Boef

Literatuur:

Genealogie van de familie Boeff uit Dordrecht, in genealogicus.nl

I. Jan Cuijter, overleden ca. 1606 (voor 8 april 1607), trouwde Maijken Adriaensdr. Boeff, geboren naar schatting ca. 1585, dochter van Adriaen Willemsz. Bouff, waard in “de Engel” op de Riedijk, en NN, trouwde 2e NG Dordrecht 8/22 april 1607 Jan Joppen, schipper van Dordrecht (1607)

ONA Dordrecht inv. 9, f. 123: op 1 juli 1611 testeren Adriaen Willemsz. Bouff en zijn vrouw Mariken Pietersdr., burgers van Dordrecht. Zij prelegateren aan zijn zoon Lenaert Adriaensz. een bedrag van 300 gl. en aan de huisarmen te Dordrecht een bedrag van 6 gl. De testateur benoemt tot zijn erfgenamen zijn vrouw en zijn drie kinderen, genaamd Lenaert, Marijken en Pieterken Adriaens. De testatrice benoemt tot haar erfgenaam haar man, op voorwaarde, dat die aan haar erfgenamen ab intestato een bedrag van 50 gl. zal uitkeren.

ONA Dordrecht inv. 15, f. 346: op 16 mei 1614 testeren Adriaen Willemsz. Bouff, waard in “de Engel” op de Riedijk, en zijn vrouw Janneken Mercelisdr. Zij herroepen hun huwelijkse voorwaarden, die zij hebben gepasseerd voor notaris W. van den Brouck te Dordrecht op 17 jan. 1612. Zij legateren aan de huisarmen te Dordrecht een bedrag van 24 gl. Aan zijn voorzoon Lenaert Willemsz. moet uitgekeerd worden de somma van 300 gl., die aan hem is gelegateerd door de testateur en zijn vorige vrouw Mariken Pietersdr. in hun testament van 1 juli 1611. Hij wenst, dat zijn vrouw uit hun gemeenschappelijke boedel zal krijgen al haar kleren en juwelen van goud en zilver. Hij legateert aan zijn voorzoon Lenaert Willemsz. wegens zijn “vermincktheijt” een bedrag van 200 gl. Tot erfgenamen van al zijn overige goederen benoemt hij zijn vrouw Janneken Mercelisdr. en zijn voorkinderen, Lenaert, Mariken en Pieterken. De testatrice verklaart in de wederhelft van hun gemeenschappelijke boedel tot haar erfgenaam t benoemen haar man, Adriaen Willemsz. Bouff, op voorwaarde, dat hij na haar overlijden aan haar erfgenamen ab intestato zal uitreiken een somma van 200 gl. en al haar kleren, gouden ringen en juwelen.

ONA Dordrecht inv. 60, f. 475: op 17 dec. 1641 verklaren Jan Joppen, als man van Marijken Arijensdr., en Mathijs Cornelisz., als man van Pieterken Arijensdr., beiden burgers van Dordrecht, als erfgenamen ab intestato van Leendert Arijensz. Boeff, hun zwager, dat zij onderling verdeeld hebben de goederen, die hen voor hun “portie ende aendeel inde scheijdinge … jegens de weduwe van [Leendert] … eenichsins te beur[t]e gevallen” waren. Daarbij is Jan Joppen toebedeeld het huis, waarin Leendert overleden is, staande in de Torenstraat en achter uitkomende op het Nieuwkerkhof, belend aan de ene zijde door het huis van Jan Adriaensz. timmerman en het huis van de overledene aan de andere.

Kinderen:

a. Adriaen Jansz. Bouff alias Cuijter, volgt II

II. Adriaen Jansz. Bouff, alias Cuijter, geboren ca. 1605 (ONA Dordrecht inv. 62, f. 559v, akte dd 21 sept. 1648), jongman van Dordrecht wonende op de Riedijk in “de Engel” (1629), schrijnwerker, herbergier in “de Engel” op de Riedijk, trouwde NG Dordrecht 4/20 nov. 1629 Lijsbeth Wierick Gerritsdr., geboren naar schatting ca. 1605, van Waspik in de Langstraat wonende te Dordrecht voor het Bagijnhof (1629)

ONA Dordrecht inv. 72, f. 10: op 29 mrt. 1632 koopt Adriaen Jansz. Bouff, burger van Dordrecht, van Janneken Marchelisdr., weduwe van Govert Willemsz. Bijl, de helft van een huis op de Riedijk, staande tussen het huis “de Engel” en het huis “de Boterton”. De koper is eigenaar van de wederhelft van het huis.

ONA Dordrecht inv. 92, f. 204: op 12 nov. 1654 verklaart Marcelis Jansz. [Cuijter] *, schipper en burger van Dordrecht, als man Maeijken Otten van der Linde, ontvangen te hebben van zijn broer Adrijaen Jansz. Boeff, zijn [half]broer, als koper van een partij land in de Noordpolder onder Dubbeldam, toebehoord hebbende aan de boedel van wijlen Otto Cornelisz. van der Linde, zijn schoonvader een somma van 590 gl.

* Marcelis, zoon van Jan Joppen en Mariken Ariens (Boeff), gedoopt NG Dordrecht jan. 1618

NG trouwboek Dordrecht 26 mrt. 1645 (ondertrouw) Marcelis Jansz. jongman van Dordrecht schipper wonende in de Torenstraat en Maijken Otten jonge dochter van Dordrecht wonende buiten de Vriesepoort

ONA Dordrecht inv. 136, f. 411: inventaris dd 16 okt. 1657 van de goederen, die zijn nagelaten door Marcelis Jansz. en zijn vrouw Maijken Otten, [beiden overleden aan de pest, samen met hun vijf kinderen], gemaakt op verzoek van Job Jansz. Cuijter, Adriaen Jansz. Cuijter, Adriaentgen Arijens, de vrouw van Claes Otten, en de vrouw van Dirck Otten, als mede-erfgenamen van Marcelis en Maijken.

