Brandwijk (van Blokland)

I. Aert Adriaensz. van Brantwijck (Aert Aertsz.), geboren ca. 1530, kaaskoper te Dordrecht, begraven Dordrecht 17 nov. 1593 (in de Grote Kerk voor de St. Catharinakapel), trouwde 1e NN (Ida Willemsdr.?), 2e naar schatting ca. 1575 Janneken Gerritsdr., geboren ca. 1549, dochter van Gerrit Barentsz. (te Streefkerk) en NN 

(Ons Voorgeslacht 1986, p. 324-326)

– 17 mrt. 1561: Jan Arijensz., Steven Willemsz. en Balten Fransz., als voogden van Arijen Snouck Arijensz. en Willem Snouck Arijensz. en Crijntge Mels Franssendr. en Arijen Melsz., weeskinderen van Jannege Willemsdr., verkopen aan Aert Arijensz. een huis op de hoek van de Waagsteiger, staande tussen de Stadswaag en het huis van Wouter Barthoutsz. Waarborgen: de verkopers zelf. Koper is schuldig aan verkopers een somma van 80 ponden Vlaams. Borg: Geridt Thomasz. (ORA Dordrecht inv. 722, f. 156 e.v.)

– 2 mei 1566: Steven Barthelsz., koopman en burger van Antwerpen, verleent procuratie ad lites et recipienda debita aan Franchois de Buijlere, Jacob Claesz., procureur voor de Kamer Juditiaal te Dordrecht, Aert Ariensz. kaaskoper, en Jan Berthelsz., zijn, Stevens, broer. (ORA Dordrecht inv. 705, akte 345)

– 20 dec. 1569: verklaring op verzoek van Pieter van Wesel door o.a. Aert Adriaensz., 40 jaar oud. (ORA Dordrecht inv. 709, f. 17v)

– 4 mei 1571: Jan Huijgensz. koekenbakker en Aernt Adriaensz. kaaskoper, verkopen, elk voor de helft, aan Adriaen Thoenisz. kuiper een huis op de hoek van de Raamstraat, staande tussen de stadsgracht en het huis van Dirck Willemsz. (ORA Dordrecht inv. 728, akte 544)

– 15 mei 1571: verklaring op verzoek van Peet van Weset, burger van Grave, door Adriaen de Vet, oudraad in wette, 49 jaar oud, Aert Adriaensz. kaaskoper, 40 jaar, Jan Jansz. Hoegaers [Hoogaars], 35 jaar, Govert Aertsz. hellebaardier, 46 jaar, mr. Frans Philipsz. de Grave, 39 jaar, en Pieter Dionijsz., ongeveer 40 jaar, allen inwonende poorters van Dordrecht. (ORA Dordrecht inv. 728, akte 591)

– 25 april 1572: verklaring op verzoek van Frans Jansz. in den Both, poorter van Dordrecht,door Aerdt Adriaensz. kaaskoper, ongeveer 40 jaar oud en Ruth Cornelisz., ongeveer 37 jaar oud, beiden inwonende poorters van Dordrecht. Deposanten verklaren, dat zij buren zijn van de rekwirant, dat zij hem goed kennen en dat hij door hen en door anderen, die kennis aan hem hebben, “geacht ende gehouden is voer een oprecht jonggeselle van goeden ende catholijcken geloeve”. (ORA Dordrecht inv. 729, f. 32v)

– 28 mrt. 1573 (na Pasen): Wouter Jansz. Hoechaers verkoopt aan Aert Adriaensz. kaaskoper de helft van een huis op de Nieuwe Haven, genaamd “den Hoochaers”, staande tussen het huis van Jan Calffkens en ’s herenstraat (ORA Dordrecht inv. 729, akte 837)

– 18 mei 1573: Jan Barentsz. uit Gijbeland, Rochus Maens van Schoonhoven enBarent Rochusz., voor zichzelf en tevens vervangende zijn zusters Hilleken, Marijchen en Martijntken Rochusdr., verkopen aan Aert Ariensz. kaaskoper 2/6 delen van een huis, genaamd “den Backhoven”, staande aan de Poortzijde [Groenmarkt-Scheffersplein] tussen de stadswaag en het huis van de erfgenamen van Pieter Jansz. (ORA Dordrecht inv. 729, f. 269)

– 10 dec. 1573: Aert Adriaensz. kaaskoper stelt zich borg voor Jan Jansz. Hoochaers, Wouter Jansz. [Hoochaers], Willem Robbrechtsz. steenhouwer [echtgenoot van Elijsabeth Jansdr.] en Anthonis Jansz. Hoochaers [die erfgenamen zijn van wijlen Emmichen Anthonisdr.] (ORA Dordrecht inv. 730, f. 67v, aangevuld met gegevens uit een akte dd 20 mrt. 1573 in ORA Dordrecht inv. 729, f. 222)

