Geschiedenis van Dordrecht

Bronnen:
M. van Baarsel, Van Aardappelmarkt tot Zwijndrechts Veerhoofd. De straatnamen van de historische binnenstad van Dordrecht (Hilversum 1992)
M. Balen, Beschryvinge der stad Dordrecht (Dordrecht 1677)
H.A. van Duinen, Een Augustijnenklooster van aanzien. Conventus Sancti Augustini Dordracensis 1275-1572 (Dordrecht 2010)
Leendert van der Es, Bombardement van Dordrecht in het jaar 1813. Een ooggetuigeverslag door Leendert van der Es, ingeleid en van commentaar voorzien door Pieter Breman. (Dordrecht 1985)
C. Esseboom en N.L. Dodde, Minerva Dordracena. 750 jaar klassiek onderwijs in Dordrecht (1253-2003), (Dordrecht 2003)
W. Frijhoff, Geschiedenis van Dordrecht van Dordrecht van 1572 tot 1813 (Hilversum 1996)
J. van Herwaarden e.a., Geschiedenis van Dordrecht tot 1572 (Hilversum 1996)
T. W. Jensma, De Grote- of onze Lieve Vrouwekerk van Dordrecht (Zwolle 1987)
R.A. Koman, Beeh … ! Groot Dordts volksverhalenboek (Bedum 2005)
A. Nelemans, Hic conditur. De graven van de Nieuwkerk te Dordrecht (Amsterdam 2006)
W.M. van der Schouw, Dese heerlicke Stad. Een zeventiende-eeuwse kroniek van Dordrecht, door Pieter Govertsz. van Godewijck (1593-1669) (Dordrecht 2006)
W. van Wijk, Dordrecht 40/45 (Zwolle 2014)
Gebruikte afkortingen:
 
OD: Oud-Dordrecht
1049: Volgens de overlevering werd graaf Dirk IV van Holland in 1049 in Dordrecht vermoord. “De graaf had op een toernooi van de bisschop van Luik per ongeluk diens broer gedood. Hij wist te ontkomen aan de wraakzuchtige Luikenaren en vluchtte naar Dordrecht, waar hij onmiddellijk alle handel op Luik verbood en de Luikse en Keulse koopvaardijschepen in brand stak. De bisschop op zijn beurt bracht vervolgens een groot leger op de been, dat, geholpen door het ijs en enkele afvallige burgers, de stad ’s nachts kon binnenvallen. In een nachtelijk straatgevecht moesten de Luikse soldaten het onderspit delven. De plek waar deze slag plaatsvond wordt ook wel de “moordhoek” * of “moordkuil” genoemd. … Toen Dirk IV de volgende morgen op een wandeling het slagveld nog eens in ogenschouw wilde nemen, werd hij volgens de verhalen vanuit het huis “Hollant”, tegenover de Gravenstraat …, geschoten in zijn dij. Een vergiftigde pijl maakte in het straatje een einde aan zijn leven. Het verhaal over de moord vanuit [het huis “Hollant”] … tegenover de Gravenstraat lijkt te zijn verzonnen omdat het pand pas in 1304 werd gebouwd. In 1049 was de havenzijde van de Wijnstraat nog niet bebouwd.” Andere bronnen echter beweren dat een pijl van een Luikenaar de graaf trof toen hij wandelde door het hof achter zijn huis “Henegouwen”, dat gestaan zou hebben aan de oever van de Merwede.(Koman, o.c., p. 73 e.v.)
* “Op de hoek van de Lange Breestraat en het Bagijnhof was een pleintje dat de naam Moordhoek droeg. Balen en anderen voerden die naam terug op een verschrikkelijke slag die graaf Dirk IV hier in 1049 geleverd zou hebben. In dat jaar bestond Dordrecht nog niet. Waarschijnlijker is dan ook, dat de naam ontleend is aan een huis de Moordkuil dat hier stond. Of die naam herinnert aan een moord, is niet na te gaan.” In 1563 wordt een huisje vermeld, staande in de Moordhoek “ende is dat middelste naest die moertcuijll”. (Van Baarsel, o.c., p. 80-81)
Standbeeld van Dirk IV bij de Varkenmarkt.
ca. 1122: “In een oorkonde, die voorgeeft uit het jaar 1064 te zijn, wordt een aantal gebieden in deze streek genoemd. Eén ervan heeft als gedeeltelijke begrenzing ‘Thuredrith cum capella noviter constructa’. Aangenomen dat er geen sprake is van het gelijknamige riviertje *, staat hier dus dat in Dordrecht onlangs (noviter) een kapel werd gebouwd. In deze kapel de voorloper van de Grotekerk te zien, ligt voor de hand. Uit een kritisch onderzoek was al gebleken dat de oorkonde niet in 1064, maar in de jaren 1121-1122 was opgesteld. Kort vóór die tijd zou de kapel dus zijn gebouwd, hetgeen door de recente opgravingen in het hoogkoor wordt bevestigd. Wanneer de kapel is afgebroken en door een groter gebouw vervangen, blijft vooralsnog onduidelijk. De geschreven bronnen laten ons in de steek en opgravingen moesten voor herstelwerkzaamheden wijken. Eerst na 1200 wordt de Dordtse kerk als instelling weer vermeld.” Omtrent de stichting van de kerk ontstond in de 15de eeuw de legende van Sint Sura. “Matthijs Balen gaf in zijn ‘Beschryvinge van Dordrecht’ (1677) zijn lezing van [de] legende: Sieuwertje [Sura], een Dordts meisje, zou in het verre verleden zich geroepen hebben gevoeld de bouw van de kerk uit eigen zak te betalen. Zij bezat slechts drie muntjes, waarvoor drie werklieden ingehuurd konden worden. Na enige tijd verlangden deze lieden opnieuw betaling. Sieuwertjes beurs was inmiddels op miraculeuze wijze weer met een zelfdebedrag gevuld. In de veronderstelling dat zij rijk moest zijn, vermoordden de werklieden het vrome meisje. Zij werden ter dood veroordeeld, maar Sieuwertje herrees en verkreeg hun vrijlating. Waarna de werklieden, diep onder de indruk van dit wonder, weer aan het werk togen en de kerk voltooiden. Op de plaats van de moord ontsprong sindsdien een bron van geneeskrachtig water, die volgens Balen nog in zijn tijd te bezichtigen viel. Deze Sura, die lokaal als heilige wordt aangemerkt maar van hogerhand nimmer officieel erkenning heeft gekregen, komt alleen voor in een laat-vijftiende eeuwse Sacraments processie.” (Jensma, o.c., p. 11)
* Op 15 okt. 2016 deden archeoloog Mark Drost en Geuch de Boer van onderzoeksbureau RAAP een bijzondere ontdekking. Bij archeologisch boren bij de Grote Kerk vonden zij sporen van het riviertje de Thuredrith, dat in de middeleeuwen op die plek moet hebben gestroomd. Daarmee was het bestaan van het riviertje, dat alleen uit historische bronnen bekend was, eindelijk bewezen. (AD Drechtsteden, 17 okt. 2016, p. 3)
Sint Sura met haar attributen, een vismes en een palmtak (foto: Regionaal Archief Dordrecht)
 
ca. 1260: Maria van Leuven verblijft regelmatig op haar weduwengoed Dordrecht. “Als oudste en broerloze dochter  van hertog Hendrik I van Brabant en Mathilde van Boulogne, zag het er volgens het Brabants erfrecht lange tijd naar uit dat Maria haar vader zou opvolgen. Dit maakte haar tot een begeerde bruid en een pion in de strijd tussen de Welfenen de Staufen.

In 1198 werd Maria uitgehuwelijkt aan Otto van Brunswijk, die door de Welfen was aangeduid als hun kandidaat-keizer.Terwijl de pauselijke toestemming aansleepte (Maria en Otto waren in de verte verwant), toonde Filips van Zwaben zich een te duchten rivaal van Otto. Hertog Hendrik I kreeg twijfels, besloot af te wachten, en liep in 1204 over naar het Staufische kamp. Maria brak nu met Otto en verloofde zich met koning Frederik van Sicilië, maar paus Innocentius III stak een stokje voor deze koerswijziging; om de eerste verloving met Otto af te dwingen, bedreigde hij hertog Hendrik zelfs met excommunicatie. In deze patstelling bleef Maria ongetrouwd. Haar rol leek uitgespeeld toen de geboorte van twee broers haar achteruit schoof in de erfopvolging en haar eerste verloofde Otto IV op 22 juli 1212 in het huwelijk trad met Beatrix van Zwaben, de dochter van zijn in 1208 vermoorde rivaal, die zo keizerin werd. Maar Beatrix stierf drie weken later en keizer Otto – die in Frederik II een tegenkoning had gekregen – zocht terug Brabantse steun door zijn trouwplan met Maria te heractiveren.Zo kwam het dat de 24-jarige Maria op 19 mei 1214 alsnog met keizer Otto huwde in de Sint-Servaaskerk te Maastricht.

Lang kon de kersverse keizerin er niet van genieten. Tegenkoning Frederik provoceerde haar echtgenoot tot deelname aan de Frans-Engelse Oorlog, waarna het keizerlijke leger in de Slag bij Bouvines vernietigend werd verslagen door koning Filips II van Frankrijk, nauwelijks twee maanden na het huwelijk. De buitgemaakte keizerlijke adelaar zond Filips naar Frederik, nota bene Maria’s vroegere verloofde. Otto en Maria trokken zich terug in kasteel Harzburg te Braunschweig. Volledig op een zijspoor, werd Otto op 5 juli 1215 in de praktijk afgezet. Na zijn dood in 1218 keerde Maria terug naar het hertogdom Brabant.

Haar vader Hendrik I regelde opnieuw een politiek huwelijk voor zijn inmiddels 30-jarige dochter. Zij trouwde in 1220 met de 45-jarige graaf Willem I van Holland, een belangrijke bondgenoot voor hertog Hendrik I. Een Luiks kroniekschrijver zag hierin een ‘ongelofelijke vernedering’ voor de voormalige keizerin. Maria en Willem hadden geen kinderen. In 1222 werd Maria opnieuw weduwe.

Zij keerde na verloop van tijd weer terug naar het hertogdom Brabant, maar verbleef ook van tijd tot tijd op haar weduwengoed Dordrecht. Na de dood van haar vader in 1235 verkreeg zij de heerlijkheid Helmond en het goed Miskem, in de buurt van Leuven. Maria vestigde zich in het eerste kasteel van Helmond,’t Oude Huys. Uit verschillende oorkonden is gebleken dat Maria zich intensief bezighield met de ontwikkeling van Helmond. Met name de stichting van de Abdij van Binderen, in 1244, hield haar bezig. Maria zorgde ervoor dat de abdij in 1246 formeel werd opgenomen in de cisterciënzer orde.

Maria vormde in haar burcht naar alle waarschijnlijkheid een centrum van cultureel en hoofs leven. Archeologische vondsten bewijzen dit. Haar invloed binnen de hoofse literatuur komt duidelijk naar voren in verzenepos Demantin van Berthold van Holle. Ook zijn er aanwijzingen dat Maria de Duitse dichter Wolfram von Eschenbach heeft begunstigd. In diens epos Parzival is de episode over de Zwaanridder en de ongehuwde hertogin van Brabant duidelijk geïnspireerd op Maria’s perikelen.

De laatste jaren van haar leven verkeerde zij regelmatig in Dordrecht en Miskem. Of zij regelmatig in Helmond verkeerde is niet duidelijk. Maria van Brabant overleed in 1260 en werd naast haar moeder in de Sint-Pieterskerk in Leuven begraven.” (Wikipedia)

Graf van Maria van Leuven en haar moeder Mathilde in de St. Pieterskerk te Leuven.
 
1271: graaf Floris V van Holland verleent Dordrecht het recht om een gracht te delven ten einde “hunne stad te sterken”. Die eerste stadsgracht is niet meer zichtbaar, maar het verloop is bekend (van de Suikerstraat naar de Spuistraat, langs de Elfhuizen naar het Bagijnhof, dwars door de Vriesestraat, Kolfstraat en Nieuwstraat via de Augustijnenkamp, dwars door het Steegoversloot, de Heer Heyman Suysstraat, achter het kerkhof van de Nieuwkerk langs naar de rivier). Het recht werd door de graaf in 1284 bevestigd. Wanneer de parochieschool van de Grote Kerk precies gesticht is, is niet met zekerheid te zeggen. Esseboom gaat er van uit, dat de school al in 1253 bestond en misschien al veel eerder is ontstaan. “Op grond van de archeologische vondsten is het aannemelijk dat de parochieschool van de Grote Kerk van een vroegere datum is dan het midden van de dertiende eeuw.”(Esseboom/Dodde, o.c. p. 22 en noot 6, p. 28 en 29)
1275: volgens Matthijs Balen, die zich baseert op een ongedrukte stadbeschrijving van mr. Herman Oem, welke helaas is verloren gegaan, is in 1275 het Augustijnenklooster te Dordrecht gesticht. Dat kan heel wel juist zijn, aangezien in de oudste stadrekeningen (nl. over de jaren 1284/1285) van Dordrecht de augustijnen al worden genoemd:
“Item Janne Putocke 1 lb [pond] vander augustinen weghen dat men heme gaf in alemoesene …” (Van Duinen, o.c., p. 57) Het klooster werd gebouwd op een open erf, gelegen in het blok Voorstraat, Steegoversloot, Nieuwstraat en Augustijnenkamp. Op het gebied ten oosten van het klooster werd een kloostertuin aan gelegd. Over de kloostergebouwen uit de dertiende en veertiende eeuw is weinig bekend. “In de eerste helft van de vijftiende eeuw vonden volgens een akte van 9 april [1443] … een verbouwing van het klooster en een uitbreiding van de kerk plaats. … Voor de bouw maakten de augustijnen gebruik van bouwmateriaal van de in 1421 verdronken kerk van Eemkerk. … De kloosterkerk, waarvan de bouw omstreeks 1440 aanving, verving de oude éénbeukige kerk. Het koor en het schip van de nieuwe kerk zijn waarschijnlijk gebouwd op de funderingen van de oude kerk. Gescheiden van het schip door een arcade met natuurstenen zuilen met koolbladkapiteel werd een smallere zijbeuk gebouwd. … Kort na de voltooiing van de kerk werden er tegen de zuidmuur van de zuidbeuk vier kapellen gebouwd”, die vanuit de kerk te bereiken waren door grote spitsboogvormige doorgangen. Het waren de familiekapellen van de regentengeslachten Schrijver (1488), Van Drenckwaert (twee kapellen, die in 1647 zijn samengevoegd), en Queckel (ca. 1460, later bezit van de familie Van Beveren). In 1512 brak brand in het klooster uit. De kerk werd niet ernstig beschadigd, maar de schade aan de kloostergebouwen is waarschijnlijk tamelijk groot geweest. Het klooster werd herbouwd. Van de oorspronkelijke gebouwen (kerk, kloostergang, cellen van de kloosterlingen, winterrefter en zomerrefter met dormitorium en kelder) bestaan alleen nog de kerk en de zomerrefter met genoemde toebehoren. Achter de kloostergebouwen lag de kloostertuin, die werd omsloten door een gracht. De tuin bestond uit een kruidentuin, een moestuin en een boomgaard. De vier huisjes aan de voorgevel van de kerk (Voorstraatzijde) werden in 1640 afgebroken. In de kerk werd ook begraven. Bij de restauratie in 1994 kwamen bij het wegbreken van de vloer grafzerken te voorschijn, waarvan enkelen uit de zestiende eeuw stammen. De oudste is die van Jan van Dueren, die in 1523 overleden is. (Van Duinen, o.c., p. 59-69)
De omtrek van het Augustijnenklooster (links de Augustijnenkamp, rechts de kerk aan de Voorstraat, boven de Nieuwstraat, onder het Steegoversloot).
april 1290: de graaf van Holland (Floris V) verleent de stad vrijdom van het vermeten van zout en koren en staat de poorters van Dordrecht toe “dat si eweleke vortwaerd meer die ghifte van der scole in Dordrecht ende van der costerien aldaer selve gheven moghen daer sij willen ende dien sijre gonnen ende al dat recht dat wij [de graaf] hadden in den steeninen thorn [de Vuilpoort] jeghens dat kerchof dat scelden wij tote onser voorseiden portre behoef vri ende quite …” Bovendien wordt de poorters toegestaan de erven bij de Oude Haven te bebouwen. De Oude Haven verdeelde de stad in twee gedeelten en liep van het Groothoofd tot aan genoemde “stenen toren”. (Esseboom/Dodde, o.c., p. 22-23)
6 nov. 1299: Dordrecht krijgt van graaf Jan I van Holland en Jan van Avesnes, graaf van Henegouwen, het stapelrecht, d.w.z. “de marct van allen coepwaerliken ghoede dat de Marwe of de Lecke neder comt … eist in wine, eist in corne, eist in houte … te vercoepene ende te coepene”. De term stapel komt overigens pas voor in een oorkonde van 1355. “Met dit privilege bevestigden graaf Jan van Holland en Zeeland en … Jan van Avesnes [korte tijd later als Jan II diens opvolger als graaf] de vooraanstaande positie van Dordrecht in het graafschap. In het stuk staat dat het stapelrecht een beloning betrof voor door Dordrecht aan de grafelijkheid bewezen diensten met als uitgangspunt dat de stad die diensten ook in de toekomst zou blijven leveren. … Het stapelrecht hield in dat alle goederen die langs de Lek en de Merwede werden aangevoerd in Dordrecht op de markt moesten worden gebracht. … Door de stapel werd Dordrecht een knooppunt van handelsactiviteiten met alle voordelen van dien voor de stad. De grafelijkheid profiteerde dankzij de in Dordrecht geconcentreerde tolheffing. Ook andere stedelijke activiteiten leverden de grafelijkheid inkomsten op, zodat zonder meer kan worden beweerd dat het verlenen van de stapel zowel de stedelijke als de landsheerlijke belangen diende. (J. van Herwaarden, o.c., p. 78 e.v.)

