Literatuur
A. Balm-Kok, Het Patriciërshuis, Wolwevershaven 9, Dordrecht [internet]
Taco Tichelaar, De Amsterdamse en Dordtse familie Trip [internet]
I. Jacob Trip, geboren naar schatting ca. 1575 in Zaltbommel, van Zaltbommel (1603), trouwde trouwde Waals Geref. Dordrecht 9 febr. 1603 Margareta de Geer, van Luik (1603), dochter van Louis de Geer, heer van Gaillarmont, burger van Luik, en Johanna de Naille

Rembrandt, Jacob Trip

Rembrandt, Margareta de Geer
Hij verhuisde in 1599 van Zaltbommel naar Dordrecht. “Hij woonde in de Wijnstraat en importeerde allerlei soorten ijzer, zowel via de rivierhandel als overzee, en was verder actief in de handel in uiteenlopende producten als kolen, kalk, kaas, slijpstenen, aluin, wijn, hout en graan. In 1628 kocht hij een aandeel in de WIC van zijn broer Elias. … In 1634 besloten zijn zonen Jacob, Louis en Hendrik samen te werken als een firma. In 1639 kochten zij opnieuw een aandeel in de WIC bij de kamer van Dordrecht. In 1645 waren minstens vier van zijn kinderen hoofdparticipanten in de WIC. In 1649 kocht hij het pand aan de Wolwevershaven 8. In 1657 droeg hij de exploitatie van de Zwijndrechtse zoutziederij [over] aan zijn zoons Louis en Hendrick.” (Taco Tichelaar, o.c.)
ONA Dordrecht inv. 66, f. 118: op 18 jan. 1661 testeren Jacob Trip, koopman en burger van Dordrecht, en zijn vrouw Marguarita de Geer. Zij herroepen het testament, dat zij hebben gepasseerd ten overstaan van notaris D. Eelbo te Dordrecht op 22 sept. 1657. Tot hun erfgenaam benoemen zij de langstlevende van hen beiden. Zij legateren aan de huisarmen van de Waalse kerk te Dordrecht, waarvan zij lidmaat zijn, een bedrag van 300 gl. Aan hun ongetrouwde dochters Jenneken en Jacomina Trip prelegateren zij als huwelijksgoed elk een bedrag van 12.000 gl. en voor een uitzet, bruiloft en kleren elk een somma van 5000 gl. De testatrice legateert aan al hun dochters of bij vooroverlijden hun nakomelingen haar kleren, juwelen en zilverwerk. Tot erfgenamen van al hun overige na te laten goederen benoemen zij hun kinderen, t.w. Jacob Trip de jonge, Louijs Trip, Hendrick Trip, Samuel Trip, Jenneken Trip, Jacomijna Trip, Elisabeth Trip, Maria Trip en Marguarita Trip, of bij vooroverlijden hun nakomelingen. Als een van hun kinderen zonder kinderen na te laten komt te sterven, moet zijn of haar erfportie gaan naar hun overige kinderen of bij vooroverlijden hun nakomelingen. Als bij het overlijden van de langstlevende van hen beiden één of meerdere van hun kinderen ongetrouwd zullen zijn, zullen die kinderen in lijftocht mogen bezitten of bewonen tot zij gaan trouwen of anders hun leven lang het huis, waarin zij, testateuren wonen, staande in de Wijnstraat tegenover de IJzerwaag met alle daarin aanwezige meubelen en huisraad, uitgezonderd het zilver- en verguld werk, het lijnwaad, de “blote” bedden, hoofdkussens en bloktin, welke na het overlijden van hen beiden onder hun erfgenamen verdeeld moet worden. Tot voogden over hun minderjarige erfgenamen en executeurs-testamentair stellen zij aan hun zoons Louis, Hendrick en Samuel Trip.
ONA Dordrecht inv. 66, f. 359: op 16 juli 1664 testeert Marguarita de Geer, weduwe van Jacob Trip, wonende te Dordrecht. Zij legateert aan de huisarmen van de Waalse kerk te Dordrecht een somma van 300 gl. Zij prelegateert aan haar ongehuwde dochters Jenneken en Jacomijna Trip of de langstlevende van hen beiden haar tuin buiten de St. Jorispoort, zijnde de eerste tuin aan de linkerkant in de eerste laan, die loopt naar de Noordendijk, mits haar dochters het jaarlijkse schaftgeld erop betalen. Zij prelegateert aan al haar dochters of bij vooroverlijden hun nakomelingen al haar kleren, juwelen en zilverwerk tot haar lichaam behorende. Tot erfgenamen van al haar overige na te laten goederen benoemt zij haar kinderen, nl. Jacob Trip de jonge, Louijs Trip, Hendrick Trip, Samuel Trip, Jenneken Trip, Jacomijna Trip, Elisabeth Trip, Maria Trip en Marguarita Trip, of bij vooroverlijden hun nakomelingen. Haar ongetrouwde kinderen zullen na haar overlijden in lijftocht mogen blijven bewonen haar huis in de Wijnstraat, staande tegenover de IJzerwaag, tot zij gaan trouwen of anders tot aan hun overlijden, met alle zich daarin bevindende meubels en huisraad, met uitzondering van het zilver en verguld werk, het lijnwaad, de “blote” bedden, de hoofdkussens en het bloktin, dat onder al haar kinderen verdeeld moet worden. Tot executeurs-testamentair en voogden over haar minderjarige erfgenamen benoemd zijn haar zoons Louis, Hendrick en Samuel Trip.
