Beijs

I. Aernout Aertsz., jongman van Dordrecht (1632), tamboer onder de compagnie van graaf Maurits, kannenkoper te Dordrecht, overleden ca. 1654, trouwde NG Dordrecht 5/26 dec. 1632 Sijtgen Gerrits, jonge dochter van Breda wonende achter het stadhuis (1632)

ORA Dordrecht inv. 1623, f. 124v: op 9 sept. 1671 verkopen Philips Aernoutsz. Beijs, bakker en burger van Dordrecht, voor zichzelf en als procuratie hebbende van Jacobus Moliers, echtgenoot van Anna Aernoutsdr. Beijs, samen kinderen en erfgenamen van Aernout Beijs, voor 2600 gl. aan Pieter Jurriaensen, burger van Dordrecht, een huis achter het stadhuis van Dordrecht, waar uithangt “de Groene Sluijer”, staande tussen de brouwerij van mr. Hendrik Onderwater en het huis van de weduwe van Jacob Teruwen.

Kinderen:

a. Anna Aernoutsdr. Beijs, gedoopt NG Dordrecht jan. 1634, trouwde Jacob Molier(s), twijnder

b. Philippus Aernoutsz. Beijs, gedoopt NG Dordrecht febr. 1637, volgt II

c. Geerid Aernoutsz. Beijs, gesneuveld in Taiwan, ca. 1662

ONA Dordrecht inv. 328, f. 200: op 29 okt. 1664 verklaren kapitein Johan van der Endt en Thomas Fransz. Beijs, burgers van Dordrecht, op verzoek van Jacob Molier, als man van Anneken Aernoutsdr. Beijs, en Philps Aernoutsz. Beijs, dat zij hebben gekend Aernout Aertsz. Beijs, kannenkoper en burger van Dordrecht, wonende achter het stadhuis van Dordrecht, die ongeveer 10 jaar eerder is overleden en heeft nagelaten niet meer dan drie kinderen uit één huwelijk, t.w. Anneken Aernoutsdr. Beijs, Philps Aernoutsz. Beijs en Geerid Aernoutsz. Beijs. laatstgenoemde is 7 of 8 jaar eerder naar Oost-Indië vertrokken en is naar zij, getuigen, vernomen hebben in de slag om Taiwan omgekomen *. Thomas Fransz. Beijs is een volle neef van de rekwiranten en kapitein Van der Endt is voogd geweest over de kinderen van Aernout Aertsz. Beijs. Jacob Molier en Philps Aernoutsz. Beijs verlenen procuratie aan Herman van Steenwech, koopman wonende te Amsterdam, om van de bewindhebbers van de VOC (kamer Amsterdam) in ontvangst te nemen de gage, die hun zwager resp. broer op zijn reis verdiend heeft.

* Opstandelingen onder leiding van Koxinga gingen in 1661 de strijd aan met de Nederlanders op Formosa (Taiwan). Met de overgave van Fort Zeelandia kwam er een einde aan de Nederlandse vestiging op Formosa (jan. 1662) (wikipedia)

ONA Dordrecht inv. 180, f. 469: op 25 okt. 1663 verklaren kapitein Johan Huijgen van der Endt, als voogd van Geerit Aernoutsz. de Beijs, die thans in het buitenland verblijft, en Philips Aernoutsz. de Beijs, jongman en burger van Dordrecht, enerzijds en Jacob Moliers, als man van Anneken Aernoutsdr. de Beijs, anderzijds overeengekomen te zijn, dat Jacob Moliers het huis, dat is nagelaten door Aernout Aertsz. de Beijs, op zijn erfdeel zal aannemen voor 3100 gl. Voorwaarde daarbij is dat Moliers aan Philips een nieuwe hoed van 12 gl. zal geven en dat Jacob en Philips aan Geerit, als die in Nederland terugkeert, eveneens een nieuwe hoed van 12 gl. zal schenken.