1348-1351: “Over de pest in Dordrecht tijdens de jaren van de Zwarte Dood … is nauwelijks iets bekend. Wel wordt beschreven dat een groep flagellanten uit Dordrecht naar Doornik is gegaan. De flagellanten waren groepen fanatieke gelovigen die zichzelf geselden om boete te doen en zo gespaard wilden worden.” (H. Burger, De Pest en de heilige Rochus in Dordrecht, OD 2002, nr. 1, p. 51)

 
Flagellanten.

1457: “Op 28 juni 1457 … brak er in de stad een brand uit, die vele, grotendeels houten huizen langs de Voorstraatshaven met de grond gelijk maakte. De werkelijke omvang van de brand laat zich slechts bij benadering vaststellen. … Ook [de Grote Kerk] … liep van de brand grote schade op, al lijkt het verhaal dat er na afloop alleen hier en daar nog een stuk muur overeind stond, schromelijk overdreven. Wel was in de kerk een enorme ravage aangericht. Het kapittel zag zijn archief, dat in kisten ergens in de kerk was opgeslagen, geheel in vlammen opgaan. … Wat verder nog aan kerkelijke kunst en archieven verbrand moge zijn, in elk geval niet de splinter van Christus’ kruis op Golgotha, die een reislustige Dordtenaar, Claes Scoutet, de kerk als relikwie had geschonken. … [Tijdens de brand van 1457 bleef dit zogenaamde Heilige Hout ongeschonden.] Het volgend jaar stelde het stadsbestuur ter nagedachtenis een Heilig Houtsprocessie in. * Enkele weken na de brand beraadde het stadsbestuur zich in overleg met kerkmeesters en kanunniken op de middelen tot herbouw. Resultaat hiervan was een wekelijkse collecte van een jaar, waarop men kon intekenen. Ook de ambachtsgilden werden ingeschakeld en verkregen vrijstelling van zekere belastingen voor hun arbeid aan de kerk, alsmede een subsidie voor herstel van hun vernielde altaren. Nog in 1464 spaarden de wantsnijders jaarlijks per persoon een gulden, waarvan het dak van hun Ponciaanskapel werd gerepareerd. In hetzelfde jaar verrichtte een glasmaker zijn werk en kreeg de vloer een opknapbeurt. Het altaar was al in 1462 in orde gebracht, maar het heeft nog tot 26 augustus 1472 geduurd alvorens de Utrechtse wijbisschop voor de hernieuwde wijding overkwam.” (Jensma, o.c., p. 27)

“Het Hout van’t Kruys (welk de Roomsche Kerke H. Hout noemd, volgens de Legende daer van zijnde) is wederom beproeft in’t Jaer van [1457] … doe Verbrande de Groote Kerck … ende het Verbrande al wat inde Groote Kerck was, Uuytgenomen Steen en Izer … ende die Voet ende alle dat Geen daer dat H. Hout in Besloten was, verbrande off smelte, dan alleen dat H. Hout, alsmen noch sien mach, dat Onthielt Godt, by sonderlinge ende Wonderlinge Mirakel. (Balen, o.c., p. 108)

* “Hoe ernstig de gevolgen van de stadsbranden van 1332 en 1338 ook mogen zijn geweest, de meest ingrijpende stadsbrand is toch wel die van 1457 geweest. Toen het Adriaan … Danckertszoon in de avond voor … , 28 juni 1457, niet lukte een brandje in zijn huis aan de Kleine Spuistraat te blussen, sloeg de fik over en verbreidde het vuur zich over een groot deel van het stadsgebied van de Vuilpoort en de Grote Kerk tot de Visbrug en het Begijnhof. [Het vuur legde, volgens Balen, meer dan 600 huizen, toen meestal van hout en vele bedekt met riet, in as. Ruim twee jaar na de brand werd verklaard dat die was veroorzaakt door dat een stantvinck (een opstaande balk ter ondersteuning) tegen de schoorsteen van een belendend perceel was opgesteld, waardoor het vuur makkelijk van het ene naar het andere huis kon overslaan.] Bovendien werd de beschoeiing langs de Nieuwe Haven door het vuur verschroeid en vielen onder andere de Grote Kerk, de hal (waarmee waarschijnlijk de vleeshal wordt bedoeld), het Sint Jacobsgasthuis en het Sacramentsgasthuis aan de vlammen ten offer. … In zijn verslag wijst Aeneas Sylvius Piccolomini – later paus Pius II – zowel op de nalatigheid waardoor de brand zo om zich heen heeft kunnen grijpen als op de vele wonderen die toen waren geschied, maar waarvan de waarde vooralsnog niet kon worden bevestigd. Het belangrijkste was het behoud van Heilig Hout in de Grote Kerk. Dat Heilig Hout was een stukje van het kruis van Christus dat in het begin van de vijftiende eeuw aan de Grote Kerk was geschonken door Claes Scoutate, een Brugs burger van Dordtse afkomst. … Op 3 juli [1457] vond de deken van het kapittel het kostbare reliek ongeschonden in de puinhopen van de kerk. Dat mirakel was een het begin van een lange reeks wonderen, van genezingen tot reddingen van schepen in nood. De verering voor het reliek kreeg zo’n populariteit dat de inkomsten daaruit een grote stimulans voor de restauratie van de Grote Kerk hebben gevormd. … Een jaar na de brand werd besloten jaarlijks… een processie te houden ter herinnering aan de brand en het wonder van het Heilig Hout, de Kleine Ommegang, zo genoemd ter onderscheiding met de Grote Ommegang die de brand van 1338 in herinnering hield.” (Van Herwaarden, o.c., p. 166 e.v.)

Na de Hervorming (1572 in Dordrecht) verbood men de processie. Deze werd pas in 2013 weer toegestaan. De processie gaat sindsdien ieder jaar van de Grote Kerk naar de St. Antoniuskerk aan de Burgemeester De Raadtsingel.

Processie van het Heilig Hout

1481: “Int Jaer 1480 Als op dese tijt Heer Jan van Egmont, die daer na d’eerste Grave wiert, diemen uyt smaetheyt Mancke Jan noemde, om dat hy wat manck ging, dese lagh te Gorrichom als Casteleyn, tegen den aenloop der Geldersen, & by hem hebbende de Cabbelausche ballingen van Dordrecht; soo werden hem aengebracht, dat Adriaen Jansen [Westfaling], Schout van Dordrecht, eenige schandelicke woorden tot synen nadeel gesproken hadde, waerop de Heer van Egmont onboodt, dat hy syn Stede wel bewaren soude: alsoo hy van meeni[n]ge was tot Dordrecht te comen, by schonen dage, & niet by nacht, & doen hem reden geven, van’t gene hij hem naegeseijt hadde. Dan de Schout dat in de wint salende, werde de Stadt qualicke bewaert. Heer Jan van Egmont dede heymelick toe maken twee lange Maes schepen, geladen met rys, daer onder in lagen ontrent 150 Engelschen, onder Capiteyn Sir Thomas Aurtis, & voorts eenige andere knechten. Hadde noch by hen Jonchr. Anthonis B[astaard] soone van wijlen Philips, Hertoge van Brabant, Jonchr. Michiel, Heeren Jans jonger Broeder van Bergen op Zoom, Otto van Egmont namaels Heere van kenenburgh & veel ballingen vande Cabeljausche Parthye, die sedert het Jaer [14]77 vyt Dordrecht geweken waren, onder anderen Saris van Slingelant Sarisz. Gingen ’s avonts den 5 April 1481, schepe, en quaemen ’s morgens ten seven uyeren te Dordrecht voor ’t groot Hooft, gelyck of se de oude haven hadden willen in varen. Den een schipper Jan Matthyssen was te Dordrecht wel bekent & gevraeght synde vanden schout, die doen daer op ’t Hooft was, wat hy geladen hadde, gaf tot antwoorde Rys, & alderley goet, dat ick haest sal lossen. De Schout inde Stadt gegaen synde, werde de lose gegeven, die was, Vierjarigh rijs, ryst op in godes naem, ende daer mede de verborgene Soldaten oprysende , syn snellick wel gewapent de Stadt ingeloopen, hebbende elck een witte neusdoeck om den armen, quamen al voort Stadhuys, dat boven op de Tolbrugge stont, eer sy wederstant vonden. De overste vande Stadt dit vernemende, brachten de Borgers terstont inde wapenen & trocken haer vyanden tegen om de selve wederom vvt te slaen. De Borgemeester Gillis Adriaensen hadde vvt haesticheyt in plaets van een helmet, een copere pot op syn hooft geset & komende geloopen tegen Heer Jan van Egmont, seyde hem Mancke Jan wat maeckt ghy in myn Stadt? Dan werde daer op, met den Onder Schout verslagen het welcke de moet de verliesen, soo dat elck vluchte, & om een goet heencomen sagh. De Stadt aldus vermeestert synde sont Heer Jan van Egmont terstont een bode, aen Heer Philips B[astaard] van Brabant, capiteyn van Rotterdam, om drie of vierhondert knechten, die over den geluckigen aenslagh synde verwondert, hem by na al de knechten bestelde, die hy hadde, van welckers compste Heer Jan seer verblyt was, & en nu gesterckt synde, dede hy gevangen setten meer als twee hondert Borgers vande Hoeksche partije, beneffens Adriaen Jansen Schout & Dirck Govertsz. van Beaumont [burgemeester aug. 1477, aanhanger van de Hoeksche partij.] … De Eerts-hertoge [Maximiliaan van Oostenrijk, echtgenoot van Maria van Bourgondië] ondertusschen van Breda te Dordrecht comende, veranderde den 28 April de Wet, & koos andere negen Schepen[en], & Vyf raden, hoewel den tijt net om en was, & eerst den 29. September behoorde geschiet te syn, volgende de nieuwe hant vest, gegeven int Jaer 1477. Saris van Slingelandt, werde doen vereert met het Schoutampt, Jacob Damissz van Minnebeeck, die mede ballingh was geweest, & en hem soo langh te Heusden onthouden hadde, werde Borgemeester. Den gevangen Schout & Borgemeester syn in den Hage gevoert, en aldaer by haer partydige Rechters ter doot verwesen & op den 8 Augusti onthalst. Alle de andere Hoeksche soo van Dordrecht, als van andere Steden syn den lande vyt gebannen.” (Van der Schouw, o.c., 28r e.v.)
Jan III van Egmond en zijn vrouw
 
