijn voorzoon Andreas Roelandus tijdens zijn vaders leven, zolang hij niet op de academie zal zijn gekomen en hij bij ds. Salomon van Thil in de talen en theologie wordt onderwezen, bij zijn vrouw zal blijven wonen, mits zijn vrouw daarvoor 200 gl. per jaar zal ontvangen. Tot voogden over zijn nakinderen benoemt hij Everdina van Wesel, en over zijn voorkinderen Pieter van Son, zijn zwager, en mr. Hugo Baen, zijn neef.

ORA Dordrecht inv. 1631, f. 9 e.v.: op 15 mrt. 1687 verkopen Petrus van Son, notaris te Dordrecht, als procuratie hebbende van Everdina van Wesel, weduwe van ds. Jacobus Roelandus, predikant te Dordrecht, voor zichzelf en als voogdes over haar minderjarige kinderen, bij haar verwekt door ds. Roelandus, en voornoemde notaris nog als procuratie hebbende van mr. Hugo Baen, oud-thesaurier van Dordrecht, als voogd over Andries Roelandus, voorzoon van ds. Roelandus, voor zichzelf en tevens vervangende Evert van Wesel, controlleur te Panderen, als man van Anna Roelandus, voordochter van ds. Roelandus, voor 1800 gl. aan Simon Germain, mr. fijnschilder, een huis in de Nieuwstraat, staande tussen het huis van Anthonij de Sont en dat van Nicolaes de Vries. De koper is schuldig aan verkopers een somma van 1700 gl. In margine: op 21 febr. 1699 toont Simon Ghermijn de originele brief, waarbij blijkt, dat de schuld volledig is voldaan.

ONA Dordrecht inv. 451, akte 32: op 13 april 1696 compareren ten overstaan van notaris P. van Son Daniël Rolandus, predikant te Geervliet, Thomas Dolegius Rolandus, predikant te Waarder, Everdina van Wesel, weduwe van Jacobus Rolandus, predikant te Dordrecht, als moeder en voogdes van Rocus, Daniël en Jacobus Rolandus, en Johan de Wijs, apotheker te Dordrecht, als man van Maria Rolandus, dochter van genoemde Jacobus Rolandus, allen naaste verwanten van Maria Rolandus Daniëlsdr., die kort daarvoor te Dordrecht is overleden. Comparanten verklaren voornemens te zijn het lijk van Maria Rolandus naar Geervliet te laten vervoeren, opdat zij daar begraven kan worden. Zij verklaren tevens afstand te doen van haar nalatenschap.

Idem, akte 33: inventaris van de nalatenschap van Maria Rolandus, op 11 april 1696 overleden, waarvan de lasten meer bedragen dan de baten. De inventaris is opgemaakt op 30 april 1696 op verzoek van de in de voorgaande akte genoemde comparanten, die mede vervangen Everhard van Wesel, man van Anna Rolandus. De nalatenschap omvat naast kleren, sieraden, inboedel enzovoort o.a. een aantal schilderijen, die hangen op de kamer van de overledene,nl.: de Bloedraad van “Ducq-dalff” [de hertog van Alva], “een fruijtagie”, drie landschapjes, een Maria-Boodschap, het portret van haar moeder, een gedicht in een eiken lijstje en een Almanaksprentje “in een glaasje”, en een aantal boeken, waaronder de “Metamorfosen” van Ovidius en “Joseph” van Vondel. De begrafeniskosten bedragen 136 gl. 9 st. De overledene was schuldig wegens een kwartaal huur van de kamer, waarin zij overleden is, 6 gl. 5 st. * 17 april 1696: de zuster van wijlen ds. Roelandus “vervoert naer [sic] om aldaer begrave te werden … is gestorven beijde weduwe van Roelandus”. 

ORA Dordrecht inv. 1638, f. 75 e.v.: op 31 juli 1700 verklaart Rochus Roelandus, koopman te Dordrecht, schuldig te zijn aan Johannes Cantius, predikant te Dordrecht, een somma van 4000 gl. Compareert mede Johan van Herff, “makelaar ter beurse” te Dordrecht, die verklaart, dat Everdina van Wesel, weduwe van Jacobus Roelandus, predikant te Dordrecht, als onderpand voor genoemde schuld heeft verbonden een huis in de Kannenkopersbuurt, staande tussen het huis van Johannes van Haerlem apotheker en dat van Mattheus van den Broeke, lid van de Oudraad van Dordrecht. e. Agatha van Wesel, 24 sept. 1656

ORA Dordrecht inv. 1648, f. 135v: op 28 aug. 1719 verkoopt Daniël Roelandus, koopman te Dordrecht, zoon en mede-erfgenaam van Everdina van Wesel, weduwe van ds. Jacobus Roelandus, predikant te Dordrecht, voor 1000 gl. aan Govert van Wesel, schepen in wette van Dordrecht, twee huisjes met een tuin erachter, staande achter het Bagijnhof en gekomen uit de boedel van verkopers moeder.

f. Anna van Wesel, trouwde Hendrik Taeij

ORA Dordrecht inv. 1643, f. 46v: op 26 sept. 1709 verkoopt de weduwe van Hendrick Taaij, pondgaarder te Dordrecht, voor 8000 gl. aan Adriaan Braats, koopman te Dordrecht, een huis, met stal en koetshuis, zoals het door de verkoopster wordt bewoond, staande in de Voorstraat omtrent de Vuilpoort tussen het huis van Jacobus Paradijs en dat van Gillis van Helmond.