– 19 dec. 1573: is arrest gedaan door Roelant Jillisz. ’s heren dienaar aan de persoon van Reijer Huijbertsz. uit Blokland op verzoek van Frans Anthonisz. van Steenhuijsen. Aert Adriaensz. kaaskoper stelt zich borg, “belovende d’voorsz. Frans te recht te staen ende ’t gewijsde inden saecke te voldoen.” (ORA Dordrecht inv. 730, f. 72v)

– 1 okt. 1575: Aert Adriaensz., kaasverkoper te Dordrecht, stelt zich borg voor Jacob Cornelisz., eertijds wonende te Lekkerland, “ten selven Jacob maendaege toecomende wederomme in arreste comen zall daer hij bij Lenert caescooper van der Goude inne geleijt es.” (ORA Dordrecht inv. 710, f. 488v)

– 11 jan. 1576: Aert Adriaensz kaaskoper verkoopt aan Jan Jansz. Hogaers, de weeskinderen van Lijsgen Jansdr., verwekt door Willem Robrechtsz., en aan Marijcken Lauwen, weduwe van Thonis Jansz. Hogaers, allen erfgenamen van Wouter Jansz. Hogaers, een huis genaamd “den Lintbaan”, staande achter het huis genaamd “den Hogaers” tussen het huis van Maerten van Bemont en “den Hogaers”. (ORA Dordrecht inv. 732, f. 66)

– 19 dec. 1576: Aert Adriaensz. kaaskoper stelt zich borg voor Cornelis Jansz. uit Brandwijk, gevangene, “ten eijnde de selve Cornelis Jansz. tot allen tijde des bij den officier vermaent zijnde den selven officier te rechte staen zal.” (ORA Dordrecht inv. 732, f. 236v)

– 18 dec. 1577: Aert Adriaensz. kaaskoper stelt zich borg voor Cornelis Bastiaensz. om te voldoen “alzulke actie en recht als ene Jan Jansz. koopman sprekende en eisende heeft op Cornelis Bastiaensz.” (ORA Dordrecht inv. 712, f. 205v)

– 11 sept. 1578: Jan Jansz. Hoochaers en Aert Adriaensz. kaaskoper verkopen aan Cornelis Joostensz. Doot schiptimmerman een huis op de Nieuwe Haven, staande tussen het huis van verkopers en dat van Jan Jansz. Calffken, strekkende van de straat tot aan het erf, dat toebehoord heeft aan wijlen Wouter Jansz. den Hoochaers. Koper is schuldig aan verkopers een bedrag van 17 ponden Vlaams. Borg: Frans Staesz. in de Lelie. (ORA Dordrecht inv. 734, . 113v en 114)

ORA Dordrecht 1571, f. 9v e.v.: op 13 jan. 1579 verklaart Geerit Pluijm, ’s herendienaar, dat hij enige dagen voor Kerstmis op verzoek van Mon Thomasz. gearresteerd heeft Simon Corssen uit Gijbeland, als erfgenaam van diens vader, Cors Simonsz., om te verkrijgen betaling van een bepaalde vangbrief, en dat borg voor Simon is geworden Aert Adriaensz. kaaskoper.

– 30 sept. 1579: ontvangen als gildebroeder van het Houtkopersgilde Aert Aertsz. Brankenaer, heeft vier kinderen, genaamd Arien Aertsz., Willem Aertsz., Frans Aertsz. en Aeriantgen Aertsdr. en betaalt 15 gl. (Gildenarchieven Dordrecht, inv. 8, f. 47)

– 1580: Aert Ariaensz., kaaskoper betaalt in de 50e penning 11 ponden voor zijn huis aan de Groenmarkt, belenders: Aert Geeritsz., die huurt van Henrick Pietersz., en de Stadswaag (50e penning Dordrecht op deze website)

– 17 mrt. 1580: Jan den Hoochaers Jansz. en Aert Ariensz. kaaskoper verkopen aan Aelbert Govertsz. smid een huis, staande aan de stadsvest omtrent “die hellinck”, genaamd “den Hoochaers”. De koper is schuldig aan verkopers een somma van 496 gl. Borgen: Cornelis Govertsz. viskoper en Joest Jansz. smid. (ORA Dordrecht inv. 714, f. 35)

– 7 jan. 1581: Geerit Barentsz., wonende te Streefkerk, en zijn broer Jan Barentsz., wonende in Gijbeland, hebben onderling verdeeld de goederen, die zijn nagelaten door Barent Geeritsz. van Streefkerk en Beatricx Huijgen, hun vader en moeder. Daarbij zijn aan Geerit toebedeeld diverse percelen land, die door hun ouders zijn nagelaten, gelegen te Streefkerk op de hofstede, waarop Geerit thans woont. Ter compensatie daarvan ontvangt zijn broer Jan onderstaande schuldbrief. (ORA Dordrecht inv. 736, f. 96)

– 7 jan. 1581: Geerit Barentsz., wonende te Streefkerk, is schuldig aan zijn broer Jan Barentsz., wonende te Gijbeland, een bedrag van 875 schilden van 14 stuivers het stuk. Borgen: Barent Geeritsz. zuivelkoper en Aert Adriaensz. kaaskoper. (ORA Dordrecht inv. 736, f. 96 e.v.)

