I. Steven Stevensz., uit het Land van Luik (1599), smid, trouwde NG Dordrecht 3/19 jan. 1599 Heilke Thonis Jansdr., geboren naar schatting ca. 1575, van Dordrecht (1599), dochter van Thonis Jansz. pottenbakker en Grietken Stouten
ORA Dordrecht inv. 1582, f. 104v: op 11 april 1602 verkopen Pieter Waelen, Dirck Geeritsz. en Reijer Geeritsz. voor 1400 gl. aan Steven Stevens. smid een huis, genaamd “de Bonte Koe”, staande in de Spuistraat tussen de Breestraat en het huis van Geerit Geeritsz. brandewijnmaker, alsmede de gang, die naar de gracht leidt. De koper is schuldig aan de verkopers een somma van 560 gl.
ORA Dordrecht inv. 1600, f. 58: op 28 aug. 1623 verkopen Steven Stevensz. smid, als man van Heiltken Thonisdr., Abraham Geeritsz. glasmaker, als man van Janneken Thonisdr., en Willem Jansz. kleermaker, als man van Jacobmijntgen Thonisdr., voor zichzelf en tevens vervangende Cornelis Cornelisz., schoolmeester te Alblasserdam, als man van Teuntken Thonisdr., allen erfgenamen van Grietken [Jacobsdr.] Stouten, weduwe van Thonis Jansz. pottenbakker, hun schoonmoeder, voor 500 gl. aan Willem Fransz. Hallingh [echtgenoot van Dieuwertken Teunis] schoenmaker, hun zwager, vier vijfde delen van een huis in de Tolbrugstraat, van welk huis de koper reeds een vijfde deel bezit, staande tussen het huis van Arien Thonisz. Vlaming en dat van Johan Bordels.
Kinderen (o.a.; allen NG gedoopt in Dordrecht):
a. Steven, juni 1601
b. Margriet Stevensdr. de Rouw, okt. 1603, van Dordrecht wonende aan de Vuilpoort bij brouwerij “de Ruijt” (1628), weduwe van Dordrecht wonende achter het stadhuis (1650), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 27 mei 1671 (een zwarte baar voor Margrijet de Rouw, weduwe van kapitein Johan Palm), 2e NG Dordrecht 2/18 jan. 1650 Johan Palm Willemsz. (zie ook de genealogie Palm II op deze website), trouwde 1e NG Dordrecht 7 mei/4 juni 1628 Ocker Cornelisz. van de Wercken, van Dordrecht wonende in de Gravenstraat in “de Vergulde Huijke Persse” (1628), zilversmid
ONA Dordrecht inv. 93, f. 193: op 23 sept. 1655 testeert Johan Palm Wilmsz., koopman en burger van Dordrecht. Hij legateert aan het Arme-Weeshuis te Dordrecht een bedrag van 200 gl. en aan Maricken Leendertsdr., dochter van Leendert Cornelisz. ’t Jongste, wonende op “het Hof” in de Grote Lindt, van wie hij peter is, eveneens 200 gl. Hij wenst, dat zijn vrouw Margarita de Rouw uit zijn na te laten goederen tot aan haar overlijden een somma van 500 gl. per jaar zal ontvangen en dat in plaats van de lijftocht van 12.000 gl., die hij aan haar heeft gemaakt in hun huwelijkse voorwaarden. Die 500 gl. moeten door zijn executeurs-testamentair voldaan worden uit de huur van het huis, waarin hij woont, uit de huur van zijn oliemolen met de drie huisjes, die ernaast staan, uit de huur van een huisje in de Vlamingstraat [Ruitenstraat], staande op de hoek van de gracht aan de oostzijde van de straat, en uit de interest van een kapitaal van 500 gl., sprekende op een tuin of boomgaard, gelegen op het smalle pad, dat loopt naast de hofstede van Teunis A. Spruijt, tussen de tuin van Molenschot en de tuin van de weduwe van Dirck van Clootwijck, van welke tuin eigenaar is Josua Offermans zilversmid. Na zijn overlijden moeten al de kleren en alle huisraad en roerende goederen, die hij nalaten zal, verkocht worden, evenals de tuin, die ligt op het brede pad tussen de tuin van Anthonij de Sont en de tuin van Anthonij Vivien, alsmede zijn drie paarden en speelwagen. De opbrengsten daarvan zullen belegd moeten worden tot een somma van 500 gl. ten behoeve van zijn vrouw op het gemeneland van Holland of een andere goede belegging. Hij legateert aan zijn vrouw ook de sieraden, die hij haar als douarie gegeven heeft, o.a. gouden doppen en een kap met 28 diamanten, die hem samen 865 gl. gekost hebben, mits zij daarvoor aan zijn erfgenamen een bedrag van 250 gl. uitreikt. Hij wenst voorts, dat zijn landerijen, die hij gemeen heeft liggende met zijn zwager Jacob Lambertsz. van der Radt, “benoorden Beoostenblije” in Vlaanderen, verkocht zullen worden en de opbrengsten daarvan ten behoeve van zijn erfgenamen belegd zullen worden op het gemeneland van Holland of op een ander belegging. Hij staat aan zijn broer Willem Willemsz. Palm toe om zijn oliemolen en de drie huisjes te bewonen of in huur te nemen, mits hij daarvoor jaarlijks een bedrag van 200 gl. zal betalen. Willem zal de oliemolen en de huisjes, zo nodig, op zijn kosten moeten laten repareren, met uitzondering van de oliestenen, het blok en de grote wentelas, welke onkosten door hem voor een derde en voor twee derde parten door zijn, testateurs, broer en zusters gedragen zullen moeten worden. Willem zal ook zoveel geld, met een minimum van 4000 gl., op interest moeten uitzetten als nodig is om de oliemolen gaande te houden. Tot erfgenamen benoemt de testateur zijn broers Dirck, Franchoijs en Willem Palm en zijn zusters Aechien, Pieternella, Anneken, Lijsbeth en Dorothea Palm, of bij vooroverlijden hun nakomelingen, of indien zij geen kinderen zullen nalaten de langstlevende van hen. Alle goederen, die zijn broers en zusters van hem zullen erven, moeten blijven subject fideï-commis en de eigendom ervan zal na hun overlijden komen aan hun nakomelingen. Tot executeurs-testamentair en voogden benoemt hij zijn broers Franchoijs en Dirck Palm.
ONA Dordrecht inv. 120, f. 47: op 12 mei 1660 passeert Margarita de Rou, vrouw van Johan Palm, koopman, burgeres van Dordrecht, haar testament. Zij benoemt tot haar erfgenamen haar zuster Maria de Rou, de vrouw van mr. Sijmon Meijneker voor een derde deel, de kinderen of kindskinderen van haar overleden broer Anthonij de Rou voor een derde deel en Lucas de Rou, haar broer, voor het laatste derde deel. Voorwaarde daarbij is, dat Maria en Lucas van het door hen te erven derde part hun leven lang alleen het vruchtgebruik zal hebben en dat de eigendom ervan na hun overlijden zal komen aan hun kinderen of kindskinderen. Als echter Lucas’ vrouw, Aletta van Allevrienden, voor hem komt te overlijden, wenst de testatrice, dat hij de volle en vrije eigendom van zijn erfportie zal krijgen. Zij wil ook, dat de goederen, die haar man, Johan Palm, zal bezitten overeenkomstig hetgeen bepaald is in hun huwelijkse voorwaarden of anderszins na zijn zijn overlijden door haar erfgenamen onderling verdeeld zullen worden.
ORA Dordrecht inv. 1620, f. 127v: op 10 mei 1664 verkoopt Margreta de Rouw, de vrouw van kapitein Johan Palm, voor 2700 gl. aan Franchoijs Leermans, zilversmid en burger van Dordrecht, een huis in de Voorstraat] achter het stadhuis, staande tussen de steiger en het huis van de verkoopster.
ORA Dordrecht inv. 1620, f. 128: op 10 mei 1664 verkoopt Margrieta de Rouw, de vrouw van kapitein Johan Palm, geassisteerd met haar man, voor 1700 gl. aan Franchoijs Leermans een huis [in de Voorstraat] achter het stadhuis, staande tussen het huis van de koper en dat van Jan Gregoor.
ONA Dordrecht inv. 121, f. 335: op 5 juli 1664 testeert Margarita de Rou, de vrouw van Jan Palm, burgeres van Dordrecht. Zij benoemt tot haar erfgenamen haar zuster Maria de Rou, de vrouw van mr. Sijmon Meijneker, en haar broer Lucas de Rou,, beiden wonende te Dordrecht, op voorwaarde, dat zij binnen 8 weken na haar overlijden aan de kinderen of kindskinderen van haar overleden broer, Anthonij de Rou, een somma van 3000 gl. zullen uitkeren. Voorwaarde daarbij is tevens, dat Maria en Lucas van de goederen, die zij van haar zullen erven, alleen het vruchtgebruik zullen hebben en dat de eigendom ervan na hun overlijden zal komen aan hun kinderen en kindskinderen. Lucas de Rou zal alleen als borgsom moeten stellen een bedrag van 2000 gl. De testatrice wil, dat van de goederen, die haar man Jan Palm na haar overlijden overeenkomstig hun huwelijkse voorwaarden zijn leven lang lang in vruchtgebruik na haar overlijden zal bezitten, een derde deel na zijn overlijden zal komen aan de kinderen of kindskinderen van Anthonij de Rou, haar overleden broer.