ORA Dordrecht inv. 1649, f. 119: op 29 okt. 1721 verkoopt “Johan vander Burgh Heeren Johanzoon als last en Procuratie hebbende van Juffrouw Anna van Wezel wed:e wijle de Heer Hendrik Taaij in sijn leven Coopman binnen dese Stad volgens deselve procuratie daer van sijnde gepasseert voor Schepenen der Stad en Graaffschap Leerdam in dato den 26en October 1721” voor 100 gl. aan Arnoldus ’t Hooft, koopman te Dordrecht, een huisje in de Schuitenmakersstraat, staande tussen het huis van de koper en dat van Hendrik Timmers.

g. Simon van Wesel, 15 dec. 1658, vermoedelijk jong overleden

h. Evert van Wesel, 7 nov. 1660, commis de recherche te Rotterdam, begraven Rotterdam 22 nov. 1720 (Grote Kerk, eigen kelder, liet na 1 meerderjarige kind en 3 minderjarige kinderen, Boompjes bij de draaisteeg, naast de smid), trouwde Anna Roelandus, gedoopt NG Dordrecht 1 mrt. 1668, begraven Rotterdam 11 dec. 1724 (liet na één minderjarig kind en 3 meerderjarige kinderen, Grote Kerk, eigen kelder, Boomjes bij de draaisteeg), dochter van Jacobus Roelandus en Agneta Colvius

Kinderen (allen NG gedoopt in Rotterdam):

h-1. Angenetha, 26 juli 1693 (op de Wijnhaven, getuigen: Nicolaas Colvius, Hendrick Taeij, Everdina van Wesel, weduwe van ds. Jacobus Rolandus, Jacobus Rolandus)

h-2. Angenetha, 29 mei 1695 (op de Bierhaven, getuigen: Nicolaas Colvius, predikant te Amsterdam, Daniël Rolandus, predikant te Biervliet)

h-3. Catharina, 15 aug. 1696 (op de Bierhaven, getuigen: Joan Margau, Catharijna Colvius, vrouw van Joan Margau)

h-4. Rochus, 27 april 1704 (in de Boompjes, getuigen: Daniël de Lamtte, Catharijna Marchau)

i. Cornelia van Wesel, 26 mrt. 1663, trouwde ds. Wilhelmus Lupardus, predikant te Nieuw-Beijerland

j. Antonij van Wesel, 20 mrt. 1665, trouwde 2 mrt. 1686 in Christiana (Noorwegen) Anna van Bree (ONA Dordrecht inv. 377, f. 130, akte dd 29 april 1686)

ORA Dordrecht inv. 1637, f. 4 e.v.: op 9 jan. 1699 verkoopt Jan Bosman, als procuratie hebbende van zijn moeder, Heijltje van der Beecq, weduwe van Aart Bosman, voor 3000 gl. aan Anthonij van Wesell, pondgaarder en burger van Dordrecht, een huis buiten de Vuilpoort, staande tussen het huis van Adriana van Ardennen en dat van Cornelis van Putten.

k. Jacobus van Wesel, 23 april 1668

ORA Dordrecht inv. 1639, f. 155v: op 19 nov. 1702 verkoopt Jacob van Wesel, wonende te Dordrecht, voor 1100 gl. aan Jacob Logger, bierdrager en burger van Dordrecht, een huis in de Kannenkopersbuurt in de Oude Houttuin [Voorstraat], staande tussen de Turfsteiger en de ingang “na” het achterhuis van de verkoper, strekkende van de straat tot achter tegen het voornoemde achterhuis, komende van achteren met een vrije uitgang in de Turfsteiger.

ORA Dordrecht inv. 1639, f. 159v: op 7 dec. 1702 verkoopt Jacobus van Wesel, koopman te Dordrecht, voor 406 gl. aan Cornelis Dirksz. van der Lis, mazelaar en burger van Dordrecht, het achterste deel van een woonhuis in het huis van de verkoper, staande in de Turfsteiger aan de westzijde van het genoemde huis, uitkomende in de Turfsteiger. De koper is schuldig aan Roealand Millaart, burger van Dordrecht, een somma van 300 gl.

