Diverse akten uit het Oud Notariële Archief van Dordrecht (archief 20).
(De volgorde is chronologisch. Tussen haakjes het inventarisnummer en eventueel akte- en/of folionummer.)
20 juni 1602: verklaring door Adriaen Jansz. de Haen, 44 jaar oud, en Simon Simonsz., kooplieden van huiden en burgers van Dordrecht, op verzoek van mr. Davidt d’Espinoij, chirurgijn te Dordrecht. Zij getuigen, dat sedert 6 juni uit Oostende in Dordrecht gekomen zijn een aantal uitheemse soldaten, en dat zij, beiden wonende naast mr. Davidt, gezien hebben, dat “vele ende diversche, zoe Engelsche , Fransche, als Nederlandsche soldaten tsijns … huijse sijn gecomen, zeer gequetst en gewont versoeckende aen [hem] … verbonden te sijn dier hij Requirant refuseerde door dien hij verclaerde voor henen ettelijke verbonden te hebben, daer hij noijt geene belooninghe voor genoten en hadde”. Andere soldaten, die beiden gewond waren, hebben gedreigd bij hem de ruiten te zullen ingooien,en vervolgensheeft hij toch maar besloten om hen te verzorgen, deels van wege dat dreigement en deels uit compassie. Daarna heeft hij grote toeloop van gewonde soldaten gehad, die hij meestal behandeld heeft, hopende, dat hij door de regering van het gewest Holland of door het stadsbestuur van Dordrecht daarvoor te zijner tijd een vergoeding zou krijgen. Toen de deposanten zagen, dat D’Espinoij enige gewonde soldaten verbonden had, die zonder die behandeling zeker doodgebloed zouden zijn, hebben zij uit medelijden met de gewonde soldaten besloten D’Espinoij voor zijn moeite en onkosten een vergoeding te geven, indien en voor zover althans de respectieve overheden dat niet zouden doen. (2, zonder folionrs.)

Oostende werd tussen 1601 en 1604 door de Spanjaarden belegerd.
28 april 1614: testament van Henrick Aelbertsz. droogscheerder wonende te Dordrecht en zijn vrouw Sara Coleth, hij ziek te bed liggende, zij gezond. Hij heeft twee voorkinderen, genaamd Aelbert Henricxsz. en Aeltgen Henricxdr. Zij benoemen tot voogden de langstevende van hen beiden, benevens haar broer Lambrecht Coleth. (28, f. 96v e.v.)
19 dec. 1618: boedelscheiding tussen Jaepken Jansdr., weduwe van Gillis Pietersz. Romeijn, in zijn leven houtkoper en burger van Dordrecht, geassisteerd met Johan Cornelisz. vleeshouwer en Huijch [Cornelisz.] Calis, secretaris van Alblas, resp. haar vader en neef, als haar gekoren voogden in deze en Claes Pietersz. hoedenstoffeerder en Johan Anthonisz. Block, als man en voogd van Cristina Pietersdr., resp. broeder en zwager van Gillis Pietersz. [Romeijn] en erfgenamen ab intestato (23, f. 405 e.v.)
24 nov. 1620: verklaart Barent Michielsz. van Venlo, smid, 35 jaar oud, op verzoek van Jacob Jacobsz. haakmaker, dat hij de avond tevoren, komende op de Tolbug, gehoord heeft zeker gerucht en ook dat zekere persoon riep Hout den dieff, hout den dieff, dat toen hij gekomen was omtrent het huis van Hubert van Sevender aangevat heeft Henrick Geeritsz. Spel, die hij “wel meer gesijen hadde ende hij … vraegende den requirant wat hij gedaen hadde seijde den requirant hij heeft mijn stoup bescheten”, waarop Henrick Geeritsz. zei, dat dat niet waar was. De rekwirant heeft daarop gezegd: “Sout ghij dat ontkennen, u brouck is noch aff”. De getuige zag dat dat waar was, “te weeten dat hij de brouck met sijn handt vast was houdende, ende dat het hempt achter buijten over sijn brouck was hangende”. Abraham de Lanijer, 25 jaar oud, en Reijnijer Pietersz. borduurwerker, 22 jaar, wonende te Dordrecht, verklaren gezien te hebben, dat Henrick Gerritsz. met zijn broek los “ende geheel om leech hangende” omtrent het huis “de Verkeerde Werelt” stond en dat de rekwirant hem ervan beschuldigde, dat hij zijn stoep bevuild had, wijzende naar Henrick Gerritsz., dat zijn broek omlaag hing “ende ongenestelt, twelck sij getuijgen oock saegen ende dat den brouck tot meermalen vuijt sijn hant schoot … verclaeren sij getuijgen alle drie dat sij gegaen sijn met den requirant ende gesijen dat de stoute ende deuren vande requirant met menschen dreck seer bevuijlt … was”. (25, f. 331) .