– 6 juli 1583: Aert Adriaens. kaaskoper stelt zich borg voor mr. Arien, secretaris in Brandwijk, “voer d’actie die Jacob Clinckhamer met d’andere’s heren dieners op hem sprekende hebben.” (ORA Dordrecht inv. 737, f. 115)

– 14 jan. 1584: Jacob Jansz. lijndraaier is wegens de koop van een huis op de Nieuwe Haven schuldig aan Truijcken Daniëlsdr. een bedrag van 969 Rijnse gl. Borgen: Aert Adriaensz. kaaskoper en Thonis Aertsz. van de Berch schipper. (ONA Dordrecht inv. 737, f. 337)

– 16 juni 1584: Aert Adriaensz. kaaskoper, voor de helft en Adriaen Aertsz., voor zichzelf en vervangende Aerjaentgen Aertsdr., zijn zuster, voor 2/3 parten van de wederhelft, verkopen aan Willem Aertsz. een huis op de hoek van de Waagsteiger, waarvan koper het overige 1/3 deel van de helft bezit. (ORA Dordrecht inv. 737, f. 568)

– 20 febr. 1588: verklaringop verzoek van Corstiaen Jan Sijbertsz.door Jan Jansz. smid, ongeveer 31 jaar oud en Aert Arien Claesz. Schram [leeftijd niet vermeld], beiden wonende in Bleskensgraaf. Jan Jansz. getuigt, dat in hij in april 1587 in Dordrecht geweest is en dat aldaar bij hem gekomen is Aert Ariensz. kaaskoper, wonende omtrent de Boom bij het Groothoofd, die tegen hem zei: “Jan Jansz., ick hebbe daer een coe staen, tot Aert Arien Claesz. in Bleskensgraeff. Zoudt ghij niemandt weten die dzelve van daer zoude willen haelen ende in mijn weijde in Gijbelandt brenghen tot Bastiaen Herbertsz. Hij most se wel gade slaen ende morghen ochtent inde coelte leijden”. Deposant heeft daarop geantwoord, dat hij desnoods zelf die koe naar Gijbeland zou willen brengen. Hij is na thuiskomst naar een zekere Laurens Claesz. gegaan en heeft hem gevraagd of hij de bewuste koe naar Gijbeland wilde brengen, waarop Laurens heeft geantwoord dat hij dat wel wilde doen. De tweede deposant verklaart, dat Aert de kaaskoper wel twee of drie keer aan hem heeft gevraagd of hij het koebeest naar Gijbeland wilde laten overbrengen, maar dat hij dat niet heeft gedaan, omdat Aert het dier niet van hem gekocht had en hij niet wist hoe Aert er aangekomen was. Hij is Aert later in Dordrecht tegengekomen en toen heeft die hem gevraagd: “Wel ghij bouff, hoe coemt dat ghij mijn die coe niet en hebt willen bestellen in Gijbelandt.” Toen de tweede getuige zei, dat hij niet wist of Aert wel de eigenaar ervan was, heeft deze tegen hem gezegd: “De coe hoort mij toe. Ick hebse van Corstiaen Jan Sijbertsz. gecoft.” (ORA Dordrecht inv. 718, f. 11 e.v.)

– 17 juni 1588: op verzoek van Laurens Jansz. Schot kapitein verklaren Aert Adriaensz. kaaskoper, ongeveer 58 jaar oud, Cornelis Jansz. Schot schipper, ongeveer 44 jaar oud en Dirck Gerbrandsz. Stoop, ongeveer 36 jaar oud, dat zij op 28 mrt. 1588 door Laurens Schot en Dirck Pietersz. in de Keijser verzocht zijn op te treden als arbiters in zeker geschil, dat is ontstaan tussen Schot en Dirck Pietersz. wegens “de coop bij henlieden tsaemen aengegaen op des requirants Roomsche reijse.”(ORA Dordrecht inv. 712, f. 90)

– 16 jan. 1589: compareren Adriaen Jansz. Cruijdenier, schepen in wette van Dordrecht, Barent Gerritsz. kaaskoper, 38 jaar oud, Willem Aertsz. korenkoper, ongeveer 28 jaar oud, poorters van Dordrecht en Janneken Ariensdr. [sic], vrouw van Aert Adriaensz. van Brantwijck, ongeveer 40 jaar oud, poorteres van Dordrecht. Zij verklaren op verzoek van Machtelt Cornelisdr., vrouw van Niclaes Jansz., dat zij haar goed kennen en “dat sij is een vrou met eeren de welcke haer broot sijrlick binnen dezer stede met haer arbeijt gewonnen heeft sonder dat dselve om eenige quade feijten uijt deser stede vertrocken is.” (ORA Dordrecht inv. 718, akte 478)