ORA Dordrecht inv. 1640, f. 75: op 12 jan. 1704 verkoopt Jacobus van Wesel, koopman te Dordrecht, voor 1200 gl. aan Jacob Leijten, burger van Dordrecht, een huis in de Turfsteiger, van achteren uitkomende op de haven, met een ingang, zijnde een gang, van voren aan de Voorstraat, uitgezonderd het gedeelte van het huis, dat bewoond wordt door Cornelis van der Lis. Het verkochte huis wordt aan de ene zijde belend door het huis van Van Bergen bakker en de Turfsteiger aan de andere zijde.

IV. Govert van Wesel, gedoopt NG Dordrecht 14 aug. 1650, jongman van Dordrecht wonende op de Nieuwe Haven (1671),weduwnaar van Dordrecht (1688), houtkoper, koopman en equipagemeester van het generaliteitsmagazijn van de behoeften en materialen des lands bruggen etc. te Dordrecht (1675), hoogdijkheemraad van de Zuidpolder van Barendrecht (1677), schepen in wette van Dordrecht, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 19 sept. 1719 (Govert van Wesel, een wapenbord, zes sleepmantels, de grote boete), trouwde 1e NG Dordrecht 25 okt. 1671 (ondertrouw) Antonia van Slingelandt, jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Kerkstraat (1671), 2e NG Dordrecht 19 dec. 1688 (ondertrouw) Clara van de Graaf Francoijsdr., gedoopt NG Dordrecht 4 dec. 1656, jonge dochter van Dordrecht (1688), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 10 mei 1743 (Clara van de Graaf, weduwe van Govert van Wesel, laat kinderen na, 9 koetsen extra, een wapenbord voorgedragen), dochter van Francois van de Graaf en Margareta van der Hulck

ONA Dordrecht inv. 281, f. 218: op 29 nov. 1686 verklaart Cornelia van Beaumont, weduwe van Damas van Slingelant, ontvanger van de gemene middelen in Dordrecht, dat zij haar dochter Anthonia van Slingelant tijdens haar huwelijk met Govert van Wesel, equipagemeester te Dordrecht, boven haar vaderlijke goederen heeft uitgezet “in cleedinge ende reedinge bruijloftsfeeste als anders”, hetgeen haar een aanmerkelijke som geld heeft gekost, maar dat zijn niettemin de twee nagelaten kinderen van haar dochter, bij haar verwekt door Govert van Wesel, “institueert” in de eigendom van twee morgen weiland aan de oostzijde van de Groeneweg in het Oudeland van Strijen.

ORA Dordrecht inv. 1749, f. 74v: op 4 april 1691 verkoopt notaris Johan van der Hoop, als daartoe gemachtigd door het gerecht van Dordrecht, voor 4100 gl. aan Govert van Wesel, equipagemeester, een windzaagmolen met woonhuis en gereedschappen “van hout”, staande op de Kalkhaven buiten de Sluispoort tussen de timmerloods van Jan Schouten en de Kalkhaven.

ORA Dordrecht inv. 1750, f. 110v: op 26 jan. 1700 verkoopt notaris Johan van Bijwaert, als curator over de insolvente boedel van Jacomijntje Pietersdr. de Swart, weduwe van Anthonij Huijberts van Heijbeeck, voor 180 gl. aan Govert van Wesel, equipagemeester en koopman te Dordrecht, een huisje in de Gebrande Buurt buiten de Sluispoort, staande tussen het huisje van Teunis Philipse en dat van Jan Jacobsz.

ORA Dordrecht inv. 1639, f. 2: op 6 jan. 1701 verkoopt Elias Venlo, notaris te Dordrecht, als curator in de boedel van Gillis Rees, voor 1425 gl. aan Govert van Wesel, koopman te Dordrecht, een derde part in een pakhuis in de Schuitenmakersstraat met zijn dubbele houttuinen en kades erachter, staande tussen de straat en het huis, dat door de boekhouder Ruijs wordt bewoond.

ORA Dordrecht inv. 1639, f. 79v e.v.: op 31 okt. 1701 verkopen Elisabeth Ooms, weduwe van Rochus Rees, Pieter van Dorsten, als man van Elisabeth Rees, en Johan Roels, als echtgenoot van Maria Rees, aan equipagemeester Govert van Wesel, veertigraad en koopman te Dordrecht, 1e voor 11.000 gl. een huis aan het kerkhof van de Grote Kerk, staande achter het huis, genaamd “de Oude Lommert”, in welk huis Gillis Rees woont, met loods, houttuin en kade, 2e voor 6000 gl. een huis, genaamd “Klein Cruissenberg”, staande aan het kerkhof van de Grote Kerk, strekkende van voren van het plein van het kerkhof tot achter aan de kade, en 3e voor 1600 gl. een huis genaamd “Groot Kruijssenberg” of “d’Oude Lombaert”, staande in de Grotekerksbuurt bij de Grote Kerk tussen ’s herenstraat en het huis van Pieter vanVianen grutter, strekkende voor van de straat tot achter aan het huis, waarin Gillis Rees woont. De drie huizen zijn “in plaats van waarborge gelevert bij willich decreet deser stad”.