12 juni 1628: Testament van Cornelis Claesz. Stoop huistimmerman en zijn vrouw Cornelia Pietersdr., burgers van Dordrecht (mutueel testament). (70, f. 121v e.v.)
[4 mei 1654: Cornelia Pieters, weduwe van Cornelis Claesz. Stoop, verkoopt aan Joris Jansz. Penijn een huis in de Vrankenstraat, staande tussen het huis van Leendert van Ingen en dat van Jan Jans. (ORA Dordrecht inv. 779, f. 95v)]
7 aug. 1634: comp. Pieter Blockee twijnder en Lambert Lucasz. schipper, beiden burgers van Dordrecht. Verklaring op verzoek van Dirck Baltsz. Struijck, wonende op Papendrecht. De eerste comparant getuigt, “dat hij uijten mont van Herman Jansz. Verwout van Amsterdam verscheijden ende meenichmaelen heeft verstaen, dat hij Verwout is gecomen op Saterdach voorleden ’s avonts tussen 6 ende 7 uijren opten Rietdijck, ende dat hij aldaer gevraecht heeft naer een wagen op Amsterdam ende dat hem voor een wagen omme hem ende sijn geselschap te voeren op Amsterdam is geëijscht eerst XIII gl. ende noch eens XII gl., maer dat hij daerop geen gelt heeft geboden, ende dat hij Verwout daenaer heeft gevraecht waer den voerman was die hem XII gl. geëijscht hadde, het welcke den voorsz. Dirck Baltsz. Struijck was, den welcken terstont seijde Hier ben ick mijn heer.” De tweede comparant verklaart, “dat hij selffs present geweest [is]en gehoort heeft, dat den voorn. Verwout den voorsz. Struijck eerst heeft geboden X gulden ende een roggenbroot voor de paerden, datelijck daernae bode hij elff gulden ende een roggenbroot, des soo begeerde hij van hem Struijck gevoert te wesen ende van anders nijemant, waerop den voorsz. Struijck seijde ick en soude niet geern met crackeel te doen hebben, soo hadde ick liever datse wierpen, want ick salder mede om smacken [dobbelen], waerop den voorsz. Verwout antwoorde dat hij niet en begeerde van ijemant anders gevoert te sijn als van hem (te weten den voorsz. Struijck). Waerop hij Lambert Lucasz. seijde Wat heerschap, wilt gij se niet laten smacken. Het een is sijn swager, het ander is sijn cosijn ende zij hebben alle du ende goet gereetschap. Daerop hij Verwout antwoorde dat hij nijemant anders en begeerde als den voorsz. Struijck seggende Mach ick niet nemen dien ick wil, ick en hebbe niemant anders gelt geboden als hem. Maeckt gij u wagen claer.” (80, f. 120)
[Dirck Balthensz. [Struijck], van Papendrecht, weduwnaar van Pietertgen Jans, trouwde NG Alblasserdam 13 sept. 1637 (otr.) Haeschgen Lauwen, geboren naar schatting ca. 1610, jonge dochter van Alblasserdam (1630),weduwe van Laurens Arijensz., van Alblasserdam (1637), trouwde 1e NG Alblasserdam 27 jan. 1630 (otr.) Laurens Arijensz. (Baten), jongman van Nieuw-Lekkerland (1630), overleden ca. 1635