1482: “Int Jaer 1482, hadden de ballingen van Dordrecht, eenen aenslagh op de Stadt Dordrecht met hulpe van die van Vtrecht, & quamen 800 sterck de Leck af, wel gewapent tot voor Dordrecht; dan alsoo het getije verloopen was, en konden sy niet aencomen, maer voeren de Maes op tot voorby Vlaerdingen, en haer voornemen wiert gesteuyt.” (Van der Schouw, o.c.,29r)
1502: “Int Jaer 1502, Willem van Alblas, Heeren Jansz. Borgemeester synde werde opde straet inde Groote Kercks buurt van een priester uijt het geslacht vander Does, in Zuy hollant, door steken, om dat gelyck hy seyde, de Borgemeester hem een proces hadde doen verliesen, & dat hy sulcx oock pooghde te Hove, daer het gebracht was te wege te brengen. Hy werde gevangen, & ontwijt synde, voor het Stadthuys onthalst. Hierop is goet gevonden, dat de Borgemeesters, om buyten gevaer te syn, souden gevolght worden van Hellebaerdiers.” (Van der Schouw, o.c., 30v)
1538: de moorden in herberg “het Ankertje”: In  het begin van de zestiende eeuw stond in de Voorstraat bij de Botgensstraat de herberg “het Ankertje”. Hier werden in 1538 door de familie Smit, die de herberg uitbaatte acht handelsreizigers beroofd, vermoord en in de kelder begraven. “Toen deze wandaden aan het licht kwamen, vond men [de] acht lijken in de kelder van de herberg. Deze onbekenden werden herbegraven in gewijde aarde naast de Grote Kerk. De daders wachtte een waar volksgericht. [De dochter] en haar broers werden samen met hun moeder op een kar door de Stad gereden. Op bepaalde plaatsen in destad werden roodgloeiend gestookte bijlen tegen het meisje aangehouden. Achtmaal moest zij dit ondergaan, voor elk gevonden slachtoffer één keer. Daarna moesten de gestraften, op wat wij nu noemen het Scheffersplein, de vuurdoop ondergaan. Aan een soort wipwap werden zij in het vuur gedoopt opdat zij het uitschreeuwden van de pijn. Hun beulen lieten hen echter alleen maar roosteren en niet sterven. Uiteindelijk gaven de slachtoffers toch de geest. Of het allemaal nog niet wreed genoeg was, lieten zij Smit senior opgraven die een aantal weken daarvoor was overleden. Het dode lichaam werd alsnog geradbraakt alsof hij nog in leven was.” (Henk Mesman, in issuu.com)
1566: “Toen in 1566 de beeldenstorm dreigde, teekende Carel van den Eynde in zijn rekening aan: “Alsoo op Sinte Bartholemeusavondt [1566] … seeckere destructie geschiede binnen der Grooter Kercke tot Dordrecht, te weetene, datter veele luyden heure tafereelen vuytte kercke haelden, ende overmits dat veele luyden vreesden, dat alle beelden in stucken ende gedestruweerd zouden geworden hebben, hebbe ick mede laeten vuythalen, om in bewaerdenender hand te houden de groote geschilderde taeffele van Jesus Outaer [in de Kapel van den Soeten Naem Jhesu], met noch het Cooperenwerck, maer, alsoo deselve destructie nyet voert en gonge, hebbe ick allen hetselve op ‘sanderdaeghs op Sinte Bartholomeusdach op den middach weederomme in de kercke laeten doen, ende is ’t selve geschied om beeters willen, ende om een erger daermede te verhoeden … ” Ook hier alsoo een bewijs, dat de Beeldenstorm in Dordrecht niet gewoed heeft.” (J. L. van Dalen, De Groote Kerk (Onze Lieve Vrouwenkerk) te Dordrecht [Dordrecht 1927], p. 91-92)
Op 5 sept. 1566 schreef landvoogdes Margaretha van Parma aan het stadsbestuur van Dordrecht: “wij hebben ontfanghen uwer brieff van [30 aug. 1566] … ende vuijten selffden verstaen tgoet ende neerstigh devoir bij uw lieden ghedaen soe van wachten ende waecken bij daghe ende nachte als goede ordonanciën ende verboden te maken ende onderhouden soe tot conservatie vande catholike religie ende sijne Maj. Hoechheyt [koning Filips II, heer van de Nederlanden] als tot bewaerenisse der steede dat als noch daer gheen niewichheden soe van spoliacie van eeninghe kercken cloesteren goetshuijsen ende capellen oft oock eenighe ruijminghe van beelden vuijt de kercken als van [predicatiën] van enighe sectarissen of van enighe andere oproerte aldaer off daeromtrent in uwen bedrijve geschiet ofte gevallen sijn gheweest welck ons seer leet is geweest om te horen”. (H.A. van Duinen, Beeldenstorm in Dordrecht ?, in Dordrecht Monumenteel [internet], nr. 57 (okt. 2015), p. 21)
22 jan. 1568: er woedt een felle brand in de Nieuwkerk. “De Sint Jacobskapel [eigendom van de familie Van Slingeland, die er een grafstede had] brandde uit en werd niet meer herbouwd. Jan Doudijn schilderde rond 1570 in opdracht deze brand. De schilder heeft de kerk waarheidsgetrouw weergegeven, waardoor men nu in staat is, in combinatie met de opgravingen van 1942, een reconstructie van de kerk te geven van vóór 1568. … De brand schijnt vrij kort gewoed te hebben, slechts anderhalf uur, maar is wel hevig geweest. Als we afgaan op het schilderij van Doudijn is het muurwerk blijven staan, en had de kerk betrekkelijk weinig schade. Uiteraard is wel de kap naar beneden gestort, wat ook blijkt uit de vele leien die tijdens de restauratie in 1983 teruggevonden zijn.”
Twee grafzerken hebben de brand overleefd: die van Godefridus van Wessum en de zerk van Ocker Govertsz. van Liesvelt, die echter bij de opgraving in vele stukken is verbrokkeld. (Nelemans, o.c., p. 31)
Op het schilderij van Doudijn staat schout Adriaan van Blijenburg Adriaansz. afgebeeld, die vergezeld wordt door zijn piekeniers.
Men heeft er voor gekozen een gedeelte van de kerk te behouden en het schip inclusief het Heilig Kruiskoor af te breken. Dit laatste werd gedaan door de metselaars Willem Willemsz. en Thoenis Jansz., die hiervoor van de stad een bedrag van 85 gl. ontvingen. Op 17 nov. 1569 werd de kerk opnieuw ingewijd door Wilhelmus Lindanus, bisschop van Roermond, die een Dordtenaar van geboorte was. (Nelemans, o.c., p. 30-31)
1568: Jacob Claesz. Braet, schipper en Adriaen Ariensz. “cooman”, als dekenen van het St. Anthonis-altaar [gesticht in 1433, met een broederschap, zich ten doel stelde behoeftigen te ondersteunen] in de Nieuwkerk, maken een inventaris “van seeckere perceelen van goederen, dewelcke totten selven altaer competerende is”, van rentebrieven, geld etc. en van ornamenten en misgewaden, die overgebleven zijn na de brand van de Nieuwkerk op 25 jan. 1568. (J.L. van Dalen, Geschiedenis van Dordrecht, deel II (Dordrecht 1936), p. 712)
25 juni 1572: de Oudraad van Dordrecht opent de Vuilpoort voor de geuzen onder leiding van Bartholt Entes van Mentheda. “Hij had partij gekozen vóór de Opstand en vóór Oranje, tegen het wettig gezag van Filips II. Deze beslissing van het stadsbestuur lag niet voor de hand, omdat het tot dan toe trouw was gebleven aan het wettig gezag. Die trouw lag geheel in de lijn van de traditionele politiek van Dordrecht, dat ter bescherming van zijn privileges, met name het stapelrecht, nauw samenwerkte met de graaf van Holland.” De geuzen veroverden op 1 april Den Briel en ander Hollandse steden, “en konden vrijelijk hun gang gaan op de Zuid-Hollandse wateren. Dordrecht ondervond veel hinderen van hun activiteiten die de handel sterk belemmerden. De Spaanse troepen onder leiding van stadhouder Bossu waren te zwak om effectief weerstand te bieden en konden ook lang niet altijd rekenen op de steun van gezagsgetrouwe steden zoals Dordrecht. Dat bleek toen aan Bossu, met zijn troepen verdreven uit Den Briel, de toegang tot de stad werd geweigerd. Burgemeester Arend van der Mijle en oudraad Cornelis van Beveren wilden de rust in de stad bewaren. De burgerij was bevreesd dat de Spanjaarden troepen met geweld de tiende penning gingen invoeren. … Bossu kwam de stad niet in en vertrok naar Rotterdam. … In de loop van juni voeren de watergeuzen richting Dordrecht en gingen bij Papendrecht voor anker. Nu bleek dat ook de Oudraad geen gesloten blok vormde. De in Geneve opgeleide Adriaan van Blijenburg maakte in de Oudraad, tot grote ontsteltenis van de anderen, bekend dat hij in rechtstreeks contact stond met de Prins. Ondertussen waren er contacten tussen Dordtse schippers en de geuzen … Wat de Oudraad vond was inmiddels niet zo belangrijk meer: niet alleen bestormde de bevolking het stadhuis om zo haar wil aan de Oudraad op te leggen, ook de schutterij volgde de bevelen van de schout niet meer op.” (Frijhoff, o.c., p. 15 e.v.)
juli 1572: “Vermoedelijk op initiatief van [Willem van] Oranje schreef Dordrecht … tegen 15 juli [1572] een vergadering van de Staten van Holland uit. Op deze vergadering [die gehouden werd in de refter van het Augustijnenklooster, thans de Statenzaal in het Hof], die pas de 19e geopend werd, verschenen Jacob van Wijngaarden uit de ridderschap, Arent van Duvenvoorde als vetegenwoordiger van Lumey [opperbevelhebber van de vloot der watergeuzen], en afgevaardigden van Dordrecht, Gorkum, Oudewater, Gouda, Leiden, Haarlem, Alkmaar, Hoorn, Enkhuizen, Medemblik, Edam en Monnikendam, en namens Oranje Marnix van Sint Aldegonde. Deze vergadering erkende zonder moeite Oranje als stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht, zoals hij dit voor zijn vlucht in 1567 was geweest en zegde hem alle steun toe. De Staten beloofden zonder Oranje geen overeenkomst met de koning of enige van zijn vertegenwoordigers aan te gaan, zodat de tegenstander geen kans zou krijgen het verdeel en heers toe te passen. (Opstand en onafhankelijkheid. Eerste Vrije Statenvergadering Dordrecht 1572 .”[Catalogus tentoonstelling in de Augustijnenkerk 29 juni-8 okt. 1972], p. 23)
Het Hof
Standbeeld van Willem van Oranje in de Hofstraat.
1621: nadat de laatste moeder-overste is overleden, wordt het Bagijnhof als instelling opgeheven en de gebouwen van het Bagijnhof gesloopt om plaats te maken voor een nieuw te bouwen Oude Vrouwenhuis, eveneens een hofje bestaande uit huisjes rondom een binnenplaats. Dit bouw van dit huis wordt voltooid in 1624 met de oprichting van een Bentheimer zandstenen poortje dat toegang geeft tot de hof. Jan Adriaensz. Vermeulen krijgt de opdracht om het poortje te maken, maar het is heel wel mogelijk dat hij het aan beeldhouwer Gillis Huppe uitbesteedt. Het poortje is uitgevoerd in renaissance stijl (ca. 1550-1630). Op het hoofdgestel zitten twee leeuwen met de wapens van Holland en Dordrecht. In het medaillon tussen de leeuwen staat een beeldje van een oud vrouwtje met in haar ene hand een stok en in de andere een karbiesje. Boven de ingang staat, in steen gehouwen, een toepasselijk gedicht van Jacob Cats. De instelling werd wegens geldgebrek in 1799 opgeheven. Het poortje heeft lange tijd in het gemeentelijk depot opgeslagen gestaan (vanaf 1970), maar in 2000 werd het in ere hersteld en staat nu tussen de Berckepoort en de Statenschool in de Hofstraat. (J. Koonings, De Oude Vrouwenpoort, OD 2002, nr. 2, p. 26 e.v.)
(foto: www.fokkografie.nl)
1 mei 1623: de staatsman/dichter Jacob Cats wordt pensionaris van Dordrecht. Hij huurt van Andries Vervorst (Van der Vorst) een huis in de Hoge Nieuwstraat: 9 nov. 1633: Andries van der Vorst, rentmeester van het Oudemannenhuis te Dordrecht, verbindt t.b.v. de vaders en regenten van dat Oudemannenhuis, twee huizen, het ene in de Hoge Nieuwstraat, bewoond door mr. Jacob Cats, raad en pensionaris van Dordrecht, staande tussen ’s herenstraat en het huis van kapitein Willem Willemsz., en het andere, genaamd “den Vergulden Cop”, staande tegenover de Vleeshouwersstraat tussen het huis van de erfgenamen van Mariken Woutersdr. en het huis van Catalijn NN. (A. Balm, E. Belderok, J. W. Boezeman, Het Dordtse Catshuis, OD 2002, nr. 2, p. 21)
Jacob Cats
1672
Oproer na de Franse inval in de Verenigde Nederlanden:
ORA Dordrecht inv. 1626, f. 7: op 8 mrt. 1677 verklaart Johan Hallincg, oud-burgemeester van Dordrecht, “hoe dat in den jaere 1672 desselfs huijsinge geplundert, ende van sijne meuble goedren is ontrooft gewerden” en hij daarbij heeft verloren een rentebrief ten laste van de provincie Holland, inhoudende 1500 gl. kapitaal ofwel 60 gl. per jaar. Op een desbetreffend rekwest zijnerzijds hebben de Gecommitteerde Raden van de Staten van Holland op 21 dec. 1676 besloten, dat van die rentebrief een duplicaat zou worden gemaakt en dat die aan hem zou worden overgedragen, mits hij daarvoor een “reeële cautie” zou stellen. Hallincg heeft derhalve te dien einde verbonden het huis, waarin hij woont, staande in de Grotekerksbuurt omtrent de Lombardbrug tussen het huis van de vrouwe van Zwijndrecht en dat van Dirck Stoop houtkoper nomine uxoris.
4 dec. 1685: verklaring door Jacob Jansz. Schuttel, 53 jaar oud en Abraham Jansz. Bont, ongeveer 40 jaar oud, beiden arbeiders te Dordrecht, op verzoek van Maarten Abrahamsz. van den Branden, eveneens arbeider te Dordrecht. Zij getuigen, dat in 1672 [in juli of augustus, tijdens het oproer, dat volgde op de Franse invasie in het Rampjaar 1672], “ten selven dage, als wanneer het huijs van den heere out borgemeester Johan Hallingh binnen dese stadt wierde gespolieert, verweldight, ende geplundert (sonder nogtans dat sijlieden attestanten pertinent souden konnen seggen, wat dag het selve is geweest)”, zij samen met Maarten van den Brande 120 tonnen turf hebben gedragen uit de turfschuit van Huijbert Jansz. van Bleijswijk naar het huis van Anthonij Buijs, veertigraad van Dordrecht, die toentertijd woonde in het huis van de Gevangenpoort [Vuilpoort] naast de Leuvebrug. Zij zijn daarmee bezig geweest van ’s morgens 7 uur tot ’s middags 3 uur, omdat in het huis de zakken turf 97 treden opgedragen moesten worden. Zij hebben alleen geschaft van 9 uur tot half 10 ’s morgens en zijn gedurende dat halve uur altijd samen met de rekwirant geweest. Na afloop van het werk, omstreeks 3 uur ’s middags, zijn zij samen in de Suikerstraat een glaasje bier wezen drinken ten huize van de weduwe van Joost Corstiaensz., tot ’s avonds 8 uur, zonder dat Maarten gedurende die tijd van hen weg is geweest, “veel min dat den requirant sig in, met of ontrent het spoliëren ofte plunderen van het huijs van voorsz. heere out borgemeester Hallingh soude hebben gemelleert ofte bemoeijt, of sulcx willen doen, te meer omdat deselve daadt bij de requirant en de attestanten te selver tijdt wierde verfoeijt en ten hoogste qualijk geoordeelt.” (ONA Dordrecht inv. 446, f. 219 e.v.)
8 sept. 1703: “Op zaterdag 8 september 1703 waren twee Dordtse korenmolens het slachtoffer van misschien wel de zwaarste storm ooit in Nederland. Molen het Raephout aan de Vest en de Koe aan de Spuiweg woeien om. De andere Dordtse kolenmolenaars profiteerden ervan door de schade te vergoeden en direct te eisen dat er nooit meer in of om Dordrecht een korenmolen gebouwd zou mogen worden.” (AD De Drechtsteden, 23 febr. 2022)
14 juli 1711: de Friese stadhouder Johan Willem Friso verdrinkt in het Hollands Diep bij de haven van Strijen Sas. Zijn lijk wordt naar Dordrecht gebracht om er gebalsemd te worden. Dat gebeurde in herberg “de Pauw” in de Wijnstraat. Nadat zijn ingewanden in de Nieuwkerk van Dordrecht waren begraven, werd de prins naar Friesland vervoerd, waar het gebalsemde lichaam pas ongeveer zeven maanden later in de vorstelijke Kapel van de Grote Kerk te Leeuwarden werd bijgezet. Het heeft al die maanden opgebaard gelegen in het paleis Oranjewoud bij Heerenveen. (C. Esseboom, Johan Willem Friso (2), teruggevonden in Oranjewoud, OD 2002, nr. 1, p. 24 e.v.)
Begraafboek Nieuwkerk Dordrecht 23 juli 1711: begraven het ingewandt van den prins van Vrieslandt uijt den Pauw
Het verdrinken van Johan Willem Friso in het Hollands Diep.
1807: “In 1807 heerste in Dordrecht een onbekende ziekte waaraan veel mensen stierven. Maar alleen in Dordrecht. In ‘normale maanden’ stierven in Dordrecht tussen de vijftig en zestig mensen. In juni 1807 schreef een gemeenteambtenaar 57 doden in. Een maand later was dat aantal opgelopen tot 80, in augustus 118 en in september 209. Daarna liep het aantal doden terug. In twee maanden waren minstens 200 mensen aan de ziekte gestorven. Het vreemde was dat in andere plaatsen niets aan de hand was. … Vermoedelijk was de ziekte een soort influenza, met de kenmerkende griepverschijnselen, vaak zinkingskoortsen genoemd. Een vorm van malaria kan het ook geweest zijn. Toen de artsen eindelijk de zieken behandelden met kina (een medicinale plant uit Zuid-Amerika) in plaats van met … zuiveringsmiddelen, verminderde het aantal slachtoffers.” (Jaap Bouman, Dordt Eigen-Aardig, AD Drechtsteden 7 aug. 2018)
1813: “Het eerste daadwerkelijke verzet in Dordrecht [tegen het Franse bewind] in Dordrecht uitte zich op 22 april 1813 toen een aantal douanen (belastingambtenaren) op het punt stond naar IJsselmonde te vertrekken. Een massa mensen … verzamelde zich om hen heen en begeleidde hen, onder tieren, razen en het gooien van stenen, naar de pont buiten de Blauwpoort die hen naar Zwijndrecht moest brengen. Na het vertrek van de douanen richtte de volkswoede zich op de douanehuisjes, waarvan er vier in de stad stonden (bij de Blauwpoort en de Vuilpoort, bij Bellevue [Groothoofd] en aan de Riedijk); registers en andere pa

piere

n werden verscheurd, de huisjes vernield. Tot een opstand kwam het niet: met behulp van de nationale garde en de politie slaagden de maire en de sous-prefect erin de gemoederen te bedaren. Als gevolg van deze oproerigheden werden de overige douanen eind april bewapend met geweren en pistolen. …”

November 1813: “Berichten over de nederlaag van Napoleon bij Leipzig sijpelden Nederland binnen, evenals geruchten over de komst van de prins van Oranje uit Engeland. Franse ambtenaren voelden de bui aankomen en begonnen hun boeltje te pakken. Op zaterdag 20 november overmeesterden Dordtse burgers een kruitschip, dat op weg was naar Gorcum.”(Bombardement, p. 11-12)
“Na dat de Douanen, en alle de Ambtenaren in dienst van den keizer der Franschen, deze Stad vrijwillig verlaten hadden, zonder dat zij door ijmand, wie het ook zij, daarin gehinderd zijn geworden, noch daar toe genoodzaakt, zijn zij met zulke een allerijsselijkste overhaasting vertrokken, even als of hun de Vijanden, onze Verlossers, reeds op de hielen waren, zijnde den 19e November 1813”. Op dezelfde dag werd een tussenbestuur gekozen, waarin enkele aanzienlijke burgers, zitting namen, o.w. mr. Johan Repelaar, de onderprefect van het arrondissement Dordrecht. In de nacht van 21 op 22 november arriveerden op de Veerdam te Papendrecht een aantal Franse militairen en douaniers (volgens Breman 250 man met twee veldstukken). “[D]aar komende vonden zij den Veerpont niet liggen, maar voeren met een volgeladen hoogaars over, ten einde in stilte de gem. veerpont weg te halen (die altoos des nagts aan de Dordsche zijde ligt) … dog dit wierd door den Nationale Schildwagt belet, van’t piket, die buiten den Rietdijksche poort geplaatst was, met hun te zeggen dat hij hier van aan de Commandant der Stad zijnde de Heer Advocaat [mr. Matthijs] Belaerts * moest kennis geven, daar op deden zij twee schoten uit het klein geweer”. De hoogaars vertrok met de Fransen weer naar Papendrecht, vanwaar zij de stad beschoten met “hauwitsers” [een soort mortiergranaten] “en met Kogels geschoten … Ze hebben omtrent een Uur op de Stad geschoten, en in dien tijd meer dan twintig schoten gedaan, zoo met het mortier, als met ’t kanon, ’t welk nogtans niemand het leven gekost heeft, als een Jongetje zwaar gekwetst, die zig aan’t melkpoortje [bij de Riedijk] bevond, en de schade dien het veroorzaakt heeft, naar van’t gevaar, is zeer gering geweest, … dog de schrik en ontsteltenis over de geheele Burgerij was ontzettend”. Kogels kwamen neer in de Doelstraat bij de Kloveniersdoelen, in de Gravenstraat bij dr. Kist, het Steegoversloot, de Wijnstraat, de Vleeshouwersstraat bij de Groenmarkt, een in de Augustijnenkerk, het Siboriestraatje (tegenover de Boterbeurs bij de Gravenstraat), de Elfhuizen, buiten de Riedijk, in brouwerij “den Oranjeboom” bij de Beurs [thans Scheffersplein]. “Eindelijk is de voorgem. Commandant der Stad, met den koekebakker van Gulik der Nationale Garde met een hoogaars van’t Melkpoortje, met een schuitenvoerder afgevaren naar Papendrecht in weerwil van ’t gestadig vuren dat de franschen op de Stad deden; aan den Veerdam komende hielden zij dadelijk op met schieten, alzoo gem. Commandt. hun de reden vroeg, van die ongehoorde handelwijs, antwoorde de Commandt. der franschen, dat de Stad van Dordt. zig oproerig gedragen had, de fransche Vlaggen hadden weggenomen, de Hollandsche in de plaats gezet hadden, Oranje boven hadden geroepen, en nu gekomen was om de rust te herstellen, en te straffen voor die misdaden” (Bombardement, p. 15-20)
De overtocht van kolonel Beelaerts naar Papendrecht. (door J. Rutten)
 