ONA Dordrecht inv. 292, f. 185: op 16 febr. 1709 stelt Govert van Wesel tot voogden over zijn minderjarige erfgenamen aan zijn vrouw Clara van de Graaff, zijn zwager postmeester Sebastiaan van de Graaff en zijn zoon Damas van Wesel.

ORA Dordrecht inv. 1643, f. 62v: op 20 nov. 1709 verkoopt Anthonij van Wesel, koopman te Dordrecht, voor 2100 gl. aan Govert van Wesel, schepen in wette van Dordrecht, een huis buiten de Vuilpoort, staande tussen het huis van Philip van Haarlem en dat van Van der Putten.

ORA Dordrecht inv. 1643, f. 108: op 20 mei 1710 verkoopt Johan de Bruijn voor 550 gl. aan Govert van Wesel, schepen in wette van Dordrecht, een koetshuis en paardenstal op de Hoge Nieuwstraat [belenders niet vermeld].

ORA Dordrecht inv. 1643, f. 127v: op 13 sept. 1710 verkoopt Anthonij van Wesel, brouwer in “de Son”, voor 6000 gl. aan Govert van Wesel, schepen in wette van Dordrecht, de brouwerij “de Son” met woonhuis en mouterij, staande op de Voorstraat tegenover de Pelserbrug tussen het huis van Jan van Druijnen en dat van Mattheus Coddeus.

ORA Dordrecht inv. 1644A, f. 30: op 2 mei 1712 verkoopt Govert van Wesell, lid van de Oudraad te Dordrecht, voor 8800 gl. aan Anthonij de Vos Jacobsz., koopman te Dordrecht, een brouwerij, genaamd “de Son”, met woonhuis en mouterij, staande in de Voorstraat omtrent de Pelserbrug tussen het huis van Jan van Druijnen en dat van Mattheus Coddeus.

ORA Dordrecht inv. 1752, f. 46: op 31 mrt. 1713 verkoopt “Huijbert van Wetten, Nots. binnen dese Stad, als bij mijn Ed.e Groot Agtb. heeren van(de) geregte en(de) Camere Judiciele binnen der selver Stede aangestelt zijnde tot Curateur over den geabondonneerde Boedel van Pieter Janse Schout zal.r in zijn Leven mr. schiptimmerman, en borger binnen de voorz. Stad mitsgrs. ook Specialijk geauthoriseert wesende tottet overdragen vande onroerende naergelatene goederen vandenselve Pieter janse Schout zal.r”, voor 650 gl. aan Govert van Wesel een huis in het Wilgenbos buiten de Sluispoort, staande tussen het huis van Dirk van der Ruijt en dat van Willem Kruijtmole.

ORA Dordrecht inv. 1752, f. 159: op 23 sept. 1717 verkoopt Govert van Wesel voor 750 gl. aan Pieter Kuijper, mr. scheepmaker, “Zeekere melioratie en Erve mitsgaders een Lootse daar op staande sijnde genommert op Stadsboek folio 252, en nog een gedeelte van het Erf van No 253, daar op staande Een klijn woonhuijsje, strekkende van(de) Heijningh voor aende straat tot de schijdelmuer van het Huijsken en Loots, waar onder de Caapstanden van(de) Sleephelling gaat, ende oock het gedeelte vande selfde Loots of Huijsken daar nevens gebruijckt werdende tot bergingh van(de) Spaanderen of gereetschap, en om sulx ten regten te verstaan, soo sal het voornoemde woonhuijsken doorgaans van ’t gescheij inde muragie ter geheeler breete van ’t huijske moeter blijven, en komen aenden Cooper; ende het verdere blijft aande Huijsinge ende Erve van(de) heere vercooper, beijde staande nevens den anderen op de Schiptimmerwerff tusschen de Sluijs en Spuijpoorte deser Stad, onder Conditie dat den Reep, Zoo voor dato door het Huijsken tot gebruijk van(de) Sleephelling geheel en al vrij en altoos sal moeten bij den Coopers werden toegestaan als van voor dato dat oijt gebruijkt is geworden boven op de Solder sal het selfde op de reedingh van andere ten gemeene Coste worden beschoten ende gesepareert, gelijk ook soo het gerequireert wiert, een nette schijdingh tusschen de twee werffe na de waterkant sal dat moeten werden naargesien op Stads kaartebouck, ende het gedeelte van(de) werff No. 253 niet verder strekkende sall van(de) hijningh voor aen de straat tot de schijdingh in de muijr van het woonhuijsken, ende wat verder dat Erff naar de watercant gaande blijft aende huijsinge en Erffe waar op de Sleephellingh leggende is, alles bij den kooper gecogt voor eene Somme van seven hondert vijfftigh gul van alles vrij gelt te weeten gereet ende Contant de Somme van f 400 ende het resterende drie hondert vijfftigh gul. een jaar naar date mette intrst vandien jegens […] is nogh geconditioneert dat den Cooper moet betalen en dragen inde jaarlijxe Stads Schaftgelden en verpondingh voor het gedeelte van ’t Erff No. 253 hier boven verkogt werden(de) een geregt sesde part, van f 44 gul. vier st. daar onder eenen honderste penn. gereekent waar voor het Erff No. 253 belast staat en sal bij de vercooper het voorsz. erff en Loots gesuijvert werden van de Schaftgelden en verpondingen tot meij 1717 verleden.”