Weeskamer Alblasserdam inv. 2, 22 febr. 1631: comp. voor schout en heemraad van Alblasserdam Marieken Woutersdr., weduwe van Louris Schallicxsz. [Schalcken], geassisteerd met haar broer Jan Woutersz., enerzijds, contra Pieter Schallicxsz., oom en voogd van de weeskinderen van wijlen Louris Schallicxsz. en Jacob Jansz., mede oom van de kinderen, anderzijds. Comparanten zijn tot een overeenkomst gekomen betreffende de verdeling van de goederen, die zijn nagelaten door voornoemde Louris Schallicxsz.Marieken Woutersdr.,weduwe en moeder van Louris’ kinderen, zal in eigendom behoudenhuis, hof, erf, “kennipwerff”, land, griendingen en alle overigeonroerende en roerende goederen, op voorwaarde, dat zijaan ieder kind een bedrag van 60 gl. zal uitkeren en haar onmondige kinderen zal alimenteren, opvoeden etc. tot hun achttiende jaar. Voor de nakoming daarvan verbindt zij haar huis,staande op de Kinderdijk. De kinderen zijn: HauwikenLourisdr., “voljarig” en gehuwd met Louris Baten, Leengen Lourisdr., mede mondig en “voljarig”, Neeltgen Lourisdr., op Ridderkerkse kermis 1631 ongeveer 16 jaar oud, Erxgen Lourisdr., ongeveer 13 jaar oud en Schalck Lourisz., met Kerstmis 1631 ongeveer 6 jaar oud.
Kinderen:
Ex 1:
a. Jan Dircksz. Struijck, geboren ca. 1630 (ONA Dordrecht inv. 231, f. 427, akte dd 17 april 1670), trouwde naar schatting ca. 1665 Marichjen Ariens, geboren ca. 1645 (ONA Dordrecht inv. 231, f. 426, akte dd 15 april 1670)
Kinderen (o.a.)
a-1. Neeltie, gedoopt NG Papendrecht 19 okt. 1670
a-2. Pietertie, gedoopt NG Papendrecht 15 mei 1672
a-3. Aertje, gedoopt NG Papendrecht 13 juni 1686
Ex 2:
b. Pieter Dircksz. Struijck, geboren naar schatting ca. 1640, trouwde NN
Kinderen (o.a.):
b-1. Hadewy, gedoopt NG Papendrecht 6 dec. 1671
b-2. Jacob, gedoopt NG Papendrecht 14 jan. 1680
c. Laurens Dirksz. Struijck
d. Truijchien, gedoopt NG Papendrecht 12 aug. 1645]
6 mei 1636: comp. voor notaris D. Eelbo Jan Toepoot, burger te Geeresheijm in het vorstendom Berg, als procuratie hebbende van Marguarite Papenhoff, zuster van wijlen Oloff Papenhoff, volgens procuratie gepasseerd voor burgemeester, schepenen en raad van Geeresheijm op 22 april 1636, en Salomon Haenen, burger te Ratingen in het vorstendom Berg, als procuratie hebbende van Rutger, Wilhelm en Borgert [Papenhoff], zoons van wijlen Godert Papenhoff, die een broeder was van voornoemde Oloff Papenhoff, welke procuratie is gepasseerd voor rechter, burgemeester en schepenen van Ratingen op 24 april 1636. Genoemde procuraties geven de comparanten volmacht om voor de constituanten, als erfgenamen van Oloff Papenhoff, resp. hun broer en oom, te vorderen en in ontvangst te nemen alle kredieten, goederen en koopmanschappen, die Oloff Papenhoff tijdens zijn leven, zowel in Holland als in Londen en elders,had uitstaan of nog had liggen, in het bijzonder hetgeen hij nog te vorderen had van Paulus van de Velde, wonende te Londen, “opt Staelhoff”. De comparanten verklaren, dat zij in hun plaats als gemachtigde aanstellen Cornelis Aertsen, schipper varende op Londen,opdat hij hetgeenhiervoren vermeld staatzal invorderen.Akte door beiden ondertekend. De eerste comparant tekent met “Zu P[oot?]”. (ONA Dordrecht inv. 59, f. 104v e.v.)