* mr. Matthijs Beelaerts, geboren Dordrecht 10 jan. 1780, overleden ald. 28 dec. 1851, zoon van mr. Pieter Matthijs Beelaerts en Henriëtta Adriana van Vredenburch, trouwde ‘s-Hertogenbosch 31 juli 1804 Cornelia Charlotte Bichon, dochter van Cornelis Nicolaas Bichon en Johanna Maria Donker van der Hoff. (NNBW)
Om half 8 begaven President Repelaer en enige leden van het Tussenbestuur zich naar het Papendrechtse veer, waar zij met de Franse commandant overeenkwamen, dat de Fransen de stad zouden mogen inkomen. Daar komende “hebben zij zich geposteerd voor ’t Stadhuis op ’t plein met geladen kanon, en geweren”. Op 23 nov. verlieten zij de stad weer. “De oorzaak van hunnen schielijke aftogt is op een gerugt dat ‘er ontstond, dat ‘er drie colonnen Pruisische en ander Troupen in aantogt waren, om de fransche uit Dordt. te verdrijven … Intusschen kwamen ‘er dinsdag den 23e Novemb. 1813, inderdaad 100 a 110 Mannen Rotterdamsche vrijwilligers, om de Dortenaren ter hulp toe te schieten in deze Stad over Zwijndrecht aan …”, die echter met de Fransen slaags raakten en zich genoodzaakt zagen zich terug te trekken. De Fransen, weer op de Veerdam in Papendrecht gekomen, begonnen op 24 nov. de stad opnieuw te beschieten. “Zij hebben omtrent 120 a 130 schoten op de Stad gedaan, zoo houwitzers [soort mortiergranaten] als kogels, twee stukken van een houwitzer zijn er bij mij Leendt. van der Es, in de Lijnbaan op de werf gevallen …” Het aantal van de beschadigde huizen werd berekend op 200 a 250. Bij het tweede bombardement kwamen kogels en “houwitzers” neer op de zogenaamde Steekoven op de vest, recht tegenover de Veerdam, op de Blazersvest, in de Prinsenstraat, het Steegoversloot, op het Bagijnhof, bij de Nieuwkerkstraat bij de Voorstraat, in de Groothoofdshaven, op de Voorstraat bij de Nieuwbrug, de Riedijk, het Nieuw Armhuis op de Vest, het Weeshuis, de Augustijnenkamp, op de Varkenmarkt, in het gewezen Vrouwenhuis op het Bagijnhof, bij het Melkpoortje, in de Wijnstraat, bij de bleker Bossij, in het haventje bij het Molenhoofd in de Lijnbaan, in de Kleine Spuistraat, op de Riedijk bij het Veststraatje, op het Nieuwkerkhof, door het Schuitenvoerdershuisje buiten de Riedijkspoort, tegen de toren van de Riedijkspoort, buiten de Riedijk, in de Arent Maartenshof op de Lindengracht, in de Heer Heymansuysstraat, tegen de Grote Kerk, tegen de molen Kijk over de Dijk op de Noordendijk, door de Lijnbaan, in de Suikerstraat, in de Wijnstraat bij de heer Onderwater, in de Prinsenstraat op de hoek van de Kalkstraat, in de Knolhaven, in de Houttuinen, in de Bom, op de Voorstraat bij de Nieuwbrug bij de heer De Roo van Westmaas, in het Steegoversloot bij de heer De Wit, over de Kerkstraat bij Jan de Wit winkelier, in de Gravenstraat bij De Haas mr. smid, in de Wijnstraat bij Gabrel, beneden de Noordendijk in het huis van de molenaar Schep, en de Stadsherberg buiten de Riedijkspoort. (Bombardement, p. 26-36)
De beschieting van Dordrecht werd in 2013 herdacht:

Aantal personen overleden aan cholera in Dordrecht in de negentiende eeuw:

1832 116

1833 139

1848 196

1849 364

1853 88

1854 59

1855 37

1859 148

1866 400

1867 91

(J.A.S.M. Olvers, Cholera en gemeentebeleid in Dordrecht in de negentiende eeuw [Dordrecht 1982], p. 14 en 25)

1856: de Lange Houten Brug over de Nieuwe Haven wordt vervangen door een ijzeren brug.

De Nieuwe Haven door J. Umbacht (ca. 1850). In de verte is de Lange Houten Brug nog te zien.

“In 1855 was die Lange Houtenbrug in bar slechte staat. Repareren zou bijna net zoveel kosten als een nieuwe brug en daarom werd door de gemeenteraad op 6 juni van dat jaar besloten dat er een andere brug moest komen. Stadsarchitect G.N. Itz kreeg opdracht er wat mooiers van te maken. … De voortgang voor de bouw van de brug ging voorspoedig. Al binnen twee maanden had Itz de tekeningen klaar en twee weken later werden de sloop van de oude brug en bouw van de nieuwe brug aanbesteed. … L. J. Enthoven uit Den Haag mocht de brug bouwen voor 11.900 gulden. … Op 31 juli 1856 werd de Lange IJzerenbrug opgeleverd, zes maanden na de aanbesteding.” (AD Drechtsteden,19 juni 2019)

 De Lange IJzeren Brug (Wikipedia)
1872: opening van de spoorbrug Zwijndrecht-Dordrecht
19 okt. 1879: de moord in het Boonenpaadje
– DORDRECHT, 20 October [1879]. Gisteren avond ten ongeveer 10 1/2 ure is alhier een afgrijselijke moord gepleegd. Toen de nachtwacht hare ronde deed, vond zij aan den Parallelweg een man, J.S…. genaamd, uitgeput door bloedverlies op den grond liggen,. Bij onderzoek bleek, dat hem aan hals en pols een aantal diepe sneden waren toegebragt. Volgens zijne vertelling zou hij, zich in het Boonepad met eene zekere jufvrouw [Bastiaantje

Piere

n] bevindende, door een hem onbekend persoon van gezette gestalte zijn aangevallen, die, na eerst genoemde jufvrouw den hals afgesneden en in de sloot in gemeld pad geworpen te hebben, vervolgens hem de wondne had toegebragt, die men aan hals en regterpols kon constateren. De man werd daarop naar het ziekenhuis vervoerd, waar hem de vereischte geneeskundige hulp werd verstrekt, terwijl inmiddels de politie hare taak voortzette en ging onderzoeken wat er van het vertelsel waar was.
Werkelijk vond zij ter aangeduide plaats in de sloot in het Boonepad een vrouwelijk lijk met bijna
geheel afgesneden hals, hetgeen bleek te zijn dat van genoemde mejufvrouw P…., eene gehuwde doch van haren echtgenoot gescheiden levende vrouw. Volgens een algemeen gerucht, stonden beide personen met elkander in verboden betrekking. De man is gehuwd en vader van zes kinderen. Hij is onmiddelijk in het ziekenhuis onder speciale bewaking gesteld van een agent van politie en vervolgens door de justitie in verhoor genomen. Naar men zegt, moet hij daarbij zijne eerste vertelling hebben volgehouden en alle schuld aan den moord ontkend hebben.
Heden morgen moet de politie bij het visschen in de sloot in het meergenoemde pad een scheermes gevonden hebben, waarmede de misdaad, naar men vermoedt, is gepleegd. De justitie heeft zich den geheelen dag met de instructie in deze zaak bezig gehouden, maar ten gevolge van den uiterst zwakken toestand van J. S… heeft zij haar verhoor ten zijnen aanzien moeten bekorten.
[bron: Dordrechtsche courant, 21-10-1879]
– Dordrecht, 22 October. Naar men verzekert, moet bij het getuigenverhoor in zake den gepleegden moord in het Boonepad op Zondag avond ll. gebleken zijn, dat het scheermes, hetwelk de politie in de sloot gevonden heeft, aan J. S… toebehoorde. Indien dit werkelijk het geval is, dan wordt het vermoeden, dat S. zelf den moord gepleegd en vervolgens het zich zelven de wonden aan hals en pols heeft toegebragt allezins waarschijnlijk.
[bron: Dordrechtsche courant 23-10-1879]
– Naar wij vernemen, met betrekking tot dne Zondag avond ll alhier gepleegden moord, heeft de persoon van
J[osephus] Speekenbrink, die in den laten avond van dien dag zwaar verwond in de nabijheid van de plaats van het misdrijf is aangetroffen, en aanvankelijk beweerd heeft, dat de moord was gepleegd door een hem onbekend persoon, die oo hem daarna verwond had, gisteren (Vrijdag), bij zijn verhoor in het Gast- of Ziekenhuis alhier, aan de justitie volledig bekend, dat hij zelf de dader van den moord is.
Van andere zijde vernemen wij nog de volgende bijzonderheden:
Bij het verhoord moet Speekenbrink o.a. verklaard hebben, dat hij in den laten avond van 16 dezer met zijn slagtoffer naar het Boonepad is gegaan, met het onzettelijk doel haar daar het leven te benemen. Na zich eerst te zamen uit eene flesch met sterken drank te goed gedaan te hebben (welke flesch te gelijker tijd met het moordtuig uit de sloot is opgehaald), heeft hij haar eene diepe snede onder de kin toegebragt, waarop zij ontvlugt is en hij haar achtervolgde.
Na haar gegrepen te hebben is er eene worsteling ontstaan, waarbij hij de bekende wonden aan de regterhand heeft bekomen. Hij bleef per slot echter overwinnaar en heeft haar beide halsslagaderen afgesneden, waardoor haar het hoofd dus bijna van den romp was gescheiden, en daarna in het water geworpen. Door bloedverlies uit de zelf bekomen wonden ontbrak hem de kracht om zijn plan ten einde toe te volvoeren, nl. zich zelf den hals af te snijden, zoodat hij slechts eene niet doodelijke wonde daar ter plaatse heeft toegebragt.
Nu werd de eenzaamheid hem te bang in de nabijheid van het lijk der verslagene en wierp hij zijn mes in de sloot, waarna hij in allerijl op de vlugt is gegaan, totdat hij op den parellelweg, door bloedverlies uitgeput, neerzeeg en daar door de politie werd opgenomen, die hem naar eene herberg bij het Bagijnhof heeft vervoerd, om hem van daar naar het gasthuis te doen overbrengen.
Het lijk der verslagene is gisteren, onder toezigt der justitie, ter aarde besteld.
[bron: Dordrechtsche courant 26/27-10-1879]
– De
bekende moordenaar J. Speekenbrink is Zondag ochtend tegen 6 ure in tegenwoordigheid van een brigadier der rijskveldwacht, in het gast- of ziekenhuis alhier overleden;
[Dordrechtsche courant, 13-01-1880]
– De
moordenaar J. Speekenbrink is Zondag-ochtend ten 6 ure, in tegenwoordigheid van een brigadier der rijksveldwacht, in het ziekenhuis te Dordrecht overleden.
[Advertentieblad, 16/01/1880; p. 4/4]
– De persoon van
J. Speekenbrink, die in den nacht van 19/20 Oct. ll. in het Boonenpad te Dordrecht eene vrouw vermoordde, en bij die gelegenheid zelf zoodanig verwond geraakte, dat hij naar het ziekenhuis aldaar moest worden vervoerd, alwaar hij sedert werd verpleegd, is aan de gevolgen overleden. [Nieuwe Gorinchemsche Courant, 17/01/1880; p. 3/4]

(genboek.dordtenazoeker.nl)
Het Boonenpaadje gezien in de richting van de Krispijnseweg (foto: RA Dordrecht).
Bastiana Marina Catharina Pieren werd op 13 juni 1845 geboren in Dordrecht als dochter van Cornelia Pieren en Bastiana Vermeer. Zij trouwde in een nog onbekende plaats en op een onbekende datum met Olivier Bonavente Fremeij. Zij leefde in 1879 gescheiden van haar man.
okt. 1902: “Ín oktober 1902 waren een week lang dagelijks in de Vriesestraat rellen. Het ging er soms hard aan toe. Er werd met stenen gegooid en bij winkelier Allemans, op de hoek van de Vriesestraat en de Sarisgang, werden ruiten ingegooid. Na een paar dagen wat terughoudend te zijn geweest, om de situatie niet te laten escaleren, trad de politie daarna hard op. Met de wapenstok en zelfs de sabel. De rellen waren begonnen door leerlingen van de burger-

avondschool aan het Kromhout maar allengs gingen steeds meer mensen zich er mee bemoeien en verspreidden de ongeregeldheden zich door de stad. Er werden zelfs rijksagenten opgetrommeld om de orde te handhaven. … Maar waarom gingen de jongeren al een hele week zo tekeer? … Wel zeker was dat winkelier [Willem Allemans *] … uit de Vriesestraat vaak het doelwit was. In een gemeenteverslag over het jaar 1902 werden een jaar later de rellen nog eens aangehaald. En uitgerekend daar stond de reden. Er hadden zich volgens het verslag ‘eenige volksoplopen’ voorgedaan in de Vriesestraat ‘hetgeen werd toegeschreven aan de bevalling van eene dienstbode van een der bewoners dier straat, wiens zoon als de vader van het kind werd genoemd’. … Winkelier Allemans had vijf kinderen: drie dochters, twee zonen. Jannetje van der Veer, dochter van een overwegwachter bij een Dordtse spoorweg, werkte sinds 1901 als dienstbode bij Allemans. Jannetje beviel op 8 sept. 1902 van een dochter. Naam van de vader niet vermeld. Zij noemde het kind Philippina, hoogst waarschijnlijk naar Philip, de zoon van winkelier Allemans. De relschoppers zongen volgens de Dordrechtse Courant steeds ‘Flippie die gaat nooit verloren! en daaruit blijkt, dat ook zij Philip Allemans als de vader/dader beschouwden. (Jaap Bouman, De zoete wraak van Jannetje. (AD/de Dordtenaar 14 febr. 2018) De rellen hadden misschien ook een antisemitisch tintje: de familie Allemans was namelijk joods.

* Willem Allemans, geboren Dordrecht 21 juni 1847, koopman, Vriesestraat 45, Ned. Isr.(BevolkingsregisterDordrecht 1860-1890, zoon van Hartog Allemans, vleeshouwer, en Johanna Soesman, trouwde Dordrecht 16 aug. 1871 Rozette Braadbaart, geboren Dordrecht 9 okt. 1848, dochter van Philip Braadbaart, koopman, en Johanna Witstein. Uit dit huwelijk o.a.:Philips Allemans, geboren Dordrecht 7 juni 1885
Het Dordtse politiekorps ca. 1903
1916: bij de stormvloed van dat jaar lopen delen van Dordrecht onder water.
Vrankenstraat 1916
Er was schade aan het Nieuwkerksplein, de Augustijnenkamp, de koekjesfabriek Victoria, de loods van de firma Gips aan de ‘s-Gravendeelsedijk, en de Merwekade. In de “Electrische Centrale” ontstond kortsluiting en de stad zat een tijdlang zonder stroom. (Dordt-Eigenaardig in Algemeen Dagblad/de Drechtsteden, 1 febr. 2023)
Okt./nov. 1918: de Spaanse griep woedt in Dordrecht. Met ingang van 19 okt. moeten allen gemeentelijke lagere scholen en bewaarscholen een week langgesloten blijven. Die termijn wordt al snel verlengd tot 4 nov. Sommige scholen bleven zelfs tot 11 nov. dicht. Normaal werden er per dag 2 a 3 aangiftes van overlijden gedaan, op 29 okt. waren er dat zelfs 25. In de maand oktober behoorde Dordrecht, na Almelo en Enschede, tot de steden met het hoogste aantal slachtoffers van de Spaanse griep. Eind november was de griep grotendeels uitgewoed in Dordrecht. In 1918 overleden er in Dordrecht 598 mensen meer dan in 1917, een aantal doden, dat grotendeels was toe te schrijven aan de Spaanse griep. Opvallend was dat er twee leeftijdsgroepen slachtoffer werden van de griep: jonge kinderen en twintigers en dertigers. (Dordt Eigen-Aardig, in AD Drechtsteden van 18 mrt. 2020)
Strenge winter van 1929

De winter van 1928/1929 is de boeken in gegaan als strenge winter. In februari was zelfs sprake van een Siberische kou. Dat komt doordat koude lucht van Nova Zembla ons land in een snel tempo bereikte. Er werden temperaturen bereikt die aanvoelden als -20 graden Celcius. Het was zo koud dat de Oude Maas dik en stevig genoeg was om met busjes overheen te rijden. Er waren veel vastgevroren schepen in deze periode en daarom werden er op 20 februari 1929 torpedisten ingezet. Dat zijn maritieme explosievendeskundigen. Zij probeerden, met behulp van dynamiet, het ijs op te blazen zodat de schepen vrijkwamen. Maar door de erge kou waren de explosies niet sterk genoeg en bleven de schepen muurvast zitten. )(https://indebuurt.nl/dordrecht)

mei 1940: “Even snel als de Moerdijkbruggen hebben de [Duitse] valschermjagers de Zwijndrechtse brug in handen. Parachutisten die aan de Zwijndrechtse kant zijn geland, hebben de brug al na een uur veroverd. Zij zijn beter bewapend dan de twintig man die de luchtdoelmitrailleurs bedienen. De brugbewakers aan de Dordtse kant hebben bovendien moeite om op de Duitsers te vuren: die kunnen zich verschansen achter de stalen binten van het brugportaal en de betonnen rand van het rijdek. Als drie manschappen van het Dordtse peloton zijn gesneuveld, geven ook deze verdedigers van de brug zich over. Toch is daarmee de strijd niet ten einde. Tot tweemaal toe wordt een poging gedaan de brug te bestormen, maar de strijd is ongelijk. De dertig pontonniers die in de aanval gaan, beschikken samen over welgeteld 250 patronen; al snel moeten ze het opgeven.” (Van Wijk, o.c., p. 15)

Duitse militairen op de Zwijndrechtse brug
 
1942: “In de zomer van 1942 worden de eerste oproepen voor deportatie [van de Dordtse joden] verzonden. Het grootste deel van de bijna 300 leden tellende joodse gemeenschap geeft gehoor aan deze oproep. Slechts een klein deel krijgt uitstel, duikt onder of weet naar het buitenland te vluchten. In Dordrecht worden de overgebleven joodse inwoners 10, 11 en 12 november verzameld voor het hoofdbureau van politie aan de Groenmarkt tegenover het stadhuis. Aan het einde van het jaar beschouwen de Duitsers Dordrecht als Judenrein.” (Van Wijk, o.c., p. 57) Op vijf na werden alle Dordtse joden door de Nazi’s vermoord.
Van de 290 gedeporteerden keerden er slechts 5 terug. Opgeteld bij de gevluchte en ondergedoken personen hebben uiteindelijk 55 Joodse inwoners de oorlog overleefd. De Nederlandsch-Israëlietische Gemeente (met de synagoge op de Varkensmarkt) was gedecimeerd van enkele honderden tot enkele tientallen leden. Ze werd opgeheven. (Wikipedia)

Stolpersteine voor Bernard Abraham Cohen en zijn vrouw Elisabeth Duits aan de Groenedijk.