ONA Dordrecht inv. 121, f. 343: op 16 aug. 1664 legateert Margareta de Rou, de vrouw van Jan Palm, burger van Dordrecht, aan haar nicht Helena Meijneker, dochter van haar zuster Maria de Rou, een bedrag van 200 gl. en aan Henrica Meijneker, de zuster van Helena, eveneens 200 gl.
ONA Dordrecht inv. 121, f. 344: op 16 aug. 1664 legateert Margareta de Rou, de vrouw van Jan Palm, aan Lucas de Rou een obligatie van 300 gl. “als sij … op hem te eijschen heeft”.
ONA Dordrecht inv. 121, f. 345: op 16 aug. 1664 benoemt Margareta de Rou, vrouw van Jan Palm tot voogden over de minderjarige kinderen van Maria en Lucas de Rou, haar zuster en broer, Jan Palm, haar man, en Jacobus van Hoochstraten, haar goede vriend. Aan Maria verleent zij de bevoegdheid om, indien Palm en Hoofdstraten komen te overlijden, twee andere bekwame en onpartijdige mannen tot voogden te benoemen, die geen bloedverwanten van haar, Maria, zullen zijn of door huwelijk aan haar verwant.
ONA Dordrecht inv. 181, f. 39: op 5 mrt. 1665 bevestigt Johan Palm Willemsz., koopman en burger van Dordrecht, ziek in een stoel zittende, het testament, dat heeft gepasseerd ten overstaan van notaris J. Schoormans te Dordrecht op 23 sept. 1655 , voor zover niet strijdig met hetgeen hierna volgt. Hij wil, dat zijn broer Willem Palm van het geld, dat hij in gevolge het voornoemde testament gehouden is van hem over te nemen uit zijn na te laten goederen tot het gaande houden van een oliemolen niet meer interest zal hoeven te betalen dan 4 % per jaar. Hij wil, dat de goederen, die zijn broer Willem Palm en zijn zuster Dorothea Palm van hem zullen erven, niet subject fideï-commis zullen zijn, maar wel de goederen, die zijn overige broers en zusters van hem zullen erven. Hij wil, dat hetgeen de kinderen van zijn zuster Anna Palm, bij haar verwekt door Isaack Nachtegael, subject fideï-commis zullen zijn en dat de eigendom ervan na haar overlijden komt aan haar nakomelingen. Als zij zonder kinderen na te laten komt te overlijden, zullen die goederen moeten komen aan zijn overige erfgenamen. Hij wil, dat Jacob Lambertsz. van der Radt, zijn zwager, van de goederen, die aan zijn vrouw en haar kinderen zijn gelegateerd, zo lang die kinderen onmondig zijn en zijn vrouw in leven is het beheer zal hebben. Hij legateert aan Johan Palm, het zoontje van zijn broer Willem Palm, waarvan hij peter is, een somma van 150 gl. en aan Hendricxken Hendricx tot aan haar overlijden een uitkering van 15 gl. jaarlijks. Zijn vrouw Margrieta de Rouw zal mogen blijven wonen, zolang als zij niet gaat verhuizen, in het huis, dat staat op de hoek van de Pelserbrug, mits zij daarvoor aan huur zal betalen een somma van 26 Vlaamse ponden per jaar en op voorwaarde, dat zij een derde van de verponding voor haar rekening zal nemen. Zij zal ook de tuin, die ligt aan de weg tussen de Vriesepoort en de Spuipoort, belend door de tuin van of blekerij van de heer De Sont aan de ene zijde en de tuin van Anthonis Vivien aan de nadere zijde, mogen aannemen voor een bedrag van 1300 gl. Hij ontslaat zijn broer Dirck Palm van het executeurschap en de voogdij, die hij aan hem heeft opgedragen in zijn voornoemde testament, en benoemt in zijn plaats zijn broer Willem Palm.
ONA Dordrecht inv. 209, f. 170: op 31 mei 1669 testeert Margrieta de Rouw, weduwe van kapitein Jan Willemsz. Palm, burgeres van Dordrecht. Zij wenst, dat zij een “eerlijke” begrafenis zal krijgen en dat op de grafstede van haar ouders gelegd zal worden een zerk, die tenminste 100 gl. zal kosten. Zij prelegateert aan Helena en Hendrica Sijmonsdr. Meijnicker, dochters van haar overleden zuster Marija de Rouw, elk een somma van 200 gl. Zij legateert aan de NG huisarmen van Dordrecht, eveneens 200 gl. Zij benoemt tot haar erfgenamen Marija Leversetge, de vrouw van Franchoijs Leermans, Helena Sijmonsdr. Meijnicker en Hendrica Sijmonsdr. Meijnicker, de kinderen van haar overleden zuster Marija de Rouw, of bij vooroverlijden hun kinderen, voor een derde part. Voorwaarde daarbij is dat Marija Leversetge van haar erfportie alleen het vruchtgebruik zal hebben en dat de eigendom ervan na haar overlijden zal komen aan haar kinderen. Voorts benoemt zij tot haar erfgenamen Stephanus, Floris, Cornelis, Heijltgen, Abraham en Willemijntgen de Rouw, de kinderen van haar overleden broer Anthonij de Rouw, of bij vooroverlijden hun kinderen voor het tweede derde part. Voorwaarde daarbij is, dat Heijltgen uit de erfportie van haar broer Cornelis zal ontvangen een somma van 400 gl. en Willemijntgen uit de erfportie van haar broer Abraham een gelijke somma van 400 gl. Tenslotte benoemt zij voor het laatste derde part tot haar erfgenamen Pieter, Stephanus, Cornelis, Geerardus en Anna de Rouw, kinderen van haar overleden broer Luijcas de Rouw, of bij vooroverlijden hun kinderen. Tot executeurs van haar testament benoemt zij haar goede bekenden Jacobus van Hoochstraeten en notaris Johannes Melanen. Tot voogden over de onmondige kinderen of kindskinderen van Anthonij de Rouw stelt zij aan Stephanus en Floris Anthonijsz. de Rouw, over de onmondige kinderen of kindskinderen van Luijcas de Rouw Pieter Luijcasz. de Rouw en over de onmondige kinderen of kindskinderen van Marija de Rouw haar aangetrouwde neef Franchoijs Leermans.
ONA Dordrecht inv. 197, f. 202: inventaris van de nagelaten goederen van Margrieta de Rouw, laatst weduwe van kapitein Johan Palm, overleden te Dordrecht op 27 mei 1671, beschreven op 1 juni 1671 op verzoek van Jacobus van Hoochstraten, als executeur-testamentair samen met notaris Johannes Melanen van Margrieta de Rouw, Franchoijs Leermans, als man van Marija Leversetge, Helena en Hendrica Meijnicker, Stephanus en Floris Anthonisz. de Rouw, voor zichzelf en als voogden over hun minderjarige zuster Willemijntgen de Rouw, Heijltgen de Rouw, meerderjarige ongehuwde persoon, Stephanus, Cornelis en Geerardus Luijcasz. de Rouw, Pieter van Someren, als man van Anna de Rouw, tevens vervangende hun absente broer [Pieter de Rouw], samen erfgenamen van Margrieta de Rouw.
Tot de boedel behoren: landerijen, schepenenschuldbrieven, obligaties, huisraad, meubels, porselein, linnen, kleren, tin, koperwerk, contant geld, goud- en zilverwerk.