ONA Dordrecht inv. 181, f. 200: op 14 okt. 1665 verklaren Philips Aernoutsz. de Beijs, bakker en burger van Dordrecht, en Jacobus Moliers, als man van Anna Aernoutsdr. Beijs, onderling de boedel, die is naargelaten door hun vader resp. schoonvader Aernout Aertsz. Beijs, verdeeld te hebben, alsmede het derde deel daarvan, dat toekwam aan hun broer resp. zwager Geerit Aernoutsz. de Beijs, die in Oost-Indië is overleden. Jacobus Moliers krijgt de winkelwaren en het huis, dat staat achter het stadhuis bij de Lombardstraat tussen de brouwerij van Boudewijn Onderwater, genaamd “de Drie Witte Leliën”, en het huis van Jacob Terwen. Daarvoor heeft Moliers zijn zwager Philips Beijs voldaan met goederen en contant geld, alsmede met het verlijden van een obligatie van 125 gl.

II. Philippus Aernoutsz. Beijs (Bues), gedoopt NG Dordrecht febr. 1637, jongman van Dordrecht wonende achter het stadhuis (1664), bakker, koster van de Grote Kerk, trouwde 1e NG Dordrecht 20 april 1664 (ondertrouw) Pietertge Roelandts, jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Grote Kerk (1664), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 2 juni 1691 (een baar voor Pietertje Roelants, de vrouw van Philips Beijs, “de suppoosten vrij in plaats van gelt memorie”), trouwde 2e Ariaentje Leenders

ONA Dordrecht inv. 230, f. 79: op 21 april 1667 testeren Philippus Aernoutsz. Beijs, bakker en zijn vrouw Pietertgen Roelantsdr., hij ziek in bed liggende, zij gezond. Zij benoemen tot erfgenaam en voogd over hun minderjarige erfgenamen de langstlevende van hen beiden, die gehouden zal zijn hun kinderen te onderhouden tot hun mondigheid of huwelijk en dan als zij gaan trouwen onder hen allen een somma van 300 gl. uit te keren. Als de eerststervende van hen beiden zonder kinderen na te laten komt te overlijden, zal dat bedrag weer komen aan de langstlevende. Als de langstlevende zonder te hertrouwen komt te overlijden, moeten diens goederen elk voor de helft verdeeld worden onder hun wederzijdse erfgenamen ab intestato. In dat laatste geval prelegateren zij aan Joris Cornelisz. Mol een bedrag van 100 gl.

ONA Dordrecht inv. 230, f. 381: op 8 juni 1668 legt Johannes Verhagen, verver en burger van Dordrecht, 42 jaar oud, op verzoek van Phillips Aernoutsz. Beijs, bakker en burger van Dordrecht, een verklaring af. De getuige zegt, dat hij op 4 juni 1668 met Beijs, Jan de Laet, Willem Luijpert, … [sic] Mom, Pieter Gonne, Jacob Stoop en enkele andere personen is geweest in zijn tuin, gelegen buiten de St. Jorispoort, om daar een glas wijn met elkaar te drinken en zo “te vermijden d’onlusten die zij vreesden, dat veel licht souden ontstaan, op de groote zale in St. Joris Doele [te Dordrecht] … alwaer ten versoecke van … Capitein de Vries bij den anderen geconvoceert waren de geheele compagnie Borgers vant VIe vendel (daer onder hij getuijge ende d’voorsz. persoonen mede behooren) omme aldaer t’ontfangen ende genieten soodanigen tractement als den voorsz. Capt. aende geseijde compagnie wegens het laetste pincxter trecken soude gelieven te doen. Ende dat zij alsoo in de voorsz. thuijn bijden anderen sijnde, eerst een glas wijn op de gesontheijt van de luijtenant, vendrich, sergianten, corporaals ende adelborsten van de voorsz. compagnie wierde ingesteld, met dese bijgevoegde woorden Stront voor den Capiteijn, denoterende daermede den voorn. Capt. de Vries, dat d’selve conditie also voortgegaen sijnde, daernaer de gesontheijt vande prins van Orange bij iemant vant geselschap wierde ingestelt, de welcke den requirant niet voluijt bescheijt en dede, gevende een gedeelte vande wijn aen ander over, t’welck gemerckt sijnde dat hij requirant daer op bij’t geselschap op haer manier gecondemneert wierde twee glasen te drincken, waer mede besich sijnde, dat ondertusschen des requirants hoet bij iemant weggenomen ende op den bril [?] vant secreet gebracht sijnde, soo heme getuijge door den voorn. de Laet wierde geseijt, daer over tusschen den requirant ende den voorn. Luijpert differentie ontstaen en weder affgedroncken sijnde, dat daer den requirant metten voorn. de Laet hantgemeen en oock weder gescheijden sijnde, den selven de Laet in het thuijn huijsken quam, van aldaer opnemende een stuck van een blauwen tichelsteen, dat aldaer op tafel met eenich vier om toeback aen te steecken lach, daer op den requirant die bloots hoofts stont, weder aentastende, ende met het voorn. stuck steen dapper op sijn bloot hooft sloech, ende soodanich quetste dat den selven seer bloede, werdende alsoo wederom vanden anderen gescheijden ende den requirant op sijn verzoek uijtten thuijn gelaten”.