ONA Dordrecht inv. 155, f. 367, akte dd 6 nov. 1672: Marguarita de Geer, weduwe van Jacob Trip, verklaart, dat zij wil, dat de goederen, die haar kleinzoon Johannes Reepmaker van haar zal erven, zullen zijn subject fideï-commis en dat de eigendom ervan na zijn overlijden zal komen aan zijn nakomelingen. Tot executeurs-testamentair benoemt zij haar zoon Louijs Trip, vroedschap van Amsterdam, en haar schoonzoon Johan van Neurenberch.
ONA Dordrecht inv. 155, f. 369, akte dd 8 nov. 1672 Margarita de Geer, weduwe van Jacob Trip, wenst, dat de goederen, die haar zoon Jacob Trip van haar zal erven, zullen zijn subject fideï-commis en dat die goederen na zijn overlijden zullen komen aan haar overige kinderen of bij vooroverlijden aan hun nakomelingen. Zij bevestigt hetgeen zij t.a.v. haar kleinzoon Johan Reepmaecker heeft bepaald in haar testament van 6 nov. 1672. Haar schoonzoon Johan van Neurenberch zal alleen voogd zijn over zijn minderjarige kinderen, door hem verwekt bij haar dochter Elisabeth Trip.
ONA Dordrecht inv. 156, f. 222: inventaris dd 6 april 1673 van de goederen, die zijn nagelaten door Marguarita de Geer, weduwe van Jacob Trip, overleden te Dordrecht, beschreven op verzoek van Jacob Trip, wonende te Dordrecht, Louijs Trip, vroedschap te Amsterdam, Johanna en Jacobmijna Trip, ongehuwde meerderjarige dochters, en Johan van Neurenberch, weduwnaar van Elisabeth Trip, als vader en voogd van zijn onmondige kinderen, en in aanwezigheid van Jacobus van Neurenberch, zijn meerderjarige zoon, Marguarita Trip, weduwe van Pieter de Sont, Johannes van Neurenberch, enige, meerderjarige zoon van Maria Trip, Louijs Trip, nog als executeur-testateur van de overledene en als voogd over de minderjarige kinderen van Hendrick en Samuel Trip, allen kinderen en kleinkinderen van de overledene.
Tot de boedel behoren:
een huis in de Wijnstraat tegenover de IJzerwaag, waarin de overledene heeft gewoond en is overleden, staande tussen het huis van de kinderen en erfgenamen van Sijbert Roerom en de ’s Heer Boeijenstraat,
een tuin buiten de St. Jorispoort, liggende op stadsgrond tussen de tuin van Bartholomeus Vervel en de tuin van Samuel Aijngier [Engelse koopman],
het vruchtgebruik van het huis met bijna alle huisraad en de tuin is door de overledene gelegateerd aan haar twee ongehuwde dochters,
een huis op de Wolwevershaven, staande tussen het volgende huis en het huis of de ververij van Johan van Neurenberch, getaxeerd op 12.800 gl.,
een huis naast het voorgaande, getaxeerd op 6400 gl.,
vijf naast elkaar staande huizen achter in de Kolfstraat bij de Arend Maartenshof, alsmede een huis met stal en een tuin erachter, staande aan de Vest bij de Vriesepoort, getaxeerd op samen 7000 gl.,
zes morgen honderd roeden land in de Wieldrechtse polder, 4000 gl.
een hofstede in Friesland, genaamd “de Horn” met de landerijen daartoe behorende, worden door de erfgenamen in gemeenschappelijk bezit gehouden,
obligaties, samen bedragende 181.404 gl. 16 st.
contant geld, bedragende 31.491 gl.,
aandelen in de WIC van samen 6500 gl.
De baten van de boedel bedragen 215.099 gl. 16 st.
Daarvan moet afgetrokken worden hetgeen de twee ongehuwde dochters toekomt, bedragende 40.200 gl., zodat overblijft 174.899 gl. 16 st. Hetwelk verdeeld moet worden in negen parten onder de erfgenamen, nl. voor ieder 19.433 gl. 6 st. 3 p. De erfgenamen zijn Jacob Trip, Louijs Trip, Johanna Trip, Jacomina Trip, de kinderen van Elisabeth Trip, bij haar verwekt door Johan van Neurenberch, Marguarita Trip, weduwe van Pieter de Sont, de kinderen van Hendrick Trip, Johannes Reepmaecker en de kinderen van Samuel Trip.
Kinderen:
a. Jacob Trip de jonge, geboren 1604, van Dordrecht wonende in de Breestraat te Amsterdam (1634), koopman, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 12 april 1678 (een zwarte baar voor Jacob Trip, ten huize van juffr. Trip, tegenover de IJzerwaag [Botermarkt]), trouwde Amsterdam 19 jan. 1634 (ondertrouw, de geboden zijn te Dordrecht en in de Waalse kerk onverhinderd gegaan, de ouders van de bruid zijn overleden, de bruidegom geassisteerd met zijn vader Jacob Trip, de bruid met haar oom Daniël Godijn) Johanna Godijn, van Amsterdam wonende op de Keizersgracht (1634)
ONA Dordrecht inv. 133, f. 125: op 26 jan. 1654 verleent Jacob Trip de jonge, koopman en burger van Dordrecht, als eigenaar van de woning, genaamd “Hornema”, staande in het dorp Vinckinga in de Zeven Wolden in Friesland, door hem gekocht van de commies Casenbroot en Quintijn de Veer, baljuw van ‘s-Gravenhage, procuratie aan Laurens van Weijlandt, wonende te Noordwolde, om ten behoeve van hem, comparant, te “benaesten” de beide erven, liggende ten oosten en westen van zijn, comparants, woning en landerijen.