“Vrijdag 11 april 2014 zijn in Dordrecht de eerste Stolpersteine geplaatst, acht in totaal, op vier afzonderlijke adressen. De werkgroep Stolpersteine Dordrecht had er bij deze gelegenheid graag meer gelegd, maar dit was praktisch niet mogelijk. Gunter Demnig, de Duitse kunstenaar die deze struikelsteentjes bedacht en ze persoonlijk in de trottoirs aanbrengt, zag geen kans er dit jaar meer te maken voor Dordrecht. Volgend jaar wil de werkgroep er zeker zestig bij hem bestellen.

Dordrecht was een van de vele gemeenten die Demnig tijdens zijn werkreis door Nederland bezocht. Hij begon de toernee op zondag 6 april in Zwolle, Zutphen en Raalte en eindigde de week op Goeree-Overflakkee. Overal plaatste hij gedenksteentjes voor gedeporteerde joden, in de stoep voor hun voormalige woningen. Inmiddels liggen er in Nederland al honderden, volgens Trouw verdeeld over 75 gemeenten, en in heel Europa 50.000. Alle Stolpersteine hebben hetzelfde formaat: 10 bij 10 bij 10 cm.

De allereerste Dordtse struikelsteentjes werden aangebracht op de Groenedijk, bij nummer 74. Dat gebeurde tijdens een ingetogen bijeenkomst, die op verzoek van familie Cohen besloten werd gehouden. De Stolpersteine herdenken Bernard Abraham Cohen en zijn echtgenote Elisabeth Duits, die beiden op 30 september 1942 in Auschwitz het leven lieten. Nabestaanden van dit echtpaar, van wie de drie kinderen de oorlog overleefden, waren talrijk aanwezig. Zij legden een boeket bij de steentjes en twee foto’s van de echtelieden.”(http://www.stolpersteine-dordrecht.nl/)

6 mei 1943: Jacob Bleeker (Dokkum 24 aug. 1885- Bilthoven 14 nov. 1961), burgemeester van Dordrecht sinds 1937, wordt afgezet en vervangen door de NSB-er J.G. van Houten, omdat hij weigert de bezetter lijsten te geven van personen die in aanmerking komen voor tewerkstelling in Duitsland. Hij werd na de bevrijding (op 7 mei 1945) weer burgemeester tot aan zijn eervol ontslag op 1 sept. 1950. (Wikipedia)

Burgemeester Bleeker.

24 okt. 1944: “Park Merwestein verandert in de oorlog in een barakkenkamp met betonnen bouwsels. Alleen de villa doet nog denken aan de vroegere buitenplaats. In mei 1941 wordt Dordrecht het hoofdkwartier van de Duitse 719de Infanteriedivisie, die als taak heeft de kustlijn te vrijwaren van een geallieerde invasie. Deel van deze taak is het bewaken van het Nederlandse deel van de Atlantikwall … De staf neemt zijn intrek in Merwestein, evenals de ernaast gelegen school Mühring en het gebouw van de hbs in het Oranjepark. In de loop van de oorlog worden ter verdediging van dit hoofdkwartier bunkers gebouwd in het park. In september 1944 vertrekt deze divisie, waarna Merwestein het hoofdkwartier wordt van het zich uit Frankrijk en België terugtrekkende 15de Duitse leger. Het verzet ziet kans deze informatie door te spelen naar Engeland, wat op 24 okt. 1944 leidt tot bombardering van het complex. Zo’n vijftig vliegtuigen nemen hieraan deel. De bommen van 500 en 1000 kilo die zij afwerpen treffen niet alleen de villa en enkele bunkers, maar komen ook elders in de stad neer en maken vele slachtoffers. [Het exacte aantal in onbekend. Volgens sommigen zijn er meer dan 200 doden gevallen, wat door anderen wordt betwist. Tot de slachtoffers behoorden ook enkele vrouwen, die tot taak hadden aardappels te schillen in de villa, en een tuinman, wiens naam mogelijk Van der Elst was. De kok, Freek Gooshouwer, werd levend onder het puin vandaan gehaald.]” (Wim van Wijk, Dordrecht 40-45 [Zwolle 2014], p. 74 e.v.)

Het kunstwerk De Levensboom van Hans Petri (1952) staat op de plaats waar vóór het bombardement de villa stond. (foto: A. B. den Haan)
 
8 jan. 1945: Koerierster Lenie Dicke, die op 3 jan. 1945 door de Duitsers is gearresteerd, wordt uit de gevangenis aan de Doelstraat bevrijd door groepscommandant ‘Michiel’ Beekman een aantal verzetsmensen.
Lenie Dicke
10 jan. 1945: Als represaille hiervoor wordt door Ortstkommandant Graf van Solms, onder toezicht van NSB-burgemeester Van Houten en politiekorpschef Verlooij, het ouderlijk huis van Lenie Dicke aan de Prinsenstraat in brand gestoken.

Op de achtergrond het woonhuis en de winkel van Carel en Levina Dicke, de ouders van Lenie Dicke en de tekenaar Otto Dicke.

22 jan. 1945: “Drie maanden na het bombardement op park Merwestein scheren opnieuw Engelse bommenwerpers laag over de stad – twee keer binnen een week. Beide keren is villa Simpang, waar de Sicherheitsdienst en de Feldgendarmerie zijn gehuisvest, het doelwit. De eerste poging, op 22 januari, gaat faliekant mis. De bommen komen neer in de omgeving van de spoorwegovergang in de Dubbeldamseweg. Aan beide zijden van de spoorlijn veranderen huizen in puin [omgeving Toulonselaan en omgeving Markettenweg/Dubbeldamseweg] … Daarbij vallen dertien doden. De zondagmiddag daarop volgend is het wel raak. Dubbel zelfs, want behalve Simpang wordt ook het Wehrmachtheim, in de villa ernaast, geraakt. [Er vallen volgens het politierapport daarbij twee doden en vijf min of meer zwaar gewonden.] (Van Wijk, o.c., p. 81)

Villa Simpang aan de Stationsweg werd gebouwd in 1903/1904 in Engelse landschapsstijl. Op de plaats, waar de verwoeste villa stond, werd in 1962 het Tomadohuis gebouwd.

1953: Watersnoodramp

De Wijnstraat bij Bellevue staat onder water.

” De waterstand steeg in Dordrecht naar +3,73 meter boven NAP. Desondanks waren de gevolgen voor de stad minder groot dan op andere plekken. …Toch is de situatie in Dordrecht zeer kritiek geweest. De Zeedijk en Noordendijk vormden de hoofdwaterkering van Dordrecht. Omwonenden zagen in de vroege ochtend van 1 februari het water over de Zeedijk (ter hoogte van Stadspolders) slaan. De dijk stond op punt van bezwijken. Omwonenden spoedden zich naar de inmiddels afgekalfde dijk en vulden duizenden zandzakken om de dijk te verstevigen. Met gevaar voor eigen leven wisten de Dordtenaren de dijk te redden en zo een grote ramp weten te voorkomen.” (https://indordrecht.nl/nieuws/70-jaar-watersnoodramp/)

1982: In de met chemisch afval verontreinigde wijk De Staart in Dordrecht moeten 106 woningen gesloopt worden. Dit is de enige oplossing om de ongeveer 300 bewoners veilig Ie stellen voor het gif dat in de bodem van de wijk zit.

Na overleg met het gemeentebetuur en bewoners van de Merwedepolder, maakte de Zuidhollandse milieugedeputeerde J. W. Hekkelman donderdagavond op een persconferentie deze ingrijpende maatregel bekend. Een definitief” standpunt van GS volgt in september. Hekkelman verwacht dat in het voorjaar van 1983 met de saneringsmaatregelen in de Staart kan worden begonnen. Hekkelman denkt dat de gehele saneringsoperatie ongeveer 40 miljoen gulden gaat kosten. Het Rijk moet van dit bedrag 90 procent voor zijn rekening nemen. De gemeente Dordrecht moet de rest betalen. GS zullen in september de staatssecretaris van volksgezondheid en milieuhygiëne een plan voorleggen om de Dordtse woonwijk van het gif te verlossen.

Bejaarden

Het bejaardentehuis Merwelanden en 86 bejaardenwoningen behoeven niet afgebroken te worden. Door de slechte toestand van de funderingen kan het grondwaterpeil onder de 106 woningen niet verlaagd worden. Gedeputeerde Hekkelman verklaarde gisteravond dat het bejaardentehuis en bejaardenwoningen verlaging van het grondwaterpeil en bronbemaling wel kunnen doorstaan.

In een ander deel van de wijk, waar ook woningen op een vuilstortplaats zijn gebouwd, kunnen de bewoners blijven wonen. De funderingen zijn zodanig dat verlaging van het grondwaterpeil en bemaling wel mogelijk zijn. Beide wijkgedeelten worden geïsoleerd door damwanden in de bodem te slaan. (Reformatorisch Dagblad 18 juni 1982)

10 mrt. 2010: de moord op Milly Boele.

De moord op Milly Boele is een misdrijf dat zich op 10 maart 2010 afspeelde in de Nederlandse stad Dordrecht. Het 12-jarige meisje Milly Boele werd op die dag verkracht en vermoord en daarna door de dader begraven in diens tuin.

De moord werd gepleegd door haar 26-jarige buurman: Sander V. Die bekende na zijn aanhouding Milly te hebben gedood.[ V. was als surveillant werkzaam bij de Politie Rotterdam-Rijnmond.

Milly had voor het laatst contact met haar moeder om ongeveer 17.30 uur die dag. Ze vroeg haar moeder om haar terug te bellen omdat er een buurman voor de deur stond. Toen haar moeder haar na tien minuten terugbelde, antwoordde ze niet op haar mobiele telefoon. Om ongeveer 18.30 uur kwam de moeder van Milly naar huis en vond haar niet thuis. Na een tijd werd ze als vermist gemeld bij de politie. De volgende dag ging er een AMBER Alert uit.

Later bekende V. dat hij Milly naar zijn huis had meegenomen en haar daar om het leven had gebracht.

V. had Milly naar zijn huis gelokt met een verhaal over katten. Hij maakte daar haar mobiele telefoon onklaar. Vervolgens misbruikte hij haar en wurgde haar met een riem.

Op 16 maart meldde Sander V. zich bij de politie met de mededeling dat hij belangrijke informatie had over de verdwijning van Milly. Hij werd onmiddellijk als verdachte aangehouden. Later die dag vond de politie het lichaam van Milly, dat begraven was in de tuin van V. Hij had zich bij de politie gemeld op aanraden van zijn vriendin, eveneens werkzaam bij de politie, aan wie hij zijn daad had opgebiecht.

Het Openbaar Ministerie in Dordrecht maakte op 19 maart bekend dat V. verdacht werd van doodslag. Ook werd een onderzoek gelast naar zijn psychische gesteldheid. Op 21 mei liet het OM in Dordrecht weten dat V. werd vervolgd voor moord, seksueel misbruik, vrijheidsberoving en het verbergen van het dode lichaam. Sander V. werd in eerste aanleg bijgestaan door Tjalling van der Goot en Wim Anker, en in hoger beroep en cassatie door Willem Jan Ausma.

Op 26 november 2010 werd V. door de rechtbank in Dordrecht veroordeeld tot 18 jaar cel en tbs. Zowel V. als het Openbaar Ministerie gingen tegen deze uitspraak in hoger beroep. Ook in hoger beroep werd hij tot 18 jaar cel en tbs veroordeeld; het gerechtshof achtte tevens verkrachting bewezen. Het tegen dit arrest van het gerechtshof ingestelde cassatieberoep werd op 14 oktober 2013 door de Hoge Raad verworpen.

Er is kritiek geweest op het feit dat er niet meteen met speurhonden werd gezocht nadat de vermissing van Milly bekend werd gemaakt. De politiewoordvoerders meldden dat het ongebruikelijk is meteen van een misdrijf uit te gaan en dat er in eerste instantie, geheel volgens procedure, werd uitgegaan van een vrijwillige vermissing (weglopen).

Vlak bij het ouderlijk huis aan de Schuilenburg in Dordrecht is er een monument geplaatst ter herinnering aan Milly (in maart 2011 een voorlopig monument, in september 2011 het definitieve). Het bestaat uit een zuil met een steigerend paard en een couplet uit het lied I’ll Be Missing You van de Amerikaanse artiesten Puff Daddy en Faith EvansEvery step I take, every move I make. Every single day, every time I pray I’ll be missing you. Het werd onthuld op 10 maart 2011 door de ouders van Milly. (wikipedia)

9 sept. 2019: politieagent Wendell C., 35 jaar oud, schiet in een huis in de Heimerstein in Sterrenburg, zijn vrouw, twee dochters van 8 en 12 jaar en zichzelf dood. (ad.nl)

GEBOREN IN DORDRECHT.
 
Matthijs Balen, geboren Dordrecht 1 okt. 1611, dichter, geschiedschrijver
 
Matthijs Balen
 
Ferdinand Bol, gedoopt NG Dordrecht juni 1616, zoon van Balthasar Bol, chirurgijn in de Hofstraat te Dordrecht, en Tanneken Bols (Forts)
Ferdinand Bol, zelfportret
Cornelis de Wit (1623) en Jan de Wit (1625)
Standbeeld van de gebroeders De Wit op de Visbrug
Samuel van Hoogstraaten, kunstschilder, geboren Dordrecht 2 aug. 1627, zoon van Dirck van Hoogstraten en Maijken Izaaksdr. Conincx
Samuel van Hoogstraten, zelfportret ca. 1647
Cornelis Bisschop, geboren 12 febr. 1630, kunstschilder
Cornelis Bisschop, zelfportret
Aart de Gelder, geboren 26 okt. 1645, gedoopt NG Dordrecht 11 nov. 1645, kunstschilder, overleden Dordrecht 27 aug. 1727, zoon van Jan Aertsz. de Gelder, koopman te Dordrecht, en Maria Lotterichs Jansdr.
Aart de Gelder, zelfportret
Mattheus de Haan (Dordrecht,19 oktober1663Batavia,1 juni1729) was gouverneur-generaal van de Vereenigde Oostindische Compagnie tussen 1725-1729. Hij was vanwege zijn leeftijd meer gesteld op rust dan op actie.

Mattheus werd geboren in Dordrecht als derde kind van Adriaen de Haen en Johanna Wijngaerden. Op 26 oktober 1671 vertrok hij naar Indië, waar zijn vader tot onderkoopman benoemd was. Mattheus de Haan doorliep de lagere rangen in Suratte. In 1698 werd hij eerste opperkoopman in Batavia. In 1700 werd hij secretaris van de Hoge Regering, in 1704 extraordinair raad van Indië op aandringen vanJoan van Hoorn. In 1710 werd hij gewoon raad en in 1722 directeur-generaal. Op 16 oktober 1724 werd hij benoemd tot gouverneur-generaal met zetelplaats in Batavia. Hij nam die functie over van Hendrick Zwaardecroon op 8 juli 1725.

Mattheus de Haan

Kenmerken van zijn bestuur waren zijn verzet tegen de experimenten van Zwaardecroon voor het opzetten van zijdeteelt. De koffieproductie in de Preanger liep erg goed: de koffieoogsten in de Preanger en Cheribon op Java bedroegen meer dan 4 miljoen pond. De VOC was uit op kleine omzet en grote winsten en De Haan meende dat dit een daling van de koffieprijzen in Europa tot gevolg had. Hij verlaagde de prijs die de koffieboeren kregen. Deze besloten daarop koffieplanten te hakken. Daardoor werd er zware schade aangericht aan de koffieproductie en de koffiecultuur werd tot een vloek voor de bevolking. (Wikipedia)

Aart Schouman, geboren 4 mrt. 1710, kunstschilder
Aart Schouman, zelfportret
Cornelis Kuipers, gedoopt NG Dordrecht 24 juli 1739, kunstschilder, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 10 dec. 1802
Cornelis Kuipers (foto: Regionaal Archief Dordrecht)

Pieter baron Melvill van Carnbee, heer van Op- en Neder-Andel, geboren Dordrecht 2 april 1743, overleden Den Haag 17 mei 1826, Nederlands zeeofficier en bestuurder, vice-admiraal

Pieter Melvill, door Aart Schouman

Johannes Christianus Schotel (1787-1838), “zeeschilder”

Geboren op 11 november 1787 in Dordrecht en 14 november gedoopt, overleden in Dordrecht op 21 december 1838. Hij was de zoon van Gilles Schotel Jansz (Dordrecht 27 oktober 1737-Dordrecht 27 juli 1808, fabrikant) en Sara Dyonisia Meuls (Hardinxveld 7 maart 1746-Hardinxveld 31 juli 1795). Trouwde 13 juni 1806 in Dordrecht met Petronella Elizabeth van Steenbergen (Dordrecht 7 juli 1781-Dordrecht 25 oktober 1840, uitmuntende tekenares). Zij was de dochter van notaris en procureur Petrus Johannes van Steenbergen (Dordrecht 11 juli 1744-Dordrecht 2 maart 1833, zoon van geneesheer en lector anatomicus Willem van Steenbergen) en Geertruida Heije (Dordrecht 18 januari 1752). Uit dit huwelijk vier zoons en twee dochters: Gilles Dionysius Jacobus (Dordrecht 9 april 1807-Leiderdorp 9 december 1892, predikant en schrijver), Petrus Johannes (Dordrecht 19 augustus 1808-Dresden 23 juli 1865, kunstschilder en leraar tekenen aan het Instituut van de marine in Medemblik), Johannes Christianus (Dordrecht 17 augustus 1810, zeeofficier), Jan Willem van Steenbergen (Dordrecht 14 april 1812-Zoeterwoude 2 april 1891, chirurg en verloskundige; de achternaam van moeder als voornaam toegevoegd bij geboorteaangifte), Christina Petronella (Dordrecht 26 februari 1818-Aardenburg 7 juli 1854, schilderes van stillevens, trouwde een predikant) en Catharina Elizabeth (Dordrecht 3 februari 1822, trouwde een zeeofficier).