Tot de baten van de boedel behoren o.a.:

een huis in de Torenstraat, staande tussen het huis van Nicolaes Catmans en dat van Theunis Cornelisz. Oubutter,

schuldbrieven, een obligatie, meubels, huisraad en kleding,

een schilderij van een landschap

een schilderij met schepen in zee

een schilderij van een fontein

een schilderij met schepen bij een rots

de kleren van Willemijntgen Marcelis “laeste overledene dochter van voorsz. Marcelis Jansen, van weijnich importantie”

Lasten van de boedel (o.a.):

doodschuld van Marcelis en zijn vrouw, alsmede van hun vijf overleden kinderen, “als oock aen huijshoudinge van de schrobster” 171 gl.

betaald aan Jacob Obin, pestmeester, over verdiend arbeidsloon “aende Seven afgestorvene personen” 42 gl.

betaald aan Geertruijt de schoonmaakster over het reinigen van het huis, waarin de overledenen aan de pest gestorven zijn 6 gl. 10 st.

betaald aan de moeder van Marcelis Jansz. Cuijter “over dienst gedaen inde sieckte vande seven afgestorven persoonen” 25 gl.

betaald aan mr. Hendrick van der Thuijnen chirurgijn over meesterloon 14 gl. 10 st.

Totaal van de lasten: 2725 gl. 17 st. 10 penn.

Staat van de boedel van Marcelis Jansz. Cuijter en zijn vrouw Maijken Otten, gemaakt op 27 nov. 1657,

o.a.:

de koopsom van het huis in de Torenstraat 1080 gl.

contante penningen van het schip, dat is gekocht door Jacob Jansz. Cuijter 800 gl.

resteert van deze kooppenningen nog 818 gl. 6 st.

Totaal van de baten: 4831 gl. 16 st. 4 penn.

Daarvan afgetrokken de lasten ten bedrage van 2725 gl. 17 st. 10 penn.

Resteert: ruim 2105 gl., waarvan aan de erfgenamen van Marcelis Jansz.,nl. Job, Adriaen, Jacob, Adriaentgen en de gezamenlijke kinderen van Janneken Jans, toekomt de helft, t.w. 1052 gl. 19 st. 5 penn., ofwel aan elk 175 gl. 9 st. 14 penn. en aan de kinderen van Adriaen Jansz., nl. de vier mondige kinderen, Adriaentgen, Maijken, Wierick en Helena Adriaens, elk 25 gl. en de drie onmondige kinderen, Gerrit, Neeltje en Mathijs Adriaens, elk 25 gl., en aan de drie kinderen van Janneken Jans elk 58 gl. 9 st. 14 penn.

De wederhelft van de boedel voor de erfgenamen van Maijken Otten moet verdeeld worden onder Dirck Otten, Claes Otten en Job Jansz., als erfgenaam van Trijntgen Jobs, de dochter van Willemijntgen Otten, nl. voor elk 350 gl. 19 st. 12 penn.

Kinderen (o.a.; allen NG gedoopt in Dordrecht en overleden aan de pest in 1657):

a. Willemijntge, 31 jan. 1646

b. Jan, 10 jan. 1647

c. Trijnken, 30 nov. 1648

d. NN, geboren naar schatting ca. 1650

e. Maijken, 23 aug. 1655

ONA Dordrecht inv. 135, f. 416: op 28 sept. 1656 testeren Job Jansz. Cuijter #, schipper en zijn vrouw Dingentgen Arijensdr., burgers van Dordrecht. Hij legateert aan het kind, verwekt bij zijn eerste vrouw Willemijntgen Otten, een bedrag van 600 gl., makende samen met haar moederlijke goederen een bedrag van 800 gl. Van de interest van die 800 gl. moet de testatrice na zijn overlijden het voorkind onderhouden. De testatrice legateert aan haar kind, bij haar verwekt door haar eerste man Pieter Oubutter, onverminderd de portie van haar kind in de fideïcommissionaire goederen, die zijn gekomen uit de nalatenschap van Hadewij Jansz, een somma van 1000 gl., bovenop de vaderlijke goederen van het kind, die 400 gl. bedragen. De testateur moet na haar overlijden uit de interest van die 1400 gl. haar voorkind onderhouden. Tot erfgenaam van hun overige goederen benoemen zijn de langstlevende van hen beiden, die gehouden zal zijn hun beider kinderen te onderhouden tot hun mondigheid of huwelijk en, als zij gaan trouwen, hun onder hen allen een bedrag van 1400 gl. uit te keren. Tot voogden benoemen zij de langstlevende van hen beiden, alsmede Adriaen Jansz. Boeff en Jan Huibrechtsen de Baes, burgers van Dordrecht, resp. hun [half]broer en zwager.

ONA Dordrecht inv. 136, f. 424: op 27 nov. 1657 comp. Job Jansz. Cuijter #, Adriaen Jansz. Cuijter, Jacob Jansz. Cuijter, Willem Dircxsz. Stoop, als man van Adriaentgen Jansdr. Cuijter, Claes Otten, man van Adriaentgen Adriaensdr., Cornelis den Raven, als man van Maijken Adriaensdr., Wierick Adriaensz. en Johannes van Wageningen, als man van Helena Adriaensdr., alle vier mondige kinderen van Adriaen Jansz. Cuijter alias Boeff, en Dirck van Herwijnen, rentmeester van de Weeskamer, namens Gerrit, Neeltgen en Matthijs Adriaensz., alle drie onmondige kinderen van Adriaen Jansz. Cuijter, en nog namens de drie minderjarige kinderen van wijlen Janneken Jansdr. Cuijter, samen erfgenamen van Marcelis Jansz. Cuijter, voor de ene helft, en Dirck Otten, Claes Otten, en Job Jansz. Cuijter, allen erfgenamen van Trijntgen Jobs, enige dochter van Willemijntgen Otten, samen erfgenamen van Maijken Otten, in haar leven de vrouw van Marcelis Jansz. Cuijter, voor de andere helft. De comparanten verklaren, dat zij onderling de goederen, die Marcelis en zijn vrouw hebben nagelaten, verdeeld hebben.