– 1594 (verponding Dordrecht): de weduwe van Aert de Branckenaer betaalt 22 ponden 10 s. voor haar huis in de Wijnstraat [aan de waterzijde bij de Wijnkoperskapel]. Belenders: de weduwe van Claes Jansz. van Wesel en Pieter Sijmonsz. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3965, f. 43)

– 30 juni 1601: Jan Schalcksz. kapitein verkoopt aan Janneken Gerritsz., weduwe van Aert Ariensz. Branckenaer een jaarlijkse losrente van 10 gl. 10 st. op een huis in de Lombardstraat, staande tussen het huis “de Claptas” en het huis van Pijeter Goosensz. kuiper. (ORA Dordrecht inv. 1582. f. 43v)

– 5 juni 1608: Janneken Gerritsdr., weduwe van Aert Adriaensz. Brantwijck, koopt een losrente op het huis en de brouwerij van Cornelis Adriaensz. Rooderer, burger van Dordrecht, staande op de Vismarkt. (Ons Voorgeslacht 1986, p. 325-326)

Kinderen (ex 1):

a. Adriaen Aertsz. Brantwijck, geboren naar schatting ca. 1560, trouwde NG Dordrecht 1584 Magdalena Pieter Jansdr., trouwde 2e NN

Kinderen (ex 1):

a-1. Iken Adriaensdr. Brandwijck, gedoopt NG Dordrecht juni 1586, van Dordrecht wonende bij Francois van den Berge (1611), overleden ca. 1639, trouwde NG Dordrecht 29 mei/19 juni 1611 Abraham Claesz. de Haen (zie pagina De nakomelingen van Abraham Klaasz. de Haan)

Kind (ex 2):

a-2. Cornelis Adriaensz. Brandwijck

b. Willem Aertsz., geboren ca. 1561, volgt IIa

c. Aeriaentgen Aertsdr., trouwde NN van Gelder 

Kinderen (ex 2):

d. Frans, gedoopt NG Dordrecht 1575

e. Pieter Brandwijk van Blokland, gedoopt NG Dordrecht 1579

IIa. Willem Aertsz. (Brandwijck), geboren ca. 1561, korenkoper te Dordrecht (vermeld 1589, 1594), trouwde 1583 Geertruijt Pietersdr. Caseler

1594 (verponding Dordrecht): Willem Aertsz. korenkoper betaalt 24 gl. 10 st. voor zijn huis, belenders: de weduwe van Jan van Meurs en Barent Cornelisz. kaaskoper, die huurt van Willem Aertsz. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3965, f. 8)

ONA Dordrecht inv. 16, f. 230: op 21 juni 1631 testeert Willem Brantwijck, burger van Dordrecht, ziek in bed liggende. Hij legateert aan de huisarmen van de NG diaconie te Dordrecht en die van de Waalse diaconie van Dordrecht elk voor de helft een somma van 400 gl., waarvan 100 gl. “ter distributie” van zijn twee ongehuwde dochters. Hij legateert aan zijn kleinkinderen elk een jaarlijkse lijfrente van 50 gl., op voorwaarde, dat zijn oudste zoon Ocker Brantwijck en na zijn overlijden zijn  jongste zoon Pieter Brantwijck de lijfrenten ten behoeve van die kleinkinderen zal ontvangen en zal beleggen, totdat zij mondig zijn geworden of gaan trouwen. Hij legateert aan zijn neef Arendt van Gelder, zoon van zijn enige zuster Adriana van Brantwijck, ter bevordering van diens studie een bedrag van 600 gl., uit te keren met 100 gl. jaarlijks. Als zijn neef voor hem, testateur, komt te overlijden of als hij zijn studie niet voortzet, zal die somma van 600 gl. of het restant ervan komen aan zijn, testateurs, zuster. Als die zuster komt te overlijden voor de testateur zal het bedrag van 600 gl. komen aan zijn neef en de zuster van Arendt, Ida van Gelder, ieder voor de helft. De testateur prelegateert aan zijn ongehuwde dochter Petronella en Magdalena Brantwijck, ter compensatie van hetgeen hij aan zijn getrouwde kinderen Ida, Maria en Ocker Brantwijck heeft gegeven, toen zij gingen trouwen, elk een bedrag van 7500 gl., onder meer omdat zij zo lang tijd bij hem zijn gebleven en voor zijn huishouden hebben gezorgd. Wat zijn jongste zoon Pieter Brantwijck aangaat, verklaart de testateur, dat hij aan hem ongeveer drie of vier jaar tevoren al overgedragen heeft de helft van zeker land van ongeveer 125 gemeten, liggende in de parochie Ossenisse in Hulsterambacht, door hem gekocht van de heer Berck. Daarvoor zal Pieter gehouden zijn in de gemeeneschappelijke boedel in te brengen de penningen, die de testateur aan hem heeft verstrekt. In al zijn overige na te laten goederen benoemt hij tot erfgenamen zijn zes kinderen, m.n. Ida, Petronella, Maria, Ocker, Magdalena en Pieter Brantwijck of bij vooroverlijden hun nakomelingen. Als er tussen hen kwestie ontstaat over de verdeling van zijn nalatenschap, laat hij het over aan zijn broer Pieter Brantwijck, heer van Blokland, om daarover een beslissing te nemen.  