ORA Dordrecht inv. 1649, f. 87v: op 3 april 1721 verkoopt Adriaan van der Pot, wonende te Dordrecht, als procuratie hebbende van de erfgenamen van Govert van Wesel, voor 410 gl. aan mr. schilder Willem de Jongh twee huisjes met een tuin erachter, staande achter het Bagijnhof naast de looierij van Cornelis Verbroek.

ORA Dordrecht inv. 1753, f. 27v: op 24 juli 1721 verkoopt Adriaan van der Pot, koopman te Dordrecht, als man van Clara Margrita van Wesel, dochter en mede-erfgename van Govert van Wesel, als procuratie hebbende van de overige erfgenamen van Govert van Wesel, voor 800 gl. aan Andries van Gewas en Jan van Vugt, schiptimmerlieden buiten Dordrecht, een scheepstimmerwerf met loods, een groot sterk huis, bestaande uit twee aparte woningen, en een sleephelling, staande en gelegen tussen de Sluispoort en Spuipoort, tussen de de werf van de weduwe van Van Drongelen en de werf van Pieter Lammertsz. Kuijper.

ORA Dordrecht inv. 1754, f. 26: op 10 mrt. 1729 verkoopt Clara van de Graaf, weduwe van Govert van Wezel, voor 6000 gl. aan Steven Verkerck, koopman op de Rijn, een gewezen windzaagmolen met een huis ernaast, staande aan het einde van de Kalkhaven tussen de ingang van de Kalkhaven en de timmerwerf van de weduwe van Sijmon Jansz. Schouten, “alsmede nog sodanigen gebruijk van sekere houtbergenisse met den eijgendom vanden opstal vandien met sodanigen Regt als de Stad Dordrecht hetselve tot wederseggens toe heeft vergunt aenden voorsz. Heer Govert van Wezel zal.r ende verder off anders niet”.