(https://www.regionaalarchiefdordrecht.nl/biografisch-woordenboek/johannes-christianus-schotel/)

 
Ary Scheffer, geboren Dordrecht 15 febr. 1795, kunstschilder, overleden Argenteuil 15 febr. 1858. Hij werd begraven op de Begraafplaats van Montmartre in Parijs.
 
Standbeeld van Ary Scheffer, ontworpen door zijn dochter Cornelia Scheffer en Joseph Mezzara, onthuld op 8 mei 1862. (foto: A.B. den Haan)
Gillis Dionysius Jacobus Schotel

Gilles Dionysius Jacobus Schotel werd op 9 april 1807 gedoopt in Dordrecht en is overleden te Leiderdorp op 9 december 1892. Zoon van Johannes Christianus Schotel, fabrikant en bekende kunstschilder (Dordrecht 14 november 1787 – Dordrecht 21 december 1838) en Petronella Elisabeth van Steenbergen (Dordrecht 7 juli 1781 – Dordrecht 25 oktober 1840). Trouwde 16 januari 1835 in Breda met predikantsdochter Catharina Leonora Johanna de Leeuw (Roosendaal 18 februari 1811 – Leiden 3 april 1877). Uit dit huwelijk twee dochters en drie zoons: Johanna Christina Eleonora Petronella (Breda 25 oktober 1835 – Chaam 4 juli 1843), Leonarda Wilhelmina Johanna (Zwaluwe/Breda 31 oktober 1840 – Chaam 14 juli 1843) beiden overleden aan roodvonk, Johannes Christiaan Leonard Willem (Chaam 4 augustus 1843), Leonard Willem Petrus Dionysus (Chaam 9 april 1845) en Petrus Elija (Tilburg 18 april 1848).

Gilles Schotel werkte als predikant, maar kreeg meer bekendheid door zijn grote interesse voor geschiedenis, vooral voor de zeventiende en achttiende eeuw. Hij schreef een groot aantal boeken, artikelen en biografieën over historische gebeurtenissen en personen en stelde de door hem verzamelde gegevens graag ter beschikking van anderen. Hij beschikte over een uitgebreide historische bibliotheek en vulde die aan met gegevens uit door hem bezochte bibliotheken en archieven. Voor zijn uitgebreide netwerk was Schotel een belangrijke vraagbaak. Zijn brede interesse leidde echter tot een versnippering van zijn onderzoek, waardoor hij volgens eigentijdse critici niet een echt wetenschappelijk niveau bereikte. Zijn wetenschap werd door sommige tijdgenoten niet beoordeeld als analytisch en synthetisch, maar als ‘veelweterij’. Het gegeven dat hij een eredoctoraat van de universiteit Leiden ontving en lid was van een aantal prestigieuze letterkundige genootschappen, onder meer van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde en het Koninklijk Instituut, nuanceert dat beeld. Kerkelijk behoorde Schotel tot de middengroep van de hervormde predikanten; dogmatische zaken liet hij aan zich voorbijgaan.

Schotel werd geboren in een welgesteld gezin. Vader was eigenaar van een garenfabriek. Als kleuter bezocht Gilles de kinderschool van juffrouw Van den Bergh boven de Hofpoort; de vakken van de lagere school leerde hij bij meester Otto Schreuders. De volgende stap was de Franse (kost)school van de landelijk bekende Rudolph van der Pijl in de Hofstraat die hem onder meer les gaf in Frans, Duits, Engels, geschiedenis en aardrijkskunde. Daarna volgde de Dordtse Latijnse school met daarnaast privélessen in de genoemde vreemde talen. Toen het duidelijk was dat hij theologie wilde gaan studeren, kreeg hij onderwijs in de zangkunst, privaat onderwijs in Grieks en Hebreeuws, gevolgd door godsdienstonderwijs bij ds. Van Kooten. Volgens Schotel eigen typering was hij in zijn puberteit behept met ‘een zeer sterk geheugen, zeer weinig oordeel, somber en teruggetrokken en met een humeur dat veel te wensen overliet’. Zijn liefste bezigheden waren op een zolderkamertje te zitten lezen en kerkbezoek.

Op 14 september 1825 schreef hij zich in aan de Leidse universiteit. In zijn studententijd vestigde hij de aandacht op zich door een prijsvraag te winnen met een verhandeling over Balthazar Huydecoper (1695-1778), een achttiende-eeuwse taalkundige en taalcriticus. Met een aantal Dordtse studenten richtte Schotel in 1829 het dispuutgezelschap Philomathie op en in hetzelfde jaar ook het leesgezelschap Germania. In augustus 1831 behaalde hij het proponentsexamen, waardoor hij gekwalificeerd was om als predikant te gaan werken. De eerste jaren werd er geen beroep op hem gedaan. Schotel had zich intussen weer in Dordrecht gevestigd en verdiepte zich daar in de stedelijke en landelijke geschiedenis. Dat hij zijn proefschrift over Jacoba van Beieren niet voltooide, deed hem in wetenschappelijke kringen geen goed.

Pas in 1835 werd hij als predikant beroepen en aangesteld in de gemeente Lage Zwaluwe in Noord-Brabant. Vanwege zijn bijziendheid, hij was bijna half blind, was hij genoodzaakt zijn preken uit het hoofd te leren. Schotel publiceerde veel in deze periode. Op 25 februari 1836 werden zijn verdiensten als historicus en theoloog erkend door zijn benoeming tot lid van het Koninklijk Instituut voor Wetenschappen en Schoone Kunsten (de voorganger van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen) waarvan hij lid bleef tot de opheffing daarvan door Thorbecke in oktober 1851. In 1838 werd hij door de universiteit Leiden met een eredoctoraat beloond, waarmee zijn naam als historicus definitief was gevestigd. Zijn benoeming in 1841 in de protestantse gemeenschap Chaam, Alphen en Baarle-Nassau betekende een grotere standplaats. Koning Willem II bezat over die plaatsen het patronaatsrecht. Die was dan ook op de hoogte van zijn benoeming en er ontstond een aangenaam contact tussen vorst en predikant. De koning gaf te kennen hem tot hofprediker te willen benoemen, maar dat heeft Schotel weten te weigeren. Willem II wilde hem naar het groothertogdom Luxemburg (tot 1867 Nederlands) overplaatsen om daar de protestantse gemeente te dienen.

In oktober 1846 aanvaardde Schotel het predikambt in Tilburg waar hij zestien jaar werkzaam zou zijn. Koning Willem II bezocht daar trouw de door Schotel geleide diensten en ontving hem in zijn paleisachtige woning. Schotel werd zijn vertrouweling en adviseur, onder meer bij de aankoop van kunst en belangrijke handschriften. De koning benoemde hem in december 1846 tot ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw. Schotel onderhield met een groot aantal geleerden contact, maar evenzeer met dichters en schrijvers als Tollens, Beets en Bosboom-Toussaint. In 1853 zag hij een van zijn initiatieven gerealiseerd: een protestantse kostschool binnen de rooms-katholieke Tilburgse gemeenschap. Een lang leven was dit Protestants Instituut niet gegund, want wegens gebrek aan leerlingen werd de school in 1865 gesloten.

Toen hij in staat werd gesteld met emeritaat te gaan, verliet Schotel de stad en trok met zijn gezin in 1862 naar Leiden; hij voelde zich bepaald geen Brabander en miste de academische wereld. Zijn vurige wens (sinds 1834) benoemd te worden tot hoogleraar, bibliothecaris van een universiteitsbibliotheek of archivaris van een belangrijk archief, was nog altijd niet vervuld en zou dat ook niet worden. Steeds werd hij afgewezen wat soms aan zijn grote bijziendheid werd toegeschreven, soms aan zijn leeftijd, maar waarschijnlijker is dat Schotel in oude structuren bleef denken, terwijl de universiteiten zich bezighielden met het uitsplitsen van de letterenfaculteit in een aantal subfaculteiten. Of was hij in eigentijdse ogen meer liefhebber van geschiedenis dan cultuurhistoricus?

In Leiden ging Schotel zich volledig inzetten voor de redactie van het Biografisch Woordenboek der Nederlanden waaraan hij op verzoek van redacteur A.J. van der Aa (1792-1857) al vanaf 1851 deelnam. Toen na de dood van Van der Aa ook diens opvolger K.J.R. van Harderwijk (1822-1860) was overleden, vroeg de uitgever van dit project Schotel de redactie op zich te nemen waardoor hij Brabant vaarwel kon zeggen. In Leiden kon hij nu uitsluitend zijn hobby beoefenen. Door het wegvallen van geleerde medewerkers met wie hij uitvoerig correspondeerde en die hem van teksten voorzagen, werd de voltooiing van het werk een solo-onderneming. Van de 27 delen redigeerde Schotel er 24, waarvoor hij honderden biografieën schreef. De grote omvang van dit werk, waarvoor steeds minder geschikte medewerkers beschikbaar waren, leidde tot een aanzienlijk aantal fouten in de biografieën die Schotel produceerde. In 1878 leverde hij het werk als afgerond op.

Zijn echtgenote was in 1877 overleden en Schotel was door een verder toegenomen bijziendheid en andere lichamelijke klachten niet in staat zelfstandig te blijven wonen. Hij ging op kamers op het Rapenburg bij de weduwe van een Leidse pedel. Zijn werkkracht en doorzettingsvermogen waren danig aangetast. Hij liet zijn bibliotheek en antiquiteiten veilen en wilde Leiden verlaten. In mei 1878 verhuisde Schotel naar Dordrecht en woonde daar in de Boomstraat bij zijn jongste broer Jan Willem van Steenbergen Schotel, geneesheer en verloskundige. Toch produceerde Schotel in deze hernieuwde Dordtse periode vele artikelen in kranten en tijdschriften. Er kwamen ook enkele grotere publicaties zoals in 1879 Twee wandelingen door Dordrecht waaraan hij meewerkte. In 1884 verscheen Resolutie der Regering te Dordrecht na den moord van Willem I in 1584.

In april 1889 verruilde hij Dordrecht voor Oegstgeest en trok daar in bij zijn enige overlevende zoon Petrus Elija en diens gezin. Deze was echter zelden thuis vanwege zijn werkzaamheden als betaalmeester in Nederlands-Indië. Schotel vereenzaamde, was heel slecht ter been en kon niet langer zelf lezen en schrijven. Zijn schoondochter las hem de krant voor en noteerde wat Schotel haar dicteerde. Het gezin verhuisde enkele malen; Schotel overleed in 1892 te Leiderdorp. De waardering van het Tilburgse stadsbestuur voor de predikant Schotel kwam tot uiting in 1923 door in de nabijheid van het door hem opgerichte Protestants Instituut het Schotelplein in te richten.

Enkele werken: Commentatio de meritis Balthazaris Huydecoperi in linguam liteasque Belgicas (Leiden 1831). Leven, gedrukte werken en handschriften van Cornelis van Alkemade en Pieter van der Schelling (Breda 1833). Leven van den zeeschilder J.C. Schotel (Haarlem 1840). Letter- en oudheidkundige avondstonden (Dordrecht 1841). Kerkelijk Dordrecht, twee delen (Utrecht 1841-1845). Beschrijving der stad Dordrecht, samen met J. Smits (Dordrecht 1844-1845). Floris I en II van Pallant, graven van Culemborg (Arnhem 1846). Tilburgsche avondstonden (Amsterdam 1850). De illustre school te Dordrecht (Utrecht 1857). Bijdrage tot de geschiedenis der kerkelijke en wereldlijke kleeding, twee delen (‘s-Gravenhage 1854-1856). Een keizerlijk, stadhouderlijk en koninklijk bezoek in de O.L. Vrouwe-kerk te Dordrecht (Amsterdam 1859). Geschiedenis der rederijkers in Nederland, twee delen (Amsterdam 1862-1864). Geschiedenis van den Heidelbergschen catechismus (Amsterdam 1863). Het Oud-Hollandsch Huisgezin der zeventiende eeuw (Haarlem 1868). Het maatschappelijk leven onzer vaderen in de zeventiende eeuw (Haarlem 1869). De openbare eeredienst der Nederl. Hervormde Kerk in de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw (Haarlem 1870). Vaderlandsche Volksboeken en volkssprookjes van de vroegste tijden tot het einde der 18e eeuw, twee delen (Haarlem 1873-1874).

(Lucas van Heeren in gw.geneanet.org)

Johannes Rutten

Johannes (Jan) Rutten werd 31 juli 1809 in Dordrecht geboren en overleed daar 6 oktober 1884. Hij was de zoon van Frans Rutten (1779-1837), tangrijn (handelaar in lompen en oude metalen), en Adriana Broere (1768-1847).

Hij trouwde op 27 mei 1840 in Dordrecht met Mathilda Maria van Strij (Dordrecht 5 oktober 1813-Dordrecht 3 januari 1878), dochter van Abraham van Strij jr. (1790-1840, kunstschilder) en Petronella van der Koogh. Uit het huwelijk werden geboren:
– Adriana (Dordrecht 1 april 1841-Dordrecht 26 augustus 1917, lerares handwerken)
– Abraham (Dordrecht 18 november 1842-Dordrecht 8 december1845)
– Frans (Dordrecht 21 maart 1844-Helmond 11 maart 1911, timmerman)
– een levenloos geboren kind op 17 juli 1852

In de kunstgeschiedenis werd Johannes Rutten aanvankelijk beschouwd als schilder van kerkinterieurs. De tekeningen en aquarellen van Dordtse stadsgezichten kregen echter de overhand in zijn werk. Vrijwel alles wat Dordrecht aan monumentale zaken bezat, heeft hij getekend of geschilderd. Rutten protesteerde tegen de afbraak van de vele poorten en gebouwen die toen al een monumentale status hadden. Zijn streven naar het vastleggen van belangrijke objecten ging zo ver dat hij louter voor zichzelf honderden stadsgezichten tekende. Dank zij die passie ontstond door grote werkdrift een onschatbare informatiebron over de stad rond het midden van de 19de eeuw, een bron waar nog steeds uit wordt geput.

Johannes groeide op in een huis in het Achterom waar zijn vader een handel in lompen en metalen had. Johannes werd door zijn talent voor tekenen en schilderen van grote betekenis voor Dordrecht. Al vroeg was hij leerling bij de belangrijke kunstschilder Abraham van Strij sr. (1753-1826), een bewijs dat hij talentvol was. Na diens overlijden ging de 17-jarige jongeman bij George Adam Schmidt (1791-1844) in de leer, een bekende Dordtse schilder van interieurs. Rutten maakte naam als schilder van kerkinterieurs. Met zijn ‘kerkgezicht van binnen’ zou hij in 1837 een ereprijs behalen van de Academie Minerva in Groningen.

Amper 20 jaar oud werd Johannes door J.C. Schotel (1787-1838), de bekende Dordtse zeeschilder, in 1829 voorgedragen als werkend lid van het tekengenootschap Pictura. Hoewel Johannes nog als leerling werkzaam was bij Schmidt, werd hij toch gekozen. Hij bezocht regelmatig de kunstbeschouwingsavonden en nam deel aan onderlinge tekenwedstrijden, wat hem enkele prijzen opleverde. Daarnaast was hij lid van het toneelgezelschap Thalia, tevens cultureel trefpunt van de Dordtse elite. Dat zou hij blijven na het bedanken als lid van Pictura in 1856.

Het lidmaatschap van Pictura bood Rutten de gelegenheid zich in 1833 als tekenleraar te vestigen. Dat was mede te danken aan zijn samenwerking met stadsarchitect G.N. Itz (1799-1869). Itz was ook directeur van de Stadstekenschool waar bouwkundig en technisch onderwijs werd gegeven. Toen de verplichting kwam dat soort onderwijs op een artistiek niveau te brengen, voelde Itz daar weinig voor en schakelde Rutten in. Die had zich bekwaamd in de architectuur van kerken, huizen, poorten en bruggen in de Dordtse binnenstad. Johannes trouwde met de kleindochter van zijn eerste leermeester. Zijn succes als tekenleraar maakte het mogelijk te verhuizen naar een betere woning. In 1840 betrok hij met zijn vrouw en moeder, die al enkele jaren weduwe was, een huis aan de Voorstraat tussen de Zakkendragersstraat en de Munt van Holland. In 1854 verhuisde hij naar een groter pand aan de overkant, enkele huizen ten westen van de Nieuwbrug.

De samenwerking met Itz werd in de periode 1847-1861 intensiever door het in opdracht van de stadsarchitect tekenen van poorten, gebouwen, speciale gevels et cetera die op de nominatie stonden gesloopt te worden. Rutten legde de verdwijnende binnenstad vast. Hij was, zoals Abelmann en Breman opmerken, ‘de beeldchroniqueur van gesloopt Dordrecht’Zelfs delen van een gevel, een uithangbord, de variëteit in muurankers, werden door Rutten afgebeeld. Naast de opdrachten voor Itz tekende hij ook voor zichzelf het verdwijnende Dordrecht. Hij deed dat vooral in de ochtenduren voor aanvang van zijn tekenlessen. Later werden die schetsen in de meeste gevallen als aquarel uitgewerkt. Zo creëerde Rutten een oeuvre van honderden tekeningen en aquarellen.