ONA Dordrecht inv. 134, f. 204: op 10 juni 1655 legt Cornelis van Schoonhoven, schipper en burger van Dordrecht, ongeveer 50 jaar oud, op verzoek van Jacob Trip de jonge, koopman te Dordrecht, een verklaring af. Hij getuigt, dat hij als schipper van Trips schip, genaamd “Schonenburch” omtrent 14 dec. 1652 van Nederland is gevaren naar Brazilië en daar omtrent 2 mrt. 1653 aangekomen is voor het Recief de Pernambuco, daar de goederen uit het schip heeft gelost en vervolgens heeft ingeladen t.b.v. Daniël Lares twee negers, waarmee hij is gevaren naar Pariba, waar hij per order van Lares heeft ingenomen 16 negers en negerinnen, zowel oud als jong, samen met Cornelis Hellingh, “omme opsicht opde selve negros te hebben”, en dat hij, toen hij vervolgens op 9 mei 1653 gearriveerd is in Ziera, hij daar de 18 negers heeft overgedragen aan Lares.
ONA Dordrecht inv. 178, f. 416: op 27 sept. 1658 verklaart Jacob Trip de jonge, koopman en burger van Dordrecht, dat hij de enige eigenaar is van het schip en de lading zout, genaamd “den Admiraal Tromp” en groot ca. 170 lasten, waarop schipper is Sijmon Cornelisz. van der Meer, welk schip onlangs, komende van Lissabon, door “den Turck genomen en de wederom door ’s lants schepen verovert sijnde tot Amsterdam opgebracht is”. Hij verklaart voorts, dat hij zijn broers Louijs en Hendrick Trip, kooplieden te Amsterdam, volmacht gegeven heeft om bij de Admiraliteit te Amsterdam het schip en zijn lading zout te reclameren.
ORA Dordrecht inv. 1613, f. 40v: op 29 juni 1649 verkoopt de stad Dordrecht aan Jacob Trip de jonge, koopman en burger van Dordrecht, een erf op de Drappierskade (Wolwevershaven), zijnde het “eijndenste” erf, dat door de koper is “betimmert ende met eenen muijre affgeheijnt is”.
“In 1655 koopt Jacob Trip van de stad Dordrecht de woning met bijbehoren naast zijn huidige woning aan de Drappierskade grenzende tot aan de stadsmuur.
Dat voor ons quam d’heer Franchois Rees, Thesaurier deser stede, als daer toe bij Borgemeesteren ende Gecommitteerde ten Beleijde deser stede saecken geautoriseerd zijnde vendidit d’heer Jacob Trip de jonge, coopman, borger deser stede domum cum suis staende ende gelegen op de Drappierskaeije tusschen den huijse van de heere cooper aen d’eene en den huijse van Jan Tijcquet aen d’andere zijde. ende dat met alle alsulcke vrijdommen, servituijten ende gerechticheden als den voornoemde huijse ende erve eenichsints is hebbende met het erff daer achter gelegen tot den muijre van de stadt toe. Kent betaelt, promittet in de voornoemde qualiteijt. Nijet belast. In oirconde.
Vervolgens richt hij 29 april 1656 een verzoek om andermaal een bordes voor zijn woning te mogen maken.
Geeft in aller eerbiedicheijt te kennen Jacob Trip de jonge, coopman ende borger deser stede. Dat hij suppliant staende heeft benevens sijnne woonhuijsinge op de Drappierskaeije alhier een tweede huijsinge bij hem over eenigen tijt geleden aengecocht.
’t Welck den voorsegde suppliant heeft doen approprieren tot een aensienelijcke wooningh ende alsoo hij suppliant tot accommodatie ende ciraet vande selven huijse wel geresolveert soude wesen, voor op de stoup te doen maecken een bequame trap, daer men van wedersijde soude mogen opgaen. Ende t’selve niet en vermach te geschieden sonder voorgaende consent ende advijs van Uedel Achtbaren, waeromme soo keert hij hem suppliant met alle voorgaende reverentie tot Ued. groot Achtbaren gansch ootmoedich versoeckende derselver goede ende gunstige geliefte, sij favorabel toe te staen ende accorderen, dat hij suppliant den selven trap voor deselve huijsinge sal mogen doen maken. Ende waer door niemant ter weerelt eenich het minste belet ofte hindernisse aengedaen werden sal als soudende die laten stellen in soodanige forme als den trap van sijns suppliants woonhuijsinge staende is.
Samen met zijn zwager Johan van Neurenbergh (ook wel geschreven Norenburch) sticht hij volmolens in Dordrecht, waaronder de klandermolen om de draperie of andersgezegd de lakenhandel te gerieven. Zo kochten beiden op 20 september 1644 voor het bedrag van ƒ 3000 een volmolen met de bijbehorende huizen en gereedschappen aan het Willigenbosch. (Balm-Kok, o.c.)