7 nov. 1636: testament van Lambert Colet, zoon van Nicolaes Colet en Maria Lambertsdr., beiden zaliger.Lambert is een jongman van ongeveer 18 jaar oud. Hij benoemt toterfgenaam zijn stiefmoeder Beatricx Evertsdr. en bij vooroverlijden haar zuster Jenneken Evertsdr. Hij tekent met “Lambert Claesz. Colet”. (59, f. 335 e.v.)
1 mei 1640: comp. voor notaris D. Eelbo Jan Aelbertsz. Redervelt, Jeremias Aelbertsz. Redervelt, Andries Jeremiasz. wagenmaker en Coenraet Damasz. [van der Linde], beiden als voogden van Abraham Aelbertsz. Redervelt, allen kinderen van wijlen Aelbert Jansz. Redervelten Elisabeth Jeremiasdr., hun vader en moeder zaliger. Zij hebben onderling verdeeld alle goederen die hun ouders hebben nagelaten. Jan Aelbertsz. is bij de kaveling te beurt gevallen – boven het grootste deel van de huisraad – het huis, waarin zijn ouders zijn overleden, staande in de Vleeshouwersstraat tussen het huis van Jan Govertsz. ijzerkoper en dat van Aert Coenen van Isenbroeck koekenbakker, op voorwaarde dat hij aan zijn broers Jeremias en Abraham elk een bedrag van 1300 gl. zal betalen. Getuigen: Francois Bridouw en Joannes Coenraetsz., inwoners van Dordrecht. [60, f. 88v]
4 mrt. 1644: comp. Arijen Cornelisz. Roobol, als vader van Cornelis Arijensz. Roobol, aan wie Arijen Arijensz. Bramen door ongeluk en bij toeval manslag heeft begaan, Jan Arijensz. Roobol en Willem Arijensz. Roobol, broeders van de overledene, Frans Cornelisz., Cornelis Cornelisz., Bastiaen Cornelisz., Pieter Cornelisz., Cuijnder Schoutten, Willem Schoutten, allen ooms en behuwde ooms van de overledene, Pieter Pietersz. Besteman, oudoom van de overledene, Dirck Cornelisz., Jacob Cornelisz. de Heer, Willem Joosten, Jan Teunisz., Frans Dircxz. Gout, Cornelis Dircxz. Gout, Pleun Arijensz. van de Blaeck, Arijen Meeusz., Willem Pietersz. Besteman, allen naaste bloedverwanten van Cornelis Arijensz. Roobol, voor henzelf en vervangende andere, absente of onmondige bloedverwanten van voornoemde Roobol. Zij verklaren overeengekomen te zijn met Arijen Abrahamsz. Bramen, als vader en Ingentgen Dircxsdr., de vrouw van Arijen Arijensz. Bramen,dat, aangezien de manslagdoor ongeluk en bij toeval is geschied, zij Bramen uit de grond van hun hart hebben vergeven, belovende hem daarover niet meer te zullen “moeijen noch molesteren”, op voorwaarde, dat Arijen Arijensz. Braemen gehouden zal zijn alle naaste verwanten van de overledene “den wech te schouwen ende in geene gelagen te comen daer, de selve sijn, wijders dat sijluijden sullen betaelen aen de Armen van Dubbeldam de somme van thijen gulden alsmede alle de costen van de begraefenisse.” Aldus gedaan in tegenwoordigheid van Damis van Slingelant, schout van Dubbeldam en Claes Cornelisz. Fles, koopman te Dordrecht, als getuigen (84, f. 40r en 40 v)
3 mrt. 1645: comp. Willem Robbertsz. Vernock, 50 jaar oud en IJsaack Abrahamsz., 34 jaar oud, beiden blauwververs en dekenen van het Blauwverversgilde te Dordrecht. Zij verklaren op verzoek van Jaecques Terwen, burger van Utrecht, dat hij een meester van het voornoemde ambacht van blauwverven is. De eerste attestant verklaart dathij Terwen het vak heeft geleerd “ende alsulcx gesijen te hebben dat sijne handelinge ende prouff goet was.” Getuigen: Jacob Terwen zijdewerker en Steven Hermansz. Cool metselaar, burgers van Dordrecht. (42, f. 52 e.v.)