ONA Dordrecht inv. 326, f. 77: op 16 nov. 1681 verklaren Jacob Goudriaen, Pieter Spijckers en Philips Beijs, boekhouder en dekens van het Bakkersgilde te Dordrecht, op verzoek van de dekens van het Bakkersgillde te Rotterdam, dat zij en al hun gildebroeders op last van de regering van Dordrecht aan de korenmolenaars van Dordrecht als maalloon van iedere last koren, zowel rogge als tarwe, moeten betalen 8 gl. 16 st., waarvoor de molenaars het koren van de zolders van hun, attestanten, moeten halen en het meel weer naar hun bakkerij moeten brengen. De getuigen verwachten, dat bij “dese lastige ende becommerlijcke neeringloose tijden” de molenaars niet zal worden toegestaan meer loon te ontvangen.

ORA Dordrecht inv. 1750, f. 93v: op 16 mei 1699 verkopen “Michiel vander Monden, Borger deser Stad Dord.t, als in egte gehad hebbende, Juff.w Maria Mol, die geinstitueerde Erffgenaam was, uijt kragte vanden Testamente van wijlen Frans Cornsz. Mol, in sijn leven Stadtsbode, en(de) koster ter Grooterkerk binnen deser Stad, en Maaijken Jans van Oldenzeel, in haar leven egteluijden waren des voornoemden Michiel vander Monden huijsvrouwe grootvader en(de) grootmoeder, mitsgaders behoud groot vader, ende behoud groot moeder resp.e waren, ende den meer voornoemden Michiel vander Monden, nog in qualite als eenigh geinstitueerde Erffgenaam, van wijlen de voorseijde Maria Mol sijnen huijsvrouwe was, Srs. Roelandt Beijs, wijncooper, en(de) Arnoldus Beijs, koster ter Grooterkerk binnen deser Stad beijde in qualite als gesubstitueerde Erffgenamen bij representatie vermogens den Testamente van wijlen den voorn. Frans Cornelisse Mol, haren Out Oom was, mitsgaders nogh Hugo Knoop, binne vader, ofte meester in het arme Weeshuijs binnen deser voorne. Stad, in qualite als gestelde Testamentaire voogdt over Hendricus Beijs, en(de) Lecia Beijs, minderjarige kinderen ende Erffgenamen, van wijlen Philips Beijs, in sijn leven mede koster ter Grooter kerk alhier was, ende Petronella Roelandts, in haar leven egte luijden waren, haren vader en(de) moeder respective sijn geweest, en(de) welcke voornoemde Hendricus, en(de) Lecia Beijs, mede bij representatie, gesubstitueerde Erffgenamen sijn, beneffens den voorn. Roeland, en(de) Arnoldus Beijs, insgelijcx vermogens den Testamente van wijlen den voormelten Frans Cornsz. Mol, mede haren Out oom was, uijt den hoofde van haere moeder Petronella Roelandts voornoemt”, voor 645 gl. aan mr. Witte de Back een tuin buiten de Spuipoort aan de straatweg, liggende tussen de tuin van Wouter van Oirschot koopman en die van Lodewijk Terwe koopman.

