I. Willem Jansz. Palm, van Dordrecht (1606), kaaskoper, trouwde NG Dordrecht 26 mrt. 1606 (ondertrouw) Aertgen Dirksdr. Wijcken, van Dordrecht (1606)
ORA Dordrecht inv. 1620, f. 31: op 8 mei 1661 verkopen “Willem Palm, lakencooper borger deser Stede coor hem selven, en(de) als last en procuratie hebben(de) van Capiteijn Johan Palm, Dirck Palm, Adriaen van Wijngaerden als getrout hebbende Aechtge Palms, Jacob Lambertsz. vander Radt Coopman als man en voocht van Jouffr. Petronella Palm, ende Jouffr. Doreta Palm soo voor haer selven en in desen (ver)vangen(de) en haer sterckmakende voor Franchois Palm en noch den voorsz. Cap.n Johan Palm als gestelde Testamentaire voocht over de naergelaten weeskinderen van Anna Palm za: alle te samen kinderen kintskinderen en erffgen. van za: Aertke Wijcken wed.e was van wijlen Willem Janssen Palm”, voor 6000 gl. aan Adriaen Braets een huis omtrent de Vuilpoort, staande tussen het huis van Adriaen Spiering en het huis, waar uithangt ” het Claverbladt”.
Kinderen (o.a.):
a. Johan Palm Willemsz., gedoopt NG Dordrecht nov. 1606, jongman van Dordrecht wonende aan de Vuilpoort (1629), weduwnaar van Dordrecht wonende bij de Pelserbrug (1650), koopman, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 6 mei 1665 (een zwarte baar op de hoek van de Pelserbrug voor kapitein Johan Palm), trouwde 1e NG Dordrecht 24 juni/8 juli 1629 Janneken Adriaen Lenaertsdr., van de Oude Tonge wonende aan de Vuilpoort (1629), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 31 aug. 1649 (een baar op de hoek van de Pelserbrug voor de vrouw van kapitein Johan Palm), 2e NG Dordrecht 2/18 jan. 1650 Margrieta de Rouw, weduwe van Dordrecht wonende achter het stadhuis (1650), trouwde 1e Ocker van de Wercken, zilversmid
ONA Dordrecht inv. 93, f. 193: op 23 sept. 1655 testeert Johan Palm Wilmsz., koopman en burger van Dordrecht. Hij legateert aan het Arme-Weeshuis te Dordrecht een bedrag van 200 gl. en aan Maricken Leendertsdr., dochter van Leendert Cornelisz. ’t Jongste, wonende op “het Hof” in de Grote Lindt, van wie hij peter is, eveneens 200 gl. Hij wenst, dat zijn vrouw Margarita de Rouw uit zijn na te laten goederen tot aan haar overlijden een somma van 500 gl. per jaar zal ontvangen en dat in plaats van de lijftocht van 12.000 gl., die hij aan haar heeft gemaakt in hun huwelijkse voorwaarden. Die 500 gl. moeten door zijn executeurs-testamentair voldaan worden uit de huur van het huis, waarin hij woont, uit de huur van zijn oliemolen met de drie huisjes, die ernaast staan, uit de huur van een huisje in de Vlamingstraat [Ruitenstraat], staande op de hoek van de gracht aan de oostzijde van de straat, en uit de interest van een kapitaal van 500 gl., sprekende op een tuin of boomgaard, gelegen op het smalle pad, dat loopt naast de hofstede van Teunis A. Spruijt, tussen de tuin van Molenschot en de tuin van de weduwe van Dirck van Clootwijck, van welke tuin eigenaar is Josua Offermans zilversmid. Na zijn overlijden moeten al de kleren en alle huisraad en roerende goederen, die hij nalaten zal, verkocht worden, evenals de tuin, die ligt op het brede pad tussen de tuin van Anthonij de Sont en de tuin van Anthonij Vivien, alsmede