Kinderen:

a. Ida Brantwijck, gedoopt NG Dordrecht 1585

b. Marijken Brantwijck Willemsdr., geboren ca. 1588, wonende tegenover de Karnemelksteiger [steiger aan de Groenmarkt tegenover de Vriesesteiger] (1625), trouwde NG Dordrecht 20 juli/3 auf. 1625 Isaack Govertsz. Roovers, weduwnaar van Emmerick wonende in de Munt (1625), korenkoper 

ONA Dordrecht inv. 60, f. 919: testament dd 19 nov. 1643 van Isaack Govertsz. Roovers, koopman van greinen, en zijn vrouw Maria Brantwijck, burgers van Dordrecht. De testateur legateert aan de NG huisarmen van Dordrecht een somma van 150 gl., aan zijn zoon Willem Roovers een lijfrentebrief van jaarlijks 50 gl., “geaffecteert opt comptoir” van de ontvanger Van der Goes in Brielle, en aan zijn vrouw alle huisraad, meubelen en inboedel, haar kleren, juwelen en zilverwerk, op voorwaarde, dat zij in de gemeenschappelijke boedel zal inbrengen een somma van 1500 gl. en aan zijn kinderen zal overdragen al zijn kleren en de helft van zijn “geprente” boeken. Aan zijn broer Jacob Govertsz. Roovers legateert hij een jaarlijkse lijfrente van 110 gl. Tot erfgenamen van al zijn overige goederen benoemt hij zijn drie kinderen Cornelia Roovers, Maria Roovers en Willem Roovers, of bij vooroverlijden hun nakomelingen. Op hetgeen Cornelia van hem zal erven moet in mindering gebracht worden hetgeen zij tijdens zijn leven al van hem heeft gekregen. Van het overige zal zij alleen het vruchtgebruik hebben en na haar overlijden moet de eigendom van haar erfdeel komen aan haar kinderen of als die kinderen zonder nakomelingen komen te overlijden aan zijn, testateurs, naaste bloedverwanten. Als de testatrice voor haar man komt te overlijden, legateert zij aan de NG huisarmen van Dordrecht een somma van 150 gl. Zij benoemt haar zoon Willem Roovers tot erfgenaam van al haar na te laten goederen. Daarvan zal haar man zijn leven lang het vruchtgebruik hebben, mits hij “in minderinge vandien” aan haar zoon zal uitreiken zodanige somma geld als zij bij het aangaan van hun huwelijk heeft ingebracht, alsmede hetgeen zij van haar vader [Willem Brantwijck] en haar broer Pieter Brantwijck heeft geërfd en dat met 9 morgen en ettelijke roeden land in de Zuidpolder van Dubbeldam, getaxeerd op 8400 gl. en de rest met geld of obligaties “tot keuze ende optie” van haar man, en verder nog een lijfrente van jaarlijks 50 gl. en al haar kleren, juwelen en zilverwerk. Als haar zoon ongehuwd voor zijn vader komt te overlijden, mag haar man behouden het vruchtgebruik van al haar na te laten goederen. In dat geval moeten haar naaste bloedverwanten na het overlijden van haar echtgenoot uit haar na te laten goederen aan de kinderen van Cornelia Roovers een somma van 5000 gl. uitkeren en aan de kinderen van Maria Roovers een bedrag van 2500 gl. Voorwaarde bij dat laatste is dat Cornelia en Maria daarvan het vruchtgebruik zullen hebben. De langstlevende van hen testateuren zal aanbedeeld worden aan het grote huis, waarin zij wonen, vanouds genaamd “Groot Treijer”, staande omtrent de Munt van Holland. Daarbij zal echter niet inbegrepen zijn het pakhuis, dat de testateur gekocht heeft van de kinderen en erfgenamen van Maerten van Balen, met het erf, daarbij behorende, met de bollen van bloemen en tulpen in de tuin, achter het voornoemde huis staande en liggende. Degene, die het huis op zijn erfdeel aanvaardt, zal gehouden zijn in de gemeenschappelijke boedel een bedrag van 8000 gl. in contant geld in te brengen. De testatrice zal, als zij de langstlevende is, de voornoemde ruim 9 morgen land in de Zuidpolder van Dubbeldam mogen aannemen, mits zij in de gemeenschappelijke boedel een bedrag van 8400 gl. inbrengt. Tot voogden over haar minderjarige zoon, Willem, stellen de testateuren aan de langstlevende van hen beiden, en Ocker Brantwijck en Arent van der Goes, resp. de broer en zwager van de testatrice. De testateur benoemt tot administrateurs over de goederen van zijn dochter, Cornelia Roovers, en haar kinderen, zijn schoonzoon Jasper Coninck, en zijn goede vriend Balten Baltensz. azijnmaker.