ORA Dordrecht inv. 1637, f. 62: op 16 mei 1699 verkopen “Michiel vander Monden, Borger deser Stad Dord.t, als in egte gehad hebbende, Juff.w Maria Mol, die geinstitueerde Erffgenaam was, uijt kragte vanden Testamente van wijlen Frans Cornsz. Mol, in sijn leven Stadtsbode, en(de) koster ter Grooterkerk binnen deser Stad, en Maaijken Jans van Oldenzeel, in haar leven egteluijden waren des voornoemden Michiel vander Monden huijsvrouwe grootvader en(de) grootmoeder, mitsgaders behoud groot vader, ende behoud groot moeder resp.e waren, ende den meer voornoemden Michiel vander Monden, nog in qualite als eenigh geinstitueerde Erffgenaam, van wijlen de voorseijde Maria Mol sijnen huijsvrouwe was, Srs. Roelandt Beijs, wijncooper, en(de) Arnoldus Beijs, koster ter Grooterkerk binnen deser Stad beijde in qualite als gesubstitueerde Erffgenamen bij representatie vermogens den Testamente van wijlen den voorn. Frans Cornelisse Mol, haren Out Oom was, mitsgaders nogh Hugo Knoop, binne vader, ofte meester in het arme Weeshuijs binnen deser voorne. Stad, in qualite als gestelde Testamentaire voogdt over Hendricus Beijs, en(de) Lecia Beijs, minderjarige kinderen ende Erffgenamen, van wijlen Philips Beijs, in sijn leven mede koster ter Grooter kerk alhier was, ende Petronella Roelandts, in haar leven egte luijden waren, haren vader en(de) moeder respective sijn geweest, en(de) welcke voornoemde Hendricus, en(de) Lecia Beijs, mede bij representatie, gesubstitueerde Erffgenamen sijn, beneffens den voorn. Roeland, en(de) Arnoldus Beijs, insgelijcx vermogens den Testamente van wijlen den voormelten Frans Cornsz. Mol, mede haren Out oom was, uijt den hoofde van haere moeder Petronella Roelandts voornoemt”, voor 3500 gl. aan Lourens van der Made, roklijfmaker en burger van Dordrecht, een huis in de Voorstraat omtrent de Beurs, vanouds genaamd “de Drie Mooren”, staande tussen het huis van de erfgenamen van Willem van Blijenbergh en dat van Jacobus van Botland. De koper en zijn vrouw, Cornelia van Beek, zijn schuldig aan Catharina Bruijn, ongehuwde persoon en burgeres van Dordrecht, een somma van 2700 gl.

ORA Dordrecht inv. 1637, f. 65: op 16 mei 1699 verkopen “Michiel vander Monden, Borger deser Stad Dord.t, als in egte gehad hebbende, Juff.w Maria Mol, die geinstitueerde Erffgenaam was, uijt kragte vanden Testamente van wijlen Frans Cornsz. Mol, in sijn leven Stadtsbode, en(de) koster ter Grooterkerk binnen deser Stad, en Maaijken Jans van Oldenzeel, in haar leven egteluijden waren des voornoemden Michiel vander Monden huijsvrouwe grootvader en(de) grootmoeder, mitsgaders behoud groot vader, ende behoud groot moeder resp.e waren, ende den meer voornoemden Michiel vander Monden, nog in qualite als eenigh geinstitueerde Erffgenaam, van wijlen de voorseijde Maria Mol sijnen huijsvrouwe was, Srs. Roelandt Beijs, wijncooper, en(de) Arnoldus Beijs, koster ter Grooterkerk binnen deser Stad beijde in qualite als gesubstitueerde Erffgenamen bij representatie vermogens den Testamente van wijlen den voorn. Frans Cornelisse Mol, haren Out Oom was, mitsgaders nogh Hugo Knoop, binne vader, ofte meester in het arme Weeshuijs binnen deser voorne. Stad, in qualite als gestelde Testamentaire voogdt over Hendricus Beijs, en(de) Lecia Beijs, minderjarige kinderen ende Erffgenamen, van wijlen Philips Beijs, in sijn leven mede koster ter Grooter kerk alhier was, ende Petronella Roelandts, in haar leven egte luijden waren, haren vader en(de) moeder respective sijn geweest, en(de) welcke voornoemde Hendricus, en(de) Lecia Beijs, mede bij representatie, gesubstitueerde Erffgenamen sijn, beneffens den voorn. Roeland, en(de) Arnoldus Beijs, insgelijcx vermogens den Testamente van wijlen den voormelten Frans Cornsz. Mol, mede haren Out oom was, uijt den hoofde van haere moeder Petronella Roelandts voornoemt”, voor 3030 gl. aan Johannes de Gilde, mr. smid en burger van Dordrecht, een huis in de Wijnstraat omtrent de Visbrug, vanouds genaamd “de Bouquetschaal”, staande tussen het huis van Catarina van den End en dat van Jan Jansz. Blanckert. De koper is schuldig aan Maria de Schepper, weduwe van Adam de Gilde, een bedrag van 2000 gl.