ORA Dordrecht inv. 1780, f. 25: op 16 juli 1655 verkopen Pieter Aertsz. Danser en Dirck Hendricksz. van Drent, schippers en burgers van Dordrecht, aan Jacob Trip de jonge, koopman en burger van Dordrecht, twee huisjes, “staende op deser Stede gronto opde Molenwerff vande Volmolen staen(de) opde Merwede aen Cockendijck, mette beterschap vant erff daer op de zelve huijskens sijn staende ende het thuijnken daer aen comende, naer der haven toe, raeijende van(de) egh vant portael vande voorsz. huijskens tot aenden hoeck van(de) heijingen bij Claes Janssen schiptimmerman gestelt”.
ORA Drodrecht inv. 1747, f. 74: op 10 mei 1664 verkoopt Jacob Trip, koopman en burger van Dordrecht, voor 700 gl. aan Hendrick Jacobs, schiptimmerman en burger van Dordrecht, een huisje op Cockendijck buiten de Riedijk.
ORA Dordrecht inv. 1623, f. 77: op 6 febr. 1671 verkoopt Jacob Trip Jacobsz., koopman en burger van Dordrecht, voor 14.200 gl. aan zijn moeder Margrieta de Geer, weduwe van Jacob Trip, wonende te Dordrecht, twee naast elkaar staande huizen op de Wolwevershaven, staande tussen het huis van Johan van Norenberch en dat van Hendrick Crijnen, alsmede vijf woningen mer een tuin achter in de Kolfstraat naast het huis van Neeltjen [NN}
In de marge staat vermeld, dat de twee woningen op de Drappierskade in nevenstaande brief vermeld bij de scheiding van de nalatenschap van juffrouw Margrieta de Geer, weduwe van de heer Jacob Trip worden aanbedeeld aan Johannes Reepmaker en de overige huizen onder de last van fideï-commis volgens haar testament aan Jacob Trip de jonge.
Nota: “Zij verdacht dat de twee huijsen staende op de Drappierskaeije in den nevenstaenden brieve vermelt bij scheijdinge van de achtergelatene goederen van joffr. Margrieta de Geer, weduwe van wijlen de heer Jacob Trip, [zijn] aenbedeelt aen Johannes Reepmaker”.
(Balm-Kok, o.c.)
ORA Dordrecht inv. 1623, f. 78: op 6 febr. 1671 verkoopt Jacob Trip Jacobsz. voor 4600 gl. aan Louijs Trip en Johanna de Geer, weduwe van Hendrick Trip, beiden wonende te Amsterdam, twee naast elkaar staande huizen langs de Nieuwe Kalkhaven buiten de Vuilpoort, staande tussen het huis van Samuel Nachenius en dat van Adriaen ’t Hooft de jonge.
ONA Dordrecht inv. 184, f. 176: op 20 juni 1671 verklaart Margareta de Geer, weduwe van Jacob Trip, dat haar zoon Jacob Trip aan haar schuldig is een bedrag van 29.000 gl. en dat hij ” op reeckeninghe van [die] … somme” aan haar heeft overgedragen zijn twee huizen op de Wolwevershaven, alsmede een woning in Friesland. Aangezien die twee huizen en woningen niet zoveel waard zijn als hetgeen hij aan haar schuldig is en zij haar overige kinderen niet wil “vercorten”, wenst zij, dat hetgeen Jacob van haar zal erven hij alleen in lijftocht zal bezitten en na zijn overlijden zal komen aan haar andere erfgenamen ab intestato.
ORA Dordrecht inv. 1626, f. 96: op 2 juni 1678 verkoopt ” Jacob Commersteijn out Burgemr. der Stadt Briele, voor sijn selve, en(de) noch vervangende, hem sterckmakende ende de rato Caverende voor d’heeren Johan Munter, Raet inde hove van Hollant, en(de) de hr. Jacob Trip Hendricxs te samen Executeurs van(de) Testamente en(de) Erffgen. sub Jure deliberandi van de heer Jacob Trip Jacobs”, voor 330 gl. aan Johannes van Ravesteijn, koopman te Dordrecht, twee huisjes in de Dolhuisstraat, staande naast de gang van het huis van de weduwe van Waltherus Cools.