zijn drie paarden en speelwagen. De opbrengsten daarvan zullen belegd moeten worden tot een somma van 500 gl. ten behoeve van zijn vrouw op het gemeneland van Holland of een andere goede belegging. Hij legateert aan zijn vrouw ook de sieraden, die hij haar als douarie gegeven heeft, o.a. gouden doppen en een kap met 28 diamanten, die hem samen 865 gl. gekost hebben, mits zij daarvoor aan zijn erfgenamen een bedrag van 250 gl. uitreikt. Hij wenst voorts, dat zijn landerijen, die hij gemeen heeft liggende met zijn zwager Jacob Lambertsz. van der Radt, “benoorden Beoostenblije” in Vlaanderen, verkocht zullen worden en de opbrengsten daarvan ten behoeve van zijn erfgenamen belegd zullen worden op het gemeneland van Holland of op een ander belegging. Hij staat aan zijn broer Willem Willemsz. Palm toe om zijn oliemolen en de drie huisjes te bewonen of in huur te nemen, mits hij daarvoor jaarlijks een bedrag van 200 gl. zal betalen. Willem zal de oliemolen en de huisjes, zo nodig, op zijn kosten moeten laten repareren, met uitzondering van de oliestenen, het blok en de grote wentelas, welke onkosten door hem voor een derde en voor twee derde parten door zijn, testateurs, broer en zusters gedragen zullen moeten worden. Willem zal ook zoveel geld, met een minimum van 4000 gl., op interest moeten uitzetten als nodig is om de oliemolen gaande te houden. Tot erfgenamen benoemt de testateur zijn broers Dirck, Franchoijs en Willem Palm en zijn zusters Aechien, Pieternella, Anneken, Lijsbeth en Dorothea Palm, of bij vooroverlijden hun nakomelingen, of indien zij geen kinderen zullen nalaten de langstlevende van hen. Alle goederen, die zijn broers en zusters van hem zullen erven, moeten blijven subject fideï-commis en de eigendom ervan zal na hun overlijden komen aan hun nakomelingen. Tot executeurs-testamentair en voogden benoemt hij zijn broers Franchoijs en Dirck Palm.
ONA Dordrecht inv. 120, f. 47: op 12 mei 1660 passeert Margarita de Rou, vrouw van Johan Palm, koopman, burgeres van Dordrecht, haar testament. Zij benoemt to haar erfgenamen haar zuster Maria de Rou, de vrouw van mr. Sijmon Meijneker voor een derde deel, de kinderen of kindskinderen van haar overleden broer Anthonij de Rou voor een derde deel en Lucas de Rou, haar broer, voor het laatste derde deel. Voorwaarde daarbij is, dat Maria en Lucas van het door hen te erven derde part hun leven lang alleen het vruchtgebruik zal hebben en dat de eigendom ervan na hun overlijden zal komen aan hun kinderen of kindskinderen. Als echter Lucas’ vrouw, Aletta van Allevrienden, voor hem komt te overlijden, wenst de testatrice, dat hij de volle en vrije eigendom van zijn erfportie zal krijgen. Zij wil ook, dat de goederen, die haar man, Johan Palm, zal bezitten overeenkomstig hetgeen bepaald is in hun huwelijkse voorwaarden of anderszins na zijn zijn overlijden door haar erfgenamen onderling verdeeld zullen worden.
ORA Dordrecht inv. 1620, f. 128: op 10 mei 1664 verkoopt Margrieta de Rouw, de vrouw van kapitein Johan Palm, geassisteerd met haar man, voor 1700 gl. aan Franchoijs Leermans een huis [in de Voorstraat] achter het stadhuis, staande tussen het huis van de koper en dat van Jan Gregoor.
