

In 1198 werd Maria uitgehuwelijkt aan Otto van Brunswijk, die door de Welfen was aangeduid als hun kandidaat-keizer.Terwijl de pauselijke toestemming aansleepte (Maria en Otto waren in de verte verwant), toonde Filips van Zwaben zich een te duchten rivaal van Otto. Hertog Hendrik I kreeg twijfels, besloot af te wachten, en liep in 1204 over naar het Staufische kamp. Maria brak nu met Otto en verloofde zich met koning Frederik van Sicilië, maar paus Innocentius III stak een stokje voor deze koerswijziging; om de eerste verloving met Otto af te dwingen, bedreigde hij hertog Hendrik zelfs met excommunicatie. In deze patstelling bleef Maria ongetrouwd. Haar rol leek uitgespeeld toen de geboorte van twee broers haar achteruit schoof in de erfopvolging en haar eerste verloofde Otto IV op 22 juli 1212 in het huwelijk trad met Beatrix van Zwaben, de dochter van zijn in 1208 vermoorde rivaal, die zo keizerin werd. Maar Beatrix stierf drie weken later en keizer Otto – die in Frederik II een tegenkoning had gekregen – zocht terug Brabantse steun door zijn trouwplan met Maria te heractiveren.Zo kwam het dat de 24-jarige Maria op 19 mei 1214 alsnog met keizer Otto huwde in de Sint-Servaaskerk te Maastricht.
Lang kon de kersverse keizerin er niet van genieten. Tegenkoning Frederik provoceerde haar echtgenoot tot deelname aan de Frans-Engelse Oorlog, waarna het keizerlijke leger in de Slag bij Bouvines vernietigend werd verslagen door koning Filips II van Frankrijk, nauwelijks twee maanden na het huwelijk. De buitgemaakte keizerlijke adelaar zond Filips naar Frederik, nota bene Maria’s vroegere verloofde. Otto en Maria trokken zich terug in kasteel Harzburg te Braunschweig. Volledig op een zijspoor, werd Otto op 5 juli 1215 in de praktijk afgezet. Na zijn dood in 1218 keerde Maria terug naar het hertogdom Brabant.
Haar vader Hendrik I regelde opnieuw een politiek huwelijk voor zijn inmiddels 30-jarige dochter. Zij trouwde in 1220 met de 45-jarige graaf Willem I van Holland, een belangrijke bondgenoot voor hertog Hendrik I. Een Luiks kroniekschrijver zag hierin een ‘ongelofelijke vernedering’ voor de voormalige keizerin. Maria en Willem hadden geen kinderen. In 1222 werd Maria opnieuw weduwe.
Zij keerde na verloop van tijd weer terug naar het hertogdom Brabant, maar verbleef ook van tijd tot tijd op haar weduwengoed Dordrecht. Na de dood van haar vader in 1235 verkreeg zij de heerlijkheid Helmond en het goed Miskem, in de buurt van Leuven. Maria vestigde zich in het eerste kasteel van Helmond,’t Oude Huys. Uit verschillende oorkonden is gebleken dat Maria zich intensief bezighield met de ontwikkeling van Helmond. Met name de stichting van de Abdij van Binderen, in 1244, hield haar bezig. Maria zorgde ervoor dat de abdij in 1246 formeel werd opgenomen in de cisterciënzer orde.
Maria vormde in haar burcht naar alle waarschijnlijkheid een centrum van cultureel en hoofs leven. Archeologische vondsten bewijzen dit. Haar invloed binnen de hoofse literatuur komt duidelijk naar voren in verzenepos Demantin van Berthold van Holle. Ook zijn er aanwijzingen dat Maria de Duitse dichter Wolfram von Eschenbach heeft begunstigd. In diens epos Parzival is de episode over de Zwaanridder en de ongehuwde hertogin van Brabant duidelijk geïnspireerd op Maria’s perikelen.
De laatste jaren van haar leven verkeerde zij regelmatig in Dordrecht en Miskem. Of zij regelmatig in Helmond verkeerde is niet duidelijk. Maria van Brabant overleed in 1260 en werd naast haar moeder in de Sint-Pieterskerk in Leuven begraven.” (Wikipedia)


1348-1351: “Over de pest in Dordrecht tijdens de jaren van de Zwarte Dood … is nauwelijks iets bekend. Wel wordt beschreven dat een groep flagellanten uit Dordrecht naar Doornik is gegaan. De flagellanten waren groepen fanatieke gelovigen die zichzelf geselden om boete te doen en zo gespaard wilden worden.” (H. Burger, De Pest en de heilige Rochus in Dordrecht, OD 2002, nr. 1, p. 51)

1457: “Op 28 juni 1457 … brak er in de stad een brand uit, die vele, grotendeels houten huizen langs de Voorstraatshaven met de grond gelijk maakte. De werkelijke omvang van de brand laat zich slechts bij benadering vaststellen. … Ook [de Grote Kerk] … liep van de brand grote schade op, al lijkt het verhaal dat er na afloop alleen hier en daar nog een stuk muur overeind stond, schromelijk overdreven. Wel was in de kerk een enorme ravage aangericht. Het kapittel zag zijn archief, dat in kisten ergens in de kerk was opgeslagen, geheel in vlammen opgaan. … Wat verder nog aan kerkelijke kunst en archieven verbrand moge zijn, in elk geval niet de splinter van Christus’ kruis op Golgotha, die een reislustige Dordtenaar, Claes Scoutet, de kerk als relikwie had geschonken. … [Tijdens de brand van 1457 bleef dit zogenaamde Heilige Hout ongeschonden.] Het volgend jaar stelde het stadsbestuur ter nagedachtenis een Heilig Houtsprocessie in. * Enkele weken na de brand beraadde het stadsbestuur zich in overleg met kerkmeesters en kanunniken op de middelen tot herbouw. Resultaat hiervan was een wekelijkse collecte van een jaar, waarop men kon intekenen. Ook de ambachtsgilden werden ingeschakeld en verkregen vrijstelling van zekere belastingen voor hun arbeid aan de kerk, alsmede een subsidie voor herstel van hun vernielde altaren. Nog in 1464 spaarden de wantsnijders jaarlijks per persoon een gulden, waarvan het dak van hun Ponciaanskapel werd gerepareerd. In hetzelfde jaar verrichtte een glasmaker zijn werk en kreeg de vloer een opknapbeurt. Het altaar was al in 1462 in orde gebracht, maar het heeft nog tot 26 augustus 1472 geduurd alvorens de Utrechtse wijbisschop voor de hernieuwde wijding overkwam.” (Jensma, o.c., p. 27)
“Het Hout van’t Kruys (welk de Roomsche Kerke H. Hout noemd, volgens de Legende daer van zijnde) is wederom beproeft in’t Jaer van [1457] … doe Verbrande de Groote Kerck … ende het Verbrande al wat inde Groote Kerck was, Uuytgenomen Steen en Izer … ende die Voet ende alle dat Geen daer dat H. Hout in Besloten was, verbrande off smelte, dan alleen dat H. Hout, alsmen noch sien mach, dat Onthielt Godt, by sonderlinge ende Wonderlinge Mirakel. (Balen, o.c., p. 108)
* “Hoe ernstig de gevolgen van de stadsbranden van 1332 en 1338 ook mogen zijn geweest, de meest ingrijpende stadsbrand is toch wel die van 1457 geweest. Toen het Adriaan … Danckertszoon in de avond voor … , 28 juni 1457, niet lukte een brandje in zijn huis aan de Kleine Spuistraat te blussen, sloeg de fik over en verbreidde het vuur zich over een groot deel van het stadsgebied van de Vuilpoort en de Grote Kerk tot de Visbrug en het Begijnhof. [Het vuur legde, volgens Balen, meer dan 600 huizen, toen meestal van hout en vele bedekt met riet, in as. Ruim twee jaar na de brand werd verklaard dat die was veroorzaakt door dat een stantvinck (een opstaande balk ter ondersteuning) tegen de schoorsteen van een belendend perceel was opgesteld, waardoor het vuur makkelijk van het ene naar het andere huis kon overslaan.] Bovendien werd de beschoeiing langs de Nieuwe Haven door het vuur verschroeid en vielen onder andere de Grote Kerk, de hal (waarmee waarschijnlijk de vleeshal wordt bedoeld), het Sint Jacobsgasthuis en het Sacramentsgasthuis aan de vlammen ten offer. … In zijn verslag wijst Aeneas Sylvius Piccolomini – later paus Pius II – zowel op de nalatigheid waardoor de brand zo om zich heen heeft kunnen grijpen als op de vele wonderen die toen waren geschied, maar waarvan de waarde vooralsnog niet kon worden bevestigd. Het belangrijkste was het behoud van Heilig Hout in de Grote Kerk. Dat Heilig Hout was een stukje van het kruis van Christus dat in het begin van de vijftiende eeuw aan de Grote Kerk was geschonken door Claes Scoutate, een Brugs burger van Dordtse afkomst. … Op 3 juli [1457] vond de deken van het kapittel het kostbare reliek ongeschonden in de puinhopen van de kerk. Dat mirakel was een het begin van een lange reeks wonderen, van genezingen tot reddingen van schepen in nood. De verering voor het reliek kreeg zo’n populariteit dat de inkomsten daaruit een grote stimulans voor de restauratie van de Grote Kerk hebben gevormd. … Een jaar na de brand werd besloten jaarlijks… een processie te houden ter herinnering aan de brand en het wonder van het Heilig Hout, de Kleine Ommegang, zo genoemd ter onderscheiding met de Grote Ommegang die de brand van 1338 in herinnering hield.” (Van Herwaarden, o.c., p. 166 e.v.)
Na de Hervorming (1572 in Dordrecht) verbood men de processie. Deze werd pas in 2013 weer toegestaan. De processie gaat sindsdien ieder jaar van de Grote Kerk naar de St. Antoniuskerk aan de Burgemeester De Raadtsingel.

Processie van het Heilig Hout







n werden verscheurd, de huisjes vernield. Tot een opstand kwam het niet: met behulp van de nationale garde en de politie slaagden de maire en de sous-prefect erin de gemoederen te bedaren. Als gevolg van deze oproerigheden werden de overige douanen eind april bewapend met geweren en pistolen. …”


Aantal personen overleden aan cholera in Dordrecht in de negentiende eeuw:
1832 116
1833 139
1848 196
1849 364
1853 88
1854 59
1855 37
1859 148
1866 400
1867 91
(J.A.S.M. Olvers, Cholera en gemeentebeleid in Dordrecht in de negentiende eeuw [Dordrecht 1982], p. 14 en 25)
1856: de Lange Houten Brug over de Nieuwe Haven wordt vervangen door een ijzeren brug.