ORA Dordrecht inv. 1626, f. 118v: op 3 dec. 1678 verkopen “Johan van Neurenbergh, out Borgemr. deser Stede, als last en(de) procuratie hebbende van de heer Louijs Trip, out Borgemr. en(de) Raet der Stadt Amsterdam, voor sijn selven, Item als Testamentaire Voocht over de onmondige naergelatene kindren van wijlen de heer Samuel Trip, ende van de heeren Mattijs Trip, en(de) Jacob Trip, Soo voor haer selven, en(de) als gesurrogeerde voochden over haere noch minderjarige susters, mitsgrs. de heer Louijs Trip Hendricxzoon, alle kindren van de heer Hendrick Trip haerlieden vader za.r Blijckende bij deselve procuratie gepasseert voorden Notaris Eduard de Wit, ende sekere getuijgen tot Amsterdam voors. residerende van date den xvii der voorlede maent novemb. 1678 ons Schepenen verthoont Ende noch den voors. heere Johan van Neurenbergh van wegen sijne drie noch ongehoude kindren Jouff.w Johanna, en Margarieta van Neurenbergh mitsgrs. Louijs van Neurenbergh, ende de minderjarige soon van sijn overlede dochter Jouffr. Maria van Neurenbergh, de heer Jacob van Neurenbergh, en(de) de hr. Johan van Neurenbergh de Jonge, al saemen kindren, en(de) kintskint van wijlen Jouffr. Elijsabeth Trip, aen haer verweckt bij den voorn. heere Johan van Neurenbergh den ouden, alsnoch den voorn. heere Johan van Neurenbergh de Jonge als getrouwt hebbende Jouffr. Adriana de Sondt, de heer mr. Roeloff Eelbo als getrouwt hebbende Jouff.w Margrieta de Sondt in die qualiteijt voor hen beijde, ende haer sterckmaeckende voor de heer Jonas de Jonge als getrouwt hebbende Jouffr. Johanna de Sondt alle drie kindre van wijlen Jouffr. Margrieta Trip aen haer verweckt bij de heer Pieter de Sondt, Ende noch de gesamentlijcke Comparanten vervangende, mitsgrs. de rato Caverende voor Jouffr. Johanna Trip, bejaerde ongehoude dochter, mitsgrs. voor de heer Johannes Reepmaker, eenige achtergelaten soon van wijlen Jouffr. Maria Trip, alsaemen fideicommissaire erffgen. van wijlen de heer Jacob Trip in sijn leven Coopman binnen deser Stadt, haren broeder en oom”, voor 550 gl. aan Pieter Dorenton, mr. huistimmerman en burger van Dordrecht, een huis [in de Kolfstraat], staande met de voorgevel tegenover de Arend Maartenshof tussen het huis van Jan Abrams twijnder en dat van Jan Gront.
ORA Dordrecht inv. 1626, f. 119v: op 3 dec. 1678 verkopen de in de vorige akte genoemde verkopers voor 1850 gl. aan Jan Pietersz. Gront, koopman en burger van Dordrecht, twee naast elkaar staande huizen achter in de Kolfstraat, staande tegenover de Arend Maartenshof tussen het huis van Pieter Dorenton en dat van Thomas Beijs bakker, alsmede een huis aan de Vest, staande naast de stal, en een tuin, liggende achter voornoemde huizen.
ORA Dordrecht inv. 1626, f. 120: op 3 dec. 1678 verkopen dezelfde verkopers voor 500 gl. aan Maeijcken Jans, weduwe van Aelbrecht Blancker, en haar zoon Zeger Blanckert, ieder voor de helft, een stal aan de Vest omtrent de Vriesepoort, staande tussen het huis van Jan Gront en de stal van Anthonij de Putter.
ORA Dordrecht inv. 1627, f. 38v: op 20 mei 1679 verkoopt “Jacob Commersteijn out Borgermr. der Stadt Briele, Soo voor sigh selven als hem sterckgemarckt, en de rato gecaveert hebbende voor de heeren Johan Munter, Raet inden hove van Hollant ende Jacob Trip Hendricxssoon als voochden over Jacob Trip Samuels, indier qualiteijt Erffgenamen onder Beneficis van inventaris van wijle Jacob Trip, in sijn leven Coopman binnen deser Stede”, voor 3400 gl. aan Cornelis van Goederheijden, wijnkoper en burger van Dordrecht, een pakhuis op de Nieuwe Haven, staande tussen het pakhuis van de “fabriek” Samuel Nachenius en dat van Hendrick Teruwe, en voor 2800 gl. aan Hendrick Teruwe, koopman en burger van Dordrecht, een pakhuis met woonhuis erachter, staande op de Nieuwe Kalkhaven tussen het pakhuis van Cornelis van Goederheijde en dat van Adriaan Thooft houtkoper.
b. Louis Trip, geboren 1605, jongman van Dordrecht wonende in de Wijnstraat (1631), koopman te Amsterdam, trouwde NG Dordrecht 2/25 nov. 1631 Emerentia (Armgard) Hoefslagers Hendriksdr., van Amsterdam wonende aan het Groothoofd (1631)
c. Hendrik Trip, geboren ca. 1605, van Dordrecht (1633), trouwde 1e Amsterdam 31 mrt. 1633 (de bruidegom geassisteerd met zijn oom Elias Trip, heeft toestemming van zijn vader, de bruid geassisteerd met haar vader Samuel Godijn) Cecilia Godin, van Amsterdam wonende op de Keizersgracht (1633), 2e Stokholm 14 juni 1646 Johanna de Geer, gedoopt Luik 22 febr. 1627, dochter van Matthias de Geer en Marguerite Gerard


Ferdinand Bol, Hendrik Trip en Johanna de Geer (1660), Museum van Schone Kunsten, Brussel
Kind (ex 2):
c-1. Cecilia Trip, gedoopt Waals Geref. Amsterdam 19 mei 1660
ORA Dordrecht inv. 1636, f. 178v: op 8 nov. 1698 verkoopt mr. Roelof Eelbo, oud-burgemeester van Dordrecht, als procuratie hebbende van Cecilia Trip, volgens procuratie gepasseerd voor notaris J. Schrick te Amsterdam, voor 5000 gl. aan Jacob en Govert Braets, kooplieden te Dordrecht, een pakhuis genaamd “de Graef”, staande op de Kalkhaven tussen het pakhuis van de kopers en dat van Louijs van der Putten.
d. Elisabeth Trip, geboren 1615, trouwde Jan van Neurenburgh, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 6 nov. 1685 (een zwarte baar voor burgemeester en kerkmeester Johan van Neurenbergh, het “blason” met de kast, de late boete, “Alsoo de heeren kerckmeesters vrij sijn dus in plaetse van gelt – memorie.”)