ONA Dordrecht inv. 136, f. 521: op 11 dec. 1657 testeren Job Jansz. Cuijter schipper en zijn vrouw Dingentgen Arijensdr., burgers van Dordrecht. Als de testatrice voor haar man komt te overlijden, maakt zij aan haar voorzoon Cornelis Oubutter, bij haar verwekt door Pieter Oubutter, haar eerste man, een somma van 1000 gl., boven zijn aandeel in de fideïcommissionaire goederen, die zijn gekomen van Hadewij Jans, en boven de 400 gl., die hem toekomen wegens zijn vaderlijke goederen, samen bedragende 1400 gl. Uit die 1400 gl. moet haar man dan haar voorzoon alimenteren. Tot hun erfgenaam benoemen zij de langstlevende van hen beiden, op voorwaarde, dat die hun kinderen zal onderhouden tot hun mondigheid of huwelijk en als zij gaan trouwen hun onder hen allen een somma van 2200 gl .zal uitkeren. Als de testateur komt te overlijden voor zijn vrouw zonder kinderen na te laten, of indien hun kinderen zullen sterven voor hun mondigheid of huwelijk, moet zijn vrouw de genoemde somma van 2200 gl. uitreiken als volgt: aan zijn modere Maijken Ariens 200 gl. en de overige 2000 gl. aan zijn erfgenamen ab intestato, op voorwaarde, dat zijn moeder van de helft van die 2000 gl. haar leven lang het vruchtgebruik zal hebben. Als de testatrice voor haar man komt te overlijden zonder kinderen na te laten, of indien die kinderen zullen sterven voor hun mondigheid of huwelijk, zal hij gehouden zijn aan haar voorzoon of bij vooroverlijden zijn nakomelingen en haar erfgenamen ab intestato onder hen allen een bedrag van 1400 gl. uit te keren. Tot voogden over hun minderjarige voor- en nakinderen benoemen zij Adriaen Jansz. Cuijter en Willem Cornelisz. van Dijck, resp. hun broer en aangetrouwde neef.

# Job, zoon van Jan Joppen en Marijke Adriaens (Boeff), gedoopt NG Dordrecht mrt. 1613, trouwde 1e NG Dordrecht 8 febr. 1643 Willemijntje Otten, 2e NG Dordrecht 17 juni 1646 Digna Ariens

Kinderen (o.a.; allen NG gedoopt te Dordrecht):

Ex 1:

a. Trijntje Joppen, 22 febr. 1644

Ex 2:

b. Pieter, 9 juni 1652

c. Leendert, 2 juni 1655

d. Arien, 9 jan. 1658

e. Johannes, 9 juli 1660

ONA Dordrecht inv. 135, f. 345: op 21 aug. 1656 testeren Adriaen Jansz. Boeff, herbergier in “de Engel” op de Riedijk, en zijn vrouw Elisabeth Wiericks, burgers van Dordrecht. Zij legateren aan de NG huisarmen van Dordrecht een bedrag van 25 gl. Tot erfgenaam en voogd over hun minderjarige erfgenamen benoemen zij de langstlevende van hen beiden, die gehouden zal zijn hun minderjarige kinderen te onderhouden tot hun mondigheid of huwelijk en hun, als zij gaan trouwen, een uitzet te geven en bovendien aan elk uit te keren een somma van 500 gl., zoals zij ook aan hun getrouwde kinderen bij het aangaan van hun huwelijk hebben gegeven. Als de langstlevende echter gaat hertrouwen, moet hij of zij daarenboven aan hun kinderen onder hen allen een bedrag van 6000 gl. geven. Als de langstlevende komt te overlijden, moet uit diens goederen hun zoon Johannes wegens diens ziekte het vruchtgebruik van een somma van 3000 gl. krijgen. Hun dochter Adriaentgen Adriaens zal gedurende het leven van haar man Claes Otten de goederen, die zij van de langstlevende zal erven, niet mogen verkopen, belasten of vervreemden, maar daarvan alleen het vruchtgebruik hebben, welke goederen na haar overlijden dan moeten komen aan haar kinderen. Als Adriaentgen echter na Claes Otten komt te overlijden, mag zij naar haar believen met die goederen doen en zal het fideï-commis ophouden te bestaan.

ONA Dordrecht inv. 136, f. 251: op 1 aug. 1657 comp. Adriaen Jansz. Boeff, herbergier in “de Engel” op de Riedijk, en zijn vrouw Elisabeth Wiericx, burgers van Dordrecht, beiden lijdende aan de “Gave Godts” (de pest). Zij wensen, dat in plaats van het legaat aan de NG huisarmen van Dordrecht, gemaakt in hun vorige testament, aan zijn moeder Maijken Adriaens zal uitgekeerd worden een somma van 100 gl. Zij herroepen tevens het fideï-commis, dat zij in hun vorige hebben verbonden aan het erfdeel van hun dochter Adriaentgen Adriaens, getrouwd, met Claes Otten, met welk erfdeel zij mag doen wat zij wil. Tot voogden over hun minderjarige kinderen benoemen zij Job Jansz. Cuijter, Jan Wieriscxz. en Arent Barentsz., resp. hun [half]broer, neef en goede vriend.

ONA Dordrecht inv. 140, f. 25: op 12 jan. 1661 verklaart Elisabeth Wiericx, weduwe van Adriaen Jansz. Boeff, herbergierster in “de Engel” op de Riedijk. dat zij overgedragen heeft aan Roeloff Jansz. Olieslager, schoenmaker te Oosterhout, de man van haar nicht Truijken Stevens, haar erfportie in de goederen, die zijn nagelaten door Neeltgen Gerrits, de vrouw van Crijn Arijensz. Mes, slotenmaker, waarvoor zij door Roeloff volledig betaald is.