De Nieuwe Haven door J. Umbacht (ca. 1850). In de verte is de Lange Houten Brug nog te zien.
“In 1855 was die Lange Houtenbrug in bar slechte staat. Repareren zou bijna net zoveel kosten als een nieuwe brug en daarom werd door de gemeenteraad op 6 juni van dat jaar besloten dat er een andere brug moest komen. Stadsarchitect G.N. Itz kreeg opdracht er wat mooiers van te maken. … De voortgang voor de bouw van de brug ging voorspoedig. Al binnen twee maanden had Itz de tekeningen klaar en twee weken later werden de sloop van de oude brug en bouw van de nieuwe brug aanbesteed. … L. J. Enthoven uit Den Haag mocht de brug bouwen voor 11.900 gulden. … Op 31 juli 1856 werd de Lange IJzerenbrug opgeleverd, zes maanden na de aanbesteding.” (AD Drechtsteden,19 juni 2019)


n] bevindende, door een hem onbekend persoon van gezette gestalte zijn aangevallen, die, na eerst genoemde jufvrouw den hals afgesneden en in de sloot in gemeld pad geworpen te hebben, vervolgens hem de wondne had toegebragt, die men aan hals en regterpols kon constateren. De man werd daarop naar het ziekenhuis vervoerd, waar hem de vereischte geneeskundige hulp werd verstrekt, terwijl inmiddels de politie hare taak voortzette en ging onderzoeken wat er van het vertelsel waar was.
Werkelijk vond zij ter aangeduide plaats in de sloot in het Boonepad een vrouwelijk lijk met bijna
geheel afgesneden hals, hetgeen bleek te zijn dat van genoemde mejufvrouw P…., eene gehuwde doch van haren echtgenoot gescheiden levende vrouw. Volgens een algemeen gerucht, stonden beide personen met elkander in verboden betrekking. De man is gehuwd en vader van zes kinderen. Hij is onmiddelijk in het ziekenhuis onder speciale bewaking gesteld van een agent van politie en vervolgens door de justitie in verhoor genomen. Naar men zegt, moet hij daarbij zijne eerste vertelling hebben volgehouden en alle schuld aan den moord ontkend hebben.
Heden morgen moet de politie bij het visschen in de sloot in het meergenoemde pad een scheermes gevonden hebben, waarmede de misdaad, naar men vermoedt, is gepleegd. De justitie heeft zich den geheelen dag met de instructie in deze zaak bezig gehouden, maar ten gevolge van den uiterst zwakken toestand van J. S… heeft zij haar verhoor ten zijnen aanzien moeten bekorten.
[bron: Dordrechtsche courant, 21-10-1879]
– Dordrecht, 22 October. Naar men verzekert, moet bij het getuigenverhoor in zake den gepleegden moord in het Boonepad op Zondag avond ll. gebleken zijn, dat het scheermes, hetwelk de politie in de sloot gevonden heeft, aan J. S… toebehoorde. Indien dit werkelijk het geval is, dan wordt het vermoeden, dat S. zelf den moord gepleegd en vervolgens het zich zelven de wonden aan hals en pols heeft toegebragt allezins waarschijnlijk.
[bron: Dordrechtsche courant 23-10-1879]
– Naar wij vernemen, met betrekking tot dne Zondag avond ll alhier gepleegden moord, heeft de persoon van J[osephus] Speekenbrink, die in den laten avond van dien dag zwaar verwond in de nabijheid van de plaats van het misdrijf is aangetroffen, en aanvankelijk beweerd heeft, dat de moord was gepleegd door een hem onbekend persoon, die oo hem daarna verwond had, gisteren (Vrijdag), bij zijn verhoor in het Gast- of Ziekenhuis alhier, aan de justitie volledig bekend, dat hij zelf de dader van den moord is.
Van andere zijde vernemen wij nog de volgende bijzonderheden:
Bij het verhoord moet Speekenbrink o.a. verklaard hebben, dat hij in den laten avond van 16 dezer met zijn slagtoffer naar het Boonepad is gegaan, met het onzettelijk doel haar daar het leven te benemen. Na zich eerst te zamen uit eene flesch met sterken drank te goed gedaan te hebben (welke flesch te gelijker tijd met het moordtuig uit de sloot is opgehaald), heeft hij haar eene diepe snede onder de kin toegebragt, waarop zij ontvlugt is en hij haar achtervolgde.
Na haar gegrepen te hebben is er eene worsteling ontstaan, waarbij hij de bekende wonden aan de regterhand heeft bekomen. Hij bleef per slot echter overwinnaar en heeft haar beide halsslagaderen afgesneden, waardoor haar het hoofd dus bijna van den romp was gescheiden, en daarna in het water geworpen. Door bloedverlies uit de zelf bekomen wonden ontbrak hem de kracht om zijn plan ten einde toe te volvoeren, nl. zich zelf den hals af te snijden, zoodat hij slechts eene niet doodelijke wonde daar ter plaatse heeft toegebragt.
Nu werd de eenzaamheid hem te bang in de nabijheid van het lijk der verslagene en wierp hij zijn mes in de sloot, waarna hij in allerijl op de vlugt is gegaan, totdat hij op den parellelweg, door bloedverlies uitgeput, neerzeeg en daar door de politie werd opgenomen, die hem naar eene herberg bij het Bagijnhof heeft vervoerd, om hem van daar naar het gasthuis te doen overbrengen.
Het lijk der verslagene is gisteren, onder toezigt der justitie, ter aarde besteld.
[bron: Dordrechtsche courant 26/27-10-1879]
– De bekende moordenaar J. Speekenbrink is Zondag ochtend tegen 6 ure in tegenwoordigheid van een brigadier der rijskveldwacht, in het gast- of ziekenhuis alhier overleden;
[Dordrechtsche courant, 13-01-1880]
– De moordenaar J. Speekenbrink is Zondag-ochtend ten 6 ure, in tegenwoordigheid van een brigadier der rijksveldwacht, in het ziekenhuis te Dordrecht overleden.
[Advertentieblad, 16/01/1880; p. 4/4]
– De persoon van J. Speekenbrink, die in den nacht van 19/20 Oct. ll. in het Boonenpad te Dordrecht eene vrouw vermoordde, en bij die gelegenheid zelf zoodanig verwond geraakte, dat hij naar het ziekenhuis aldaar moest worden vervoerd, alwaar hij sedert werd verpleegd, is aan de gevolgen overleden. [Nieuwe Gorinchemsche Courant, 17/01/1880; p. 3/4]

avondschool aan het Kromhout maar allengs gingen steeds meer mensen zich er mee bemoeien en verspreidden de ongeregeldheden zich door de stad. Er werden zelfs rijksagenten opgetrommeld om de orde te handhaven. … Maar waarom gingen de jongeren al een hele week zo tekeer? … Wel zeker was dat winkelier [Willem Allemans *] … uit de Vriesestraat vaak het doelwit was. In een gemeenteverslag over het jaar 1902 werden een jaar later de rellen nog eens aangehaald. En uitgerekend daar stond de reden. Er hadden zich volgens het verslag ‘eenige volksoplopen’ voorgedaan in de Vriesestraat ‘hetgeen werd toegeschreven aan de bevalling van eene dienstbode van een der bewoners dier straat, wiens zoon als de vader van het kind werd genoemd’. … Winkelier Allemans had vijf kinderen: drie dochters, twee zonen. Jannetje van der Veer, dochter van een overwegwachter bij een Dordtse spoorweg, werkte sinds 1901 als dienstbode bij Allemans. Jannetje beviel op 8 sept. 1902 van een dochter. Naam van de vader niet vermeld. Zij noemde het kind Philippina, hoogst waarschijnlijk naar Philip, de zoon van winkelier Allemans. De relschoppers zongen volgens de Dordrechtse Courant steeds ‘Flippie die gaat nooit verloren! en daaruit blijkt, dat ook zij Philip Allemans als de vader/dader beschouwden. (Jaap Bouman, De zoete wraak van Jannetje. (AD/de Dordtenaar 14 febr. 2018) De rellen hadden misschien ook een antisemitisch tintje: de familie Allemans was namelijk joods.



De winter van 1928/1929 is de boeken in gegaan als strenge winter. In februari was zelfs sprake van een Siberische kou. Dat komt doordat koude lucht van Nova Zembla ons land in een snel tempo bereikte. Er werden temperaturen bereikt die aanvoelden als -20 graden Celcius. Het was zo koud dat de Oude Maas dik en stevig genoeg was om met busjes overheen te rijden. Er waren veel vastgevroren schepen in deze periode en daarom werden er op 20 februari 1929 torpedisten ingezet. Dat zijn maritieme explosievendeskundigen. Zij probeerden, met behulp van dynamiet, het ijs op te blazen zodat de schepen vrijkwamen. Maar door de erge kou waren de explosies niet sterk genoeg en bleven de schepen muurvast zitten. )(https://indebuurt.nl/dordrecht)
mei 1940: “Even snel als de Moerdijkbruggen hebben de [Duitse] valschermjagers de Zwijndrechtse brug in handen. Parachutisten die aan de Zwijndrechtse kant zijn geland, hebben de brug al na een uur veroverd. Zij zijn beter bewapend dan de twintig man die de luchtdoelmitrailleurs bedienen. De brugbewakers aan de Dordtse kant hebben bovendien moeite om op de Duitsers te vuren: die kunnen zich verschansen achter de stalen binten van het brugportaal en de betonnen rand van het rijdek. Als drie manschappen van het Dordtse peloton zijn gesneuveld, geven ook deze verdedigers van de brug zich over. Toch is daarmee de strijd niet ten einde. Tot tweemaal toe wordt een poging gedaan de brug te bestormen, maar de strijd is ongelijk. De dertig pontonniers die in de aanval gaan, beschikken samen over welgeteld 250 patronen; al snel moeten ze het opgeven.” (Van Wijk, o.c., p. 15)