Een Dordtenaar die het behoud of anders het tekenen van Dordtse monumentale gebouwen en andere interessante Dordtse objecten nastreefde, was Simon van Gijn (1836-1922). Van Gijn bezat aanleg voor tekenen, waarvoor hem de eerste beginselen door Rutten werden onderwezen. Het vroege contact tussen Van Gijn en Rutten zou door hun vriendschap van grote betekenis blijken te zijn. Van Gijn vond evenals Rutten dat het oude Dordrecht zo goed mogelijk bewaard diende te worden. Desondanks werd er in de 19de eeuw in Dordrecht volop gesloopt. Dordtse verdedigingswerken hadden hun functie verloren en veel gebouwen vertoonden als nasleep van de Franse Tijd en de verwaarlozing in de eerste helft van die eeuw achterstallig onderhoud.

Door afbeeldingen van andere verzamelaars te kopen, legde Van Gijn vanaf 1868 de basis voor de Atlas Dordracum Illustratum. Nadere beschouwing leert dat het zwaartepunt in die collectie bij werk van Johannes Rutten ligt. Rutten schonk Van Gijn namelijk in 1879 ruim 700 schetsen en voltooide werken van zijn historisch-topografisch werk, waarvan 175 in kleur, 275 in oost-indische inkt of sepia, 225 in potlood of krijt en meer dan 50 pentekeningen. Deze werken waren geordend als een wandeling met de Grote Kerk als startpunt. Andere tekeningen van Rutten kwamen in de Gemeentelijke Prentverzameling terecht. Behalve de architectonische tekeningen droeg Rutten ook de vele wapenafbeeldingen over die hij in 1861 minutieus had getekend. Deze vormden een aanvulling op de geslachtswapens die Matthijs Balen (1611-1691) opnam in zijn stadsgeschiedenis van 1677.

Rutten verzocht Van Gijn de zorg voor de werken op zich te nemen en deel uit te laten maken van de Atlas. Hij achtte zich door een sterk afnemend gezichtsvermogen en wellicht ook vanwege zijn leeftijd niet langer in staat daar verder aan te werken. De collectie architectuurafbeeldingen bevatte dan ook een aantal onvoltooide aquarellen. Al enkele jaren was gebleken dat het Rutten zwaar viel door te gaan met het tekenen en schilderen. Van Gijn gaf hem in 1871 opdracht de koorbanken in de Grote Kerk te tekenen. Van de uiteindelijke serie van 136 tekeningen in sepia moest Rutten na in de periode 1871-1873 aan de opdracht gewerkt te hebben, 51 tekeningen overlaten aan E.H. Schoemaker (1837-1917). Zijn toenemende oogziekte belette hem het voltooien van de opdracht. De werken van Rutten vormen nu de kern van de waardevolle collectie Dordracum Illustratum die evenals de Gemeentelijke Prentverzameling door het Regionale Archief Dordrecht wordt beheerd. Van Gijn liet de ontvangen werken niet liggen, maar schreef er over en richtte exposities in met werk van Rutten.

Een belangrijk verschil met Nederlandse tijdgenoten die eveneens stadsgezichten vastlegden, zoals Springer (1817-1891), Weissenbruch (1822-1880) en Leickert (1816-1907) is, dat deze schilders hun werk romantiseerden en bijvoorbeeld afgebeelde personen voorzagen van kledij uit vroeger tijden. Aan deze vorm van historiseren deed Rutten niet, hij beeldde af wat hij zag. Een enkele keer veroorloofde Rutten het zich enkele fraaie panden naast elkaar te tekenen, hoewel die in werkelijkheid verder uit elkaar stonden.*

Rutten trok zich terug uit het kunstenaarsleven en bleef met zijn ongehuwde kinderen Adriana en Frans op de Voorstraat wonen. Hij overleed 6 oktober 1884 en werd op de Algemene Begraafplaats begraven. Bij dit afscheid sprak Simon van Gijn en roemde hem als vriend en om zijn liefde voor de verdwijnende stad.

Bronnen
RAD, archief 256.
NNBW, deel 3, p. 1107.
Jong, H.C. ‘t, Johannes Rutten (1809-1884); tekenaar van het 19e eeuwse Dordrecht, in: Kwartaal & Teken, 13e jrg nr. 4, p. 1 en 2 (Dordrecht 1987).
Abelmann, A. en P. Breman, Het Dordrecht van Rutten (Dordrecht 2004).
https://www.dordtenazoeker.nl/ Cees Esseboom (juli 2017)

* Op zijn schilderij van de Voorstraat bij de Lombardbrug (zie hieronder) heeft hij nogal wat veranderd. “Het middelste huis [ brouwerij “het Witte Ancker”] zag er in Ruttens tijd heel anders uit. … Met het linkse deel van het schilderij ging Johannes Rutten helemaal los. Kennelijk had hij visueel wat tegen de Lombardstraat, die bij hem niet bestaat. De huizen in de verte moeten gestaan hebben aan de Lange Breestraat, maar zijn ontsproten aan de fantasie van Rutten.” De Lombardbrug bestond en bestaat nog steeds uit drie bogen. “Er bleef op het schilderij slechts één kunstzinnige boog over. Het huisje helemaal links was er in werkelijkheid niet.” (Dordt Eigen-Aardig, in Algemeen Dagblad/De Drechtsteden, 25 jan. 2023)

Frans Lebret, etser, lithograaf, aquarellist, schilder, tekenaar, geboren Dordrecht 7 nov. 1820, zoon van Ary Lebret, kantoorbediende, en Geertje van der Zalm, overleden Dordrecht 25 juli 1909 (Achterhakkers 18), echtgenoot van Pieternella van der Straten
Portret van Frans Lebret door Jan Veth (1888)
Francois Carlebur, 9 okt. 1821, zeeschilder en fotograaf, overleden Dordrecht 1893
BS Dordrecht, huwelijksregister, 7 april 1847: Francois Carlebur, geboren en wonende te Dordrecht (heeft voldaan aan zijn verplichtingen wegens de Wet op de Nationale Militie), zoon van Dirk Francois Carlebur, 47 jaar, spiegelmaker, en Maria Johanna Arendina Ruts, 46 jaar, beiden wonende te Dordrecht, en Maria Vliegenhert, eigenlijk Vliegenthart, geboren Den Haag 16 sept. 1825, wonende te Dordrecht, natuurlijke dochter van Maria Vliegenthart, 53 jaar oud, wonende te Dordrecht.
Francois Carlebur in 1893
Maria Vliegenthart en Francois Carlebur
Grafmonument van Francois Carlebur
Johanna Wilhemina Gips

Johanna Wilhemina Gips (geb. Dordrecht 29-9-1843 [Vest 73]– gest. Den Haag 18-12-1895), zangeres, muziekpedagoge. Dochter van Albertus Gips (geb. 1793), kantoorbediende, en Sophia Beliana Maria van den Broek (geb. 1803). Wilhelmina Gips bleef ongehuwd.

Johanna Wilhelmina Gips werd geboren in Dordrecht, als jongste in een gezin met twee dochters. Zij studeerde muziek bij de Duitse musicus Böhme, die van 1845 tot 1875 in Dordrecht woonde en zeer bepalend was voor het Dordtse muziekleven. Zang studeerde zij bij Carl Schneider in Rotterdam en Pauline Viardot-Garcia in Baden-Baden. Na haar studietijd maakte Wilhelmina Gips kunstreizen door Duitsland, Zwitserland en Engeland, en vestigde zich ten slotte als zanglerares in Dordrecht. Zij leidde zangers op die later internationaal bekend zouden worden, zoals Arnold Spoel, Cornelia van Zanten en Joseph Orelio. Laatstgenoemde was een hulponderwijzer wiens talent zij ontdekte tijdens een concert in de Dordtse Kunstmin. Omdat hij zijn zanglessen niet kon betalen, gaf zij hem gratis les.

Na 1866 werd Wilhelmina Gips een bekende sopraan. In Nederland en in het buitenland, vooral in Duitsland, was zij een veelgevraagde soliste. Op haar repertoire stond werk van Mendelssohn, Mozart, Haydn, Bellini, Schubert, Schumann en haar stadgenoot Willem Kes. Een recensent van Caecilia schreef enthousiast: ‘de onberispelijke uitvoering der moeilijke coloratuur van de aria uit La Sonnambulawekte ieders bewondering’ (Caecilia 1870, 42). Bij oratoriumuitvoeringen was Wilhelmina Gips vaak de enige Nederlander. Zo ook voor het muziekfeest in juni 1872 van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst in Dordrecht – waarvan zij toen al erelid was. Zoals vele musici leverde zij bijdragen aan liefdadigheidsconcerten: in 1871 in Dordrecht voor hulpbehoevende toonkunstenaars en het jaar daarna in Leiden, op het ‘armen-concert’ van Sempre Crescendo.

Wilhelmina Gips had grote belangstelling voor eigentijdse muziek. Zo zong zij werk van Niels Gades Kalanus en Hermina Amersfoordt-Dijk (Caecilia 1873, 186). Vaak trad zij samen op met de alt Anna Collin-Tobisch. Ook droeg Wilhelmina Gips bij aan de herleving van de muziek van ‘oude meesters’ als Johan Sebastiaan Bach in Nederland. Zij was lid van De Langes a-capella koor voor beroepszangers, opgericht in 1881 met het doel Nederlandse en Italiaanse Renaissance muziek ten gehore te brengen. Een van de eerste optredens van dit koor was in 1881 in de Grote Kerk in Dordrecht, met muziek van Orlando di Lasso, Sweelinck en Bach. Het koor verwierf grote roem tijdens de Internationale Muziektentoonstelling in Wenen in 1892.

Over het algemeen lieten recensenten zich positief uit over Wilhelmina Gips. In het voorjaar van 1874, in het Amsterdamse Felix Meritis, sprak men al van haar ‘gevestigden roem’. Haar stem werd ‘krachtig, edel en helder’ genoemd (Caecilia 34, 1877, 63). Soms werd haar echter een gebrek aan warmte en hartstocht verweten en werd haar toon bekritiseerd: ‘Hinderlijk is bij deze zangeres de gebrekkige vorming van den toon op sommige scherpe vocalen als e (in Herz, verre), ä (mächtig), ö (könnte) enz. Het is te hopen dat Mej. Gips er zich ernstig op zal willen toeleggen om dit gebrek te verbeteren’ (Caecilia 31, 1874, 130).

Wilhelmina Gips overleed op 52-jarige leeftijd in Den Haag. Na haar dood leefde zij voort in enige gedichten en liedjes. In 1873 droeg Willem de Haan een Wiegeliedeken aan haar op en in 1886 maakte de musicus Marius Adrianus Brandts Buys Sr. het lied Ik zal u geven zoveel kussen. De Dordtse gelegenheidsdichter D.J. Schrauwen eerde haar na haar dood met het lofdicht Zoete tonen reine klanken.”

(http://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/Gips)

Willem Kes, de eerste dirigent van het Amsterdamse Concertgebouworkest, geboren 16 febr. 1856 (Voorstraat C:1197), zoon van Adrianus Stoffel Kes, winkelier, en Cornelia Maria Krekelenberg
Willem Kes (1856-1934)
 
Jacques Fabrice Herman Perk, dichter, geboren 10 juni 1859 in Dordrecht (Breestraat D:666), zoon van Marie Adrien Perk, 25 jaar oud, predikant in Waalse gemeente van Dordrecht, en van jonkvrouw Justine Georgette Caroline Clifford Kocq van Breugel

Jacques Perk
Jan Veth, kunstschilder, dichter, hoogleraar kunstgeschiedenis, geboren Dordrecht 18 mei 1864 (Voorstraat C:1335), zoon van Huibert Veth, koopman, en Anna Cornelia Giltaij
Jan Veth, zelfportret
Anthonetta (“Top”) Naeff, geboren 24 mrt. 1878, schrijfster, vertaalster, toneelschrijfster, toneelcritica, overleden Dordrecht 22 april 1953
Top Naeff
Dirk Nijland, geboren 2 april 1881 (Wilgenbos E:841), kunstschilder, tekenaar, graficus en boekbandontwerper, overleden Santpoort 27 mrt. 1955
 
Portret van Dirk Nijland door Sierk Schröder
 
Pieter Catharinus Arie Geijl, historicus, auteur van o.a. “Oranje en Stuart” (1939), en “Napoleon: voor en tegen in de Franse geschiedschrijving” (1946), geboren 15 dec. 1887 in Dordrecht (Maartensgat 11), zoon van Arie Geijl, arts, en diens vrouw Alida Charlotte Albertine van Erp Taalman Kip.(Burg. Stand Dordrecht, akte 1090 dd 16 dec. 1887)

Pieter Geijl

Otto Dicke, geboren 3 mei 1918, beeldend kunstenaar, tekenaar, illustrator, cartoonist, striptekenaar, ontwerper van mozaïeken voor scholen en kerken

Otto Dicke

C. (Kees) Buddingh’, geboren 7 aug. 1918, dichter

F

Cees Buddingh’

Buddingh’ maakte zelf altijd onderscheid tussen de persoonsnaam Cornelis (Kees) Buddingh’ en de auteursnaam C. Buddingh’. Zijn roepnaam was Kees, geschreven met een K. Over de verwarring rondom diens naam schreef Buddingh’:

“Een heleboel mensen kunnen, vreemd genoeg, niet tegen initialen in schrijversnamen. Dat je als C. Buddingh’ publiceert nemen ze – bewust of onbewust – ergens niet: die ‘C’ moet en zal een naam worden. En zo prijk je – zonder dat je het zelf wilt – op de meest uiteenlopende plaatsen als ‘Cees’, een voornaam die ik zelf wel als laatste zou uitkiezen.”

Toch is Buddingh’ ook zelf niet altijd consequent met zijn benaming omgegaan: hij moet drukproeven met de naam Cees hebben geaccordeerd. Opmerkelijk genoeg prijkt zelfs op de grafsteen van Buddingh’ de naam ‘Cees’

C. Buddingh’ werd geboren op 7 augustus 1918 in Dordrecht. Hij bezocht de HBS van 1930 tot 1935 en haalde in 1938 zijn MO-A Engels in Den Haag. Vanaf 1933 ging hij voetballen bij D.F.C. Van 1938 tot 1940 was hij in militaire dienst, eerst in Breda, later bij de regimenten wielrijders in ‘s-Hertogenbosch en Apeldoorn. De mobilisatie bracht hij door bij het depot in Gouda. Aan het begin van de oorlog werkte hij enige tijd in de Dordtse leeszaal. Nadat bij hem tbc was geconstateerd, werd hij van 1942 tot 1943, en later nog van 1947 tot 1949, verpleegd in Sanatorium Zonnegloren in Soest. In 1950 trouwde hij met Christina (Stientje) van Vuren. Zij kregen twee zoons, Sacha en Wiebe.

C. Buddingh’ debuteerde, na enkele publicaties in Den Gulden Winckel en Criterium, in 1941 met de bundel Het geïrriteerde lied. Daarna volgden onder andere de clandestiene bundel De laarzen der Mohicanen (1943), Twintig sonnetten (1945) en Water en Vuur (1951). In het sanatorium begon hij met het schrijven van gorgelrijmen, waarvan De blaauwbilgorgel het beroemde oerrijm is. De eerste uitgave van de gorgelrijmen, inclusief de Blaauwbilgorgel, vond plaats in het baldadige en surrealistische tijdschrift De Schone Zakdoek. De Gorgelrijmen zijn later in verschillende uitgaven gepubliceerd, waaronder 10 Gorgelrijmen, gedrukt in een oplage van slechts tien exemplaren, met illustraties van Wim van Stek (1953). Nieuwe poëzie schreef hij met de bundel Lateraal (1957). West Coast (1959) en Zo is het dan ook nog weer eens een keer (1963). Een belangrijke bundel werd Deze kant boven (1965), waarin hij voor het eerst een haarscherp beeld gaf van zijn dagelijks leven. Hij werkte mee aan de tijdschriften Gard Sivik en Barbarber.

Buddingh’ verwierf een grote populariteit op poëzieavonden. Bekend werd zijn voordracht van het gedicht Pluk de dag tijdens de Poëzie in Carré-bijeenkomst in 1966, een initiatief van Simon Vinkenoog. Ook werd hij een bekende Nederlander dankzij zijn optreden tijdens Poëzie in Carré (1966) en in het televisieprogramma Poets. In 1967 begon hij met het schrijven van wat uiteindelijk vijf delen dagboeknotities zouden worden. In 1976 kreeg hij de Jan Campert-prijs voor de bundel Het houdt op met zachtjes regenen. Daarna volgden nog meer autobiografische verzen in De eerste zestig (1978), De tweede zestig (1979) en Verzen van een Dordtse Chinees (1980).

Buddingh’ werkte rond deze tijd als ‘literator’, en hij vertaalde veel, onder andere de The Forsyte Saga van John Galsworthy en, samen met Wiebe, A Clockwork Orange. Daarnaast schreef hij poëzie en enkele prozawerken: Misbruik wordt gestraft (1967), De avonturen van Bazip Zeehok (1969) en Daar ga je, Deibel! (1975), een toneelstuk (geschreven samen met Bert Schierbeek), een serie strips in dagbladen samen met Otto Dicke, kritieken, columns, aforismen en verschillende essaybundels, waaronder het Lexicon der Poëzie (1968). Ook stelde hij een groot aantal bloemlezingen samen.