ONA Dordrecht inv. 181, f. 39: op 5 mrt. 1665 bevestigt Johan Palm Willemsz., koopman en burger van Dordrecht, ziek in een stoel zittende, het testament, dat heeft gepasseerd ten overstaan van notaris J. Schoormans te Dordrecht op 23 sept. 1655 , voor zover niet strijdig met hetgeen hierna volgt. Hij wil, dat zijn broer Willem Palm van het geld, dat hij in gevolge het voornoemde testament gehouden is van hem over te nemen uit zijn na te laten goederen tot het gaande houden van een oliemolen niet meer interest zal hoeven te betalen dan 4 % per jaar. Hij wil, dat de goederen, die zijn broer Willem Palm en zijn zuster Dorothea Palm van hem zullen erven, niet subject fideï-commis zullen zijn, maar wel de goederen, die zijn overige broers en zusters van hem zullen erven. Hij wil, dat hetgeen de kinderen van zijn zuster Anna Palm, bij haar verwekt door Isaack Nachtegael, subject fideï-commis zullen zijn en dat de eigendom ervan na haar overlijden komt aan haar nakomelingen. Als zij zonder kinderen na te laten komt te overlijden, zullen die goederen moeten komen aan zijn overige erfgenamen. Hij wil, dat Jacob Lambertsz. van der Radt, zijn zwager, van de goederen, die aan zijn vrouw en haar kinderen zijn gelegateerd, zo lang die kinderen onmondig zijn en zijn vrouw in leven is het beheer zal hebben. Hij legateert aan Johan Palm, het zoontje van zijn broer Willem Palm, waarvan hij peter is, een somma van 150 gl. en aan Hendricxken Hendricx tot aan haar overlijden een uitkering van 15 gl. jaarlijks. Zijn vrouw Margrieta de Rouw zal mogen blijven wonen, zolang als zij niet gaat verhuizen, in het huis, dat staat op de hoek van de Pelserbrug, mits zij daarvoor aan huur zal betalen een somma van 26 Vlaamse ponden per jaar en op voorwaarde, dat zij een derde van de verponding voor haar rekening zal nemen. Zij zal ook de tuin, die ligt aan de weg tussen de Vriesepoort en de Spuipoort, belend door de tuin van of blekerij van de heer De Sont aan de ene zijde en de tuin van Anthonis Vivien aan de nadere zijde, mogen aannemen voor een bedrag van 1300 gl. Hij ontslaat zijn broer Dirck Palm van het executeurschap en de voogdij, die hij aan hem heeft opgedragen in zijn voornoemde testament, en benoemt in zijn plaats zijn broer Willem Palm.
ONA Dordrecht inv. 196, f. 509: inventaris dd 13 juni 1665 van de goederen, die zijn nagelaten door Johan Palm, koopman en burger van Dordrecht, op verzoek van zijn weduwe Margrieta de Rouw, Franchoijs en Willem Palm, als executeurs-testamentair en voogden over de onmondige erfgenamen van Johan Palm, hun broer, Aechien Palms, de vrouw van Adriaen van Wijngaerden, Pieternella Palms, de vrouw van Jacob Lambertsz. van de Radt, en Dorothea Palm, meerderjarige ongehuwde persoon, samen naaste verwanten en erfgenamen van Johan Palm.