Stolpersteine voor Bernard Abraham Cohen en zijn vrouw Elisabeth Duits aan de Groenedijk.
“Vrijdag 11 april 2014 zijn in Dordrecht de eerste Stolpersteine geplaatst, acht in totaal, op vier afzonderlijke adressen. De werkgroep Stolpersteine Dordrecht had er bij deze gelegenheid graag meer gelegd, maar dit was praktisch niet mogelijk. Gunter Demnig, de Duitse kunstenaar die deze struikelsteentjes bedacht en ze persoonlijk in de trottoirs aanbrengt, zag geen kans er dit jaar meer te maken voor Dordrecht. Volgend jaar wil de werkgroep er zeker zestig bij hem bestellen.
Dordrecht was een van de vele gemeenten die Demnig tijdens zijn werkreis door Nederland bezocht. Hij begon de toernee op zondag 6 april in Zwolle, Zutphen en Raalte en eindigde de week op Goeree-Overflakkee. Overal plaatste hij gedenksteentjes voor gedeporteerde joden, in de stoep voor hun voormalige woningen. Inmiddels liggen er in Nederland al honderden, volgens Trouw verdeeld over 75 gemeenten, en in heel Europa 50.000. Alle Stolpersteine hebben hetzelfde formaat: 10 bij 10 bij 10 cm.
De allereerste Dordtse struikelsteentjes werden aangebracht op de Groenedijk, bij nummer 74. Dat gebeurde tijdens een ingetogen bijeenkomst, die op verzoek van familie Cohen besloten werd gehouden. De Stolpersteine herdenken Bernard Abraham Cohen en zijn echtgenote Elisabeth Duits, die beiden op 30 september 1942 in Auschwitz het leven lieten. Nabestaanden van dit echtpaar, van wie de drie kinderen de oorlog overleefden, waren talrijk aanwezig. Zij legden een boeket bij de steentjes en twee foto’s van de echtelieden.”(http://www.stolpersteine-dordrecht.nl/)
6 mei 1943: Jacob Bleeker (Dokkum 24 aug. 1885- Bilthoven 14 nov. 1961), burgemeester van Dordrecht sinds 1937, wordt afgezet en vervangen door de NSB-er J.G. van Houten, omdat hij weigert de bezetter lijsten te geven van personen die in aanmerking komen voor tewerkstelling in Duitsland. Hij werd na de bevrijding (op 7 mei 1945) weer burgemeester tot aan zijn eervol ontslag op 1 sept. 1950. (Wikipedia)

Burgemeester Bleeker.
24 okt. 1944: “Park Merwestein verandert in de oorlog in een barakkenkamp met betonnen bouwsels. Alleen de villa doet nog denken aan de vroegere buitenplaats. In mei 1941 wordt Dordrecht het hoofdkwartier van de Duitse 719de Infanteriedivisie, die als taak heeft de kustlijn te vrijwaren van een geallieerde invasie. Deel van deze taak is het bewaken van het Nederlandse deel van de Atlantikwall … De staf neemt zijn intrek in Merwestein, evenals de ernaast gelegen school Mühring en het gebouw van de hbs in het Oranjepark. In de loop van de oorlog worden ter verdediging van dit hoofdkwartier bunkers gebouwd in het park. In september 1944 vertrekt deze divisie, waarna Merwestein het hoofdkwartier wordt van het zich uit Frankrijk en België terugtrekkende 15de Duitse leger. Het verzet ziet kans deze informatie door te spelen naar Engeland, wat op 24 okt. 1944 leidt tot bombardering van het complex. Zo’n vijftig vliegtuigen nemen hieraan deel. De bommen van 500 en 1000 kilo die zij afwerpen treffen niet alleen de villa en enkele bunkers, maar komen ook elders in de stad neer en maken vele slachtoffers. [Het exacte aantal in onbekend. Volgens sommigen zijn er meer dan 200 doden gevallen, wat door anderen wordt betwist. Tot de slachtoffers behoorden ook enkele vrouwen, die tot taak hadden aardappels te schillen in de villa, en een tuinman, wiens naam mogelijk Van der Elst was. De kok, Freek Gooshouwer, werd levend onder het puin vandaan gehaald.]” (Wim van Wijk, Dordrecht 40-45 [Zwolle 2014], p. 74 e.v.)



Op de achtergrond het woonhuis en de winkel van Carel en Levina Dicke, de ouders van Lenie Dicke en de tekenaar Otto Dicke.
22 jan. 1945: “Drie maanden na het bombardement op park Merwestein scheren opnieuw Engelse bommenwerpers laag over de stad – twee keer binnen een week. Beide keren is villa Simpang, waar de Sicherheitsdienst en de Feldgendarmerie zijn gehuisvest, het doelwit. De eerste poging, op 22 januari, gaat faliekant mis. De bommen komen neer in de omgeving van de spoorwegovergang in de Dubbeldamseweg. Aan beide zijden van de spoorlijn veranderen huizen in puin [omgeving Toulonselaan en omgeving Markettenweg/Dubbeldamseweg] … Daarbij vallen dertien doden. De zondagmiddag daarop volgend is het wel raak. Dubbel zelfs, want behalve Simpang wordt ook het Wehrmachtheim, in de villa ernaast, geraakt. [Er vallen volgens het politierapport daarbij twee doden en vijf min of meer zwaar gewonden.] (Van Wijk, o.c., p. 81)

Villa Simpang aan de Stationsweg werd gebouwd in 1903/1904 in Engelse landschapsstijl. Op de plaats, waar de verwoeste villa stond, werd in 1962 het Tomadohuis gebouwd.
1953: Watersnoodramp

De Wijnstraat bij Bellevue staat onder water.
” De waterstand steeg in Dordrecht naar +3,73 meter boven NAP. Desondanks waren de gevolgen voor de stad minder groot dan op andere plekken. …Toch is de situatie in Dordrecht zeer kritiek geweest. De Zeedijk en Noordendijk vormden de hoofdwaterkering van Dordrecht. Omwonenden zagen in de vroege ochtend van 1 februari het water over de Zeedijk (ter hoogte van Stadspolders) slaan. De dijk stond op punt van bezwijken. Omwonenden spoedden zich naar de inmiddels afgekalfde dijk en vulden duizenden zandzakken om de dijk te verstevigen. Met gevaar voor eigen leven wisten de Dordtenaren de dijk te redden en zo een grote ramp weten te voorkomen.” (https://indordrecht.nl/nieuws/70-jaar-watersnoodramp/)
1982: In de met chemisch afval verontreinigde wijk De Staart in Dordrecht moeten 106 woningen gesloopt worden. Dit is de enige oplossing om de ongeveer 300 bewoners veilig Ie stellen voor het gif dat in de bodem van de wijk zit.
Na overleg met het gemeentebetuur en bewoners van de Merwedepolder, maakte de Zuidhollandse milieugedeputeerde J. W. Hekkelman donderdagavond op een persconferentie deze ingrijpende maatregel bekend. Een definitief” standpunt van GS volgt in september. Hekkelman verwacht dat in het voorjaar van 1983 met de saneringsmaatregelen in de Staart kan worden begonnen. Hekkelman denkt dat de gehele saneringsoperatie ongeveer 40 miljoen gulden gaat kosten. Het Rijk moet van dit bedrag 90 procent voor zijn rekening nemen. De gemeente Dordrecht moet de rest betalen. GS zullen in september de staatssecretaris van volksgezondheid en milieuhygiëne een plan voorleggen om de Dordtse woonwijk van het gif te verlossen.
Bejaarden
Het bejaardentehuis Merwelanden en 86 bejaardenwoningen behoeven niet afgebroken te worden. Door de slechte toestand van de funderingen kan het grondwaterpeil onder de 106 woningen niet verlaagd worden. Gedeputeerde Hekkelman verklaarde gisteravond dat het bejaardentehuis en bejaardenwoningen verlaging van het grondwaterpeil en bronbemaling wel kunnen doorstaan.
In een ander deel van de wijk, waar ook woningen op een vuilstortplaats zijn gebouwd, kunnen de bewoners blijven wonen. De funderingen zijn zodanig dat verlaging van het grondwaterpeil en bemaling wel mogelijk zijn. Beide wijkgedeelten worden geïsoleerd door damwanden in de bodem te slaan. (Reformatorisch Dagblad 18 juni 1982)
10 mrt. 2010: de moord op Milly Boele.

De moord op Milly Boele is een misdrijf dat zich op 10 maart 2010 afspeelde in de Nederlandse stad Dordrecht. Het 12-jarige meisje Milly Boele werd op die dag verkracht en vermoord en daarna door de dader begraven in diens tuin.
De moord werd gepleegd door haar 26-jarige buurman: Sander V. Die bekende na zijn aanhouding Milly te hebben gedood.[ V. was als surveillant werkzaam bij de Politie Rotterdam-Rijnmond.
Milly had voor het laatst contact met haar moeder om ongeveer 17.30 uur die dag. Ze vroeg haar moeder om haar terug te bellen omdat er een buurman voor de deur stond. Toen haar moeder haar na tien minuten terugbelde, antwoordde ze niet op haar mobiele telefoon. Om ongeveer 18.30 uur kwam de moeder van Milly naar huis en vond haar niet thuis. Na een tijd werd ze als vermist gemeld bij de politie. De volgende dag ging er een AMBER Alert uit.
Later bekende V. dat hij Milly naar zijn huis had meegenomen en haar daar om het leven had gebracht.
V. had Milly naar zijn huis gelokt met een verhaal over katten. Hij maakte daar haar mobiele telefoon onklaar. Vervolgens misbruikte hij haar en wurgde haar met een riem.
Op 16 maart meldde Sander V. zich bij de politie met de mededeling dat hij belangrijke informatie had over de verdwijning van Milly. Hij werd onmiddellijk als verdachte aangehouden. Later die dag vond de politie het lichaam van Milly, dat begraven was in de tuin van V. Hij had zich bij de politie gemeld op aanraden van zijn vriendin, eveneens werkzaam bij de politie, aan wie hij zijn daad had opgebiecht.
Het Openbaar Ministerie in Dordrecht maakte op 19 maart bekend dat V. verdacht werd van doodslag. Ook werd een onderzoek gelast naar zijn psychische gesteldheid. Op 21 mei liet het OM in Dordrecht weten dat V. werd vervolgd voor moord, seksueel misbruik, vrijheidsberoving en het verbergen van het dode lichaam. Sander V. werd in eerste aanleg bijgestaan door Tjalling van der Goot en Wim Anker, en in hoger beroep en cassatie door Willem Jan Ausma.
Op 26 november 2010 werd V. door de rechtbank in Dordrecht veroordeeld tot 18 jaar cel en tbs. Zowel V. als het Openbaar Ministerie gingen tegen deze uitspraak in hoger beroep. Ook in hoger beroep werd hij tot 18 jaar cel en tbs veroordeeld; het gerechtshof achtte tevens verkrachting bewezen. Het tegen dit arrest van het gerechtshof ingestelde cassatieberoep werd op 14 oktober 2013 door de Hoge Raad verworpen.
Er is kritiek geweest op het feit dat er niet meteen met speurhonden werd gezocht nadat de vermissing van Milly bekend werd gemaakt. De politiewoordvoerders meldden dat het ongebruikelijk is meteen van een misdrijf uit te gaan en dat er in eerste instantie, geheel volgens procedure, werd uitgegaan van een vrijwillige vermissing (weglopen).
Vlak bij het ouderlijk huis aan de Schuilenburg in Dordrecht is er een monument geplaatst ter herinnering aan Milly (in maart 2011 een voorlopig monument, in september 2011 het definitieve). Het bestaat uit een zuil met een steigerend paard en een couplet uit het lied I’ll Be Missing You van de Amerikaanse artiesten Puff Daddy en Faith Evans: Every step I take, every move I make. Every single day, every time I pray I’ll be missing you. Het werd onthuld op 10 maart 2011 door de ouders van Milly. (wikipedia)
9 sept. 2019: politieagent Wendell C., 35 jaar oud, schiet in een huis in de Heimerstein in Sterrenburg, zijn vrouw, twee dochters van 8 en 12 jaar en zichzelf dood. (ad.nl)