ONA Dordrecht inv. 228, f. 337: op 20 juni 1664 verklaart Elisabeth Wiericxdr., weduwe van Adriaen Jansz. Bouff, burgeres van Dordrecht, dat zij voor Claes Otten, de man van haar dochter Adriaentgen Bouff, als beschadigde borg heeft moeten betalen een aanzienlijke som gelds en voorts aan hem op 1 jan. 1662 heeft verstrekt, zowel aan geld als goederen, een bedrag van 660 gl., waarvan de interesten nog lopen, die zij aan hem heeft betaald. Zij verklaart voorts, dat haar dochter Maijcken Bouff, weduwe van Cornelis de Rave, al 8 1/2 jaar in huur bewoont een buiten de Vuilpoort, genaamd “den Orangien Boom”, waarvan zij, comparante, voor de helft eigenares is. Daarvoor zouden Maijcken en haar man hebben moeten betalen 85 gl. per jaar, maar zij, comparante, heeft daarvan nog tegoed een somma van 487 gl. 2 st. en 6 penn., waarvan moet worden afgetrokken hetgeen reeds aan huur en geleverde waren is betaald. Om onenigheid tussen haar kinderen te voorkomen heeft zij besloten aan haar zoon Wierick Bouff en zijn vrouw Elisabeth Teerlingh of bij vooroverlijden hun kinderen, aan haar zoon Geerit Bouff en zijn vrouw Maria Blonck of bij vooroverlijden hun kinderen, aan Johannis van Wageningen en zijn vrouw Helena Bouff, haar schoonzoon en dochter, of bij vooroverlijden hun kinderen, aan Cornelis Willemsz. Stoop en zijn vrouw Cornelia Bouff, haar schoonzoon en dochter of bij vooroverlijden hun kinderen, en aan Matthijs Bouff, haar ongehuwde zoon, en zijn eventuele echtgenote of bij vooroverlijden hun kinderen, elk een bedrag van 800 gl. te schenken, of zoveel meer of minder als Claes Otten en Maijcken Bouff bij het overlijden van haar, comparante, aan haar schuldig zullen blijken te zijn.

ONA Dordrecht inv. 229, f. 241: op 9 nov. 1665 testeert Lijsbeth Wiericxdr., weduwe van Adriaen Jansz. Bouff, burgeres van Dordrecht. Zij bevestigt de akte van schenking, die zij aan haar kinderen en kleinkinderen heeft gedaan ten overstaan van notaris G. de With in Dordrecht op 20 juni 1664, voor zover niet strijdig met hetgeen hierna volgt. Zij wenst, dat haar kleinkinderen of verdere nakomelingen van hetgeen zij in plaats van hun vader of moeder van haar zullen erven niet bij testament zullen mogen beschikken of die vervreemden, maar daarvan alleen tot hun mondigheid of huwelijk het vruchtgebruik zullen hebben. Tot executeurs-testamentair en voogden over haar minderjarige erfgenamen benoemt zij haar zoon Wierick Bouff wijnkoper en haar schoonzoon Johan van Wageningen.

ONA Dordrecht inv. 230, f. 338: op 2 mei 1668 verklaren Lijsbeth Wiericxdr., weduwe van Adriaen Bouff, burgeres van Dordrecht, 55 jaar oud [sic], herbergierster in “den Engel” aan de Riedijk, en Maria Blonck, de vrouw van Geerit Bouff, burgeres van Dordrecht, 29 jaar oud, op verzoek van Maria Le Grand, burgers van Utrecht, dat zij op 27 april 1668 “ter oorsaecke van seeckere scheltwoorden die daechs te vooren tegens d’voorsz. Lijsbeth Wiericx gebruijckt [zijn] bij eenen herbergier inde Prins [naam niet vermeld] aen de Riedijck”, zijn geweest bij de burgemeester van Dordrecht en dat genoemde herbergier in “de Prins” toen zei, dat Lijsbeth Wiericx in haar huis had een vrouwspersoon, die een hoer was en die in Utrecht in “de Swarten Arent” buiten de Wittevrouwenpoort haar huishouden had, waarmee hij bedoelde de rekwirante, die toen in “de Engel” was gelogeerd en dat hij bewijzen zou, dat zij “met verscheijde mans te doen hadde ende boeleerde”. Lijsbeth Wiericx verklaart nog alleen, dat zij de voornoemde herbergier de voorgaande vrijdag heeft horen zeggen, dat de rekwirante in Utrecht “uijtgebannen” was.

ONA Dordrecht inv. 230, f. 352: op 12 mei 1668 verklaren Elisabeth Wiericx, weduwe van Adriaen Bouff, en haar zoon Matthijs Bouff, burgers van Dordrecht, herberg houdende in “de Engel” aan de Riedijk, op verzoek van Maria Le Grand, wonende te Utrecht, dat de rekwirante op 19 april 1668 in hun herberg is gekomen en dat de volgende dag mede daar is gekomen Abraham Daelhuijsen, met wie de rekwirante getrouwd is geweest. De attestanten verklaren verder, dat Daelhuijsen “hem bij de requirante vervoegende, alle middelen van gewelt, dreijgementen, forcen, lasteringe en schelden gebruijkte omme haer t’ ontweldigen ende affhandich te maecken een mandeken met silverwerck ende ander goet dat de requirante bij haer hadde … soo verre oock dat hij … de requirante bij de keel vatten, ende soodanich presseerde dat zij getuijgen genoech te doen hadden haer t’ ontsetten”. Zij hebben toen besloten om de stadhouder van de schout, Adriaen Crillaerts, te laten halen. Crillaerts, die mede compareert, verklaart, dat Daelhuijsen zei, dat het zilverwerk en ander goed hem toebehoorde, maar dat de rekwirante daarentegen beweerde, dat het huwelijk tussen haar en Daelhuijsen ontbonden was “ofte wel datter was separatie van bijwooninge ende goederen, mitsgaders scheijdinge van bed ende tafel”, hetgeen Daelhuijsen ontkende. De stadhouder liet daarop de rekwirante naar Utrecht vertrekken om daar bewijzen van de scheiding te gaan halen, “houdende … Daelhuijsen opt versoeck vande requirante ten voorsz. huijse ondertusschen in gijselinge ende d’voorsz. goederen alvooren geïnventariseert te sijn in verseeckeringe”. Toen Maria Le Grand met de bewijzen van haar scheiding op 23 april weer in Dordrecht was aangekomen, heeft notaris Govert de With haar papieren, stukken en bewijzen onderzocht en aan Daelhuijsen voorgelezen “ende hem daer door van sijn notoir ongelijck” overtuigd. Daelhuisen heeft daarop beloofd rustig te zullen vertrekken en de rekwirante niet langer lastig te vallen.