Tot de boedel behoren o.a.:
een huis in de Grotekerksbuurt, staande tussen de Pelserbrug en het huis van de weduwe van Pieter Jacobsz. van Wesel, in welk huis Johan Palm gewoond heeft en is overleden en waarin zijn weduwe zal blijven wonen, mits betalende 156 gl. jaarlijks en een derde in de verponding,
een oliemolen met drie woninkjes ernaast, staande in de Vlamingstraat [Ruitenstraat] tussen de brouwerij en het achterhuis van Hugo Repelaar, genaamd “de Ruijdt”, aan de ene zijde en de gracht aan de andere, verhuurd aan de broer van Johan Palm, Willem Palm, voor 200 gl. per jaar,
een huisje in de Vlamingstraat tegenover de oliemolen, staande tussen de gracht en het huis van Marichen Caephaen, verhuurd aan Jan Jolijn, opperbrouwer in “de Steur”, voor 12 st. 8 penn. per week,
landerijen, schuldbrieven, obligaties, inkomende schulden, linnengoed, kleren, zilverwerk en huisraad,
een portret van Palms eerste vrouw,
een portret van de overledene, toen hij nog jong was,
Boeken:
een grote bijbel in folio met koperen sloten, theologische werken van Perkinsius in folio, Institutionis Johannes Calvini in folio, het Martelaarsboek in groot quarto, Emanuel van Meteren in groot quarto, Daniël Heinsius Poemato in quarto, Verclaringe over den sentbrieff Paulij tot den Romeijnen door Pareus, Enge Poorten door Roeloff Pietersz., het Loff des Heeren door idem, Spiegel des Waere Bekeeringhe, Adonij Beseck, Selfstrijd Josephs door J. Cats, een Frans testamentboek, een dito psalmboek, nog 20 allerhande boekjes van weinig waarde.
ORA Dordrecht inv. 1622, f. 33v: op 19 mei 1668 verkopen “Jacob Lamberts van(de) Radt als getrout hebben(de) Petronella Palm en(de) Willem Palm als Executeurs van(de) Testamente van Capn. Johan Palm en voochden over de minderjarige erffgen. in des selffs Boedel”, voor 2700 gl. aan Aert Sandersz. Keijser, zadelmaker en burger van Dordrecht, een huis, staande tussen de Pelserbrug en het huis van Willem van Blijenburch.
b. Agatha (Aechien) Palm Wilmsdr. , geboren naar schatting ca. 1615, van Dordrecht wonende bij de Pelserbrug (1639), trouwde NG Dordrecht 17/31 juli 1639 Adriaen van Wijngaerden, jongman van Dordrecht wonende aan de Vismarkt (1639)
ONA Dordrecht inv. 92, f. 51: op 9 dec. 1651 leggen Hendrick Hermansz., commandeur van de nachtwacht te Dordrecht, en Pouwels van Visnich, nachtwaker, op verzoek van Leonard van Orten, Jan Eswiller, Jan Tijcke, Wolphert Hopmaets, Jan Hulsthout en Jan Goossensz. Arckelens, allen crediteurs van Adriaen van Wijngaerden, een verklaring af. Zij getuigen, dat in het laatst van januari 1651, twee of drie dagen voor het faillissement van Van Wijngaerden, “sij comparanten des nachts op haere ordinaire zachte gaende, gesijen hebben dat de twee zwagers van [Van Wijngaerden, Dirck en Willem Palm] … tot vijer verscheijden maelen uijtten huijse van de voorsz. van Wijngaerden sijn gecomen, geladen sijnde met groote packen onder haren mantels die sijluijden droegen inden huijse van haere moeder Aechien Dircx Wijcken, weduwe van Willem Palm, eerst voorin en daarnaar (doen sij merckten dat sij attestanten tselve saegen) achter in”. Pouwels van Vischnicht verklaart nog alleen, dat hij ook gezien heeft, dat eer Dirck en Willem Palm “mette packen uitten huijse quaemen, … een vrouw persoon, die hij niet recht kende, maer aensach voor haere zuster uijtten voorsz. huijse quaem met een groot pack onder haere huijcke waermede sij naerde Vuijlpoorte toe Vinck”.