c. Ocker Brantwijck, gedoopt NG Dordrecht 1590, trouwde Magdalena Snouck

Kinderen (allen NG gedoopt in Dordrecht):

c-1. Arent, jan. 1621

c-2. Gerrit, jan. 1623

c-3. Pieter, mei 1625

c-4. Amplonia, jan. 1627

c-5. Ida, sept. 1629

c-6. Cornelia, jan. 1631

d. Magdalena Brantwijck. geboren ca. 1592

e. Arent, gedoopt NG Dordrecht 1594, jong overleden

f. Pieter Brantwijck, gedoopt NG Dordrecht 1600

g. Petronella Brantwijck, geboren naar schatting ca. 1601

IIb. Pieter Brandwijk van Blokland (Pieter Brantwijck Aertsz., heer van Blokland), gedoopt NG Dordrecht 1579, koopman te Amsterdam, later te Dordrecht, weduwnaar van Dordrecht (1616), koopt in 1616 de vrije heerlijkheid Laag-Blokland, burgemeester te Dordrecht 1638, hoogdijkheemraad van de Alblasserwaard, overleden Dordrecht 6 mei 1639 (zerk), begraven in de Grote Kerk, (begraafboek Grote Kerk 6 mei 1639: een baar voor mijnheer van Blokland), trouwde 1e NG Amsterdam 5 nov. 1604 (ondertrouw)* Neeltje Jacobsdr. Coppit, weduwe van Jan Commelin Jansz., boekhandelaar te Amsterdam, 2e NG Dordrecht 22 mei/12 juni 1616 Maria Willemsdr. van der Loo, van Dordrecht

* NG trouwboek Amsterdam 5 nov. 1604: Pieter Aertsz. van Brandwijk, van Dordrecht, 25 jaar oud, wonende “opt water”, geassisteerd met Barent Gerritsz. van Dordrecht, zijn oom en voogd, en Neeltgen Coppit Jacobsdr., weduwe van Jan Comelin, verklarende 2 1/2 jaar weduwe geweest te zijn, wonende in de Warmoesstraat, geassisteerd met Oopgen Heijnrixdr., zij heeft schriftelijk consent van haar vader.

Pieter Brandwijk van Blokland, door Jan van Ravesteyn

De vrouw van Pieter Brandwijk van Blokland, Neeltje Coppit of Maria van der Loo

– 23 sept. 1628: Pieter Brantwijck Aertsz., heer van Blokland, schepen in wette van Dordrecht en Janneken Nicolaesdr., weduwe van Rogier Crijnen, verkopen aan Jan Bartholomeusz., bosmaker en burger van Dordrecht, een huis op de Riedijk, belend ten oosten door het huis van Hans van Esch en ten westen door het huis, vanouds genaamd “het Houffijser”. (ORA Dordrecht inv. 767, f. 37v e.v.) 

“Het Hoefijzer” was oorspronkelijk een brouwerij. In 1603 wordt het vermeld als staande op de Riedijk bij het Hoefijzerstraatje. In 1608 is sprake van een gelijknamige brouwerij in de Hoge Nieuwstraat. (Water wordt een feest zodra het bij de brouwer is geweest. Dordtse brouwerijen door de eeuwen heen. Jaarboek 2007 van de Historische Vereniging Oud-Dordrecht [Dordrecht 2007], p. 182) Het huis “vanouds genaamd het Houffijsser”, werd op 23 sept. 1628 door Pieter Brandwijk, heer van Blokland, verkocht aan Jan Bartholomeusz. bosmaker, burger van Dordrecht. (ORA Dordrecht inv. 767, f. 37v). In het verpondingsregister van 1633 staat naast de naam van Jan Bartholomeusz. ladenmaker geschreven: “dese ende twee naervolgende aengetogen partijen zijn huijsen gemaeckt vande brouwerie vant Houffijser” en daarna op de volgende pagina: Jan Adriaensz. schipper huurt van de heer van Blocklant en Abraham Barentsz. hoedenmaker huurt eveneens van de heer van Blocklant. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3971, f. 104v en 105)

Kinderen (o.a.):

a. mr. Willem Pietersz. Brandwijk, vrijheer van Blokland (27 nov. 1646), gedoopt NG Dordrecht jan. 1626, burgemeester van Dordrecht 1672-1675, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 29 mrt. 1696 (een zwarte baar voor mr. Willem Brandwijk vrijheer van Blokland, oud-burgemeester van Dordrecht, als kerkmeester “van kerkwege” vrij), trouwde 27 okt. 1671 Anna de Witt, geboren Dordrecht 27 jan. 1638, dochter van Johan de Witt Jansz. en Belia Stokmans Johansdr.