Schilderijen:
4 schilderijen met lijsten
een schilderij “sijnde een geselschap”
een landschap van Verhagens
“Salomons eerste recht”
nog een landschap van Verhagen
2 tekeningen in lijsten met glas ervoor door Tegelberch
een schilderij van de geboorte van Christus door Doedijn
2 kleine landschappen met achtkantige lijstjes
een gesneden schilderijtje in parelmoer
2 ronde schilderijtjes met achtkantige lijsten
een schilderij, zijnde een bloempot, van Bosschert
een boerenwerf van Van der Poel
een gezelschap met een “verkeerbort” erin
een “samaritaentie”
een klein landschap
een achtkantig schilderij
een groot schilderij, waarin de overledene zittend is afgebeeld, van Hoochstraten (gekocht door Stephanus de Rouw voor 34 gl.)
een schilderij van Droochsloot
een landschap van Ruijsschert
2 landschappen van Chappel
een “fruijtagie” van A. Suijssimer met een achtkantige lijst
2 gezelschapjes of “tavernkes” van Johannes Wannier, “beleent”
3 landschappen
een dronken boer
een landschapje van Van Geel
een “batalie” [veldslag] op albast
een maneschijntje
nog een dito, wat kleiner
een morgenstondje
een kerstnacht van Benjamin Cuijp
nog een “batalie”
Boeken:
een huisboek in folio met koperen sloten, gedrukt door Jan Canin te Dordrecht in 1582
T’ Leven der doorluchtige Griecken ende Romeijnen in folio door Plutarchus van Chaironeia
Nieuwe Keijsers Cronica in folio, door Georgius Chauser
Cronica Carionis in folio, gedrukt door Jan Canin te Dordrecht in 1586
een bijbel in folio, gedrukt te Antwerpen tot Leiden [sic] in 1581
een bijbeltje in quarto met segrijnleer
Gedruckweerdige Geschiedenissen door Gulielmus Baudartius in groot quarto met sloten
een testamentboek in quarto
een Reisboek der Heilige Schrift door mr. Hendrick Buntingh
Christelijcke Institutie door Guilliam Bucanus in quarto met koperen sloten
de Helden Godes door J. v. Vondel in quarto
J. Cats, Ouderdom en Buitenleven
J. Cats, Trouwring
T’ Heijlige Emaus, door Henricus Carsarus
Ordonnantie ofte Instructie voor de Wisselaers
Instructie van de Munt in schrift
nog 21 gebonden boekjes van verscheiden soort
nog enige boekjes in papier gebonden
een psalmboekje met “rouw becleet”.
Lasten van de boedel:
de erfgenamen van Ocker van de Wercken, de eerste man van Margrieta de Rouw, komt toe wegens een legaat aan hen gemaakt na het overlijden van zijn vrouw in zijn testament van 6 aug. 1647 2000 gl.
de legaten, vermeld in haar testament van 31 mei 1669, voor haar nichten en de diaconie van de NG gemeente elk 200 gl.
een legaat, vermeld in haar codicil, dat zij op 23 mrt. 1671 heeft gepasseerd ten overstaan van notaris Johan van der Hoop, voor haar nicht Sophia van Wolffraet 25 gl.
idem aan haar dienstmaagd Soetgen Jans 25 gl.
de erfgenamen hebben nog aan Soetgen Jans toegezegd voor de lopende maanden aan loon en kostgeld 25 gl.
met het contante geld in deze boedel bevonden is betaald aan Frans Mol, koster van de Grote Kerk, voor de “gerechticheijt vande kerck opte swarte baeren gestelt”, het openen van het graf, het vier maal over de overledene luiden, en het salaris van de vijf bidders 72 gl. 8 st.
nog aan Margarita van Wesel betaald “voor de gesamentlijcke Bueren van de Groote Kerck, voor dat sij de overledene in den rouw ter aerden gedragen hebben” 10 dukatons ofwel 31 gl. 10 st.
aan Johannes van der Mildt, knecht van de diaconie, betaald voor een zwarte baar, een doodskist met ringen en schroeven, voor de late begrafenis en anderszins 60 gl. 10 st.
aan dr. Johan de Jongh betaald voor doktersbezoeken en medicamenten 10 gl. 18 st.
aan kapitein Van der Velde apotheker betaald voor leverantie van medicamenten 13 gl. 1 st.
aan Johan van Bebber lakenkoper betaald wegens leverantie en huur van rouwgoed om het huis mee te behangen en wegens gebruik van het doodskleed 8 gl. 10 st.
aan Phlips Hardra Franse kramer betaald voor leverantie van zwarte handschoenen en “rouwlampers” ten behoeve van de vijf bidders 12 gl.
de overledene heeft volgens haar testament gewild, dat er een blauwstenen zerk gekocht en op haar graf gelegd zal worden, welke tenminste 100 gl. zal kosten.
c. Anthonij (Thonis) Stevensz. de Rouw, april 1605, volgt II
d. Maria de Rouw Stevensdr., geboren naar schatting ca. 1606, van Dordrecht wonende in de Spuistraat (1625), weduwe van Dordrecht wonende in de Spuistraat (1636), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 9 okt. 1667 (een baar in de Grote Spuistraat voor Marij de Rouw, de vrouw van Sijmon Mijnecker chirurgijn), trouwde 1e NG Dordrecht 31 aug. 1625 Jan Leversedge (Leverses, Lievertsen), weduwnaar wonende in de Spuistraat (1625), Engelsman, chirurgijn, 2e NG Dordrecht 18 mei/1 juni 1636 Simon Hendriksz. Meijneker, jongman van Dordrecht wonende op de Riedijk (1636), chirurgijn
ORA Dordrecht inv. 1606, f. 142: op 17 juli 1636 verkopen Cornelia Stoop Dircxdr., weduwe van mr. Pieter van Nieuwstadt chirurgijn, en Jeremias van der Heijden, toestemming hebbende van de weesmeesters, aan mr. Sijmon Mennicker chirurgijn een huis in de Vriesestraat, staande naast het huis van Neeltgen Spriet. De koper is schuldig aan Margarita van Heul, weeskind van Fransken Cornelisdr., bij haar verwekt door mr. David van Heul, een somma van 500 gl. Borg: Steven Stevensz., burger van Dordrecht.
Kinderen:
Ex 1:
d-1. Maria Leversetge, gedoopt NG Dordrecht juni 1626, jonge dochter van Dordrecht wonende bij het stadhuis (1654), trouwde NG Dordrecht 24 mei/14 juni 1654 (procl. in Rotterdam) Franchois Leermans, jongman van Antwerpen wonende in Rotterdam (1654), zilversmid
d-2. Willem, gedoopt NG Dordrecht okt. 1627, vermoedelijk jong overleden
Ex 2:
d-3. Hendrick, gedoopt NG Dordrecht sept. 1637, vermoedelijk jong overleden
d-4. Henrica Meijneker, geboren naar schatting ca. 1640
d-5. Helena Meijneker, gedoopt NG Dordrecht aug. 1642
e. Lucas de Rouw, april 1609, jongman van Dordrecht wonende aan de Vismarkt (1634), “maeldenier”, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 26 dec. 1668 (een baar op de Nieuwe Haven aan de Dwarskade [het Vlak] voor Luijckas de Rouw), trouwde NG Dordrecht 5 mrt./4 april 1634 Alletta (Aelken) Pietersdr. van Allevrienden, gedoopt NG Dordrecht juni 1616, jonge dochter van Dordrecht wonende op de Nieuwe Haven (1634), dochter van kapitein Pieter Pietersz. van Allevrienden en Anneken Cornelisdr.
NG trouwboek Dordrecht 12 juli 1609: Pieter Pietersz. van Allevrienden schipper gezel [sic] van Nijmegen wonende bij zijn stiefvader Jacob Pouwelsz. op de Nieuwe Haven in “het Wapen van Venlo” en Anneken Cornelis [Gerritsdr.] van Dordrecht weduwe van Gerit Thonisz. schipper wonende op de Nieuwe Haven bij Melcen de pompmaker in “de Mees” [?]
ORA Dordrecht inv. 1616, f. 17: op 17 april 1655 verklaart Lucas de Rou, burger van Dordrecht, als procuratie hebbende van kapitein Gerrit van Allevrunden, schuldig te zijn aan Annichen Cornelisdr., weduwe van kapitein Pieter Pietersz. van Allevrunden, zijn “moeder”, een bedrag van 2000 gl., verbindende een huis op de Varkenmarkt, staande tussen het huis van Lucretia van Gesel en dat van Jacob Ariensz. van den Branden.
ONA Dordrecht inv. 177, f. 41: op 17 mrt. 1656 testeert Anneken Cornelisdr., weduwe van kapitein Pieter van Allevrunden, burgeres van Dordrecht. Zij legateert aan de NG huisarmen te Dordrecht een obligatie van 400 gl. kapitaal ten laste van Frans Jaspersz. schiptimmerman, gedateerd 10 juli 1637, met de daarop verlopen interest. Doch indien Frans Jaspersz. die obligatie tijdens haar leven afgelost zal hebben, legateert zij aan de huisarmen een bedrag van 400 gl. Zij legateert aan Grietgen Claesdr., weduwe van Cornelis Cornelisz. Schodt of bij overlijden haar kinderen een somma van 50 gl. ter vergoeding van de veelvuldige trouwe diensten, die zij aan haar, testatrice, bewezen heeft. Zij legateert aan Pieter Luijcasz. van Allevrunden [sic], de zoon van haar dochter Alith Pietersdr. van Allevrunden, die zij van jongs af aan opgevoed heeft, een somma van 1000 gl. Zij prelegateert aan haar zoon kapitein Geerit Pietersz. van Allevrunden alle interesten van een schuldbrief van 2000 gl., die zij “sprekende” heeft op zijn huis, staande op de Varkenmarkt tussen het huis van Lucretia van Gesel en dat van Jacob Arijensz. van den Brande. Tot erfgenamen benoemt zij de kinderen van haar zoon kapitein Geerit Pietersz. van Allevrunden, voor de helft, en de kinderen van Aletta Pietersdr. van Allevrunden, haar dochter, voor de wederhelft. Zij bepaalt tenslotte dat Geerit en Aletta elk een somma van 2500 gl. zullen krijgen, alsmede het vruchtgebruik van de goederen, die hun kinderen van haar, testatrice, zullen erven.