Kinderen:
b-1. Willem, gedoopt NG Dordrecht sept. 1640
b-2. Clara, gedoopt NG Dordrecht nov. 1641
b-3. Johanna, gedoopt NG Dordrecht 10 juli 1643
b-4. Margarita, gedoopt NG Dordrecht sept. 1644
b-5. Aertjen, gedoopt NG Dordrecht 25 nov. 1645
b-6. Johannes, gedoopt NG Dordrecht juli 1647
b-7. Adriaen, gedoopt NG Dordrecht okt. 1649
b. Lisebet Palm, april 1617
c. Pieternella Palm Willemsdr., geboren naar schatting ca. 1618, van Dordrecht wonende bij de Pelserbrug, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 5 okt. 1673 (een zwarte baar buiten de Sluispoort voor Piternella Palm, de vrouw van Jacob Lambertsz. van de Rat), trouwde NG Dordrecht 20 dec. 1643/4 jan. 1644 Jacob Lambertsz. van der Rath, weduwnaar van Naarden wonende buiten de Vuilpoort (1630), weduwnaar van Naarden wonende buiten de Sluispoort (1643), houtkoper, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 14 dec. 1678 (een zwarte baar buiten de Sluispoort voor Jacob Lambertsz. van de Radt, houtkoper), trouwde 2e (?) NG Dordrecht 26 mei/11 juni 1630 Maijken Willemsdr. van Diest, weduwe van Dordrecht wonende bij de Vismarkt (1630), trouwde 1e Jan Jelisz. van der Wielen
ONA Dordrecht inv. 293, f. 52: op 18 nov. 1661 verklaren IJsaack Dircxsz., ongeveer 50 jaar oud, en Cornelis Heijmansz. Maes, ongeveer 40 jaar oud, beiden mr. wagenmaker en gildebroeder van het Timmerlieden- en Wagenmakersgilde te Dordrecht, op verzoek van Jacob Lambertsz. van der Rat, houtkoper en burger van Dordrecht, dat het in Dordrecht toegestaan is, dat de wagenmakers de wagens, die zij hebben gemaakt, zelf beschilderen of verven, zonder dat zij gehouden zijn “ijmant van de groffschilders ofte eenige [andere] schilders daer over te moeijen ofte aen te spreecken” of daarvoor iets te moeten betalen.
Kinderen:
c-1. Aeltje, gedoopt NG Dordrecht 5 mrt. 1645
c-2. Jacobus, gedoopt NG Dordrecht 24 jan. 1649
d. Dorothea Palm, gedoopt NG Dordrecht febr. 1619, ongehuwd
e. Dirck Palm, gedoopt NG Dordrecht nov. 1620, ongehuwd, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 23 juli 1670 (een zwarte baar buiten de Sluispoort voor Dirck Palm, ongehuwd)
f. Francois Palm, gedoopt NG Dordrecht okt. 1622
g. Anna Palm, geboren naar schatting ca. 1624, trouwde in 1649 Isaack Nachtegaal (Zie de genealogie Nachtegaal op deze website)
h. Willem Palm, geboren naar schatting ca. 1625, volgt II
II. Willem Palm, geboren naar schatting ca. 1625, jongman van Dordrecht wonende bij de Pelserbrug (1656), koopman, lakenkoper, trouwde NG Dordrecht/Dubbeldam 12/26 mrt. 1656 Geertruijt van der Rat, jonge dochter van Dordrecht wonende buiten de Sluispoort (1656)
ORA Dordrecht inv. 1748, f. 147: op 7 okt. 1684 verkoopt Willem Palm, koopman te Dordrecht, voor 250 gl. aan Maeijken Andries, weduwe van Cornelis van Bavel, een lakenraam met de “timmeragie en plantage” daarop, staande buiten de Spuipoort tussen het raam van Cornelis van Helmont en het raam van de weduwe Van Bavel.
Kinderen (o.a.):
a. Alette Palm, gedoopt NG Dordrecht 23 dec. 1656, ongehuwd, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 3 okt. 1737 (Aletta Palm, ongehuwd, op de Voorstraat naast “de Bel”, met een koets extra)
b. Jan, gedoopt NG Dordrecht 7 jan. 1663
c. Jacob, gedoopt NG Dordrecht 25 jan. 1665
d. Aertje, gedoopt NG Dordrecht 14 nov. 1666
e. Willem, gedoopt NG Dordrecht 11 okt. 1668