16 mei 1732: testeert voor notaris P. de Ruijter te Dordrecht Geertruijd van der Hulck, weduwe van Hendrik Franken, in zijn leven lid van het College van Mannen van Veertigenen koopman te Dordrecht. Zij legateert aan   de huisarmen van de NG diaconie te Dordrecht 4000 gl., te voldoen met obligaties ten laste van de provincie Holland,   aan de nakomelingen van haar zuster wijlen Margarita van der Hulck, weduwe van Francois van de Graaff, 112.000 gl., te voldoen met obligaties ten laste van de provincie Holland, te weten aan haar nicht Clara van de Graaff, weduwe van Govert van Wesel, 27.000 gl., te voldoen met obligaties ten laste van de provincie Holland,   aan Margarita van de Graaff, dochter van haar neef Gillis van de Graaff, 13.500 gl., te voldoen met obligaties ten laste van de provincie Holland, op voorwaarde, dat Margarita daarvan alleen het vruchtgebruik zal hebben en de eigendom ervan zal overgaan op haar wettige nakomelingen of bij ontbreken daarvan op Gillis Francoijs van de Graaff, nagelaten zoon van mr. Louis van der Graaff, die broer was van Margarita van de Graaff, op voorwaarde dat Gillis Francoijs daarvan alleen het vruchtgebruik zal hebben tot zijn 25e jaar en daarna de volledige beschikking over genoemd legaat zal krijgen. Indien hij voordien komt te overlijden, zal het legaat vererven op zijn wettige nakomelingen of bij ontbreken daarvan voor een derde part op testatrices nicht Clara van de Graaff, weduwe van Govert van Wesel, en voor een derde part op de kinderen van haar nicht Agnita van de Graaff, weduwe van Cornelis van Helmond, daarbij inbegrepen het kind van Elisabeth van Helmond, op voorwaarde, dat Gillis van Helmond van zijn aandeel alleen de opbrengsten zal genieten en dat de eigendom ervan zal overgaan na zijn overlijden op zijn wettige nakomelingen. Tot administrateurs van het legaat van Margarita van de Graaff stelt de testatrice aan Gillis Rees, achtraad te Dordrecht, en Anthonij Repelaer, oud-burgemeester van Dordrecht. Het laatste derde part van dit legaat zal toekomen aan de kinderen van testatrices nicht wijlen Anthonia van de Graaff, echtgenote van Simon de Vries, genaamd Margarita, Simon Adriaan en Francoijs de Vries, alsmede de nagelaten kinderen van Anthonij de Vries, over welke zij aanstelt als voogden Francoijs de Vries, schepen te Rotterdam, en Simon Adriaan de Vries, drossaard van de vrijheid Oosterhout.   Zij legateert voorts aan Gillis van de Graaff, zoon van mr. Louis van de Graaff, 13.500 gl., te voldoen met obligaties op de provincie Holland, op voorwaarde, dat hij van zijn aandeel in het legaat alleen het vruchtgebruik zal hebben tot zijn 25e jaar en daarna de volledige beschikking erover. Indien daarvoor komt te overlijden zal zijn legaat vererven op zijn wettige nakomelingen of bij ontbreken daarvan op zijn tante Margarita van de Graaff. Margarita zal evenwel daarvan alleen het vruchtgebruik genieten en de eigendom zal na haar overlijden toekomen aan haar wettige nakomelingen of indien zij zonder nakomelingen komt te overlijden voor een derde part aan testatrices nicht Clara van de Graaff, weduwe van Govert van Wesel, en voor een derde part aan de kinderen van haar nicht Agneta van de Graaff, weduwe van Cornelis van Helmond. Tot administrateurs van dit deel van het legaat stelt zij aan Gillis Rees en Anthonij Repelaer. Het laatste derde part zal in bovengenoemd geval vererven op de kinderen van haar nicht Anthonia van de Graaff, in haar leven vrouw van Simon de Vries en de kinderen van wijlen Anthonij de Vries. Tot voogden over de kinderen van Anthonij de Vries stelt zij aan Francoijs de Vries, schepen van Rotterdam, en Simon Adriaan de Vries, drossaard van de vrijheid Oosterhout.   Zij legateert voorts aan haar haar nicht Anthonia van Wesel, echtgenote van mr. Caspar Balthazar Doll van Ourijk, nagelaten dochter van Johanna de Vries, dochter van Anthonia van de Graaff, 4000 gl., te voldoen met obligaties ten laste van de provincie Holland, en   aan de “staak” van haar “susters dogter van halven bedde” Digna Blok, in haar leven vrouw van Hendrik van Dortmont, 24.000 gl., te voldoen met obligaties ten laste van de provincie Holland, namelijk aan de kinderen van haar nicht Geertruijd Justina van Dortmont, bij haar verwekt door Albertus Alberthoma, in zijn leven predikant te Leiden, daarbij inbegrepen de kinderen van Hendrietta Geertruijd Alberthoma, 12.000 gl., te voldoen met obligaties ten laste van de provincie Holland, en aan de kinderen van Baldina Cornelia van Dortmont, weduwe van Johannes Keuchenius, predikant te Ferwert in Friesland, 12.000 gl., te voldoen met obligaties ten laste van de provincie Holland, waarvan Baldina alleen het vruchtgebruik zal hebben en de eigendom zal toekomen aan de kinderen van testatrice’s nicht Geertruijd Justina van Dortmont, daarbij inbegrepen de kinderen van Hendrietta Geertruijd Alberthoma. Tot voogden over Maria en Digna Alberthoma stelt zij aan de drie schoonzoons van Albertus Alberthoma, namelijk Petrus Sandra, arts te Leiden, Sicco Alberthoma, predikant te Lettelbert [Groningen], en Robbertus Alberthoma, predikant te Groningen.   Tenslotte legateert zij nog aan Agnita van Oldenburch, indien zij bij het overlijden van testatrice nog in haar dienst zal zijn, een geconverteerde lijfrente in een obligatie van 1000 gl. ten laste van de provincie Holland en een dito obligatie van 1000 gl. ten laste van Francoijs van den Brandeler,   Tot erfgenamen van haar overige na te laten goederen stelt zij aan de kinderen en kindskinderen van haar overleden zuster Adriana van der Hulck, weduwe van burgemeester Gerard Franken, nl. Geertruijd Franken, vrouw van mr. Pieter Brandwijk van Blokland, Adriana Franken, vrouw van mr. Cornelis Pompe van Meerdervoort, heer van Zwijndrecht, en de kinderen van wijlen Elisabeth Franken, bij haar verwekt door haar eerste en tweede man, resp. Matthijs van der Burch, heer van Niemandsvriend en lid van de Oudraad te Dordrecht, en mr. Mattheus van den Broucke, burgemeester van Dordrecht. Voogden: haar neven mr. Pieter Brandwijk van Blokland, Cornelis Pompe van Meerdervoort, heer van Zwijndrecht, en Johan van der Burch, heer van Niemandsvriend. (ONA Dordrecht inv. 1005, akte 57)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

Ex 1:

a. Damus (Damas) van Wesel, 18 sept. 1672, jongman van Dordrecht (1704), ontvanger van de gemene middelen te Bergen op Zoom, koopman te Dordrecht, trouwde Gerecht/NG Dordrecht/Delfshaven 24 aug./9 sept. 1704 (de bruidegom geassisteerd met zijn vader Govert van Wesel, de bruid met haar vader Simon Anthonisz. de Vries) Johanna de Vries, jonge dochter van Dordrecht (1704), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 15 aug. 1708 (Johanna de Vries, vrouw van Damis van Wesel, het huis met rouw behangen, zes slepen)