ONA Dordrecht inv. 177, f. 133: op 14 sept. 1656 verklaart Anneken Cornelisdr., weduwe van kapitein Pieter van Allevrunden, burgeres van Dordrecht, dat als de vrouw van haar zoon kapitein Geerit Pietersz. van Allevrunden, genaamd Marija van der Beeck, voor hem komt te overlijden, dat hij dan alle goederen, die zij aan zijn kinderen heeft gemaakt in haar testament van 17 mrt. 1656 en waarvan hij alleen het vruchtgebruik zou hebben, “liber ende vrij … sal mogen trecken ende genieten”. Als Geerit echter voor zijn vrouw komt te overlijden, zullen die goederen komen aan zijn kinderen en bij ontbreken daarvan aan de kinderen van haar dochter Aletta Pietersdr. van Allevrunden.
ONA Dordrecht 196, f. 31: inventaris dd 2 jan. 1658 van de goederen, die zijn nagelaten door Anneken Cornelisdr., weduwe van kapitein Pieter Pietersz. van Allevrunden, beschreven ten overstaan van kapitein Geerit Pietersz. van Allevrunden, Lucas de Rouw, als man van Aletta Pietersdr. van Allevrunden, en Johan Schoormans en Claes Jaspersz. ter Bruggen, als executeurs-testamentair en voogden over de onmondige erfgenamen van Anneken Cornelisdr.
Tot de boedel behoren o.a.:
een huis op de Dwarskade [het Vlak] van de Nieuwe Haven, staande tussen de Hoge Nieuwstraat en het hierna volgende huis, in welk huis Anneken Cornelisdr. heeft gewoond en overleden is (kapitein Geerit van Allevrunden zegt, dat het huis bij codicil van zijn moeder aan hem is nagelaten, maar de executeurs zijn van mening, dat dat nog moet blijken),
een huis op de Dwarskade, staande tussen het eerder genoemde huis en dat van Gleijn Pietersz. Kool schipper, verhuurd aan Luijcas de Rouw, de schoonzoon van de overledene voor 66 gl. per jaar,
obligaties, schuldbrieven, huisraad, linnen en meubels,
schilderijen:
twee kleine portretten van prins Frederik Hendrik en zijn gemalin,
een groot portret van prins Frederik,
een schilderij van Maria Boodschap,
twee kleine landschappen,
een schilderij van Jeptha,

Pieter Lastman, Jefta en zijn dochter (1611)
een dito van Abraham,
“een geschildert staende waterken”,
vijf schilderijtjes “sijnde de vijf sinnen”,
het portret van kapitein Pieter Pietersz. van Allevrunden,
het wapen van idem,
een schilderij van Hans Worst de Moelicker,
twee ronde schilderijtjes voor de schoorsteen,
een vrouwstronie zonder lijst,
een portret van kapitein Pieter van Allevrunden “doen hij vrijer was”,
een schilderij van Petrus in de gevangenis,
een landschapje,
een schilderij van het Avondmaal,
een portret van Cornelis Geeritsz., de vader van de overledene,
een portret van de moeder van kapitein Pieter van Allevrunden,
een portret van prins Maurits,
een schilderij van Abrahams offer,
een portret van kapitein Pieter van Allevrunden,
zijn wapen, geschilderd op blik,
boeken:
17 boeken, groot en klein, in perkament, waaronder een grote bijbel in folio met koperen sloten, en het huisboek van Henricus Bullingerius [een Zwitserse theoloog, 1504-1575] in folio
een aantal kleine boekjes.
ONA Dordrecht inv. 179, f. 214: op 4 dec. 1659 comp. Isaack Dircxsz. wagenmaker en Geertgen Pietersdr., zijn vrouw, wonende in Zwijndrecht, en Janneken Broeders, de vrouw van Pieter Gera kalkmeter, wonende te Dordrecht. Zij verklaren op verzoek van kapitein Geerit Pietersdr. van Allevrunden, rekwirant, dat zij ongeveer drie weken eerder Marija Hermans en Lijsbeth Jans. haar “assistente” hebben horen zeggen, dat Luijcas de Rouw, de zwager van de rekwirant, tot twee of drie keer bij haar in Utrecht is geweest en haar aangespoord heeft om naar Dordrecht te komen “ende den requirant moste moeijelijck vallen totte alimentatie van het kint, t’welck … Marija Hermans voorgeeft dat den requirant aen haer verweckt soude hebben, vordere hantreijckinge te doen, dat hij mede daer toe soude helpen arbeijden ende de kosten, die daerover quamen te vallen, betaelen”. Isaack Dircxsz. alleen verklaart nog, dat De Rouw aan hem geld gegeven heeft met het verzoek, dat hij dat aan Marija Hermans zou overhandigen, hetwelk hij ook verklaar gedaan te hebben. Hij heeft ook De Rouw horen zeggen, dat hij alle onkosten, die “int beleggen van eenige attestatien” en wegens het salaris van de procureur zijn gemaakt, voor Marija Hermans betaald heeft.
ONA Dordrecht inv. 179, f. 215: op 4 dec. 1659 leggen Isaack Dircxsz. wagenmaker, wonende in Zwijndrecht, en Jenneken Broeders, de vrouw van Pieter Gera kalkmeter, wonende te Dordrecht, op verzoek van kapitein Geerit Pietersz. van Allevrunden, rekwirant, een verklaring af. Zij getuigen, dat ongeveer drie jaar tevoren Anneken Cornelisdr., inmiddels overleden, de moeder van de rekwirant “hem menichmael met harde woorden ende dreijgementen heeft aengeport, gedwongen en tegen sijnen wille … gepersuadeert, dat hij een procuratie soude passeren op sijn swager ende hem [Isaack Dircxsz.] … om met Marija Hermans af te maken seeckere questie, die deselve tegens den requirant moveerde, van dat sij bij hem swanger soude gaen, twelcke nochtans bij de requirant telckens wierde ontkent, die oock in presentie van haer attestanten veel swaere eeden heeft gedaen, dat hij daerinne onschuldich was, sulcx dat de voorsz. procuratie bij den requirant alleenlijck is [gepasseerd] geworden, om sijnne … moeder daerinne te believen ende gerust te stellen, alsoo deselve begeerde, ende niet anders seijde, als dat de saeck most afgemaeckt werden, het cost wat het mocht, op dat daerover geen moeijte off rechtspleginge soude geschieden”.
ONA Dordrecht inv. 179, f. 216: op 4 dec. 1659 leggen mr. Martinus van der Poel en zijn vrouw Marija Willemsdr., wonende te Dordrecht, op verzoek van kapitein Geerit Pietersz. van Allevrunden, rekwirant, een verklaring af. Zij getuigen, dat meer dan drie jaar tevoren enige tijd, nadat de rekwirant en zij attestanten met Marija Hermans, die toen boven in hun huis op een kamer woonde, in de keuken hebben zitten praten, zoals in zekere attestatie op 14 okt. 1656 door hen, attestanten, is verklaard, Marija Hermans met een bezemmaker, tegen de wil van haar ouders, ongeveer 14 dagen uit Dordrecht in Zeeland is geweest “wanneer deselve thuijs comende, van haere moeder oock dapper wiert bekeven ende uijtgemaeckt dewelcke tegen haer seijde jou hoer schaemt gij u niet, dat gij met een man soo lange vuijt blijft. Gelijck seeckere cleermakersgesel genaempt Wijnant … Marija Hermans naderhant op een voormiddach heeft van boven geroepen ende versocht uijt te gaen twelck sij oock dede, als wanneer deselve weder laet inden avont thuijs is gecomen, waerover haere moeder deselve oock hertelijck bekeeft [heeft] ende dese woorden gebruijckte jou vuijle hoer ende vercken, en andere bestraffinge meer”. Martinus van der Poel alleen verklaart, dat hij voorgaande zondag ten huize van procureur De Jager is ontboden, waar hij heen gegaan is en daar heeft aangetroffen Luijcas de Rou, de zwager van de rekwirant, en dat de daar aanwezigen hem, Van der Poel, vroegen, of hij “int’ faveur van … Marija Hermans oock ijet soude connen verclaren, seggende dat ten tijde den requirant tsijnen huijse hadt sitten praten noch wel wat anders gepasseert most wesen twelcke tot voordeel van … Marija Hermans soude strecken waer hij attesten tot antwoorde op gaff dat hij alleen tgene hij wiste ende gehoort hadde voor desen hadde geattesteert twelcke hij oock bereijt was met eede te stercken. Daer op Luijcas de Rouw seijde, soo gij tot haer voordeel ijets con verclaren men sal u voor uwe moeijten te vreden stellen, den Capiteijn is rijck genouch ende dese luijden sijn heel armelijck”. Van der Poels vrouw, Marija Willems, verklaart alleen, dat zij, toen Van Allevrunden bij haar in huis heeft zitten praten, zij aan Marija Hermans “teeckenen heeft gesien, dat sij niet swanger was”.