e. Maria Trip, geboren 1617, van Dordrecht wonende ald. (1644), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 31 juli 1672 (een zwarte baar op de Wolwevershaven voor Marij Trip, weduwe van Jacob Reepmaecker, de late boete, 12 gl.), trouwde NG Amsterdam/Dordrecht 19 aug./13 sept. 1644 (met attestatie van de Waalse kerk) Jacob Reepmaker de jonge, weduwnaar van Amsterdam wonende op de Fluwelenburgwal ald. (1644), koopman, trouwde 1e Susanna Gommers
ONA Dordrecht inv. 183, f. 263: testament dd 22 juli 1671 van Marija Trip, weduwe van Jacob Reepmaecker, wonende te Dordrecht. Zij legateert aan de NG huisarmen van Dordrecht een bedrag van 700 gl. en aan haar zoon Johannes Reepmaecker een tuin, die door haar is gekocht van de curators van de boedel van Geerit Baerthoutsz. Backer, al haar huisraad, roerende goederen, zilverwerk, kleren, juwelen van goud en zilver, parels etc., op voorwaarde, dat de huisraad, het zilverwerk, de kleren en juwelen door één van haar zusters bewaard zullen worden tot haar zoon mondig is geworden of gaat trouwen. Zij legateert tevens aan haar zoon het vruchtgebruik van al haar overige na te laten goederen, waarvan de eigendom na zijn overlijden moet komen aan zijn kinderen. Als haar zoon komt te overlijden zonder kinderen na te laten of als die kinderen zullen overlijden voor hun mondigheid of huwelijk, zullen het vruchtgebruik en de inkomsten van haar hele na te laten boedel komen aan haar moeder Margrieta de Geer en na haar overlijden aan Jenneken en Jacobmina Trip, de zusters van haar, testatrice, of de langstlevende van hen beiden. De eigendom ervan zal na hun overlijden dan komen aan haar broers en zusters en aan de kinderen van haar overleden broers en zusters. Als haar zoon voor haar, testatrice, komt te overlijden en hij haar tot erfgenaam van zijn vaderlijke goederen heeft benoemd, zal Anthonij Reepmaecker, de voorzoon van haar man, na het overlijden van haar moeder en voornoemde Jenneken en Jacobmina Trip, samen met haar overige broers en zusters of bij vooroverlijden hun nakomelingen, haar erfgenaam zijn “ende sulcx soo veel als ijder staecke moeten deelen”, mits hij op zijn erfportie zal aannemen de venen in Friesland, die haar man buiten haar medeweten heeft gekocht. In het geval haar zoon haar niet tot erfgenaam heeft benoemd, zal Anthonij Reepmaecker niet van haar erven. Tot executeurs van haar testament en tot voogden van haar minderjarige erfgenamen benoemt zij haar broer Louijs Trip en haar zwager Johan van Neurenberch.
Kind:
e-1. Johan Reepmaker, gedoopt NG Amsterdam 27 jan. 1647, jongman van Amsterdam (1674), overleden te ‘s-Gravendeel 21 jan. 1686, begraven Dordrecht (Augustijnenkerk) 28 jan. 1686 (mr. Johan Reepmaker, op de Drappierskade, een wapenbord, het huis met rouw behangen, vier sleepmantels), trouwde NG Dordrecht/Middelburg 1/25 april 1674 Christina de Beveren, jonge dochter van Middelburg (1674)

Johan Reepmaker
ONA Dordrecht inv. 184, f. 265a: op 24 juli 1673 comp. Louis Trip, oud-schepen van Amsterdam, en Johan van Neurenbergh, lid van de Oudraad te Dordrecht, als executeurs-testamentair van Marija Trip, weduwe van Jacob Reepmaecker, enerzijds, en Johan Reepmaecker, geassisteerd met Michiel van Feltrum, advocaat te Dordrecht, anderzijds. Zij verklaren na “examinatie” van de boedelscheiding van Jacob Reepmaecker, de boeken daarover gehouden en het testament en de inventaris van de goederen, die zijn nagelaten door Marija Trip, tot een overeenkomst te zijn gekomen. Die overeenkomst houdt in, dat aangaande de vaderlijke goederen van Johan Reepmaecker en hetgeen zijn moeder Marija Trip volgens haar testament, gepasseerd voor notaris J. Melanen te Dordrecht op 22 juli 1671, aan hem heeft gemaakt, hij uit de nalatenschap van zijn moeder voor zijn vaderlijke goederen zal ontvangen een kapitale actie ten laste van de VOC (kamer Amsterdam) ter waarde van 4024 gl., een kapitale actie ten laste van de WIC (kamer Amsterdam) ter waarde van 12.000 gl. en aan contant geld een somma van 5240 gl. 11 st. Hij zal behouden zijn aandeel in een partij venen in Friesland, in de uitstaande schulden en in een obligatie van 2520 gl. ten laste van de WIC (kamer Amsterdam). Overeengekomen is voorts, dat Johan Reepmaecker aangaande zijn moederlijke goederen, waarin zijn moeder hem tot haar erfgenaam heeft benoemd, zal ontvangen, boven de tuin, huisraad, roerende goederen, juwelen, goud- en zilverwerk etc., alle interesten, die op de resp. rentebrieven en obligaties tot 1 aug. 1672 verschenen zijn en nog de vier “taucxatien” van de kapitale leningen van het jaar 1672, die zowel te Dordrecht als in Amsterdam betaald zijn. Hij zal tenslotte ook het vruchtgebruik krijgen van alle overige door zijn moeder nagelaten goederen.