Mattheus werd geboren in Dordrecht als derde kind van Adriaen de Haen en Johanna Wijngaerden. Op 26 oktober 1671 vertrok hij naar Indië, waar zijn vader tot onderkoopman benoemd was. Mattheus de Haan doorliep de lagere rangen in Suratte. In 1698 werd hij eerste opperkoopman in Batavia. In 1700 werd hij secretaris van de Hoge Regering, in 1704 extraordinair raad van Indië op aandringen vanJoan van Hoorn. In 1710 werd hij gewoon raad en in 1722 directeur-generaal. Op 16 oktober 1724 werd hij benoemd tot gouverneur-generaal met zetelplaats in Batavia. Hij nam die functie over van Hendrick Zwaardecroon op 8 juli 1725.

Mattheus de Haan
Kenmerken van zijn bestuur waren zijn verzet tegen de experimenten van Zwaardecroon voor het opzetten van zijdeteelt. De koffieproductie in de Preanger liep erg goed: de koffieoogsten in de Preanger en Cheribon op Java bedroegen meer dan 4 miljoen pond. De VOC was uit op kleine omzet en grote winsten en De Haan meende dat dit een daling van de koffieprijzen in Europa tot gevolg had. Hij verlaagde de prijs die de koffieboeren kregen. Deze besloten daarop koffieplanten te hakken. Daardoor werd er zware schade aangericht aan de koffieproductie en de koffiecultuur werd tot een vloek voor de bevolking. (Wikipedia)


Pieter baron Melvill van Carnbee, heer van Op- en Neder-Andel, geboren Dordrecht 2 april 1743, overleden Den Haag 17 mei 1826, Nederlands zeeofficier en bestuurder, vice-admiraal

Pieter Melvill, door Aart Schouman
Johannes Christianus Schotel (1787-1838), “zeeschilder”

Geboren op 11 november 1787 in Dordrecht en 14 november gedoopt, overleden in Dordrecht op 21 december 1838. Hij was de zoon van Gilles Schotel Jansz (Dordrecht 27 oktober 1737-Dordrecht 27 juli 1808, fabrikant) en Sara Dyonisia Meuls (Hardinxveld 7 maart 1746-Hardinxveld 31 juli 1795). Trouwde 13 juni 1806 in Dordrecht met Petronella Elizabeth van Steenbergen (Dordrecht 7 juli 1781-Dordrecht 25 oktober 1840, uitmuntende tekenares). Zij was de dochter van notaris en procureur Petrus Johannes van Steenbergen (Dordrecht 11 juli 1744-Dordrecht 2 maart 1833, zoon van geneesheer en lector anatomicus Willem van Steenbergen) en Geertruida Heije (Dordrecht 18 januari 1752). Uit dit huwelijk vier zoons en twee dochters: Gilles Dionysius Jacobus (Dordrecht 9 april 1807-Leiderdorp 9 december 1892, predikant en schrijver), Petrus Johannes (Dordrecht 19 augustus 1808-Dresden 23 juli 1865, kunstschilder en leraar tekenen aan het Instituut van de marine in Medemblik), Johannes Christianus (Dordrecht 17 augustus 1810, zeeofficier), Jan Willem van Steenbergen (Dordrecht 14 april 1812-Zoeterwoude 2 april 1891, chirurg en verloskundige; de achternaam van moeder als voornaam toegevoegd bij geboorteaangifte), Christina Petronella (Dordrecht 26 februari 1818-Aardenburg 7 juli 1854, schilderes van stillevens, trouwde een predikant) en Catharina Elizabeth (Dordrecht 3 februari 1822, trouwde een zeeofficier).
(https://www.regionaalarchiefdordrecht.nl/biografisch-woordenboek/johannes-christianus-schotel/)