Kinderen (allen NG gedoopt in Dordrecht):

a. Helena Bouff, geboren naar schatting ca. 1630, jonge dochter van Dordrecht wonende op de Riedijk (1655), begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 30 juni 1704 (begraven in de Nieuwkerk: Helena Boef, weduwe van Johan van Wageningen), trouwde NG Dordrecht 7 nov. 1655 Johannes Gerritsz. van Wageningen, gedoopt NG Dordrecht juli 1632, jongman van Dordrecht wonende bij de Nieuwkerk (1655), koster van de Nieuwkerk, munter, provoost en boekhouder van het Serment van de Munt van Holland, zoon van Gerrit Fransz. van Wageningen en Grietje Staesdr. van Kip (zie genealogie Van Wageningen op deze website)

ORA Dordrecht inv. 1628, f. 2: op 22 jan. 1681 verkoopt Johannes van Wageningen, koster van de Nieuwkerk, als man van Helena Bouff, [schoon]dochter en mede-erfgename van Grietje Staesdr., voor zichzelf en mede vervangende de overige erfgenamen van Grietje Staesdr., voor 400 gl. aan Pieter Verboom, twijnder en burger van Dordrecht, een huis in de Heer Heymansuysstraat, staande tussen het huis van Jan van Dalen en dat van Geerit Hendricxs. De koper is schuldig aan de verkoper een somma van 100 gl.

ORA Dordrecht inv. 1635, f. 12v: op 3 mrt. 1695 verkopen Pieter Gleijnsz. Cooll, schipper en burger van Dordrecht, en Helena Boeff, weduwe van Johannes van Wageningen, als erfgenamen van Margareta Staesdr. van Kipt, weduwe van Pieter Gleijnsz. Cool, voor 440 gl. aan Jacobus Engelen, schoolmeester te Dordrecht, een huis in de Mariënbornstraat, staande tussen het huis van Adriaen Wijnen en dat van Jan Foppen.

ORA Dordrecht inv. 1636, f. 169v: op 2 okt. 1698 verkoopt Abraham van Ratingen, “lakentrapier” wonende te Dordrecht, als procuratie hebbende van Jacob van Coeverden, wonende te Leiden, voor 450 gl. aan Helena Boeff, weduwe van Johannes van Wageningen, een huis in de Heer Heymansuysstraat, staande tussen de Wijngaardstraat en het huis van de koopster.

b. Ariaentgen Bouff, aug. 1630, jonge dochter van Dordrecht wonende op de Riedijk (1650), weduwe wonende op Zwijndrecht (1667), begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 8 sept. 1719 (Arjaentie Boeff, weduwe van Daniël Rijke, in de Twintighuizen), trouwde 1e NG Dordrecht 13 febr./2 mrt. 1650 Claes Otten Yrlant alias van der Linde, gedoopt NG Dordrecht mrt. 1628, jongman van Dordrecht wonende in de Torenstraat (1650), schipper, zoon van Ott Cornelisz. Irelandt, en Trijntgen Dircks, 2e NG Dordrecht/Zwijndrecht 18 sept./2 okt. 1667 (per schrijven van Zwijndrecht) Daniël Cornelisz. Rijcke alias van der Meerbergh, weduwnaar wonende in de Torenstraat (1667), trouwde 1e Lijsbeth Willems

ONA Dordrecht inv. 136, f. 275: op 13 aug. 1657 testeren Claes Otten, schipper, en zijn vrouw Adriaentgen Adriaensdr., wonende op Zwijndrecht, beiden ziek in bed liggende. Zij benoemen tot hun erfgenaam de langstlevende van hen beiden, die belooft hun kinderen te onderhouden tot hun mondigheid of huwelijk en als zij gaan trouwen hun onder hen allen een bedrag van 100 gl. te zullen uitkeren. Als hun kinderen voor hun mondigheid of huwelijk komen te overlijden, zal dat bedrag van 100 gl. komen aan de langstlevende van hen beiden, op voorwaarde, dat hij of zij aan de erfgenamen ab intestato van de eerstoverlijdende onder hen allen een bedrag van 25 gl. zal uitkeren. Tot voogden over hun minderjarige kinderen benoemen zij Cornelis de Raven en Job Jansz. Cuijter, resp. hun zwager en oom.

ONA Dordrecht 140, f. 1: op 1 jan. 1661 verklaart Claes Otten Yrlant, schipper wonende op Zwijndrecht, dat hij ontvangen heeft van Adriaen Jansz. Boeff, die inmiddels is overleden, en van diens weduwe Elisabeth Wiericx, zijn schoonouders, al hetgeen hem toekwam wegens de vaderlijke goederen van zijn vrouw en al hetgeen zij aan hem schuldig waren.

ONA Dordrecht inv. 202, f. 310: op 16 mei 1671 comp. Daniël Cornelisz. Rijcke, schipper, enerzijds, en Adriaentgen Arijens Bouff, zijn vrouw, wonende op Zwijndrecht, geassisteerd met Johannes van Wageningen, haar zwager, anderzijds. De comparanten verklaren, dat tussen hen proces en geschil was ontstaan voor het gerecht van Zwijndrecht, waarbij Adriaentgen beweerde te mogen scheiden van tafel en bed “ende dat vervolgens … mede soude werden geprocedeert tot devisie van haerluijder gemeene goederen, waer tegens … Daniël Cornelisz. sustineerde in alle tselve niet gehouden te sijn.” De comparanten zijn nu overeengekomen binnen 14 dagen “behoorlijcke inventarissen [te] sullen specificeren [van] alle soodanige goederen en effecten als wedersijts ten huwelijck hebben ingebracht”. Zij zullen hun geschil onderwerpen aan de arbitrage van Jacob van Beveren, heer van Zwijndrecht en regerende burgemeester van Dordrecht, alsmede van het gerecht en de secretaris van Zwijndrecht.