ONA Dordrecht inv. 185, f. 342: op 15 mei 1675 transporteert Johan Reepmaecker, zoon van wijlen Maria Trip, aan Louijs Trip, oud-burgemeester, thesaurier en raad van Amsterdam, Johanna Trip, de kinderen van Hendrick Trip, de kinderen van Elisabeth Trip en de kinderen van Margrieta Trip, elk voor een vijfde part, zijn portie en zesde part in de huisraad, roerende goederen en inboedel, o.a. schilderijen, die Jacob Trip aan hem overgedragen heeft volgens akte gepasseerd voor notaris A. van Neten te Dordrecht op 25 juli 1673, alsmede zijn zesde part in de pachtgelden van de landerijen in de Bovenpolder van Dubbeldam en Wieldrecht, die Jacob Trip mede aan hem getransporteerd heeft volgens akte gepasseerd voor notaris A. van Neten op 26 sept. 1673. Hij verklaart voorts voldaan te zijn van zijn zesde part in de koopsom van een fluitschip, genaamd “de Gouden Leeuw”, dat door Jacob Trip aan hem overgedragen is.
f. Samuel Trip, gedoopt NG Dordrecht dec. 1622, volgt II
g. Margaretha Trip, geboren 1626, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 26 febr. 1674 (een zwarte baar voor Margrieta Trip, weduwe van Pieter de Sont), trouwde 1e 1653 Pieter de Sont Anthonisz., achtraad van Dordrecht
ONA Dordrecht inv. 158, f. 177: inventaris dd 17 mrt. 1674 van de goederen, die zijn nagelaten door Marguarita Trip, weduwe van Pieter de Sondt, achtraad van Dordrecht, beschreven op verzoek van Louijs Trip, burgemeester van Amsterdam, Johan van Neurenberch, schepen in wette van Dordrecht, en Corstiaan Ghijssen, als ooms en voogden over de minderjarige dochters van de overledene.
De boedel bevat:
een huis, bestaand uit drie gevels, staande omtrent de Nieuwbrug, waarvan de eerste twee bewoond werden door de overledene zelf en het derde verhuurd is aan Johan van der Hoop, procureur te Dordrecht,
een groot bleekveld buiten Dordrecht tussen de Vriesepoort en de Spuipoort, liggende naast de stadsweide, met drie tuinen erachter, gelegen tussen de tuin van de heer Vivien en de tuin van Cornelis Terwe, welk bleekveld is verhuurd aan Pieter Schuijte,
huisraad en inboedel,
schilderijen:
een groot schilderij van Paris, een zijnde een “zeevaart”, een boerenkermis, een klein schilderij met dronken boeren, een schrijvende persoon, een landschap, een naaister, een geslacht en opgehangen varken, nog een met dronken boeren, een “slegt” schilderij met patrijzen en snippen, een prent met herders en herderinnen, een prent van de stad Londen, een klein landschap, een hangende patrijs, een prent van de prins van Oranje in een lijst, een met dronken boeren, een almanak in een lijst, een “fruijtken” in ene lijst, een klein schilderij voor de schoorsteen met oesters, nog drie landschappen, een met soldaten, een prent van de stadhouder, twee portretten van Pieter de Sont en zijn vrouw Marguarita Trip, twee van grootvader Jacob Trip en zijn vrouw Marguarita de Geer (*), twee van grootvader en grootmoeder De Sondt, twee van oom Panser en zijn vrouw, twee van Mathijs Pompe en zijn vrouw in het klein, twee portretten van “oude vrunden”, twee in het klein van “vrunden”, een met naakte beelden voor de schoorsteen, een schilderij in de schoorsteen, een groot schilderij van een kust met schepen, een landschap, een landschap met gebergte en water, een boerenkermis, een “fruijtagie”, nog een boerenkermis, twee naakte personen, “vvtbeeldende t’gewelt”, een van de eierboer, een “fruijtagie” door Suijsenier [?], een offerande in het klein, een met de dans van Herodes’ dochter [Salomé], een met naakte beelden, twee achtkanten landschappen, een met paarden, een schilderij van een dorp met water ernaast, twee portretten van de overledene, een met een roemer en een schelp, een boerenbruiloft, twee landschapjes, twee kleine landschappen naast de schoorsteen, een schilderij met Jozef voor de schoorsteen, een groot landschap, nog een landschap, een schilderij met een vogeltje zonder lijst, een van de winter, nog drie landschappen, een portret van een vrouw, een portret van Dirck de Sont, nog een portret van een vrouw, een landschap op de vloer, twee kleine schilderijen voor de schoorsteen, vijf schilderijen behorende tot de tuin, een boerenkermis.