Gilles Dionysius Jacobus Schotel werd op 9 april 1807 gedoopt in Dordrecht en is overleden te Leiderdorp op 9 december 1892. Zoon van Johannes Christianus Schotel, fabrikant en bekende kunstschilder (Dordrecht 14 november 1787 – Dordrecht 21 december 1838) en Petronella Elisabeth van Steenbergen (Dordrecht 7 juli 1781 – Dordrecht 25 oktober 1840). Trouwde 16 januari 1835 in Breda met predikantsdochter Catharina Leonora Johanna de Leeuw (Roosendaal 18 februari 1811 – Leiden 3 april 1877). Uit dit huwelijk twee dochters en drie zoons: Johanna Christina Eleonora Petronella (Breda 25 oktober 1835 – Chaam 4 juli 1843), Leonarda Wilhelmina Johanna (Zwaluwe/Breda 31 oktober 1840 – Chaam 14 juli 1843) beiden overleden aan roodvonk, Johannes Christiaan Leonard Willem (Chaam 4 augustus 1843), Leonard Willem Petrus Dionysus (Chaam 9 april 1845) en Petrus Elija (Tilburg 18 april 1848).
Gilles Schotel werkte als predikant, maar kreeg meer bekendheid door zijn grote interesse voor geschiedenis, vooral voor de zeventiende en achttiende eeuw. Hij schreef een groot aantal boeken, artikelen en biografieën over historische gebeurtenissen en personen en stelde de door hem verzamelde gegevens graag ter beschikking van anderen. Hij beschikte over een uitgebreide historische bibliotheek en vulde die aan met gegevens uit door hem bezochte bibliotheken en archieven. Voor zijn uitgebreide netwerk was Schotel een belangrijke vraagbaak. Zijn brede interesse leidde echter tot een versnippering van zijn onderzoek, waardoor hij volgens eigentijdse critici niet een echt wetenschappelijk niveau bereikte. Zijn wetenschap werd door sommige tijdgenoten niet beoordeeld als analytisch en synthetisch, maar als ‘veelweterij’. Het gegeven dat hij een eredoctoraat van de universiteit Leiden ontving en lid was van een aantal prestigieuze letterkundige genootschappen, onder meer van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde en het Koninklijk Instituut, nuanceert dat beeld. Kerkelijk behoorde Schotel tot de middengroep van de hervormde predikanten; dogmatische zaken liet hij aan zich voorbijgaan.
Schotel werd geboren in een welgesteld gezin. Vader was eigenaar van een garenfabriek. Als kleuter bezocht Gilles de kinderschool van juffrouw Van den Bergh boven de Hofpoort; de vakken van de lagere school leerde hij bij meester Otto Schreuders. De volgende stap was de Franse (kost)school van de landelijk bekende Rudolph van der Pijl in de Hofstraat die hem onder meer les gaf in Frans, Duits, Engels, geschiedenis en aardrijkskunde. Daarna volgde de Dordtse Latijnse school met daarnaast privélessen in de genoemde vreemde talen. Toen het duidelijk was dat hij theologie wilde gaan studeren, kreeg hij onderwijs in de zangkunst, privaat onderwijs in Grieks en Hebreeuws, gevolgd door godsdienstonderwijs bij ds. Van Kooten. Volgens Schotel eigen typering was hij in zijn puberteit behept met ‘een zeer sterk geheugen, zeer weinig oordeel, somber en teruggetrokken en met een humeur dat veel te wensen overliet’. Zijn liefste bezigheden waren op een zolderkamertje te zitten lezen en kerkbezoek.
Op 14 september 1825 schreef hij zich in aan de Leidse universiteit. In zijn studententijd vestigde hij de aandacht op zich door een prijsvraag te winnen met een verhandeling over Balthazar Huydecoper (1695-1778), een achttiende-eeuwse taalkundige en taalcriticus. Met een aantal Dordtse studenten richtte Schotel in 1829 het dispuutgezelschap Philomathie op en in hetzelfde jaar ook het leesgezelschap Germania. In augustus 1831 behaalde hij het proponentsexamen, waardoor hij gekwalificeerd was om als predikant te gaan werken. De eerste jaren werd er geen beroep op hem gedaan. Schotel had zich intussen weer in Dordrecht gevestigd en verdiepte zich daar in de stedelijke en landelijke geschiedenis. Dat hij zijn proefschrift over Jacoba van Beieren niet voltooide, deed hem in wetenschappelijke kringen geen goed.
Pas in 1835 werd hij als predikant beroepen en aangesteld in de gemeente Lage Zwaluwe in Noord-Brabant. Vanwege zijn bijziendheid, hij was bijna half blind, was hij genoodzaakt zijn preken uit het hoofd te leren. Schotel publiceerde veel in deze periode. Op 25 februari 1836 werden zijn verdiensten als historicus en theoloog erkend door zijn benoeming tot lid van het Koninklijk Instituut voor Wetenschappen en Schoone Kunsten (de voorganger van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen) waarvan hij lid bleef tot de opheffing daarvan door Thorbecke in oktober 1851. In 1838 werd hij door de universiteit Leiden met een eredoctoraat beloond, waarmee zijn naam als historicus definitief was gevestigd. Zijn benoeming in 1841 in de protestantse gemeenschap Chaam, Alphen en Baarle-Nassau betekende een grotere standplaats. Koning Willem II bezat over die plaatsen het patronaatsrecht. Die was dan ook op de hoogte van zijn benoeming en er ontstond een aangenaam contact tussen vorst en predikant. De koning gaf te kennen hem tot hofprediker te willen benoemen, maar dat heeft Schotel weten te weigeren. Willem II wilde hem naar het groothertogdom Luxemburg (tot 1867 Nederlands) overplaatsen om daar de protestantse gemeente te dienen.
In oktober 1846 aanvaardde Schotel het predikambt in Tilburg waar hij zestien jaar werkzaam zou zijn. Koning Willem II bezocht daar trouw de door Schotel geleide diensten en ontving hem in zijn paleisachtige woning. Schotel werd zijn vertrouweling en adviseur, onder meer bij de aankoop van kunst en belangrijke handschriften. De koning benoemde hem in december 1846 tot ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw. Schotel onderhield met een groot aantal geleerden contact, maar evenzeer met dichters en schrijvers als Tollens, Beets en Bosboom-Toussaint. In 1853 zag hij een van zijn initiatieven gerealiseerd: een protestantse kostschool binnen de rooms-katholieke Tilburgse gemeenschap. Een lang leven was dit Protestants Instituut niet gegund, want wegens gebrek aan leerlingen werd de school in 1865 gesloten.
Toen hij in staat werd gesteld met emeritaat te gaan, verliet Schotel de stad en trok met zijn gezin in 1862 naar Leiden; hij voelde zich bepaald geen Brabander en miste de academische wereld. Zijn vurige wens (sinds 1834) benoemd te worden tot hoogleraar, bibliothecaris van een universiteitsbibliotheek of archivaris van een belangrijk archief, was nog altijd niet vervuld en zou dat ook niet worden. Steeds werd hij afgewezen wat soms aan zijn grote bijziendheid werd toegeschreven, soms aan zijn leeftijd, maar waarschijnlijker is dat Schotel in oude structuren bleef denken, terwijl de universiteiten zich bezighielden met het uitsplitsen van de letterenfaculteit in een aantal subfaculteiten. Of was hij in eigentijdse ogen meer liefhebber van geschiedenis dan cultuurhistoricus?
In Leiden ging Schotel zich volledig inzetten voor de redactie van het Biografisch Woordenboek der Nederlanden waaraan hij op verzoek van redacteur A.J. van der Aa (1792-1857) al vanaf 1851 deelnam. Toen na de dood van Van der Aa ook diens opvolger K.J.R. van Harderwijk (1822-1860) was overleden, vroeg de uitgever van dit project Schotel de redactie op zich te nemen waardoor hij Brabant vaarwel kon zeggen. In Leiden kon hij nu uitsluitend zijn hobby beoefenen. Door het wegvallen van geleerde medewerkers met wie hij uitvoerig correspondeerde en die hem van teksten voorzagen, werd de voltooiing van het werk een solo-onderneming. Van de 27 delen redigeerde Schotel er 24, waarvoor hij honderden biografieën schreef. De grote omvang van dit werk, waarvoor steeds minder geschikte medewerkers beschikbaar waren, leidde tot een aanzienlijk aantal fouten in de biografieën die Schotel produceerde. In 1878 leverde hij het werk als afgerond op.
Zijn echtgenote was in 1877 overleden en Schotel was door een verder toegenomen bijziendheid en andere lichamelijke klachten niet in staat zelfstandig te blijven wonen. Hij ging op kamers op het Rapenburg bij de weduwe van een Leidse pedel. Zijn werkkracht en doorzettingsvermogen waren danig aangetast. Hij liet zijn bibliotheek en antiquiteiten veilen en wilde Leiden verlaten. In mei 1878 verhuisde Schotel naar Dordrecht en woonde daar in de Boomstraat bij zijn jongste broer Jan Willem van Steenbergen Schotel, geneesheer en verloskundige. Toch produceerde Schotel in deze hernieuwde Dordtse periode vele artikelen in kranten en tijdschriften. Er kwamen ook enkele grotere publicaties zoals in 1879 Twee wandelingen door Dordrecht waaraan hij meewerkte. In 1884 verscheen Resolutie der Regering te Dordrecht na den moord van Willem I in 1584.
In april 1889 verruilde hij Dordrecht voor Oegstgeest en trok daar in bij zijn enige overlevende zoon Petrus Elija en diens gezin. Deze was echter zelden thuis vanwege zijn werkzaamheden als betaalmeester in Nederlands-Indië. Schotel vereenzaamde, was heel slecht ter been en kon niet langer zelf lezen en schrijven. Zijn schoondochter las hem de krant voor en noteerde wat Schotel haar dicteerde. Het gezin verhuisde enkele malen; Schotel overleed in 1892 te Leiderdorp. De waardering van het Tilburgse stadsbestuur voor de predikant Schotel kwam tot uiting in 1923 door in de nabijheid van het door hem opgerichte Protestants Instituut het Schotelplein in te richten.
Enkele werken: Commentatio de meritis Balthazaris Huydecoperi in linguam liteasque Belgicas (Leiden 1831). Leven, gedrukte werken en handschriften van Cornelis van Alkemade en Pieter van der Schelling (Breda 1833). Leven van den zeeschilder J.C. Schotel (Haarlem 1840). Letter- en oudheidkundige avondstonden (Dordrecht 1841). Kerkelijk Dordrecht, twee delen (Utrecht 1841-1845). Beschrijving der stad Dordrecht, samen met J. Smits (Dordrecht 1844-1845). Floris I en II van Pallant, graven van Culemborg (Arnhem 1846). Tilburgsche avondstonden (Amsterdam 1850). De illustre school te Dordrecht (Utrecht 1857). Bijdrage tot de geschiedenis der kerkelijke en wereldlijke kleeding, twee delen (‘s-Gravenhage 1854-1856). Een keizerlijk, stadhouderlijk en koninklijk bezoek in de O.L. Vrouwe-kerk te Dordrecht (Amsterdam 1859). Geschiedenis der rederijkers in Nederland, twee delen (Amsterdam 1862-1864). Geschiedenis van den Heidelbergschen catechismus (Amsterdam 1863). Het Oud-Hollandsch Huisgezin der zeventiende eeuw (Haarlem 1868). Het maatschappelijk leven onzer vaderen in de zeventiende eeuw (Haarlem 1869). De openbare eeredienst der Nederl. Hervormde Kerk in de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw (Haarlem 1870). Vaderlandsche Volksboeken en volkssprookjes van de vroegste tijden tot het einde der 18e eeuw, twee delen (Haarlem 1873-1874).
(Lucas van Heeren in gw.geneanet.org)
Johannes Rutten