Na 1980 – en de onverwachte aanval van Willem Frederik Hermans op zijn dagboeken – schreef hij nog een groot aantal miniaturen (prozagedichten) die werden gebundeld in onder andere Een rookwolkje voor God (1982). In 1983 ontving hij de Cestoda-prijs. Kort voor zijn overlijden verscheen een nieuwe reeks gorgelrijmen in de bundel Nieuwe gorgelrijmen (1985). Naast het schrijven maakte Buddingh’ in de jaren 70 een groot aantal collages en kastjes met surrealistische voorstellingen. Ook had hij gedurende een tiental jaren een deeltijdbaan aan het Instituut voor Vertaalkunde van de Universiteit van Amsterdamen was hij voorzitter van uitgeverij De Bezige Bij. Op zijn zestigste verjaardag werd hij benoemd tot ereburger van Dordrecht. Op 24 november 1985 overleed C. Buddingh’ in het Gemeentelijk Ziekenhuis in Dordrecht, terwijl hij herstelde van een operatie.

“Sinds Buddingh”, zo dichtte Remco Campert, “verwachten veel mensen van poëzie een avondje lachen”. En zo was het ook. C. Buddingh’ stond bij zijn leven voor veel mensen te boek als een vrolijke dichter, als iemand wiens opmerkelijke, maar tegelijk alledaagse poëzie bij herhaling tot ware lachsalvo’s aanleiding gaf. Wat dat betreft is het beroemde televisiefragment van de dichtersmanifestatie Poëzie in Carré uit 1966 – waarin Buddingh’ zijn gedicht Pluk de dag voorlas, en daarbij herhaaldelijk door het rumoerige gelach uit de zaal onderbroken werd – lange tijd in de herinnering van het grote publiek gebleven. Maar het was niet alleen het potje marmiet dat in het geheugen van mensen bleef hangen, ook het elastiekje dat eerst leek op een schaartje en daarna op het brilletje van Bernlef, en de gedichtencyclus Kachel I t/m XIII, om er maar enkele te noemen. Hoewel deze gedichten niet tot dat genre gerekend kunnen worden, werd zijn poëzie vaak als light verse getypeerd. Want iedereen wist dat Buddingh’ ook die schrijver van De Blaauwbilgorgel en andere gorgelrijmen was.
Buddingh’ vond dat niet erg, maar verwonderde zich er wel vaak over dat mensen niet zagen dat humor en ernst zo dicht tegen elkaar aan lagen, zelfs door elkaar heen liepen. Zo beschouwde hij de strofe uit de kachelgedichten: Hoeveel men ook van elkaar houdt, op den duur kan men niet zonder kachel, zelf als een diepe existentiële waarheid. Maar het weerhield geen mens ervan om er onbedaarlijk om te lachen.

Buddingh’ is vaak een stoïcijnse levenshouding toegedicht. In een interview met Vrij Nederland vertelde hij over de beginperiode van zijn dichterschap, waarin hij – om tegen het zich opdringende gevoel van Weltschmerz in te gaan – naar een bepaalde filosofie zocht. En dat hij toen belandde bij het stoïcisme. Er kwam in dat interview een herinnering aan zijn diensttijd naar boven. Hij vertelde dat hij ’s nachts op wacht stond aan de rand van een exercitieterrein, een volle twee uur onbeweeglijk in dezelfde houding, de karabijn aan zijn voeten. “Waarom deed je dat toch eigenlijk?” vroeg hij zich af. Waarop zijn antwoord luidde: “Als demonstratie dat je ook a noble roman kon zijn, iemand langs wie verdriet, ellende of lichamelijk ongemak afgleed, als water langs de veren van een eend.”[4]

Maar Buddingh’ heeft de dood, slechts korte tijd later – en dus nog heel vroeg in zijn leven – al in de ogen moeten kijken. Hij leed als jonge man aan tbc en werd in 1942 – hij was toen 23 jaar – opgenomen in het Sanatorium Zonnegloren in Soest, waar hij begin 1943 het gedicht zou schrijven dat hem zijn leven lang heeft vergezeld: De Blaauwbilgorgel. “Ik geloof dat ik daar toch wel een reële kijk op het leven gekregen heb”, zei hij later. Buddingh’ hoorde er van kameraden die nog met hem bij de wielrijders waren geweest en waren opgepakt en geïnterneerd in Polen, maar ook van de schrijver Ed. Hoornik, die zijn debuutbundel Het geïrriteerde lied (1941) had geredigeerd en die in Dachau zat. Bij dat soort treurige verhalen was zijn gedachte: “Het is natuurlijk niet zo leuk hier in het sanatorium en er gaat hier weleens iemand dood, maar vergeleken bij een concentratiekamp is het hier toch eigenlijk een vakantiekolonie.” Lange tijd wist hij zonder zwartgalligheid op die periode in het sanatorium terug te kijken. Zo kon hij vertellen over de ontmoeting met een man na afloop van een première in de Amsterdamse Stadsschouwburg, met wie hij in een heftige discussie verzeild raakte, deels gevoed door een of meer glazen whisky. Men achtervolgde elkaar daarbij zelfs naar het toilet, waar de man zich telkens op zijn borst sloeg en trots uitriep: “Vijf jaar RAF!”. Buddingh’ sloeg zich daarop ook op zijn borst en zei: “Zes jaar tbc”.

Na de periode van zestig en de stromingen van Gard Sivik, de nieuwe stijl en Barbarber kwam dan halverwege de jaren zeventig Buddinghs meesterwerk in de vorm van de bundel Het houdt op met zachtjes regenen, dat een diepzinnige bundel werd genoemd door critici, hoewel dat woord ‘diepzinnig’ niet echt bij Buddingh’ paste. Vergankelijkheid – altijd slechts onderhuids aanwezig in zijn poëzie – vormde nu het voornaamste onderwerp. Ook de sanatoriumtijd keerde hierin in alle hevigheid terug. Buddingh’ wist alle lof voor die bundel – waarvoor hij in 1976 de Jan Campert-prijs ontving – ook direct weer te relativeren: “Natuurlijk kan een gedicht over een vriend die na dertien jaar sanatoriumtijd gestorven is, gemakkelijk meer diepgang krijgen dan een gedicht over een potje jam, maar je moet er toch niet van uitgaan dat het mooier wordt als je maar over de dood schrijft. Da’s typisch Nederlands. Als ’t maar over de dood gaat, is ’t mooi.”

Toch was het in deze bundel gedaan met de tot dan toe zo kenmerkende stijl van hem, met dat zo neutraal mogelijk, laconiek-humoristisch, noteren van alledaagse observaties. Vooral de In Memoriam-gedichten brachten daarin verandering. Ook het verdriet sloop langzaam in zijn poëzie, en naast het verdriet ook de woede. Een woedend gevoel van onmacht, onder andere in het gedicht In memoriam Beertje van M. “De dood gaat als een gek tekeer”, schreef collega Bernlef naar aanleiding van vooral de zeven elegieën over de zeven mensen die ieder op hun manier iets voor Buddingh’ hadden betekend en toen al dood waren: Du Perron, Anthony Bosman, Ton Kloppers, Benjamin Péret, Pablo Neruda, Gerrit M. en Beertje van M.

In zijn dagboeken had Buddingh’ zich jaren eerder al minder gereserveerd opgesteld tegenover zijn eigen emoties met betrekking tot de vergankelijkheid. De functie van de dagboeken werd met Het houdt op met zachtjes regenen overgeheveld naar zijn poëzie. Buddingh’ zelf daarover: “Waarschijnlijk is het toch een protest tegen het verglijden van de tijd. Op een of andere manier probeer je dat vast te houden. Zo’n dagboek is toch een brief in een fles, bestemd voor het nageslacht: Kees Buddingh’ is er ook nog geweest.”

Buddingh’ ging in de sonnettenreeks die volgde – en die eigenlijk had moeten resulteren in een autobiografie in 360 sonnetten, Een mens in de tijd, maar toch niet verder kwam dan De eerste zestig en De tweede Zestig – verder met de doden in gesprek. In het eerste sonnet in De eerste zestig sprak hij met zijn overleden vader:

Soms, ’s avonds, staat mijn vader in de kamer.
Vreemd oud geworden, haast vel over been.
‘Slapen ze, Stientje en de jongens?’ ‘Ja, hoor.’
(zij mogen hem niet zien.) Hij zucht tevree.

Maken ze ’t goed? Geen zieken?’ ‘Nee, geen zieken
gelukkig. Alles prima.’ Hij glimlacht,
klein op een puntje van de bank, zijn benen
nog korter dan toen hij een jongen was.

Zo trokken er velen voorbij in beide bundels. In Bij de dood van Kors Monster schreef Buddingh’:

t wordt wel een boek met In Memoriams
dacht ‘k laatst. Maar ja, wanneer je, als Pizarro
de vijftig overschreden hebt, dan vallen
ze links en rechts als mispels om je heen.

De tweede zestig eindigde met een drietal gedichten over eveneens sanatoriumpatiënten. De bundel opende met een kleine ode aan de vergankelijkheid in het sonnet Vuur, dat als volgt eindigt:

Zelf ben ‘k wat bang voor water. Lucht heeft iets
vulgairs, vind ’k. Aarde is mooi, maar blijft toch aarde.
Vuur alleen is pure vergankelijkheid.

In 1979 werd Buddingh’ in alle hevigheid opnieuw geconfronteerd met de sanatoriumperiode toen dokter Van Proosdij hem uit pure vriendelijkheid een door hem samengesteld boek, getiteld Vijftig jaar Zonnestraal, stuurde, met daarin al die oude sanatoriumfoto’s, waaronder die van dokter Pauw, die hem in 1948 in het sanatorium opereerde. Het boek en de herinneringen mondde bij Buddingh’ in korte tijd uit in een zogenaamd sanatoriumsyndroom. In zijn dagboek schreef hij daarover later: “Ik leefde in een totaal irreële wereld. Het was net alsof alles om mij heen zich kilometers van mij vandaan afspeelde en mij tezelfdertijd als nauwe, op elkaar aanschuivende bergwanden vermorzelde”.

Inmiddels waren het leven en werk van Kees Buddingh’ steeds meer verstrengeld geraakt. Het autobiografische karakter van zijn werk werd steeds sterker. Feiten, zaken en verhalen uit het verleden werden keer op keer herbeleefd. Op de reeks sonnetten volgden in 1980 de Verzen van een Dordtse Chinees, dat inhoudelijk voortborduurde op de autobiografische onderwerpen.

Bij Buddingh’ was, na de explosieve periode, langzaam aan een zekere verstilling opgetreden. Gezien de titel van de bundel verlangde hij naar rust, naar de gemoedsrust van de oosterling, maar tegelijk ook wel weer een echte westerse oosterling, namelijk één uit Dordt. In de Verzen beleefde Buddingh’ de overgang van de herfst naar de winter. Veel bezag hij in het licht van de naderende dood. Toch werd het niet uitsluitend een melancholieke bundel. Hij had nog net zo goed aandacht voor het zich vernieuwende leven in het voorjaar.

Uiteindelijk komt hij in de Verzen uit bij:

Kringloop

Eigenlijk moet je nooit vragen
wanneer het voorjaar is:
zal ‘k ook de zomer nog halen?
Je hebt al aeonen gemist.

Klap je stoel gewoon uit in je tuintje.
Steek heel je nek uit in de zon.
Straks zit je een beetje te kwijlen.
Dan ben je weer waar je begon.

Het begin van de jaren tachtig waren in literair opzicht een stille periode voor Buddingh’. De poëzie had plaatsgemaakt voor zogenaamde microverhaaltjes of miniaturen, een genre dat maar met moeite gewaardeerd werd. Zijn uitgever De Bezige Bij besloot ze niet uit te geven, waardoor de dichter – die ook nog eens tien jaar voorzitter van deze coöperatieve uitgeverij was geweest – zich bijzonder teleurgesteld moet hebben gevoeld. Hij sukkelde met zijn gezondheid en ook een herstart van zijn dagboek zat er ondanks herhaalde pogingen niet in. Maar dan is het in zijn dagboek 13-3-1985: “Het blijkt steeds weer: ik heb eigenlijk een ijzersterk gestel, met alleen hier en daar een paar flinke roestplekken. Hoeveel jaar heb ik al weer niet meer in deze cahiers geschreven: vijf, zes, of toch duidelijk minder? – ik weet het niet meer. Aan de ene kant heb ik het als een bevrijding ervaren, aan de andere kant heeft het, meer dan ik zelf wel dacht, aan me geknaagd. En nu ben ik dan – en waarom juist vandaag, ik zou het bij God niet weten – weer begonnen. Mijn voornemen is in ieder geval; doorgaan tot ik de pen niet meer vast kan houden.”

In 1984 kwam Buddingh’ in contact met de Utrechtse schilder-graficus Hans van Dokkum, die al ruim een jaar enthousiast bezig bleek te zijn litho’s bij de inmiddels ruim dertig jaar oude gorgelrijmen te maken. Buddingh’ werd dusdanig door zijn geestdrift aangestoken dat hij – tot zijn eigen verbazing – plotseling het ene na het andere gedicht schreef over weer een nieuw gorgeldier, van De breddeveel tot De wems. In vijf maanden tijd schreef Buddingh’ tweemaal zoveel gorgelrijmen als destijds in tien jaar. In oktober 1985 verschenen ze weer bij De Bezige Bij in de bundel Nieuwe Gorgelrijmen en Buddingh’ schreef euforisch: “Als ik naar de stapel kijk denk ik, met Macbeth: “Wie had gedacht dat de oude man nog zoveel bloed in zich had”.” De gorgelrijmen worden wel gerekend tot nonsenspoëzie of light verse. Dat is slechts ten dele juist, want de gorgelrijmen – zowel in de oude als in de nieuwe – hebben vaak een dubbele bodem. De ogenschijnlijke vrolijkheid herbergt altijd een diepe weemoed en ook de dood is in de rijmen vaak niet ver weg.

Buddingh’ was als dichter een graag geziene gast op literaire festivals en voorleesavonden. Ook in zijn eigen stad, Dordrecht, trad hij veelvuldig op, zoals tijdens de door Joop van Halen georganiseerde literaire avonden in ’t Hof en in het culturele centrum van de nieuwbouwwijk Sterrenburg. Deze literaire avonden in De Keet waren legendarisch. Niet alleen vanwege de locatie: een noodwinkelcentrum omgeven door flats, maar vooral ook om de inhoud en de sfeer. Joop van Halen organiseerde er niet alleen avonden met Buddingh’, maar ook met Jan Eijkelboom, Frans Kellendonk, Cees Nooteboom, Simon Vinkenoog, Bert Schierbeek en veel andere schrijvers en dichters. Het destijds roemruchte Klein Orkest was er zo’n beetje het huisorkest.

Buddinghs stem, eind jaren zestig landelijk bekend geworden door het uitspreken van de verbindende teksten in het allereerste Nederlandse verborgencameraprogramma Poets, bleef door velen geassocieerd worden met humor. De typische, gortdroge, Buddingh’-stem werd daarmee zijn handelsmerk en miste bij lezingen zijn uitwerking niet. Als hij voorlas kregen de woorden er een extra dimensie door. Het trieste werd bijna geestig, terwijl omgekeerd, het grappige niet onmiddellijk tot uitbundig lachen noodde. Daardoor riep zijn stem bij velen een constante glimlach op. Volgens Buddingh’ zelf was hij na het optreden in Carré de man van “die stem en dat dekseltje van het marmietpotje”. Echt problemen leek hij er niet mee te hebben: “Die stem, ja. Er is eens een stuk van drie pagina’s over geschreven. Vond ik wel mooi.”

Ares Koopman schreef daarover: “Na zijn optreden in Poëzie in Carré werd hij her en der gevraagd de stem te laten horen, waarmee hij een soort half-hees, tegen het Rotterdams aanleunend Dordts sprak, en die op den duur zijn handelsmerk werd. Hij reisde stad en land af om zijn eigen en andermans werk ten gehore te brengen, en hij bracht, gebruikmakend van die stem, zijn liefde voor de literatuur over op – waarschijnlijk – veel meer mensen dan er zonder Poets, zonder Poëzie in Carré en zonder die stem op zo’n avondje poëzie zouden zijn afgekomen.”

Adriaan Morriën schreef in het gedenkboek Een stem om niet te vergeten een portret van Buddinghs stem. Wat volgens Morriën daar in doorklonk was “de toon van melancholie, het accent van berusting, niet in het zogenaamd onvermijdelijke, maar in het eeuwig veranderlijke, de melancholie van iemand met een blijkbaar onverwoestbaar goed humeur, en de berusting van een man die op verrassingen uit is.”

Dat Buddingh’ in 1985 met het werken aan de nieuwe reeks gorgelrijmen ook een nieuwe opleving in zijn literaire werk meemaakte, is wel duidelijk als we zijn laatste maanden volgen in het laatste deel met Dagboeknotities,[7] dat uiteindelijk negen jaar na zijn dood zou verschijnen. Hij had er weer zin in en maakte weer plannen. Bijzonder is het dat de gorgelrijmen – waarin de glimlach en de weemoed steeds hand in hand gaan – in zekere zin zijn gehele oeuvre zijn gaan omsluiten. In november 1985 ging Kees Buddingh’ ter observatie het ziekenhuis in, slechts enkele passen van zijn huis in de Dordtse Bankastraat verwijderd. Het leek erop dat hij herstellende was van een darmoperatie. Met zijn vriend Roel Leentvaar begon hij in het ziekenhuis weer aan een schaakpartij, die echter door een spoedoperatie werd onderbroken en daarna niet meer kon worden voortgezet. Op 24 november 1985 overleed Buddingh’ op 67-jarige leeftijd. (Wikipedia)

Freek Jacobus Vonk (Dordrecht, 24 februari 1983) is een bioloog, televisiepresentator en bijzonder hoogleraar.

Freek Vonk