ONA Dordrecht inv. 234, f. 52: op 8 jan. 1673 testeren Daniël Cornelisz. Rijcke schipper en zijn vrouw Adriaentgen Ariensdr. Bouff, burgers van Dordrecht, hij ziek in bed liggende. Tot hun erfgenamen benoemen zij de langstlevende van hen beiden, die gehouden zal zijn aan de kinderen van de eerststervende een bedrag van 1100 gl. uitkeren. Die langstlevende zal de kinderen, die zij reeds bij elkaar verwekt hebben en nog zullen verwekken, moeten onderhouden tot hun mondigheid of huwelijk. Tot voogden over hun gezamenlijke kinderen benoemen zij de langstlevende van hen beiden. Hij benoemt tot voogden over zijn voorkinderen Jacob Stoop, Claes Roelants. van de Lofferen en Jacob van der Houve en zij over haar voorkinderen haar broer kapitein Wierick Bouff en zwager Johannes van Wageningen, allen burgers van Dordrecht.

ORA Dordrecht inv. 1635, f. 117: op 12 april 1696 verkopen Daniël Cornelisz. van de Mebergh en zijn vrouw Ariaentje Ariensdr. Boeff, voor 1550 gl. aan Hendrick van Blaa, burger van Dordrecht, een huis tussen de Vuilpoort en de Sluispoort, staande tussen het huis van de weduwe van Jasper ’t Hooft en dat van Wouter Rijcken. De koper is schuldig aan verkopers een bedrag van 1550 gl.

ORA Dordrecht inv. 1750, f. 117: op 9 mrt. 1700 verkopen “Elias Venlo en Adriaan Hagoort d’jonge notss.en binnen dese Stad, in qt. als bij vervale tusschen Daniel Cornelisse Rijcken en Ariaantje Ariensz Boeff voor Heeren Commiss.en vanden Hove van Hollt. gesloten den 14en Jan. 1700, sijnde geauthoriseert tot het vercoopen van het naargenoemde huijs en Erve”, voor 1155 gl. aan Corstiaan Bergers een huis buiten de Sluispoort in het afgaan van de Brede Weg, staande tussen het huis van de weduwe van Wouter Verbeecq en dat van Gerrit Jansse.

c. Marijcken Adriaensdr. Bouff, geboren naar schatting ca. 1632, jonge dochter van Dordrecht wonende op de Riedijk (1654), trouwde NG Dordrecht 12/28 juli 1654 Cornelis Willemsz. de Rave, jongman van Dordrecht wonende in de Gravenstraat (1654), zeilmaker

ONA Dordrecht inv. 110, f. 2: op 4 jan. 1655 testeren Cornelis Willemsz. de Raven, zeilmaker en burger van Dordrecht, en zijn vrouw Maria Ariensdr. Boeve. Zij benoemen de langstlevende van hen beiden tot erfgenaam en voogd over hun minderjarige erfgenamen. Die langstlevende zal gehouden zijn hun kinderen te onderhouden tot hun mondigheid of huwelijk en hun dan onder hen allen een somma van 50 gl. uit te keren.

ONA Dordrecht inv. 201, f. 64: op 10 dec. 1664 verhuurt Maria Adriaens, weduwe van Willem de Rave, kapitein van de wacht in de ‘s-Gravendeelse Kil in Nederlandse dienst, voor 160 gl. per jaar aan Maria Adriaens Boeff, weduwe van Cornelis de Rave, zeilmaker te Dordrecht, haar schoondochter, de helft van een huis buiten de Vuilpoort, staande tussen het huis van Hermen Pietersz. van de Beeck en de steiger of opslag.

ORA Dordrecht inv. 1623, f. 119: op 1 aug. 1671 verkoopt “Adriaen de Bie, wijncooper en(de) Borger deser Stede als getrout hebende Catharina de Raven, ende noch, in qualite als Testamentaire voocht vande kindren van Willem de Raven de jonge verwerckt bij Cornelia Roonaer, Item over de kindren van Cap.n Adriaen de Rave, Ende laestel. over de kindren van Cornelis de Rave, geprocrieert bij Maria Boeff, t’saemen kindren, kintskindren ende Erffgen. resp. van Maria Adriaens za.r wed. was van Cap.n Willem Willems de Rave mede za.r.”, voor 1900 gl. aan voornoemde Maria Boeff de helft van een huis buiten de Vuilpoort, genaamd “de Oraeingien Boom”, staande tussen de steiger en het huis van Herman van der Beeck bakker.

Kinderen (allen NG gedoopt in Dordrecht):

c-1. Wilhelmus, 5 mrt. 1655

c-2. Adriaen, 3 mei 1656

c-3. Cornelis, 5 nov. 1657

c-4. Wierick, 1 juli 1661

d. Wierick Adriaensz. Bouff, febr. 1635, volgt IIIa

e. Cornelia (Neeltgen) Boeff, geboren naar schatting ca. 1637, jonge dochter van Dordrecht wonende op de Riedijk (1659), trouwde NG Dordrecht 15 juni/1 juli 1659 Cornelis Willemsz. Stoop, jongen van Dordrecht wonende in de Wijngaardstraat (1659), huistimmerman

Dochter:

e-1. Elisabeth, gedoopt NG Dordrecht 30 mei 1663

f. Gerrit Boeff, jan. 1640, volgt IIIb

g. Ariaen, 17 april 1643, vermoedelijk jong overleden

h. Geertruijt, jan. 1644, vermoedelijk jong overleden

i. Johannes, 22 juni 1647, vermoedelijk jong overleden

j. Matthijs Bouff, 3 jan. 1650, overleden “Trijs” (Dld.) april 1675

ONA Dordrecht inv. 236, f. 162: op 22 april 1675 verklaren Wierick Bouff, koopman, Johannes van Wageningen, als man van Helena Bouff, en Geerit Bouff, burgers van Dordrecht, voor zichzelf en tevens vervangende hun zusters Adriaentje en Maijken Bouff, samen erfgenamen ab intestato van hun broer Matthijs Bouff, alsmede Johan Bogaert, koopman en burger van Dordrecht, voor zichzelf en tevens vervangende zijn zusters Adriaentjen en Elisabeth Bogaert, samen erfgenamen ab intestato van hun broer Adriaen Bogaert, die samen met voornoemde Matthijs Bouff tot “het doen van hare houtcoopmanschap gereijst [zijn] naer Duitschlandt”, dat Matthijs en Adriaen “tot Trijs op de Moessel dese maent sijn comen te overlijden”. De comparanten verlenen in hun voornoemde hoedanigheid procuratie te verlenen aan Evert Hartman, koopman en burger van Dordrecht, om naar Dordrecht over te brengen al het hout, dat hun broers “alreede inde boven quartieren te water hebben doen brengen omme aff gedreven te werden”.