Johannes (Jan) Rutten werd 31 juli 1809 in Dordrecht geboren en overleed daar 6 oktober 1884. Hij was de zoon van Frans Rutten (1779-1837), tangrijn (handelaar in lompen en oude metalen), en Adriana Broere (1768-1847).
Hij trouwde op 27 mei 1840 in Dordrecht met Mathilda Maria van Strij (Dordrecht 5 oktober 1813-Dordrecht 3 januari 1878), dochter van Abraham van Strij jr. (1790-1840, kunstschilder) en Petronella van der Koogh. Uit het huwelijk werden geboren:
– Adriana (Dordrecht 1 april 1841-Dordrecht 26 augustus 1917, lerares handwerken)
– Abraham (Dordrecht 18 november 1842-Dordrecht 8 december1845)
– Frans (Dordrecht 21 maart 1844-Helmond 11 maart 1911, timmerman)
– een levenloos geboren kind op 17 juli 1852
In de kunstgeschiedenis werd Johannes Rutten aanvankelijk beschouwd als schilder van kerkinterieurs. De tekeningen en aquarellen van Dordtse stadsgezichten kregen echter de overhand in zijn werk. Vrijwel alles wat Dordrecht aan monumentale zaken bezat, heeft hij getekend of geschilderd. Rutten protesteerde tegen de afbraak van de vele poorten en gebouwen die toen al een monumentale status hadden. Zijn streven naar het vastleggen van belangrijke objecten ging zo ver dat hij louter voor zichzelf honderden stadsgezichten tekende. Dank zij die passie ontstond door grote werkdrift een onschatbare informatiebron over de stad rond het midden van de 19de eeuw, een bron waar nog steeds uit wordt geput.
Johannes groeide op in een huis in het Achterom waar zijn vader een handel in lompen en metalen had. Johannes werd door zijn talent voor tekenen en schilderen van grote betekenis voor Dordrecht. Al vroeg was hij leerling bij de belangrijke kunstschilder Abraham van Strij sr. (1753-1826), een bewijs dat hij talentvol was. Na diens overlijden ging de 17-jarige jongeman bij George Adam Schmidt (1791-1844) in de leer, een bekende Dordtse schilder van interieurs. Rutten maakte naam als schilder van kerkinterieurs. Met zijn ‘kerkgezicht van binnen’ zou hij in 1837 een ereprijs behalen van de Academie Minerva in Groningen.
Amper 20 jaar oud werd Johannes door J.C. Schotel (1787-1838), de bekende Dordtse zeeschilder, in 1829 voorgedragen als werkend lid van het tekengenootschap Pictura. Hoewel Johannes nog als leerling werkzaam was bij Schmidt, werd hij toch gekozen. Hij bezocht regelmatig de kunstbeschouwingsavonden en nam deel aan onderlinge tekenwedstrijden, wat hem enkele prijzen opleverde. Daarnaast was hij lid van het toneelgezelschap Thalia, tevens cultureel trefpunt van de Dordtse elite. Dat zou hij blijven na het bedanken als lid van Pictura in 1856.
Het lidmaatschap van Pictura bood Rutten de gelegenheid zich in 1833 als tekenleraar te vestigen. Dat was mede te danken aan zijn samenwerking met stadsarchitect G.N. Itz (1799-1869). Itz was ook directeur van de Stadstekenschool waar bouwkundig en technisch onderwijs werd gegeven. Toen de verplichting kwam dat soort onderwijs op een artistiek niveau te brengen, voelde Itz daar weinig voor en schakelde Rutten in. Die had zich bekwaamd in de architectuur van kerken, huizen, poorten en bruggen in de Dordtse binnenstad. Johannes trouwde met de kleindochter van zijn eerste leermeester. Zijn succes als tekenleraar maakte het mogelijk te verhuizen naar een betere woning. In 1840 betrok hij met zijn vrouw en moeder, die al enkele jaren weduwe was, een huis aan de Voorstraat tussen de Zakkendragersstraat en de Munt van Holland. In 1854 verhuisde hij naar een groter pand aan de overkant, enkele huizen ten westen van de Nieuwbrug.
De samenwerking met Itz werd in de periode 1847-1861 intensiever door het in opdracht van de stadsarchitect tekenen van poorten, gebouwen, speciale gevels et cetera die op de nominatie stonden gesloopt te worden. Rutten legde de verdwijnende binnenstad vast. Hij was, zoals Abelmann en Breman opmerken, ‘de beeldchroniqueur van gesloopt Dordrecht’. Zelfs delen van een gevel, een uithangbord, de variëteit in muurankers, werden door Rutten afgebeeld. Naast de opdrachten voor Itz tekende hij ook voor zichzelf het verdwijnende Dordrecht. Hij deed dat vooral in de ochtenduren voor aanvang van zijn tekenlessen. Later werden die schetsen in de meeste gevallen als aquarel uitgewerkt. Zo creëerde Rutten een oeuvre van honderden tekeningen en aquarellen.
Een Dordtenaar die het behoud of anders het tekenen van Dordtse monumentale gebouwen en andere interessante Dordtse objecten nastreefde, was Simon van Gijn (1836-1922). Van Gijn bezat aanleg voor tekenen, waarvoor hem de eerste beginselen door Rutten werden onderwezen. Het vroege contact tussen Van Gijn en Rutten zou door hun vriendschap van grote betekenis blijken te zijn. Van Gijn vond evenals Rutten dat het oude Dordrecht zo goed mogelijk bewaard diende te worden. Desondanks werd er in de 19de eeuw in Dordrecht volop gesloopt. Dordtse verdedigingswerken hadden hun functie verloren en veel gebouwen vertoonden als nasleep van de Franse Tijd en de verwaarlozing in de eerste helft van die eeuw achterstallig onderhoud.
Door afbeeldingen van andere verzamelaars te kopen, legde Van Gijn vanaf 1868 de basis voor de Atlas Dordracum Illustratum. Nadere beschouwing leert dat het zwaartepunt in die collectie bij werk van Johannes Rutten ligt. Rutten schonk Van Gijn namelijk in 1879 ruim 700 schetsen en voltooide werken van zijn historisch-topografisch werk, waarvan 175 in kleur, 275 in oost-indische inkt of sepia, 225 in potlood of krijt en meer dan 50 pentekeningen. Deze werken waren geordend als een wandeling met de Grote Kerk als startpunt. Andere tekeningen van Rutten kwamen in de Gemeentelijke Prentverzameling terecht. Behalve de architectonische tekeningen droeg Rutten ook de vele wapenafbeeldingen over die hij in 1861 minutieus had getekend. Deze vormden een aanvulling op de geslachtswapens die Matthijs Balen (1611-1691) opnam in zijn stadsgeschiedenis van 1677.
Rutten verzocht Van Gijn de zorg voor de werken op zich te nemen en deel uit te laten maken van de Atlas. Hij achtte zich door een sterk afnemend gezichtsvermogen en wellicht ook vanwege zijn leeftijd niet langer in staat daar verder aan te werken. De collectie architectuurafbeeldingen bevatte dan ook een aantal onvoltooide aquarellen. Al enkele jaren was gebleken dat het Rutten zwaar viel door te gaan met het tekenen en schilderen. Van Gijn gaf hem in 1871 opdracht de koorbanken in de Grote Kerk te tekenen. Van de uiteindelijke serie van 136 tekeningen in sepia moest Rutten na in de periode 1871-1873 aan de opdracht gewerkt te hebben, 51 tekeningen overlaten aan E.H. Schoemaker (1837-1917). Zijn toenemende oogziekte belette hem het voltooien van de opdracht. De werken van Rutten vormen nu de kern van de waardevolle collectie Dordracum Illustratum die evenals de Gemeentelijke Prentverzameling door het Regionale Archief Dordrecht wordt beheerd. Van Gijn liet de ontvangen werken niet liggen, maar schreef er over en richtte exposities in met werk van Rutten.
Een belangrijk verschil met Nederlandse tijdgenoten die eveneens stadsgezichten vastlegden, zoals Springer (1817-1891), Weissenbruch (1822-1880) en Leickert (1816-1907) is, dat deze schilders hun werk romantiseerden en bijvoorbeeld afgebeelde personen voorzagen van kledij uit vroeger tijden. Aan deze vorm van historiseren deed Rutten niet, hij beeldde af wat hij zag. Een enkele keer veroorloofde Rutten het zich enkele fraaie panden naast elkaar te tekenen, hoewel die in werkelijkheid verder uit elkaar stonden.*
Rutten trok zich terug uit het kunstenaarsleven en bleef met zijn ongehuwde kinderen Adriana en Frans op de Voorstraat wonen. Hij overleed 6 oktober 1884 en werd op de Algemene Begraafplaats begraven. Bij dit afscheid sprak Simon van Gijn en roemde hem als vriend en om zijn liefde voor de verdwijnende stad.
Bronnen
RAD, archief 256.
NNBW, deel 3, p. 1107.
Jong, H.C. ‘t, Johannes Rutten (1809-1884); tekenaar van het 19e eeuwse Dordrecht, in: Kwartaal & Teken, 13e jrg nr. 4, p. 1 en 2 (Dordrecht 1987).
Abelmann, A. en P. Breman, Het Dordrecht van Rutten (Dordrecht 2004).
https://www.dordtenazoeker.nl/ Cees Esseboom (juli 2017)
* Op zijn schilderij van de Voorstraat bij de Lombardbrug (zie hieronder) heeft hij nogal wat veranderd. “Het middelste huis [ brouwerij “het Witte Ancker”] zag er in Ruttens tijd heel anders uit. … Met het linkse deel van het schilderij ging Johannes Rutten helemaal los. Kennelijk had hij visueel wat tegen de Lombardstraat, die bij hem niet bestaat. De huizen in de verte moeten gestaan hebben aan de Lange Breestraat, maar zijn ontsproten aan de fantasie van Rutten.” De Lombardbrug bestond en bestaat nog steeds uit drie bogen. “Er bleef op het schilderij slechts één kunstzinnige boog over. Het huisje helemaal links was er in werkelijkheid niet.” (Dordt Eigen-Aardig, in Algemeen Dagblad/De Drechtsteden, 25 jan. 2023)






Johanna Wilhemina Gips (geb. Dordrecht 29-9-1843 [Vest 73]– gest. Den Haag 18-12-1895), zangeres, muziekpedagoge. Dochter van Albertus Gips (geb. 1793), kantoorbediende, en Sophia Beliana Maria van den Broek (geb. 1803). Wilhelmina Gips bleef ongehuwd.
Johanna Wilhelmina Gips werd geboren in Dordrecht, als jongste in een gezin met twee dochters. Zij studeerde muziek bij de Duitse musicus Böhme, die van 1845 tot 1875 in Dordrecht woonde en zeer bepalend was voor het Dordtse muziekleven. Zang studeerde zij bij Carl Schneider in Rotterdam en Pauline Viardot-Garcia in Baden-Baden. Na haar studietijd maakte Wilhelmina Gips kunstreizen door Duitsland, Zwitserland en Engeland, en vestigde zich ten slotte als zanglerares in Dordrecht. Zij leidde zangers op die later internationaal bekend zouden worden, zoals Arnold Spoel, Cornelia van Zanten en Joseph Orelio. Laatstgenoemde was een hulponderwijzer wiens talent zij ontdekte tijdens een concert in de Dordtse Kunstmin. Omdat hij zijn zanglessen niet kon betalen, gaf zij hem gratis les.
Na 1866 werd Wilhelmina Gips een bekende sopraan. In Nederland en in het buitenland, vooral in Duitsland, was zij een veelgevraagde soliste. Op haar repertoire stond werk van Mendelssohn, Mozart, Haydn, Bellini, Schubert, Schumann en haar stadgenoot Willem Kes. Een recensent van Caecilia schreef enthousiast: ‘de onberispelijke uitvoering der moeilijke coloratuur van de aria uit La Sonnambulawekte ieders bewondering’ (Caecilia 1870, 42). Bij oratoriumuitvoeringen was Wilhelmina Gips vaak de enige Nederlander. Zo ook voor het muziekfeest in juni 1872 van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst in Dordrecht – waarvan zij toen al erelid was. Zoals vele musici leverde zij bijdragen aan liefdadigheidsconcerten: in 1871 in Dordrecht voor hulpbehoevende toonkunstenaars en het jaar daarna in Leiden, op het ‘armen-concert’ van Sempre Crescendo.
Wilhelmina Gips had grote belangstelling voor eigentijdse muziek. Zo zong zij werk van Niels Gades Kalanus en Hermina Amersfoordt-Dijk (Caecilia 1873, 186). Vaak trad zij samen op met de alt Anna Collin-Tobisch. Ook droeg Wilhelmina Gips bij aan de herleving van de muziek van ‘oude meesters’ als Johan Sebastiaan Bach in Nederland. Zij was lid van De Langes a-capella koor voor beroepszangers, opgericht in 1881 met het doel Nederlandse en Italiaanse Renaissance muziek ten gehore te brengen. Een van de eerste optredens van dit koor was in 1881 in de Grote Kerk in Dordrecht, met muziek van Orlando di Lasso, Sweelinck en Bach. Het koor verwierf grote roem tijdens de Internationale Muziektentoonstelling in Wenen in 1892.
Over het algemeen lieten recensenten zich positief uit over Wilhelmina Gips. In het voorjaar van 1874, in het Amsterdamse Felix Meritis, sprak men al van haar ‘gevestigden roem’. Haar stem werd ‘krachtig, edel en helder’ genoemd (Caecilia 34, 1877, 63). Soms werd haar echter een gebrek aan warmte en hartstocht verweten en werd haar toon bekritiseerd: ‘Hinderlijk is bij deze zangeres de gebrekkige vorming van den toon op sommige scherpe vocalen als e (in Herz, verre), ä (mächtig), ö (könnte) enz. Het is te hopen dat Mej. Gips er zich ernstig op zal willen toeleggen om dit gebrek te verbeteren’ (Caecilia 31, 1874, 130).
Wilhelmina Gips overleed op 52-jarige leeftijd in Den Haag. Na haar dood leefde zij voort in enige gedichten en liedjes. In 1873 droeg Willem de Haan een Wiegeliedeken aan haar op en in 1886 maakte de musicus Marius Adrianus Brandts Buys Sr. het lied Ik zal u geven zoveel kussen. De Dordtse gelegenheidsdichter D.J. Schrauwen eerde haar na haar dood met het lofdicht Zoete tonen reine klanken.”
(http://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/Gips)