ONA Dordrecht inv. 179, f. 248: op 13 jan. 1660 legt Pieternella Aernouts, ongehuwde persoon, 20 jaar oud en wonende in Dordrecht, op verzoek van kapitein Geerit Pietersz. van Allevrunden een verklaring af. Zij getuigt, dat zij enige weken lang van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat “is behulpich geweest Marija de Land, Franse matresse [te Dordrecht] … om de kinderen aldaer comende het spelde wercken te onderwijsen. Gelijck sij attestante mette voorn. Marija de Landt acht dagen geweest is in’t huijs bij de selve vanden requirant gehuijrt, staende opten hoeck vande Hoogenieuwstraet, in welcke tijt sij … verscheijdene maelen gehoort heeft dat aende sijde van Luijcas de Rouw in desselfs keucken ende voorts naert voorhuijs met een tangh off ander ijser tegen de muijr is geschrapt off gerammelt ende geraas gemaeckt, waervan sij … ende voorsz. matresse met haer geselchap int eerste opkeecken maer daer nae so dickmaels hoorende, seijden het is weer daer naest te doen”. Verder verklaart Pieternella “dat sij noeijt ijet anders of eenich spoock int voorsz. huijs gehoort off gesien heeft”, en dat Van Allevrunden met een metselaar, timmerman, smid en glasmaker in het huis is geweest om het te laten repareren en het licht in het achterhuis groter te maken, waarbij zij, attestante, meestal aanwezig is geweest, maar nooit gehoord heeft, dat hij enige onbetamelijke woorden of manieren gesproken of gebruikt heeft tegen haar, Marija de Land of iemand anders, “alhoewel tzelve [hem] … wert naergegeven soo sij attestante berciht is”. Op de laatste dag, dat zij ’s morgens in het huis is gekomen om de kinderen te onderwijzen, heeft Marija de Land tegen haar gezegd “ick wil hier in huijs niet langer woonen”, waarop zij, Pieternella, tegen haar gezegd heeft “hoe sult gijt’ dan metten Capiteijn maecken, daer heeft gij het huijs immers van gehuijrt”. Marija heeft daarop gezegd “wij sullen seggen dat het daer spoockt” en zij zijn toen ’s avonds verhuisd. Pieternella verklaart voorts, dat twee dagen, nadat zij verhuisd waren, Luijcas de Rouw bij hen is gekomen in de Vleeshouwerstraat, waar Marija is gaan wonen, en tegen haar en tegen Anna Maria de Qua, die bij haar inwoont, heeft gezegd “gaat naerden procureur De Jager, die is partije van den Capiteijn, die salder u wel door helpen”. Op de zondag daarna is Pieternella ontboden en gegaan naar het huis van Marija en heeft daar aangetroffen Marija zelf met Anna Marija de Qua en Luijcas de Rouw en heeft procureur De Jager haar gevraagd of zij gehoord of gezien heeft, dat het in het voornoemde huis spookte, waarop zij geantwoord heeft “neen”, maar dat zij wel aan de zijde van Luijcas de Rouw tegen de muur met een tang of ketting heeft horen rammelen.
ONA Dordrecht inv. 212, f. 159: op 11 mei 1672 passeert Aletta Pietersdr. van Allevrunden, weduwe van Lucas de Rouw, burgeres van Dordrecht, haar testament. Zij prelegateert aan haar jongste zoon Gerardus de Rouw een somma van 1000 gl. en nog 100 gl. voor rouwkleding en een rouwmantel, aan haar zoon Cornelis de Rouw 400 gl., aan haar oudste zoon Pieter de Rouw 300 gl., en aan haar dochter Anna de Rouw 300 gl. Zij legateert aan de NG huisarmen te Dordrecht 50 gl. Tot erfgenamen van al haar overige goederen benoemt zij haar vijf kinderen Pieter, Stephanus, Cornelis, Gerardus en Anna de Rouw, of bij vooroverlijden hun nakomelingen. Haar oudste zoon zal van zijn erfdeel alleen het vruchtgebruik hebben, totdat haar jongste zoon meerderjarig wordt of gaat trouwen. Haar jongste zoon moet dan door zijn oudste broer van het erfdeel, dat gekomen is van zijn tante Margrita de Rouw, dat hij, haar oudste zoon, onder zich heeft, zijn voldaan, of eerder, mits hij zijn jongste broer “behoorlijck ende suffisantelijck daer van verzekerd”. Haar erfgenamen mogen uit haar inboedel en huisraad zodanige goederen overnemen, als hun goeddunken zal, mits zij de waarde ervan aan haar boedel zullen voldoen. Zij wenst, dat de na te noemen voogd aan haar zoon Gerardus, als hij “sijn proeft quame te doen”, zoveel zal uitreiken, als hij nodig zal hebben. Tot executeur-testamentair en voogd benoemt zij haar goede bekende “vrint” Johannes Melanen, notaris te Dordrecht.
ONA Dordrecht inv. 213, f. 207: op 2 dec. 1673 verklaart Aletta van Allevrunden, weduwe van Lucas de Rouw, wonende te Dordrecht, dat zij in het testament van haar zoon Gerardus de Rouw tot zijn enige erfgenaam is benoemd en tevens als erfgenaam van de 700 gl., die hij heeft geërfd van zijn tante Margrita de Rouw, de vrouw van Jan Palm. Die somma van 700 gl. werd beheerd door haar zoon Pieter de Rouw, koopman te Vlissingen, die tot verzekering ervan een schepenenschuldbrief heeft gepasseerd van 100 Vlaamse ponden, verzekerd op zijn huis in de Nieuwstraat te Vlissingen, in welk huis hij woont. De comparante zal die schuldbrief vervolgens royeren.
ONA Dordrecht inv. 214, f. 216: op 25 juli 1674 testeert Aletta Pietersdr. van Allevrunden, weduwe van Lucas de Rouw, burgeres van Dordrecht. Zij legateert aan de NG huisarmen van Dordrecht een bedrag van 50 gl. Tot haar erfgenamen benoemt zij haar kinderen Pieter, Anna, Stephanus en Cornelis de Rouw of bij vooroverlijden hun nakomelingen. Haar kinderen mogen na haar overlijden zodanige goederen uit haar inboedel en huisraad aannemen als hun gelieven zal, mits zij de waarde ervan in haar boedel zullen inbrengen. Tot executeur van haar testament benoemt zij Johannes Melanen, notaris te Dordrecht, en tot voogden over haar kindskinderen hun resp. ouders.
ONA Dordrecht inv. 217, f. 283: op 9 aug. 1677 testeert Aletta Pietersdr. van Allevrunden, weduwe van Lucas de Rouw, burgeres van Dordrecht. Zij legateert aan de NG huisarmen van Dordrecht een somma van 50 gl. Tot haar erfgenamen benoemt zij haar kinderen Pieter, Anna, Stephanus en Cornelis de Rouw of bij vooroverlijden hun nakomelingen. Als executeurs van haar testament stelt zij aan Pieter en Stephanus de Rouw, haar zoons, en bij overlijden van een van beiden haar jongste zoon Cornelis de Rouw.
ONA Dordrecht inv. 189, f. 221: op 19 febr. 1683 testeert Aletta van Allevrunden, weduwe van Luijcas de Rouw, burgeres van Dordrecht. Zij verklaart, dat zij haar dochter Anna de Rouw ,”soo ten opsichte dat deselve haer vander jeucht aff tot nu toe, rebel[s] ende ongehoorsaem jegens haer testatrice heeft gedragen”, als om andere gewichtige redenen, tot haar erfgenaam benoemt in slechts de “bloote” legitieme portie. Zij legateert aan de NG huisarmen van Dordrecht een somma van 50 gl. Tot erfgenamen benoemt zij haar zoons Pieter en Stephanus de Rouw of bij vooroverlijden hun kinderen. Zij benoemt hen ook tot executeurs van haar testament en tot voogden van haar minderjarige erfgenamen of bij vooroverlijden de langstlevende van hen beiden.
ORA Dordrecht inv. 1633, f. 21v: op 21 april 1691 verkoopt Aletta Allevrunden, weduwe van Lucas de Rouw, burgeres van Dordrecht, voor 800 gl. aan Pieter Gelijnsz. Cool, schipper en burger van Dordrecht, een huis op de Dwarskade [Vlak], staande tussen het huis van kapitein Gerard Allevrunden en dat van Nicolaas Cool. Waarborg: haar zoon Stephanus de Rouw, stadschirurgijn te ‘s-Gravenhage.