ORA Dordrecht inv. 1751, f. 79: op 6 dec. 1707 verkoopt Jan van Slingelandt, houtkoper en burger van Dordrecht, voor 700 gl. aan Damas van Wesel ” een Loots, Thuijn en verdre gevolge staende op het Stadts Erff, bij hem vercooper gebruijkt geweest sijnde tot een houtwerff gelegen even buijten de klijne Sluijspoorte, aen den noorden Dijck, streckende vande Sluijs aff, Langs de noorden dijck tot aen den wegh, Loopende Langs de blijkerije en vanden voors: Dijk, Langs den genoemde wegh, tot aen het Stats erff, present gebruijkt werdende bij Gillis Holaert, mede Houtkooper met alsulke servituijten en vrijdommen als de voorsz: melioratie eenigsints subject en hebbende is, als mede de lasten der Reparatie en Onderhoudinge vande kaijen off Stadts Boom om off aen het voorsz. Erff van het Steene werk vande Sluijs aff, tot aen het gemelde Erff bij den voorsz: Holaert in gebruijk, ende der Jaarlijxe Hueren, off Recognitie voor het gebruijk van het voorsz: Erff, soo de Heeren Borgermeesteren ten behoeve van dese Stad daerop hebbende en sprekende hebben, Alle het welke Heer Damas van Wesel, als Cooper en bruijker voornt: Hier mede voor ons Schepenen Compareerde verclaerde bij desen te nemen tot sijnen lasten, ende bekende den vercooper huer nevens vanden Cooper voorn. betaalt en voldaern te sijn” met 700 gl.

ORA Dordrecht inv. 1645, f. 52: op 23 sept. 1713 verkoopt Maria Johanna van der Steen, weduwe van Pieter Jacques van Heijdenrijck, raadsheer in de Grote Raad te Mechelen, voor 1300 gl. aan Damas van Wesel, ontvanger van de gemene middelen te Bergen op Zoom en koopman te Dordrecht, een huis met een voor- en achterwoning in de Voorstraat omtrent de Nieuwkerkstraat, het tweede huis van die straat, genaamd “de Gulden Hoorn”, strekkende van de Voorstraat met een vrije uitgang tot achter aan de Wijngaardstraat. [Belenders niet vermeld.]

ORA Dordrecht inv. 1782, f. 8: op 8 mei 1718 verkopen “Albertus van Nievelt notaris en Proc.r binnen dese Stad als last en procuratie hebbende van Roeland Roelandse Millaart, schipper op london en borger deser Stad in qualitijt als Executeur vanden testamente van wijlen sijne vader zal.r Capp.tn Joris Roelandse Millaart benevens Willem de Bruijn soon(tje) van Neeltje Millaart, Jacobus Roelandse Millaart, soon van Arij Millaart, Jacobus vander Hoeven, als in huwelijk hebbende, Jannegie Schot, dogter van Elisabet Millaart, ende laatstelijk nog Elisabet de Witt Dogter van Magrita Millaart, ende voor sooveel des noots den voorn. Roeland Roelandse Millaert als sig sterkmakende ende rato caveerende voorde twee Soonen van Margreta de Witt zal:r met name Jan en Emmanuel de Witt, te samen kint, en kintskinderen, mitsgaders Erfgen: inde nalatenschap van den voorn: Joris Roelandse Millaart ende Elisabet Hendrix, in haar leve egte lieden” voor 420 gl. aan Damas van Wezel, koopman te Dordrecht, een huis op de Noordendijk buiten het Kleine Sluispoortje, staande tussen het huis van Bootsman en zeker slop of gang.

ORA Dordrecht inv. 1648, f. 125: op 26 mei 1719 verkoopt Dirk van Doorn, mr. timmerman te Dordrecht, voor 125 gl. aan Damas van Wesel, koopman te Dordrecht, een huis in de Nieuwkerkstraat, staande tussen het huis van Jacob van Duijnen en dat van Adriaan van Alle.

Kind:

a-1. Anthonia van Wesel, gedoopt NG Dordrecht 1707, jonge dochter van Dordrecht (1724), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 11/28 mei 1724 (de geboden gaan in ‘s-Gravenhage, de bruidegom geassisteerd met zijn moeder Cornelia Doll, weduwe van Johan van Ourijk, agent van de koning van Denemarken, de bruid met haar grootmoeder Clara van de Graaff, weduwe van Govert van Wezel, en haar tante Margareta van Wezel) mr. Caspar Balthasar Doll van Ourijk, jongman geboren in ‘s-Gravenhage (1724)

ORA Dordrecht inv. 1649, f. 165: op 2 juli 1722 verkoopt “Barthout van Slingelandt Regerent Burgermeester deser Stad vervangende ende sig sterkmakende voor Mr. Damas van Slingeland schepe en inden Oud-Raad deser meervoorsz. Stad in qualitijt als voogden over de minderjaarige Dogter van wijlen de Heer Damas van Wezel in sijn leven Ontfanger vande gemeene Middelen te Bergen opden Zoom en Coopman, voor 510 gl. aan Adriaan Onder d’Linde en Hendrik Vriesendorp een pakhuis met wijnkelder eronder, staande in de Nieuwkerkstraat tussen het huis van Jacob van Duijnen en dat van Jacob van Allen.