Pieter Geijl
Otto Dicke, geboren 3 mei 1918, beeldend kunstenaar, tekenaar, illustrator, cartoonist, striptekenaar, ontwerper van mozaïeken voor scholen en kerken

Otto Dicke
C. (Kees) Buddingh’, geboren 7 aug. 1918, dichter
F
Cees Buddingh’
- “Een heleboel mensen kunnen, vreemd genoeg, niet tegen initialen in schrijversnamen. Dat je als C. Buddingh’ publiceert nemen ze – bewust of onbewust – ergens niet: die ‘C’ moet en zal een naam worden. En zo prijk je – zonder dat je het zelf wilt – op de meest uiteenlopende plaatsen als ‘Cees’, een voornaam die ik zelf wel als laatste zou uitkiezen.”
Toch is Buddingh’ ook zelf niet altijd consequent met zijn benaming omgegaan: hij moet drukproeven met de naam Cees hebben geaccordeerd. Opmerkelijk genoeg prijkt zelfs op de grafsteen van Buddingh’ de naam ‘Cees’
C. Buddingh’ debuteerde, na enkele publicaties in Den Gulden Winckel en Criterium, in 1941 met de bundel Het geïrriteerde lied. Daarna volgden onder andere de clandestiene bundel De laarzen der Mohicanen (1943), Twintig sonnetten (1945) en Water en Vuur (1951). In het sanatorium begon hij met het schrijven van gorgelrijmen, waarvan De blaauwbilgorgel het beroemde oerrijm is. De eerste uitgave van de gorgelrijmen, inclusief de Blaauwbilgorgel, vond plaats in het baldadige en surrealistische tijdschrift De Schone Zakdoek. De Gorgelrijmen zijn later in verschillende uitgaven gepubliceerd, waaronder 10 Gorgelrijmen, gedrukt in een oplage van slechts tien exemplaren, met illustraties van Wim van Stek (1953). Nieuwe poëzie schreef hij met de bundel Lateraal (1957). West Coast (1959) en Zo is het dan ook nog weer eens een keer (1963). Een belangrijke bundel werd Deze kant boven (1965), waarin hij voor het eerst een haarscherp beeld gaf van zijn dagelijks leven. Hij werkte mee aan de tijdschriften Gard Sivik en Barbarber.
Buddingh’ verwierf een grote populariteit op poëzieavonden. Bekend werd zijn voordracht van het gedicht Pluk de dag tijdens de Poëzie in Carré-bijeenkomst in 1966, een initiatief van Simon Vinkenoog. Ook werd hij een bekende Nederlander dankzij zijn optreden tijdens Poëzie in Carré (1966) en in het televisieprogramma Poets. In 1967 begon hij met het schrijven van wat uiteindelijk vijf delen dagboeknotities zouden worden. In 1976 kreeg hij de Jan Campert-prijs voor de bundel Het houdt op met zachtjes regenen. Daarna volgden nog meer autobiografische verzen in De eerste zestig (1978), De tweede zestig (1979) en Verzen van een Dordtse Chinees (1980).
Buddingh’ werkte rond deze tijd als ‘literator’, en hij vertaalde veel, onder andere de The Forsyte Saga van John Galsworthy en, samen met Wiebe, A Clockwork Orange. Daarnaast schreef hij poëzie en enkele prozawerken: Misbruik wordt gestraft (1967), De avonturen van Bazip Zeehok (1969) en Daar ga je, Deibel! (1975), een toneelstuk (geschreven samen met Bert Schierbeek), een serie strips in dagbladen samen met Otto Dicke, kritieken, columns, aforismen en verschillende essaybundels, waaronder het Lexicon der Poëzie (1968). Ook stelde hij een groot aantal bloemlezingen samen.
Na 1980 – en de onverwachte aanval van Willem Frederik Hermans op zijn dagboeken – schreef hij nog een groot aantal miniaturen (prozagedichten) die werden gebundeld in onder andere Een rookwolkje voor God (1982). In 1983 ontving hij de Cestoda-prijs. Kort voor zijn overlijden verscheen een nieuwe reeks gorgelrijmen in de bundel Nieuwe gorgelrijmen (1985). Naast het schrijven maakte Buddingh’ in de jaren 70 een groot aantal collages en kastjes met surrealistische voorstellingen. Ook had hij gedurende een tiental jaren een deeltijdbaan aan het Instituut voor Vertaalkunde van de Universiteit van Amsterdamen was hij voorzitter van uitgeverij De Bezige Bij. Op zijn zestigste verjaardag werd hij benoemd tot ereburger van Dordrecht. Op 24 november 1985 overleed C. Buddingh’ in het Gemeentelijk Ziekenhuis in Dordrecht, terwijl hij herstelde van een operatie.
Buddingh’ is vaak een stoïcijnse levenshouding toegedicht. In een interview met Vrij Nederland vertelde hij over de beginperiode van zijn dichterschap, waarin hij – om tegen het zich opdringende gevoel van Weltschmerz in te gaan – naar een bepaalde filosofie zocht. En dat hij toen belandde bij het stoïcisme. Er kwam in dat interview een herinnering aan zijn diensttijd naar boven. Hij vertelde dat hij ’s nachts op wacht stond aan de rand van een exercitieterrein, een volle twee uur onbeweeglijk in dezelfde houding, de karabijn aan zijn voeten. “Waarom deed je dat toch eigenlijk?” vroeg hij zich af. Waarop zijn antwoord luidde: “Als demonstratie dat je ook a noble roman kon zijn, iemand langs wie verdriet, ellende of lichamelijk ongemak afgleed, als water langs de veren van een eend.”[4]
Maar Buddingh’ heeft de dood, slechts korte tijd later – en dus nog heel vroeg in zijn leven – al in de ogen moeten kijken. Hij leed als jonge man aan tbc en werd in 1942 – hij was toen 23 jaar – opgenomen in het Sanatorium Zonnegloren in Soest, waar hij begin 1943 het gedicht zou schrijven dat hem zijn leven lang heeft vergezeld: De Blaauwbilgorgel. “Ik geloof dat ik daar toch wel een reële kijk op het leven gekregen heb”, zei hij later. Buddingh’ hoorde er van kameraden die nog met hem bij de wielrijders waren geweest en waren opgepakt en geïnterneerd in Polen, maar ook van de schrijver Ed. Hoornik, die zijn debuutbundel Het geïrriteerde lied (1941) had geredigeerd en die in Dachau zat. Bij dat soort treurige verhalen was zijn gedachte: “Het is natuurlijk niet zo leuk hier in het sanatorium en er gaat hier weleens iemand dood, maar vergeleken bij een concentratiekamp is het hier toch eigenlijk een vakantiekolonie.” Lange tijd wist hij zonder zwartgalligheid op die periode in het sanatorium terug te kijken. Zo kon hij vertellen over de ontmoeting met een man na afloop van een première in de Amsterdamse Stadsschouwburg, met wie hij in een heftige discussie verzeild raakte, deels gevoed door een of meer glazen whisky. Men achtervolgde elkaar daarbij zelfs naar het toilet, waar de man zich telkens op zijn borst sloeg en trots uitriep: “Vijf jaar RAF!”. Buddingh’ sloeg zich daarop ook op zijn borst en zei: “Zes jaar tbc”.
Na de periode van zestig en de stromingen van Gard Sivik, de nieuwe stijl en Barbarber kwam dan halverwege de jaren zeventig Buddinghs meesterwerk in de vorm van de bundel Het houdt op met zachtjes regenen, dat een diepzinnige bundel werd genoemd door critici, hoewel dat woord ‘diepzinnig’ niet echt bij Buddingh’ paste. Vergankelijkheid – altijd slechts onderhuids aanwezig in zijn poëzie – vormde nu het voornaamste onderwerp. Ook de sanatoriumtijd keerde hierin in alle hevigheid terug. Buddingh’ wist alle lof voor die bundel – waarvoor hij in 1976 de Jan Campert-prijs ontving – ook direct weer te relativeren: “Natuurlijk kan een gedicht over een vriend die na dertien jaar sanatoriumtijd gestorven is, gemakkelijk meer diepgang krijgen dan een gedicht over een potje jam, maar je moet er toch niet van uitgaan dat het mooier wordt als je maar over de dood schrijft. Da’s typisch Nederlands. Als ’t maar over de dood gaat, is ’t mooi.”
Toch was het in deze bundel gedaan met de tot dan toe zo kenmerkende stijl van hem, met dat zo neutraal mogelijk, laconiek-humoristisch, noteren van alledaagse observaties. Vooral de In Memoriam-gedichten brachten daarin verandering. Ook het verdriet sloop langzaam in zijn poëzie, en naast het verdriet ook de woede. Een woedend gevoel van onmacht, onder andere in het gedicht In memoriam Beertje van M. “De dood gaat als een gek tekeer”, schreef collega Bernlef naar aanleiding van vooral de zeven elegieën over de zeven mensen die ieder op hun manier iets voor Buddingh’ hadden betekend en toen al dood waren: Du Perron, Anthony Bosman, Ton Kloppers, Benjamin Péret, Pablo Neruda, Gerrit M. en Beertje van M.
In zijn dagboeken had Buddingh’ zich jaren eerder al minder gereserveerd opgesteld tegenover zijn eigen emoties met betrekking tot de vergankelijkheid. De functie van de dagboeken werd met Het houdt op met zachtjes regenen overgeheveld naar zijn poëzie. Buddingh’ zelf daarover: “Waarschijnlijk is het toch een protest tegen het verglijden van de tijd. Op een of andere manier probeer je dat vast te houden. Zo’n dagboek is toch een brief in een fles, bestemd voor het nageslacht: Kees Buddingh’ is er ook nog geweest.”
Buddingh’ ging in de sonnettenreeks die volgde – en die eigenlijk had moeten resulteren in een autobiografie in 360 sonnetten, Een mens in de tijd, maar toch niet verder kwam dan De eerste zestig en De tweede Zestig – verder met de doden in gesprek. In het eerste sonnet in De eerste zestig sprak hij met zijn overleden vader:
Soms, ’s avonds, staat mijn vader in de kamer.
Vreemd oud geworden, haast vel over been.
‘Slapen ze, Stientje en de jongens?’ ‘Ja, hoor.’
(zij mogen hem niet zien.) Hij zucht tevree.
Maken ze ’t goed? Geen zieken?’ ‘Nee, geen zieken
gelukkig. Alles prima.’ Hij glimlacht,
klein op een puntje van de bank, zijn benen
nog korter dan toen hij een jongen was.
Zo trokken er velen voorbij in beide bundels. In Bij de dood van Kors Monster schreef Buddingh’:
t wordt wel een boek met In Memoriams
dacht ‘k laatst. Maar ja, wanneer je, als Pizarro
de vijftig overschreden hebt, dan vallen
ze links en rechts als mispels om je heen.
De tweede zestig eindigde met een drietal gedichten over eveneens sanatoriumpatiënten. De bundel opende met een kleine ode aan de vergankelijkheid in het sonnet Vuur, dat als volgt eindigt:
Zelf ben ‘k wat bang voor water. Lucht heeft iets
vulgairs, vind ’k. Aarde is mooi, maar blijft toch aarde.
Vuur alleen is pure vergankelijkheid.
In 1979 werd Buddingh’ in alle hevigheid opnieuw geconfronteerd met de sanatoriumperiode toen dokter Van Proosdij hem uit pure vriendelijkheid een door hem samengesteld boek, getiteld Vijftig jaar Zonnestraal, stuurde, met daarin al die oude sanatoriumfoto’s, waaronder die van dokter Pauw, die hem in 1948 in het sanatorium opereerde. Het boek en de herinneringen mondde bij Buddingh’ in korte tijd uit in een zogenaamd sanatoriumsyndroom. In zijn dagboek schreef hij daarover later: “Ik leefde in een totaal irreële wereld. Het was net alsof alles om mij heen zich kilometers van mij vandaan afspeelde en mij tezelfdertijd als nauwe, op elkaar aanschuivende bergwanden vermorzelde”.
Inmiddels waren het leven en werk van Kees Buddingh’ steeds meer verstrengeld geraakt. Het autobiografische karakter van zijn werk werd steeds sterker. Feiten, zaken en verhalen uit het verleden werden keer op keer herbeleefd. Op de reeks sonnetten volgden in 1980 de Verzen van een Dordtse Chinees, dat inhoudelijk voortborduurde op de autobiografische onderwerpen.
Bij Buddingh’ was, na de explosieve periode, langzaam aan een zekere verstilling opgetreden. Gezien de titel van de bundel verlangde hij naar rust, naar de gemoedsrust van de oosterling, maar tegelijk ook wel weer een echte westerse oosterling, namelijk één uit Dordt. In de Verzen beleefde Buddingh’ de overgang van de herfst naar de winter. Veel bezag hij in het licht van de naderende dood. Toch werd het niet uitsluitend een melancholieke bundel. Hij had nog net zo goed aandacht voor het zich vernieuwende leven in het voorjaar.
Uiteindelijk komt hij in de Verzen uit bij:
Kringloop
Eigenlijk moet je nooit vragen
wanneer het voorjaar is:
zal ‘k ook de zomer nog halen?
Je hebt al aeonen gemist.
Klap je stoel gewoon uit in je tuintje.
Steek heel je nek uit in de zon.
Straks zit je een beetje te kwijlen.
Dan ben je weer waar je begon.
Het begin van de jaren tachtig waren in literair opzicht een stille periode voor Buddingh’. De poëzie had plaatsgemaakt voor zogenaamde microverhaaltjes of miniaturen, een genre dat maar met moeite gewaardeerd werd. Zijn uitgever De Bezige Bij besloot ze niet uit te geven, waardoor de dichter – die ook nog eens tien jaar voorzitter van deze coöperatieve uitgeverij was geweest – zich bijzonder teleurgesteld moet hebben gevoeld. Hij sukkelde met zijn gezondheid en ook een herstart van zijn dagboek zat er ondanks herhaalde pogingen niet in. Maar dan is het in zijn dagboek 13-3-1985: “Het blijkt steeds weer: ik heb eigenlijk een ijzersterk gestel, met alleen hier en daar een paar flinke roestplekken. Hoeveel jaar heb ik al weer niet meer in deze cahiers geschreven: vijf, zes, of toch duidelijk minder? – ik weet het niet meer. Aan de ene kant heb ik het als een bevrijding ervaren, aan de andere kant heeft het, meer dan ik zelf wel dacht, aan me geknaagd. En nu ben ik dan – en waarom juist vandaag, ik zou het bij God niet weten – weer begonnen. Mijn voornemen is in ieder geval; doorgaan tot ik de pen niet meer vast kan houden.”
In 1984 kwam Buddingh’ in contact met de Utrechtse schilder-graficus Hans van Dokkum, die al ruim een jaar enthousiast bezig bleek te zijn litho’s bij de inmiddels ruim dertig jaar oude gorgelrijmen te maken. Buddingh’ werd dusdanig door zijn geestdrift aangestoken dat hij – tot zijn eigen verbazing – plotseling het ene na het andere gedicht schreef over weer een nieuw gorgeldier, van De breddeveel tot De wems. In vijf maanden tijd schreef Buddingh’ tweemaal zoveel gorgelrijmen als destijds in tien jaar. In oktober 1985 verschenen ze weer bij De Bezige Bij in de bundel Nieuwe Gorgelrijmen en Buddingh’ schreef euforisch: “Als ik naar de stapel kijk denk ik, met Macbeth: “Wie had gedacht dat de oude man nog zoveel bloed in zich had”.” De gorgelrijmen worden wel gerekend tot nonsenspoëzie of light verse. Dat is slechts ten dele juist, want de gorgelrijmen – zowel in de oude als in de nieuwe – hebben vaak een dubbele bodem. De ogenschijnlijke vrolijkheid herbergt altijd een diepe weemoed en ook de dood is in de rijmen vaak niet ver weg.
Buddingh’ was als dichter een graag geziene gast op literaire festivals en voorleesavonden. Ook in zijn eigen stad, Dordrecht, trad hij veelvuldig op, zoals tijdens de door Joop van Halen georganiseerde literaire avonden in ’t Hof en in het culturele centrum van de nieuwbouwwijk Sterrenburg. Deze literaire avonden in De Keet waren legendarisch. Niet alleen vanwege de locatie: een noodwinkelcentrum omgeven door flats, maar vooral ook om de inhoud en de sfeer. Joop van Halen organiseerde er niet alleen avonden met Buddingh’, maar ook met Jan Eijkelboom, Frans Kellendonk, Cees Nooteboom, Simon Vinkenoog, Bert Schierbeek en veel andere schrijvers en dichters. Het destijds roemruchte Klein Orkest was er zo’n beetje het huisorkest.
Buddinghs stem, eind jaren zestig landelijk bekend geworden door het uitspreken van de verbindende teksten in het allereerste Nederlandse verborgencameraprogramma Poets, bleef door velen geassocieerd worden met humor. De typische, gortdroge, Buddingh’-stem werd daarmee zijn handelsmerk en miste bij lezingen zijn uitwerking niet. Als hij voorlas kregen de woorden er een extra dimensie door. Het trieste werd bijna geestig, terwijl omgekeerd, het grappige niet onmiddellijk tot uitbundig lachen noodde. Daardoor riep zijn stem bij velen een constante glimlach op. Volgens Buddingh’ zelf was hij na het optreden in Carré de man van “die stem en dat dekseltje van het marmietpotje”. Echt problemen leek hij er niet mee te hebben: “Die stem, ja. Er is eens een stuk van drie pagina’s over geschreven. Vond ik wel mooi.”
Ares Koopman schreef daarover: “Na zijn optreden in Poëzie in Carré werd hij her en der gevraagd de stem te laten horen, waarmee hij een soort half-hees, tegen het Rotterdams aanleunend Dordts sprak, en die op den duur zijn handelsmerk werd. Hij reisde stad en land af om zijn eigen en andermans werk ten gehore te brengen, en hij bracht, gebruikmakend van die stem, zijn liefde voor de literatuur over op – waarschijnlijk – veel meer mensen dan er zonder Poets, zonder Poëzie in Carré en zonder die stem op zo’n avondje poëzie zouden zijn afgekomen.”
Adriaan Morriën schreef in het gedenkboek Een stem om niet te vergeten een portret van Buddinghs stem. Wat volgens Morriën daar in doorklonk was “de toon van melancholie, het accent van berusting, niet in het zogenaamd onvermijdelijke, maar in het eeuwig veranderlijke, de melancholie van iemand met een blijkbaar onverwoestbaar goed humeur, en de berusting van een man die op verrassingen uit is.”
Dat Buddingh’ in 1985 met het werken aan de nieuwe reeks gorgelrijmen ook een nieuwe opleving in zijn literaire werk meemaakte, is wel duidelijk als we zijn laatste maanden volgen in het laatste deel met Dagboeknotities,[7] dat uiteindelijk negen jaar na zijn dood zou verschijnen. Hij had er weer zin in en maakte weer plannen. Bijzonder is het dat de gorgelrijmen – waarin de glimlach en de weemoed steeds hand in hand gaan – in zekere zin zijn gehele oeuvre zijn gaan omsluiten. In november 1985 ging Kees Buddingh’ ter observatie het ziekenhuis in, slechts enkele passen van zijn huis in de Dordtse Bankastraat verwijderd. Het leek erop dat hij herstellende was van een darmoperatie. Met zijn vriend Roel Leentvaar begon hij in het ziekenhuis weer aan een schaakpartij, die echter door een spoedoperatie werd onderbroken en daarna niet meer kon worden voortgezet. Op 24 november 1985 overleed Buddingh’ op 67-jarige leeftijd. (Wikipedia)

Freek Jacobus Vonk (Dordrecht, 24 februari 1983) is een bioloog, televisiepresentator en bijzonder hoogleraar.

Freek Vonk