Kind:

a-1. mr. Pieter Brandwijk van Blokland, geboren Dordrecht 7 okt. 1672, overleden ald. 20 aug. 1731, trouwde Elisabeth Opdecamp

Pieter Brandwijk van Blokland, door Arnold Boonen.

Elisabeth Opdecamp, door Arnold Boonen

ORA Dordrecht inv. 1639, f. 57v: op 2 juli 1701 verkopen mr. Johan de Witt, schepen in wette van Dordrecht, mr. Matthijs Snouck, lid van de Oudraad te Dordrecht, en mr. Pieter Brantwijck van Blokland, als erfgenamen van Maria de Witt, weduwe van Arent Muijs van Holij, voor 950 gl. aan Cristina Pompe, weduwe van burgemeester Belaarts, een kaatsbaan, achterwoning en huisje, gelegen en staande in de Tolbrugstraat Landzijde, het huisje belend zijnde met de ingang van de kaatsbaan aan de ene zijde en het huis van [naam niet vermeld] aan de andere.

ORA Dordrecht inv. 1639, f. 73 e.v.: op 28 sept. 1701 verkopen mr. Johan de Witt, schepen in wette van Dordrecht, Jacob van der Waijen, grietman van Hemelummer Oldevaart en Noordwolde, als man van Herbertina de Witt, mr. Matthijs Snouck, lid van de Oudraad te Dordrecht, namens zijn kinderen, verwekt bij Elisabeth Teljaarde, en mr. Pieter Brandwijk van Blokland, vrijheer van Blokland, namens zijn moeder, samen erfgenamen van Maria de Witt, vrouw van Arent Muijs van Holij, oud-burgemeester van Dordrecht, voor 3000 gl. aan Job Lacroij, burger van Dordrecht, een huis in de Voorstraat omtrent het Nieuwpoortje, genaamd “den Hoorn”, staande tussen het huis van Pieter van Wingerde en dat van Staas van Hoogstrate. De koper is schuldig aan verkopers een bedrag van 3000 gl.

ORA Dordrecht inv. 1639, f. 74v: op 28 sept. 1701 verkopen Jacob van der Waijen, grietman van Hemelummer Oldevaart en Noordwolde, als man van Herbertina de Wit, mr. Matthijs Snouck, lid van de Oudraad te Dordrecht, namens zijn kinderen, verwekt bij Elisabeth Teljaarde, en mr. Pieter Brandwijk van Blokland, vrijheer van Blokland, vervangende zijn moeder, samen erfgenamen van Maria de Witt, vrouw van Arent Muijs van Holij, oud-burgemeester van Dordrecht, voor 2500 gl. aan mr. Johan de Witt, schepen in wette van Dordrecht, vijf zesde parten in een huis, waarvan de koper reeds een vijfde deel bezit, staande op de Wolwevershaven tussen het huis van Catarina van Beaumont en dat van mevrouw Van der Meer.

ONA Dordrecht inv. : op 10 en 13 dec. 1714 comp. Jacoba van de Graeff, weduwe van Adriaen van de Graeff, mr. Pieter Brandwijk van Blokland, voor zichzelf en namens de verdere kinderen en erfgenamen van Willem Brandwijk van Blokland, vrijheer van Blokland, de weduwe van Gillis van der Ooth, mr, Johan de Witt, mr. Simon Muijs van Holij, als executeur en erfgenaam van mevrouw Van der Meijde, en mr. Jacob Stoop, namens de erfgenamen van Abraham Stoop, burgemeester van Dordrecht, allen crediteuren van de boedel van Pieter Nolthenius, “gedaegdens bij mandement omme de arrenementen vanden processe aen te nemen … van wegens mr. Wolfert Nobeling”, advocaat fiscaal en procureur-generaal over Holland, Zeeland en West-Friesland, als executeur-testamentair van Cornelia van Lakerveld en aangestelde voogd over diens erfgenaam Adriaen Hoogop, impetrant van het voornoemde mandement. De comparanten benoemen tot hun procureur ad lites Abraham Oulrij, procureur voor het Hof en de Hoge Raad in Holland, om hun voornoemde zaak waar te nemen en te verdedigen.

b. mr. Pieter Brantwijck van Blocklant, volgt III.