Kinderen:
e-1. Pieter de Rouw gedoopt NG Dordrecht jan. 1635, koopman te Vlissingen
ONA Dordrecht inv. 335, f. 284: op 19 okt. 1671 verklaart Pieter de Rouw, wonende te Vlissingen, voor zichzelf en als voogd over zijn minderjarige broer Gerardus de Rouw, kinderen van wijlen Lucas de Rouw en mede-erfgenamen voor een vijfde in een derde part van hun tante Margarita de Rouw, dat Johannes Melanen en Jacobus van Hoochstraeten, als executeurs van het testament van Margarita de Rouw, op 12 sept. 1671 rekening hebben gedaan van de goederen, die door Margarita de Rouw zijn nagelaten. Daarbij is gebleken, dat zij 10.537 gl. 1 st. en 8 penn. meer hebben ontvangen dan uitgegeven, “sijnde voor de staeck van hem comparant”, zijn broers en zuster 3512 gl. 7 st. en voor hem en zijn minderjarige broer elk 702 gl. 9 st.
28 jan. 1687: attestatie gegeven aan Pieter de Rouw, gewoond hebbende in het Torenstraatje, vertrokken naar Vlissingen.
e-2. Stephanus de Rouw, geboren naar schatting ca. 1636, stadschirurgijn te ‘s-Gravenhage
ONA Dordrecht inv. 335, f. 282: op 16 okt. 1671 verklaart Stephanus de Rouw, chirurgijn te ‘s-Gravenhage, zoon van Lucas de Rouw, dat hij van de executeurs van het testament van zijn tante Margarita de Rouw ontvangen heeft zijn erfportie in haar nalatenschap, bedragende 702 gl. 9 st.
e-3. Cornelis de Rouw, geboren naar schatting ca. 1640
e-4. Anna de Rouw, geboren naar schatting ca. 1641, jonge dochter van Breda wonende op de Nieuwe Haven (1661), trouwde NG Dordrecht/Puttershoek 18 sept./16 okt. 1661 (NB: moeten voor hun huwelijk voor de kerkenraad verschijnen) Pieter Cornelisz. van Someren, jongman van Dordrecht wonende bij het stadhuis (1661), notaris
ONA Dordrecht inv. 335, f. 243: op 12 sept. 1671 comp. Pieter van Someren, als man van Anna de Rouw, en Cornelis de Rouw, kinderen van wijlen Lucas de Rouw en mede-erfgenamen, elk voor een vijfde in een derde part in de nalatenschap van hun tante Margarita de Rouw. Zij verklaren, dat Johannes Melanen en Jacobus van Hoochstraeten, als executeurs van het testament van Margarita de Rouw, op 12 sept. 1671 rekening hebben gedaan van de goederen, die door Margarita de Rouw zijn nagelaten. Daarbij is gebleken, dat de executeurs-testamentair 10.537 gl. 1 st. en 8 penn. meer hebben ontvangen dan uitgegeven. Zij hebben van hen derhalve elk als hun erfportie ontvangen een bedrag van 702 gl. 9 st.
ONA Dordrecht inv. 212, f. 8: op 13 jan. 1672 testeren Pieter van Someren en zijn vrouw Anna de Rouw, wonende te Dordrecht, hij ziek in een stoel bij het vuur zittende, zij gezond. Zij benoemen tot hun erfgenaam en voogd over hun minderjarige erfgenamen de langstlevende van hen beiden, die gehouden zal zijn hun kinderen te onderhouden tot hun mondigheid of huwelijk en hun dan een somma van 6 gl. uit te keren. Zij verbieden hun erfgenamen ab intestato zich te bemoeien met hun nalatenschap.
ONA Dordrecht inv. 307, f. 224: op 1 dec. 1676 legt Paulus Warijn, verver en burger van Dordrecht, ongeveer 55 jaar oud, op verzoek van Pieter van Someren en diens vrouw Anna de Rou, burgers van Dordrecht, een verklaring af. Hij getuigt, dat hij op 15 nov. 1676 verzocht is te komen naar de woning van Pieter Vinck, die inmiddels is overleden en koopman en burger van Dordrecht was. Gekomen zijnde op de bovenvoorkamer van het huis, waar Pieter Vinck ziek in bed lag, heeft hij notaris Gijsbert de Jager het testament van Vinck zien schrijven. Hij en Abraham Heijblom, die daar mede aanwezig was, hebben daar voor het vuur gezeten tot notaris De Jager klaar met schrijven was. De notaris heeft vervolgens aan Vinck het testament voorgelezen en Vinck heeft het samen met Warijn, Heijblom en de notaris ondertekend.
e-5. Gerardus de Rouw, gedoopt NG Dordrecht 28 okt. 1652, overleden tussen 4 mrt. 1673 en 2 dec. 1673
ONA Dordrecht inv. 213, f. 22: op 4 mrt. 1673 testeert Gerardus de Rouw, ongehuwde persoon, wonende in ‘s-Gravenhage. Hij legateert aan Pieter en Cornelis de Rouw, zijn broers, en Anna de Rouw, zijn zuster, al zijn kleren. Tot erfgenaam van zijn overige na te laten goederen benoemt hij zijn moeder Aletta van Allevrunden, weduwe van Lucas de Rouw.
f. Sara Stevensdr. de Rouw, geboren naar schatting ca. 1610, jonge dochter van Dordrecht wonende in de Spuistraat (1632), trouwde NG Dordrecht 3/24 okt. 1632 (proclamatie Terheijden) Johannes Leuwius, jongman van Leiden (1632), predikant in Terheijden
g. Joannes, juni 1616
II. Anthonij (Thonis, Teunis)) Stevensz. de Rouw, gedoopt NG Dordrecht april 1605, jongman van Dordrecht wonende in de Spuistraat (1628), weduwnaar van Dordrecht wonende in de Breestraat (1635), grofsmid, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 29 jan. 1659 (een baar op de Elfhuizen voor Tuenis de Rouij), trouwde 1e NG Dordrecht 9/25 april 1628 Catelijntien Teerlinck Jorisdr., van Dordrecht wonende bij de Tolbrug (1628), 2e NG Dordrecht 9 sept. /2 okt. 1635 Neeltje Florisdr. de Haen, jonge dochter van Dordrecht wonende achter de Heer Heymansuysstraat (1635)
ONA Dordrecht inv. 335, f. 241: op 12 sept. 1671 comp. Stephanus en Floris de Rouw, burgers van Dordrecht, voor zichzelf en als voogden over Willemina de Rouw, alsmede Abraham de Rouw, wonende in Gouda, en Heiltgen de Rouw, meerderjarige persoon, kinderen van wijlen Anthonij de Rouw, en erfgenamen, elk voor [een vijfde in] een derde part erfgenamen in de nalatenschap van hun tante Margarita de Rouw. Zij verklaren ontvangen te hebben van de executeurs van haar testament elk hun erfportie, bedragende 702 gl. 9st.
ORA Dordrecht inv. 1625, f. 97v: op 23 mei 1676 verkoopt Cornelia Floris, weduwe van Anthonij de Rouw, burgeres van Dordrecht, voor 1600 gl. aan Jan Dircxsz. van de Bergh, mr. kuiper en burger van Dordrecht, een huis in de Elfhuizen, staande tussen het huis van Abigael Thomas en dat van Lambert Labeen.
Kinderen (allen NG gedoopt in Dordrecht):
Ex 1:
a. Steven Anthonisz. de Rouw, febr. 1629, volgt IIIa
Ex 2:
b. Floris Anthonisz. de Rouw, juli 1636, volgt IIIb
c. Willem, april 1638
d. Cornelis de Rouw, mei 1640
e. Heijltgen de Rouw, geboren naar schatting ca. 1645
f. Abraham de Rouw, 1 mrt. 1646, jongman van Dordrecht wonende in Gouda (1671), zeilmaker, trouwde NG Dordrecht 2 febr. 1671 (ondertrouw, op 19 april 1671 attestatie gegeven om te mogen trouwen in Gouda en Haarlem) Aletta Blanckerts, jonge dochter van Gouda wonende ald. (1671)
ONA Dordrecht inv. 332, f. 330: op 28 nov. 1668 comp. Martijntgen Fransdr., stadsvroedvrouw te Dordrecht, Abigael Gillis, de vrouw van Johannes Chijs, en Lijntgen Oliviers, weduwe van Roelant Lacroij. Zij verklaren op verzoek van Anneken Thomas, ongehuwde persoon, dat zij op 20 nov. 1668 des nachts om een uur “onder andere vrouwspersoonen sijn geweest inden arbeidt van de req[uiran]te., als wanneer de eerste attestante de reqte. heeft afgevraecht wie vader van haer kint was, daerop de reqte. in barens noot vader van haer … kint heeft verklaert eenen Abraham de Rouw ende dat sij noijt ijmant anders vleeschelijck heeft bekent gehadt als de voorsz. Abraham de Rouw”.