IIIa. Wierick Adriaensz. Bouff (Boeff), gedoopt NG Dordrecht febr. 1635, jongman van Dordrecht wonende aan de Riedijkspoort (1660), wijnkoper, erfmunter, lid van het Serment van de Munt van Holland, deed zij meesterproef op 19 dec. 1676, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 12 sept. 1679 (een baar voor Wierick Boef, wijnkoper, naast de Heer Heymansuysstraat), trouwde NG Dordrecht 4 juli 1660 Elisabeth Jorisdr. Teerlinck (Taerling), geboren naar schatting ca. 1635, jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Botgensstraat (1660), weduwe van Dordrecht wonende in de Houttuin (1680, 1689), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 4 sept. 1720, dochter van Joris Teerlingh en Lijsbeth Canijn, trouwde 2e NG Dordrecht/Dubbeldam 1/15 dec. 1680 Marinus Braber, jongman van Dordrecht wonende op de Riedijk (1680), 3e NG Dordrecht/Dubbeldam 11/27 dec. 1689 Jacobus van Botland, jongman van Dordrecht wonende omtrent de Boom (1689), koopman

Wierick Boeff staat afgebeeld (bovenste rij, derde van rechts) op het schilderij het Serment van de Munt van Holland, door Samuel van Hoogstraten (1674)

ONA Dordrecht inv. 139, f. 532: testament dd 14 okt. 1660 van Wierick Adriaensz. Boef, wijnkoper, en zijn vrouw Elisabeth Teerlinck, burgers van Dordrecht. Zij benoemen de langstlevende van hen beiden tot erfgenaam en voogd over hun minderjarige kinderen. De langstlevende zal gehouden zijn hun kinderen te onderhouden tot hun mondigheid of huwelijk en als zij gaan trouwen onder hen allen een bedrag van 600 gl. uit te keren.

Kinderen (o.a.; allen NG gedoopt in Dordrecht):

a. Joris Boeff, 14 okt. 1671, ongehuwd, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 5 dec. 1714 (kapitein Joris Boef, bij “het Cruijs”, met koetsen). Joris deed 25-10-1686 de meestersproef, om de plaats van zijn overleden vader in te nemen. Joris leidde in september 1687 zijn stiefvader Marinus Braber in als muntersknaap, in januari 1690 zijn stiefvader Jacob van Botland.

ONA Dordrecht inv. 744, f. 842: op 11 okt. 1714 benoemt Joris Bouff, “bejaerd jonckman”, burger van Dordrecht, ziek in bed liggende, tot erfgenaam van al zijn na te laten goederen, inclusief het “vaders bewijs”, dat hem, testateur, toekomt, zijn broer Adriaen Bouff, apotheker te Dordrecht.

b. Elisabeth, 29 sept. 1672

c. Adriaen Boeff, 1 nov. 1673, volgt IVa

d. Wierick, 13 juni 1677

e. Maria, 15 juli 1678

f. Wierickijna, 11 febr. 1680

IIIb. Gerrit Boeff, gedoopt NG Dordrecht jan. 1640, jongman van Dordrecht wonende op de Riedijk (1662), weduwnaar van Dordrecht wonende op de Riedijk (1673, 1678), zeilmaker en herbergier, werd in 1672 aangenomen als muntersknaap, maar werd in 1678 vermeld als niet-werkende knaap, begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 25 sept. 1679 (DTB Dordrecht nr. 73: pondgraf), trouwde 1e NG Dordrecht 26 mrt./10 april 1662 Maria Blonck, jonge dochter van Dordrecht wonende in de Kannenkopersbuurt (1662), 2e NG Dordrecht/Papendrecht 13/27 aug. 1673 Teuntje Crijnen de Vos, weduwe van Dordrecht wonende op de Riedijk (1673), trouwde 1e Govert Hack, 3e NG Dordrecht 23 okt./6 nov. 1678 Geertuijd. Pauwelsdr. de Meijer, jonge dochter van Dordrecht wonende aan de Boom (1678)

ONA Dordrecht inv. 142, f. 28: op 18 jan. 1663 testeren Gerrit Bouff, zeilmaker, en zijn vrouw Maria Blonck, burgers van Dordrecht. Tot hun erfgenaam en voogd over hun minderjarige kinderen benoemen zij de langstlevende van hen beiden, die gehouden zal zijn hun kinderen te onderhouden tot hun mondigheid of huwelijk en als zij gaan trouwen hun een uitzet te geven, alsmede onder hen allen een somma van 100 gl. Indien de eerststervende van hen beiden zonder kinderen na te laten komt te overlijden, of als hun kinderen zullen overlijden voor hun mondigheid of huwelijk, moet dat bedrag komen aan de langstlevende, die dan gehouden zal zijn aan de erfgenamen ab intestato van de eerststervende onder hen allen uit te keren een bedrag van 6 gl. Als de testatrice de eerstoverlijdende zal zijn, moet de testateur aan haar ouders of de langstlevende van die ouders al haar kleren uitreiken.