III. mr. Pieter Brantwijck van Blocklant, geboren naar schatting ca. 1630, jongman van Dordrecht, wonende in de Wijnstraat te Dordrecht (1664), trouwde NG Dordrecht 15 juni/1 juli 1664 Maria Stricken van Scharlaken, jonge dochter van Dordrecht, wonende op de Nieuwe Haven (1664)

– ORA Dordrecht inv. 799, f. 54v e.v.: op 5 juli 1695 verkoopt Pieter Brandwijck van Blocklandt voor 2200 gl. aan Cornelis van Cleverkercken, koopman en burger van Dordrecht, een huis op de Nieuwe Haven, nu genaamd de Varkenmarkt, vanouds genaamd “Aspere”, staande tussen het huis van de weduwe van Willem Oudeman en de gang van het huis van mevrouw van Blesgraaff. Koper is schuldig aan verkoper 2200 gl.

Kind:

a. Pieter Brandwijk van Blokland, gedoopt NG Dordrecht 7 aug. 1665, volgt IV

IV. mr. Pieter Brandwijk van Blokland, gedoopt NG Dordrecht 7 aug. 1665, begraven Dordrecht 1 juli 1751 (mr. Pieter Brandwijk van Blokland, dijkgraaf van Oud-Beijerland, in de Wijnstraat, laat kinderen na, met een wapenbord en 9 koetsen extra, de grote boete), trouwde Dordrecht 5 april 1693 Geertruij Francken

ORA Dordrecht inv. 1656, f. 151v e.v.: op 26 febr. 1743 verkopen Johan Eelbo, ontvanger van de Grafelijksheidstol te Gorinchem, en mr. Hugo Eelbo, regerende burgemeester en lid van de Oudraad te Dordrecht, als enige broers en erfgenamen ab intestato van Emmerentia Eelbo, die is overleden te Dordrecht, voor 6200 gl. aan mr. Pieter Brandwijk van Blokland, veertigraad te Dordrecht, een huis in de Voorstraat omtrent het Steegoversloot, met van achteren een vrije uitgang in het Steegoversloot, staande tussen het huis van Gerret Schroot en dat van Adriaan de Bruijn

Kinderen:

a. Maria Brandwijk van Blokland, gedoopt NG Dordrecht 14 aug. 1693, overleden Dordrecht 29 okt. 1743, trouwde 17 mei 1719 Abraham Pompe van Meerdervoort, heer van Zwijndrecht.

ONA Dordrecht inv. 579: op 28 april 1719 comp. Abraham Pompe van Meerdervoort, toekomstige bruidegom, en Maria Brandwijk van Blokland, geassisteerd met haar ouders mr. Pieter Brandwijk van Blokland en Geertruij Francken, toekomstige bruid, om huwelijkse voorwaarden te maken. Zij benoemen de langstlevende van hen beiden tot voogd over hun minderjarige kinderen.

ORA Dordrecht inv. 1660, f. 29v e.v.: op 18 april 1752 verkopen mr. Cornelis Pieter Pompe van Meerdervoort, heer van Zwijndrecht, schepen in wette en lid van de Oudraad van Dordrecht, en mr. Pieter Cornelis Pompe van Meerdervoort, lid van de Oudraad te Dordrecht, enige kinderen en erfgenamen ab intestato van Maria Brandwijk van Blokland, weduwe van mr. Abraham Pompe van Meerdervoort, voor 5000 gl. aan mr. Jan de Back, lid van de Oudraad en ontvanger van de gemene middelen te Dordrecht, een huis op de Voorstraat omtrent het Steegoversloot, staande tussen het huis van Adriaan de Bruijn en dat van Gerrit Schroot. Het huis heeft van achteren een vrije uitgang in het Steegoversloot.

b. mr. Gerard Brandwijk van Blokland, gedoopt NG Dordrecht 9 mei 1695, gouverneur van Ternate (Nederlands-Indië), overleden Batavia 12 april 1755, trouwde Maria Weenendaal (Veenendaal)

c. Adriana Brandwijk van Blokland, gedoopt NG Dordrecht 17 juli 1697, begraven Dordrecht 20 febr. 1779, trouwde Gerecht/NG Dordrecht 10/17 mei 1719 (de bruidegom geassisteerd met zijn vader Pieter Onderwater, de bruid met Pieter van Brandwijk van Bloklandt, achtraad en veertigraad van Dordrecht en Geertruijt Francken, haar ouders) Mattheus Onderwater, jongman van Dordrecht (1719)

ONA Dordrecht inv. 579: op 28 april 1719 comp. Mattheus Onderwater, geassisteerd met zijn vader Pieter Onderwater, toekomstige bruidegom, en Adriana Brandwijk van Blokland, toekomstige bruid, geassisteerd met mr. Pieter Brandwijk van Blokland en Geertruijt Francken, haar ouders, om huwelijkse voorwaarden te maken. Zij benoemen de langstlevende van hen beiden tot voogd over hun minderjarige kinderen.