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Roeland Beijs, 5 mrt. 1666, volgt III

b. Arnoldus Beijs, 5 febr. 1670, jongman van Dordrecht wonende aan de Grote Kerk (1698), koster van de Grote Kerk, trouwde Gerecht/NG Dordrecht 11/25 mei 1698 (de bruidegom geassisteerd met Roelant Beijs, zijn broer, de bruid met van Coijck, haar tante) Jacomina van Coijck, jonge dochter van Dordrecht wonende aan de Grote Kerk (1698)

ORA Dordrecht inv. 1655, f. 39v e.v.: op 8 mei 1738 verkopen Pieternella Beijs en Philip Beijs, zuster en broer, burgers van Dordrecht, enige kinderen en erfgenamen van Jacomina van Koijck, weduwe van Arnold Beijs, volgens testament gepasseerd voor notaris R. Nolthenius te Dordrecht op 18 mei 1733, voor 3000 gl. aan Anthonia Steijaert, weduwe van Daniël Rolandus, wonende te Dordrecht, een huis in de Voorstraat tegenover de Pelserbrug, staande tussen het huis van Nicolaas de Bondt en dat van de weduwe Jacob Braats.

Kinderen:

b-1. Pieternella Beijs, gedoopt NG Dordrecht 5 april 1699, trouwde Henricus Beijs (zie IIIc)

b-2. Philip Beijs, gedoopt NG Dordrecht 10 juli 1701

b-3. Johanna, gedoopt NG Dordrecht 2 nov. 1702

c. ds. Henricus Beijs, 5 febr. 1672

d. Lucia (Lucia) Beijs, 16 nov. 1679, jonge dochter van Dordrecht wonende aan de Grote Kerk (1699), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 26 april 1699 (de bruidegom geassisteerd met zijn vader Jan Cornelisz. van Coijck, de bruid met haar aangetrouwde moeder Ariaentje Leenders, weduwe van Philip Beijs) Cornelis van Koijk, jongman van Dordrecht wonende aan de Grote Kerk (1699)

Kinderen (allen NG gedoopt in Dordrecht):

d-1. Philip, 12 okt. 1705

d-2. Johanna, 16 aug. 1708

d-3. Geertruijd, 23 okt. 1710

d-4. Arnoldus, 27 okt. 1712

III. Roeland Beijs, gedoopt NG Dordrecht 5 mrt. 1666, jongman van Dordrecht wonende bij de Grote Kerk (1689), weduwnaar van Dordrecht wonende ald. (1722), wijnkoper, trouwde Gerecht/NG Dordrecht 17 april 1689 Maria Costerus, jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Sluispoort (1689), 2e Gerecht/NG Dordrecht 23 april 1722 (ondertrouw; volgens attestatie van ondertrouw te Vianen) Cornelia Brakman, geboren te ‘s-Gravenhage wonende in Vianen (1722), trouwde 1e Hermanus van Reverhorst

ORA Dordrecht inv. 1649, f. 9: op 24 febr. 1720 verkoopt Roeland Beijs, koopman te Dordrecht, voor 1000 gl. aan Steven en Maaijken Cramerhijn, wonende onder de jurisdictie van Dordrecht, een huis in de Voorstraat bij de Spuistraat, staande tussen het huis van de vrouwe van Puttershoek en dat van de weduwe van Mattheus Bridels.