(*) Mischien de onderstaande portretten, geschilderd door Nicolaes Maes


h. Johanna (Jenneken) Trip , ongehuwd
ORA Dordrecht inv. 1633, f. 143v: op 2 dec. 1692 verkopen mr. Roeloff Eelbo, burgemeester van Dordrecht, en Johan van Neurenburgh, schepen in wette en thesaurier van Dordrecht, voor zichzelf en als procuratie hebbende van Matthias Trip te Amsterdam, samen executeurs-testamentair van Johanna Trip, en nog als procuratie hebbende van Johan Munter, raadsheer in het Hof van Holland, als man van Margrieta Trip, Jacob Trip, Louis Trip, Nicolaes Kalckoen, als man van Margrieta Trip, en Louis Trip en Nicolaes Kalckoen tevens vervangende Johanna Trip en Cicilia Trip, Jacob Trip Samuelsz., Christina van Beveren, weduwe van Johan Reepmaecker, Margrieta van Neurenburgh, Louis van Neurenburgh, Dirck van Nooij, als man van Johanna van Neurenburgh, Jonas de Jongh, vervangende de twee kinderen van wijlen Jacob van Neurenburgh, Anthonij de Sondt, Jonas de Jongh nog als man van Johanna de Sont, Johan van der Voort, als man van Anna Jacoba Valckenier en tevens vervangende Nicolaes Six, als man van Emmerentia Valckenier, en nog als procuratie hebbende van de weesmeesters van Amsterdam, als oppervoogden over de kinderen van Margrieta Trip, de kinderen van Anna Maria Trip en de kinderen van Johan Reepmaecker, voor 4700 gl. aan Johan Op de Beeck, koopman te Dordrecht, een huis met woonhuis en grote wijnkelder, staande in de Wijnstraat tegenover de IJzerwaag tussen het huis van de erfgenamen van juffrouw Roerom en de ’s Heer Boeijenstraat.
i. Jacobmina Trip, ongehuwd, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 2 mrt. 1675 (een zwarte baar tegenover de Engelse Courtkerk voor Jacomijna Trip, “bejaerde dochter”)
ONA Dordrecht inv. 197, f. 411: op 30 april 1675 comp. Jacob Trip, Louis Trip, voor zichzelf en namens de meerderjarige kinderen van zijn broer Hendrik Trip en nog als voogd over de minderjarige kinderen van Hendrik Trip en als voogd over de kinderen van zijn broer Samuel Trip, Johanna Trip voor zichzelf, Johan van Neurenberch, als vader en voogd over zijn minderjarige kinderen, door hem verwekt bij Elisabeth Trip, Jacob van Neurenberch, Margrieta van Neurenberch, Johanna van Neurenberch en Johan van Neurenberch de jonge, meerderjarige kinderen van Johan van Neurenberch en Elisabeth Trip, Johan Reepmaker, de zoon van Marija Trip, voor zichzelf, Johan van Neurenberch de jonge nog als man van Adriana de Sont, en mr. Roeloff Eelbo, als man van Margrieta de Sondt, voor zichzelf en samen met Johan van Neurenberch als voogd over Johanna de Sondt, samen kinderen van Margarieta Trip. De comparanten verklaren onderling de boedel, die is nagelaten door hun zuster, resp. schoonzuster en tante Jacobmina Trip, verdeeld te hebben. Na aftrek van de lasten resteert 42.800 gl., te verdelen in acht parten, ofwel 5350 gl. voor iedere “staak”.
II. Samuel Trip, gedoopt NG Dordrecht dec. 1622, koopman te Dordrecht, deken van het Lakenbereidersgilde ald., begraven Dordrecht (Grote Kerk) 25 nov. 1668 (een zwarte baar bij de Arien Joppensteiger [Wijnsteiger]), voor Samuel Trip), trouwde NG Dordrecht 14 jan. 1652 Maria Bocardus, gedoopt NG Dordrecht april 1627, weduwe wonende bij het Groothoofd (1670), dochter van Joannes Bocardus en Machtelken Andriesdr. van Vesanevelt, trouwde 2e NG Dordrecht 2/26 febr. 1670 mr. Jacob Commersteijn, weduwnaar van Brielle en daar wonende (1670), oud-burgemeester en ontvanger van de gemene middelen van Brielle
Kinderen (o.a.):
a. Margareta Trip, gedoopt NG Dordrecht 23 juni 1656, jonge dochter wonende in Brielle (1683), weduwe wonende op de Herengracht te Amsterdam (1696), overleden 1729/1730, trouwde 1e Amsterdam 26 juni 1683 Matthias Trip, van Amsterdam wonende op de Kloveniersburgwal (1683), commissaris te Amsterdam, 2e Amsterdam 27 dec. 1696 (ondertrouw; op 15 jan. 1697 akte verleend om in de Waalse kerk te Amsterdam te trouwen) mr. Roelof Eelbo, weduwnaar van Dordrecht en wonende ald. (1696) regerende burgemeester van Dordrecht, trouwde 1e Margareta Sondt
Stadsarchief Amsterdam, archief 5062, inv. 95: op 9 sept. 1721 verkopen mr. Gerard Bicker van Zwieten, commissaris te Amsterdam, en zijn vrouw Maria Trip voor 12.000 gl. aan Margarita Trip, eerder weduwe van Matthias Trip, commissaris te Amsterdam, en laatst weduwe van Roelof Eelbo, burgemeester van Dordrecht, resp. hun schoonmoeder en moeder, een huis op de Keizersgracht aan de noordzijde, staande tussen de Vijzelstraat en de Reguliersgracht aan de noordzijde, welk huis afkomstig is uit de nalatenschap van de vader van de comparante en door haar moeder aan haar ten huwelijk is gegeven.
b. Johannes, gedoopt NG Dordrecht 15 jan. 1659
c. Jacob, gedoopt NG Dordrecht 26 juli 1663