ORA Dordrecht inv. 1782, f. 29v: op 2 juli 1722 verkoopt Barthoud van Slingeland, burgemeester van Dordrecht, vervangende mr. Damas van Slingeland, schepen van Dordrecht, beiden als voogden over de minderjarige dochter van Damas van Wesel, ontvanger van de gemene middelen te Bergen op Zoom en koopman te Dordrecht, voor 12.310 gl. aan Adriaan Onder de Linden, voor de helft en aan Gijsbert en Willem van Rijsoort, kooplieden te Dordrecht, voor de wederhelft, een grote, sterke en weldoortimmerde achtkanten windzaagmolen met loodsen en huis en alle daarbij behorende gereedschappen, staande aan de Noordendijk buitendijks.

ORA Dordrecht inv. 1782, f. 45: op 6 febr. 1725 verkoopt mr. Casper Baltahasar Dol van Ourijk, advocaat voor de resp. Hoven van Justitie, als man van Antonia van Wesel, dochter en enige erfgename van Damas van Wesel, voor 420 gl. aan Jan Bootsman, burger van Dordrecht, een huis buiten het Kleine Sluispoortje aan de Noordendijk op Merwedegrond, staande tussen het huis van de erfgenamen van Jan Bootsman en zeker slop of gang.

ORA Dordrecht inv. 1650, f. 146v: op 6 febr. 1725 verkoopt mr. Casper Baltahasar Dol van Ourijk, advocaat voor de resp. Hoven van Justitie, als man van Antonia van Wesel, dochter en enige erfgename van Damas van Wesel, voor 160 gl. aan Leendert de Koningh, mr. chirurgijn, een huis naast het Nieuwkerkhof ten oosten van de kerk, staande tussen het huis van Aart Pel en dat van Reijnier van Distelhuijsen.

ORA Dordrecht inv. 1650, f. 151: op 27 febr. 1725 verkoopt mr. Casper Baltahasar Dol van Ourijk, advocaat voor de resp. Hoven van Justitie, als man van Antonia van Wesel, dochter en enige erfgename van Damas van Wesel, voor 900 gl. aan Gerrit Schep, mr. smid en burger van Dordrecht, een koetshuis, stal en woonhuis, staande aan de Nieuwendijk omtrent het Nieuwkerkhof tussen het huis van Arij Smits en dat van Aart Pel.

b. Margarita, 29 nov. 1673

Ex 2:

c. Rochus, 26 aug. 1689

d. Clara Margarita van Wesel, 23 mei 1691,jonge dochter geboren en wonende te Dordrecht (1721), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 8 juni 1721 (ondertrouw) Adriaan van de Pot, jongman van ‘s-Gravenhage wonende te Dordrecht

ORA Dordrecht inv. 1650, f. 218: op 11 febr. 1726 verkoopt Adriaan van der Pot, koopman te Dordrecht, als man van Clara Margareta van Wesel, dochter en mede-erfgename van Govert van Wesel, voor 800 gl. aan Hendrik Baton, winkelier en burger van Dordrecht, een huis buiten de Vuilpoort, staande tussen het huis van Philip van Haarlem en dat van Cornelis van der Putte.

ORA Dordrecht inv. 1782, f. 51: op 22 aug. 1726 verkoopt Gillis Rees, als procuratie hebbende van Clara Margareta van Wesel, weduwe van Adriaan van der Pot, koopman te Dordrecht, voor 3600 gl. aan Hendrick Willemsz. van der Koogh en Maarten van der Koogh, een windpalsrokmolen met huis, “timmeragie” en de bijbehorende gereedschappen, staande op de Noordendijk op Merwedegrond tussen de palsrokmolen van Van Duijnen en de molen van De Leng en Kuijser.

e. Anthonia van Wesel, 21 febr. 1693, trouwde 11 mei 1724 Gillis Rees

f. Geertruij van Wesel, 29 okt. 1695, jonge dochter van Dordrecht (1719), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 29 okt./12 nov. 1719 (de bruidegom geassisteerd met zijn moeder Maria Gevaerts, weduwe van Hugo Repelaer, oud-burgemeester van Dordrecht, de bruid met haar moeder Clara van de Graaff, weduwe van Govert van Wesel, en Damas van Wesel) Antonij Repelaer jr., weduwnaar van Dordrecht (1719)

g. Maria, 26 dec. 1696