ORA Dordrecht inv. 1753, f. 10v: op 30 juli 1720 verkoopt Bartholomeus van Gelsdorp, notaris te Dordrecht, als curator van de boedel van Roeland Beijs, voor 2900 gl. aan Willem van Wessel, koopman in Den Haag, een huis aan de Vuilpoort, staande tussen het huis van Jan van Tiel en dat van Petrus van Amerongen.

Kinderen (o.a.; allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Cornelia, 20 nov. 1692

b. Philippus Beijs, 28 mrt. 1694, jongman van Dordrecht wonende bij het Bagijnhof (1734), overleden tussen 16 juni 1744 en 27 sept. 1749 (trouwregister Gerecht/NG Dordrecht, inschrijving dd 27 sept. 1749), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 13/31 nov. 1734 Hester Nekkelmans, geboren naar schatting ca. 1700, jonge dochter van Mulheijm wonende bij het Steegoversloot (1723), weduwe van Mulheijm wonende in de Doelstraat (1728, 1734), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 19 febr. 1759 (Hester Nekkelmans, weduwe van Philips Beijs, in de Doelstraat, “een zoon uijtlandig na alle aprensie doodt”, met twee koetsen extra), trouwde 1e Gerecht/NG Dordrecht 18 sept./5 okt. 1723 (de bruid met schriftelijk consent van Pieter Neckelmans en Ermke Wijnes, haar ouders) Herman van Zoelen, weduwnaar van Zoelen in Gelderland wonende in de Doelstraat (1723), 2e Gerecht/NG Dordrecht 30 okt./14 nov. 1728 Christoffel Dermoeij, jongman van Dordrecht wonende bij de Beurs (1728)

ORA Dordrecht inv. 1657, f. 30: op 16 juni 1744 verkoopt Philips Beijs, burger van Dordrecht, voor 900 gl. aan Barbera, Elisabeth en Maria van den Bank, wonende te Dordrecht, ene huis voor het Bagijnhof, staande tussen het huis van Franchois van der Hoop en dat van Jan van Nispen.

ORA Dordrecht inv. 1662, f. 205: overeenkomstig het rekest van 6 nov. 1759 van Hendrik van Ardennen, koopman, en Kornelis Dermoeij, mr. zilversmid, beiden wonende te Dordrecht, als executeurs van het testament, dat is gepasseerd [op 2 febr. 1759 ten overstaan van Jan van der Star, notaris te Dordrecht (Weeskamer Dordrecht inv. 36, f. 20v)] door Hester Nekkelmans, laatst weduwe van Philippus Beijs, die gewoond heeft en is overleden te Dordrecht, mag het huis, staande in de Doelstraat naast de Munt, dat is nagelaten door Hester, die tot erfgename heeft benoemd haar nicht Hanna Haringhuijsen, de vrouw van Fredrik de Koning, niet verkocht, bezwaard of veranderd worden. (Deze akte is geroyeerd op 20 juli 1781.)

c. Henricus Beijs, 23 okt. 1695, jongman van Dordrecht wonende bij de Vuilpoort (1719), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 29 okt./12 nov. 1719 (de bruidegom geassisteerd met zijn vader Roeland Beijs, de bruid met Jacomina van der Kooijk, weduwe van Arnold Beijs, haar moeder) Pieternella Beijs, gedoopt NG Dordrecht 5 april 1699, jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Grote Kerk (1719), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 24 april 1779 (Pieternella Beijs, weduwe van Jan [sic] Beijs, in de Grotekerksbuurt, laat geen kinderen na, met een koets extra)

Kind:

c-1. Maria Beijs, gedoopt NG Dordrecht 5 sept. 1720, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 2 jan. 1762 (Marija Beijs, bij de Grote Kerk, beide ouders leven, een koets extra)

d. Judith, 29 nov. 1696

e. Rolandus, 15 febr. 1700

f. Pieter, 16 mei 1701