g. Willemina de Rouw, geboren naar schatting ca. 1650
IIIa. Steven Anthonisz. de Rouw, febr. 1629, jongman van Dordrecht wonende bij de Spuipoort (1651), zilversmid, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 16 aug. 1702 (Stephanus de Rou, buiten op de Noordendijk), trouwde NG Dordrecht 17 sept. 1651 Barbara van Buijtendijck, gedoopt NG Dordrecht mrt. 1627, jonge dochter van Dordrecht wonende in de Nieuwstraat (1651), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 19 okt. 1677 (een baar in de Hofstraat voor de vrouw van Steven de Rouw zilversmid), dochter van ds. Gosuinus Buijtendijck en Juliana Beeck
ONA Dordrecht inv. 181, f. 60: op 27 mrt. 1665 comp. ds. Petrus van Buijtendijck, predikant in Nieuw-Beijerland, Isaack van Buijtendijck, Anna van Buijtendijck, de vrouw van Gooswinus van Stuijvenberch, commissaris van de recherche te Rotterdam, als procuratie hebbende van haar man, Johannes Verhagen, als man van Elisabeth van Buijtendijck, en mr. Geeraert Palm, als man van Deliana van Buijtendijck, samen kinderen een erfgenamen van ds. Gooswinus van Buijtendijck en Juliana Beeck. De comparanten verlenen procuratie aan Stephanus de Rouw, hun zwager, om de goederen van hun ouders, die nog onverdeeld zijn gebleven, te “redderen ende benefitieren”, te betalen uit hun erfportie het onderhoud van hun tante Anthonetta Beeck, te verkopen de dijken, die nog onverkocht zijn, te verkopen etc. Zij ontslaan tevens hun broer resp. zwager Abraham van Buijtendijck van hetgeen zij aan hem opgedragen hebben.
ORA Dordrecht inv. 1623, f. 33: op 7 juni 1670 verkopen Stephanus de Rouw, Silversmith Borger deser Stede, als getrouwt hebbende Berbara van Buijtendijck, Johannes Verhaegh veruwer als getrout hebbende Elijsabeth van Buijtendijck voor hun selven, Item noch haer sterckmakende voor Do. Pertius van Buijtendijck, Bedienaer des Goddel. Woorts in Nieuwbeijerlant, Abraham van Buijtendijck, en(de) IJsack van Buijtendijck uijtlandigh, mitsgrs. Gooswinus van Stuijvenbergh, Commijs vande Convoijen en Licenten tot Rotterdam in Echte hebbende Anna van Buijtendijck, alsmede noch voor mr. Gerard Palm Chirurgijn wonen(de) tot Dircxlant als getrouwt hebbe(de) Deliana van Buijtendijck, t’samen kinderen, ende Erffgen. van za.r Do. Gooswinus van Buijtendijck in leven Bedienaer des Goddel. Woorts” te Dordrecht, voor 4000 gl. aan mr. Pompeus Berck Dirksz., achtraad van Dordrecht, een huis in de Nieuwstraat, staande tussen de Latijnse School en het huis van Isaack van den Brande.
ONA Dordrecht inv. 274, f. 151: op 6 nov. 1672 verklaren Stephanus de Rouw zilversmid en zijn vrouw Barbara van Buijtendijck, burgers van Dordrecht, beiden ziek in bed liggende, dat zij elkaar tot voogd over hun minderjarige kinderen benoemen.
ORA Dordrecht inv. 1781, f. 73v: op 21 april 1701 verkoopt Jan de Bets, notaris te Dordrecht, als curator van de insolvente boedel van Arij Lammertsz. de Jager, voor 160 gl. aan Stephanus de Rouw, zilversmid en burger van Dordrecht, een “Huijsinge of woninge ende erve, staande en gelegen op den Noordendijck buijten dese Stad, ontrent de Saaghmolen van Gillis Francken bewoont sijnde door Johanna Buijs, wed.e van(de) voorn. Arij Lammertse, sijnde het eerste vande Stad, op de Merwede gront, welcke Huijsinge door Maria de Rou Huijsv. van Corn. van(de) Cooij, voor den voorn.e Stephanus d’Rou hare vader in Coope aangestaan volgens Confirmatie van(de) selve hier mede Comparerende”
Kinderen (o.a.; allen NG gedoopt in Dordrecht):
a. Gosuinus, 8 april 1651
b. Stephanus, 1 aug. 1653
c. Anthonius, 10 mei 1656
d. Juliana, 26 april 1658
e. Johannes, 10 nov. 1659
f. Catrina, 24 mrt. 1662
g. Marijke, 13 juni 1664
h. Johanna, 13 nov. 1665
i. Helena Margaretha de Rouw, 27 april 1669, van Dordrecht wonende in de Steenstraat (1688), weduwe van Dordrecht wonende op de Nieuwbrug (1695), trouwde 1e NG Dordrecht 20 juni/6 juli 1688 Johannes de Haan, jongman van Dordrecht wonende in de Steenstraat (1688), twijndersgezel, 2e Gerecht/NG Dordrecht 13/27 mrt. 1695 (de bruidegom geassisteerd met zijn neef Pieter Nunnickhoven) Francois Nunnickhoven, jongman van Dinslaken wonende in de Heer Heymansuisstraat (1695)
Kinderen (o.a.):
Ex 1:
i-1. Geertruij, gedoopt NG Dordrecht 3 sept. 1691
i-2. Barbara, gedoopt NG Dordrecht 15 dec. 1692
Ex 2:
i-3. Engeltje, gedoopt NG Dordrecht 26 mrt. 1696
j. Anna Marij de Rouw, 25 mei 1671, jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Vismarkt (1687), weduwe van Dordrecht (1693), trouwde 1e NG Dordrecht/Papendrecht 24 aug./14 sept. 1687 Reijnier Lambrechtsz., weduwnaar van Dordrecht wonende bij de Noordendijk (1687), houtvlotter, 2e Gerecht/NG Dordrecht 11 okt. 1693 (volgens attestatie van ondertrouw te Dubbeldam) Cornelis Stevensz. van der Cooij, jongman van Dubbeldam (1693)
Kinderen:
j-1. Stephanus, gedoopt NG Dordrecht 4 juli 1694
j-2. Anthonij, gedoopt NG Dordrecht 4 jan. 1696
j-3. Gosuinus, gedoopt NG Dordrecht 21 juni 1698
j-3. Johanna, gedoopt NG Dordrecht 3 dec. 1706
IIIb. Floris Anthonisz. de Rouw, gedoopt NG Dordrecht juli 1636, jongman van Dordrecht wonende bij de Spuipoort (1660), achtman van het Kuipersgilde te Dordrecht (ONA Dordrecht inv. 208, f. 28, verklaring dd 12 mrt. 1668), wijnkoper, wijntapper, herbergier, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 18 april 1688 (een baar voor Floris de Rou, herbergier in “de Gouden Molen” in de Hoge Nieuwstraat), trouwde NG Dordrecht 4/20 april 1660 Aeltgen Vinck, gedoopt NG Dordrecht jan. 1639, jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Vismarkt (1660), dochter van Adriaen Vinck en Pieternella Damast
ONA Dordrecht inv. 339, f. 62: op 11 mrt. 1675 comp. Floris de Rouw, als man van Aeltien Vinck, Maria, Elias, Huijbert en Brechie Vinck, broers en zusters en erfgenamen ab intestato van Jan Vinck, die ongeveer drie jaar eerder als onderkuiper op het schip “Saxenberch” van de kamer Amsterdam van de VOC naar Oost-Indië is gevaren en ok op dat schip is overleden, voor zichzelf en tevens vervangende hun broer Adriaen Vinck. Zij verlenen procuratie aan Jan de Haes, koopmansbode van Amsterdam op Dordrecht, om van de kamer Amsterdam van de VOC in ontvangst te nemen een somma van 271 gl. 12 st., die zij van de VOC tegoed hebben.
ORA Dordrecht inv. 1632, f. 27: op 17 mei 1689 verkopen Cornelis de Veer, Adriaen de Veer, Cornelis Brevoort, zoon van Marijken Ariens de Veer, en Jan Jansz. de Kelck, zoon van Cornelis de Veer, kinderen en kleinkinderen van Aeltgen Cornelis de Haen, weduwe van Adriaen Cornelisz. de Veer, voor zichzelf en tevens vervangende de overige kleinkinderen van Aeltgen Cornelisdr. de Haen, voor 380 gl. aan Aeltie Vinck, weduwe van Floris de Rouw, burgeres van Dordrecht, een huis in de Wijngaardstraat, staande tussen het huis van Frans van der Schaar en dat van Jacobus Hermens. Borg: mr. Pompejus Berck, burgemeester van Dordrecht.
ORA Dordrecht inv. 1633, f. 6: op 27 jan. 1691 verkopen Pieter Jansz. van der Clocq, mr. metselaar en burger van Dordrecht, en zijn halfzuster Anna van der Waert, weduwe van Nicolaas Blijenburgh, erfgenamen van Geerit Jansz. van der Waert, hun vader [sic], voor 200 gl. aan Aeltje Vinck, weduwe van Floris de Rou, een huis in de Kromme Elleboog, staande tussen het huis van Leendert Schift en dat van Annighje Davids.