Kinderen (o.a.; allen NG gedoopt te Dordrecht):

Ex 1:

a. Ariaen Boeff, 19 nov. 1666, had nakomelingen te Rotterdam

b. Catharina, 28 jan. 1669

c. Gijsbert, 26 mrt. 1671

Ex 2:

d. Elisabeth, 18 sept. 1675

Ex 3:

e. Geertruijt Boeff, 7 april 1680, jonge dochter van Dordrecht wonende op de Riedijk (1701), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 2 aug. 1762 (Geertruij de Boeff, weduwe van Mighiel van der Hum, bij de Waalse Kerk, twee koetsen extra, laat kinderen na) trouwde Gerecht/NG Dordrecht 20 mrt./3 april 1701 (de bruid geassisteerd met haar moeder Geertruij de Meijer) Michiel van der Hum, weduwnaar van Rotterdam (1701)

ORA Dordrecht inv. 1651, f. 216: 17 mei 1729 verkopen ” “Ewout Bosveld, Majoor deser Stad als last en Procuratie hebbende van Adolff Mendius, koopman binnen dese Stad, …. voor de eene helfte, Ende nogh Michiel vander Hum, mede koopman alhier als in huwelijk hebbende Geertruij Boeff, Dirk van Eeten, Kapp.tn vanden Stapel als in huwelijk hebbende Neeltje Noteman, Davit Krena, woonende binnen dese Stad als last en Procuratie hebbende vande Heer Nicolaas de Vrije, Raad en Out Schepen der Stad Hoorn als in huwelijk hebbende Juffr. Anna Noteman sijnde deselve Procuratie gepasseert voor den Notaris Rijnier Pereboom en sekere getuijgen residerende binnen Hoorn op den 7e Meij 1729 … , Nogh Nicolaas Noteman mede koopman alhier voor de wederhelft, alle Erffgenaamen van wijlen Geertruij de Meijer in haar leven Huijsv: vanden voors. Adolff Mendius”, voor 435 gl. aan Hugo van Vliet, burger van Dordrecht, een huis op de Riedijk, staande tussen het huis van kapitein Jacob Kuijper en dat van de weduwe van Jan Ariensz. de Haan.

ORA Dordrecht inv. 1651, f. 251v: op 15 sept. 1729 verkopen “Ewout Bosveld, Majoor deser Stad als last en Procuratie hebbende van Adolff Mendius, koopman binnen dese Stad, volgens deselve Procuratie daervan sijnde gepasseert voorden Notaris Justus de Caesteker ende sekere getuijgen binnen dese Stad, residerende in dato den 14 September 1729, … , ende verclaerde den Comparant in sijn voors. qualitijt voor de eene helfte, Ende nogh Michiel vander Hum, mede koopman alhier als in huwelijk hebbende Geertruij Boeff, Dirk van Eeten, Kapp.tn vanden Stapel als in huwelijk hebbende Neeltje Noteman, Davit Krena, woonende binnen dese Stad als last en Procuratie hebbende vande Heer Nicolaas de Vrije, Raad en Out Schepen der Stad Hoorn als in huwelijk hebbende Juffr. Anna Noteman sijnde deselve Procuratie gepasseert voor den Notaris Rijnier Pereboom en sekere getuijgen residerende binnen Hoorn op den 7e Meij 1729 … , Nogh Nicolaas Noteman mede koopman alhier voor de wederhelft, alle Erffgenaamen van wijlen Geertruij de Meijer in haar leven Huijsv: vanden voors. Adolff Mendius”, voor 2200 gl. aan Deliana van Dijck, de vrouw van Arnoldus ’t Hooft, een huis, genaamd “den Witten Engel”, op de Riedijk, strekkende van de straat tot achter aan de stadsvest en staande tussen het huis van Jacob Korthals en de straat.

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Michiel, 24 okt. 1702

b. Gerrit, 12 sept. 1704

c. Margrita, 27 aug. 1708

d. Clasina, 26 nov. 1710

e. Bernardus, 4 mrt. 1715

f. Cornelia, 13 juni 1719

IVa. Adriaen Boeff, gedoopt NG Dordrecht 1 nov. 1673, apotheker en munter te Dordrecht, deed 25-02-1715 de meesterproef, verkocht in 1737 de muntplaats aan Wouter Michault, wegens verval van negotie, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 18 mei 1746 (Aderjaen Boef de oude, in de Grote Spuistraat, laat kinderen na, met “ordenare” koetsen), trouwde 1 juni 1704 Geertruij van Koijck, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 6 febr. 1753 (Geertruij van Coijck, weduwe van Adrijaen Boef, in de Spuistraat, laat kinderen na, met de “ordemare” koetsen)

ORA Dordrecht inv. 1645, f. 155v: op 22 nov. 1714 verkoopt “Adriaan Boeff, apothecaris binnen dese Stad als hier toe bij mijn Ed.e Heeren van geregte vol. appt. van date den 26 junij 1714 geauthoriseert wesende in plaatse van sijne aangehuwde vader Jacobus van Botland, ende sijne moeder Elisabeth Taarling die bevorens wed.e was van Wierick Boeff”, voor 1860 gl. aan Gijsbert Beud een huis, vanouds genaamd “de Wijnpers”, staande tussen de Heer Heymansuysstraat en het huis van Pieter Keur, voor 150 gl. aan Johannes Hesmer, koopman te Dordrecht, een pakhuis in de Heer Heymansuysstraat, staande tussen het huis van Jacobus Haringh en dat van Adriaen Morell, en voor 1070 gl. aan Jan van Andell, tavernier en burger van Dordrecht, een huis in de Doelstraat tegenover de Kloveniersdoelen, staande tussen de stal van burgemeester Hallincg en de gang van de Munt.

Kinderen (o.a.; allen NG gedoopt in Dordrecht):

a. Elisabeth Boeff, 8 mrt. 1705

b. Geertruij Boeff, 10 juli 1709

c. Adriaan Bouff, geboren naar schatting ca. 1710, jongman van Dordrecht wonende in de Grote Spuistraat (1752), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 1/19 sept. 1752 (de bruidegom heeft consent van zijn moeder Geertruij van Kooijck, weduwe van Adriaan Bouff) Cornelia Schroott, weduwe van Bergen op Zoom wonende bij de Augustijnenkerk in Dordrecht (1752), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 24 april 1773 (Cornelia Schroott, weduwe Schultz van Hagen, op de Voorstraat, gesepareerde vrouw van Adriaan de Boeff, laat kinderen na, met twee koetsen extra), trouwde 1e Steenbergen 4 mei 1721 Julius Dominicus Schultz van Haegen

d. Alida Boeff, 17 dec. 1711

e. Dina Maria Boef, 14 aug. 1718, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 6 mrt. 1745 (Dina Maria Boef, in de Grote Spuistraat, ongehuwd, de ouders leven, met “ordenare” koetsen)

f. Wierickkijna Boeff, 8 jan. 1722

g. Adriana, 15 aug. 1727