Kinderen (o.a.; allen NG gedoopt in Dordrecht):
a. Anthoni, 7 mrt. 1661
b. Petronella de Rouw, 21 juli 1662, trouwde Jacob Kuijper
Kind:
b-1. Maria, gedoopt NG dordrecht 19 febr. 1696
c. Cornelia (Neeltje) de Rouw, 9 april 1664, trouwde Jacobus Caspersz. Lokemeijer, mr. huistimmerman
ORA Dordrecht inv. 1649, f. 28v: op 8 mei 1720 verkopen “mr. Hugo Eelbo Regeerende Borgermeester binnen dese Stad Raat en Rentmeester van des Graaffelijckhijts Domijnen etc als in houwelijck hebbende Vrouwe Rosetta Oudeman, kints kind van Vrouwe Rosetta Beljaart in haar leven wed.e wijlen de heer Willem Oudeman, ende Jacobus Caspersz Lokemijer mr. Huijstimmerman in Huwel. hebbende Cornelia de Rou dogter van Aaltie de Rou [Vinck], die Erfgen. was van haar broeder Elias Vink,” voor 900 gl. aan Adriaen Hordijck, burger van Dordrecht een huis in de Wijnstraat omtrent de Beurs, staande tussen het huis van Rudolph Remkes en dat van [NN] Middelkoop.
ORA Dordrecht inv. 1649, f. 74: op 14 jan. 1721 verkopen “Adriaan Papegaaij, Borger deser Stad, als last en procuratie hebbende van Cornelia de Rouw, wed.e van Jacobus Caspersz Lockemeijer in sijn leven mr: huijstimmerman binnen dese Stad als voor de eene helfte eijgenaresse van de naar te noeme huijs, volgens deselve procuratie gepasseert voor den nots: Jacob Beudt en sekere getuijgen binnen dese Stad, in dato 11e: decemb: 1720, Ca[s]par Lockemeijer voor zijn selve, mitsgaders nog Coenraad Lockemeijer ende den voors. Caspar Lockemijer als aangestelde voogden over Theunis en(de) Commerijna Lockemeijer, als nog deselve Coenraad ende Caspar Lockemeijer in qualitijt als last en procuratie hebbende van IJsaacq en Geertruijd de Laar, item van Francois, Beatrix, Trijntje, Casperijntje en Pieterjte vander Kevi, ende Johannes van Gelder in huwel. hebbende Judith Lockemeijer, volgens deselve procuratie voor den opgemelten Beudt als nots: gepasseert op den 15 decemb: 1720 Ende nog de voorn: Coenraad ende Caspar Lockemeijer als procuratie hebbende van Adriana Lockemeijer, ende Aalbert Christiaan Hoet als in huwel. hebbende Casparina Lockemeijer, beijde wonende in s’Hage, ende Anthonij vanden Velde Coopman tot Rotterdam sijnde de voors. procuratie gepasseert voor den nots: Pieter de Graaff IJsaackz en sekere getuijgen in s’Gravenhage in dato 26 decemb. 1720 respective ons Schepenen vertoond, te zamen Erfgenamen ex testamento van de Sr: Jacobus Casperz: Lockemeijer, henluijden Oom en behoud oom resp.:e voor de andere helft”, voor 445 gl. aan Anna van Ringen, die door haar broer Cornelis van Ringen tot koopster is benoemd, een huis in de Torenstraat, staande tussen het Pompstraatje en het huis van Frans Faddregom.
ORA Dordrecht inv. 1649, f. 75: op 14 jan. 1721 verkopen “Adriaan Papegaaij, Borger deser Stad, als last en procuratie hebbende van Cornelia de Rouw, wed.e van Jacobus Caspersz Lockemeijer in sijn leven mr: huijstimmerman binnen dese Stad als voor de eene helfte eijgenaresse van de naar te noeme huijs, volgens deselve procuratie gepasseert voor den nots: Jacob Beudt en sekere getuijgen binnen dese Stad, in dato 11e: decemb: 1720, Ca(s)par Lockemeijer voor zijn selve, mitsgaders nog Coenraad Lockemeijer ende den voors. Caspar Lockemijer als aangestelde voogden over Theunis en(de) Commerijna Lockemeijer, als nog deselve Coenraad ende Caspar Lockemeijer in qualitijt als last en procuratie hebbende van IJsaacq en Geertruijd de Laar, itam van Francois, Beatrix, Trijntje, Casperijntje en Pieterjte vander Kevi, ende Johannes van Gelder in huwel. hebbende Judith Lockemeijer, volgens deselve procuratie voor den opgemelten Beudt als nots: gepasseert op den 15 decemb: 1720 Ende nog de voorn: Coenraad ende Caspar Lockemeijer als procuratie hebbende van Adriana Lockemeijer, ende Aalbert Christiaan Hoet als in huwel. hebbende Casparina Lockemeijer, beijde wonende in s’Hage, ende Anthonij vanden Velde Coopman tot Rotterdam sijnde de voors. procuratie gepasseert voor den nots: Pieter de Graaff IJsaackz en sekere getuijgen in s’Gravenhage in dato 26 decemb. 1720 respective ons Schepenen vertoond, te zamen Erfgenamen ex testamento van de Sr: Jacobus Casperz: Lockemeijer, henluijden Oom en behoud oom resp.:e voor de andere helft”, voor 300 gl. aan Geurt Gildhuijsen een huis in de Torenstraat, staande tussen het huis van Jacob ’t Hooft en de gang van de houtkoper Francois Dura.
ORA Dordrecht inv. 1649, f. 75v: op 14 jan. 1721 verkopen “Adriaan Papegaaij, Borger deser Stad, als last en procuratie hebbende van Cornelia de Rouw, wed.e van Jacobus Caspersz Lockemeijer in sijn leven mr: huijstimmerman binnen dese Stad als voor de eene helfte eijgenaresse van de naar te noeme huijs, volgens deselve procuratie gepasseert voor den nots: Jacob Beudt en sekere getuijgen binnen dese Stad, in dato 11e: decemb: 1720, Ca(s)par Lockemeijer voor zijn selve, mitsgaders nog Coenraad Lockemeijer ende den voors. Caspar Lockemijer als aangestelde voogden over Theunis en(de) Commerijna Lockemeijer, als nog deselve Coenraad ende Caspar Lockemeijer in qualitijt als last en procuratie hebbende van IJsaacq en Geertruijd de Laar, itam van Francois, Beatrix, Trijntje, Casperijntje en Pieterjte vander Kevi, ende Johannes van Gelder in huwel. hebbende Judith Lockemeijer, volgens deselve procuratie voor den opgemelten Beudt als nots: gepasseert op den 15 decemb: 1720 Ende nog de voorn: Coenraad ende Caspar Lockemeijer als procuratie hebbende van Adriana Lockemeijer, ende Aalbert Christiaan Hoet als in huwel. hebbende Casparina Lockemeijer, beijde wonende in s’Hage, ende Anthonij vanden Velde Coopman tot Rotterdam sijnde de voors. procuratie gepasseert voor den nots: Pieter de Graaff IJsaackz en sekere getuijgen in s’Gravenhage in dato 26 decemb. 1720 respective ons Schepenen vertoond, te zamen Erfgenamen ex testamento van de Sr: Jacobus Casperz: Lockemeijer, henluijden Oom en behoud oom resp.:e voor de andere helft”, voor 150 gl. aan Jan van de Broek een huis in de Kromme Elleboog, staande tussen het huis van Johannes de Vries en dat van Abram Camerling.
ORA Dordrecht inv. 1649, f. 167v: op 21 juli 1722 verkoopt Jacobus de Bruijn, burger van Dordrecht, voor 758 gl. aan Cornelia de Rouw, weduwe Lokemeijer, een huis in de Kolfstraat, staande tussen het huis van de erfgenamen van mevrouw Van Suijtlant en dat van mevrouw Van de Burg.
ORA Dordrecht inv. 1650, f. 226v: op 5 april 1726 verkoopt Adriaan Papegaaij, burger van Dordrecht, als procuratie hebbende van Cornelia de Rouw, weduwe van Jacobus Lokemijer, burger van Dordrecht, voor 550 gl. aan Arij van der Hoek en Jacob van Wort een huis in de Hofstraat, staande tussen het huis van Johan van der Burch en dat van mevr. Piepers [Margareta Repelaar, weduwe van Gerhard Piper]
ORA Dordrecht inv. 1653, f. 73v: op 4 nov. 1732 verkoopt Cornelia de Rouw, weduwe van Jacobus Caspersz. Lokemijer, wonende te Dordrecht, voor 1300 gl. aan Johannes van Den Bosch, mr. bakker en burger van Dordrecht, een huis in de Voorstraat bij het Nieuwpoortje aan de zuidzijde, staande tussen het huis van Jan van der Linden en dat van Sixtus Staalsmit. De koper is schuldig aan de verkoopster een somma van 900 gl.
d. Adriaen, 25 juni 1667
e. Adriana, 30 juni 1669