Verwerskapel. Gevelsteen in de Grote Spuistraat te Dordrecht. (www.gevelstenen.net)
18 aug. 1645: testament van Vincent Pietersz. speldenmaker en zijn vrouw Sara Abrahamsdr. Verhoop, burgers van Dordrecht, hij ziek in bed zittende, zij gezond. Zij benoemen tot erfgenaam de langstlevende van hen beiden, die gehouden zal zijn hun onmondige, ongehuwde dochter Martijntgen Senten te onderhouden etc. tot haar mondigheid of eerder huwelijk. (68, f. 239 e.v.)
9 jan. 1649: Anguineta Quirijnendr., weduwe van Willem Boll, en Neeltgen Corstiaensdr., weduwe van Jacob Dircxsz. Stoop, verklaren op verzoek van Henrijck Pietersz. van den Bosch, zeilmaker en burger van Dordrecht, dat zij op 3 jan. 1649 geweest zijn in de brouwerij “de Ruijt” en daar aan de vrouw van Hugo Repelaer gevraagd hebben of daar niet aanwezig was de dienstmaagd, van wie zij vernomen hebben, dat Hilleken heet en die eertijds gewoond heeft ten huize van Dirck van der Neth, wijnkoper buiten de Vuilpoort, en dat mevrouw Repelaer geantwoord heeft, dat die dienstmaagd achter in de brouwerij was. De getuigen zijn toen naar de dienstmaagd gegaan en hebben haar gevraagd of zij “ijetwes op [Henrijck van den Bosch] … te pretenderen of te seggen hadde, noopende eenige oneerlijkcheijt die den requirant haer soude voorgehouden mogen hebben”, waarop de dienstmaagd zei dat “hij haer noeijt eenige oneere hadde voorgehouden”. De getuigen hebben vervolgens tegen haar gezegd, “dat de spraack ginck, dat den requirant haer ’t eeniger tijt soude mogen hebben nagegaen”. De dienstmaagd ontkende, dat ten stelligste, en zei “dat sij den rquirant noeijt en hadde gekent als van aensijen ende dat sij hem was houdende voor een eerlijck man”. (45, f. 103)
30 april 1652: sommiere staat van de goederen nagelaten door Pieter de Bont, volgens inventaris opgesteld door notaris D. Eelbo op 1 mrt. 1650 en bevonden door notaris Corn. van Bijwaert op 30 april 1652. (Weeskamer Dordrecht inv. 22, f. 254 e.v.)
4 april 1655: testament van Johannes Jaspersz. van Meerwijck, koopman te Amsterdam, ongehuwd persoon, ziek te bed liggende. Hij herroept de huwelijkse voorwaarden, die hij heeft gemaakt met zijn bruid Maria van Gevenhuijsen Hendricxdr. Hij legateert aan haar de gouden ringen en juwelen, die hij haar reeds heeft gegeven, alsmede een somma van 1100 gl. Aan haar zuster Geertruijt van Gevenhuijsen legateert een gouden diamanten ring, aan Cornelis Cornelisz. Schoon, de halfbroer van zijn vader, een bedrag van 800 gl., aan de kinderen van wijlen Daniël Olis, halfbroer van zijn moeder, een somma van 150 gl., aan Jan Olis, halfbroer van zijn moeder, 150 gl., en aan Christina Olis, halfzuster van zijn moeder, een bedrag van 300 gl. Tot erfgenamen van al zijn overige goederen benoemt hij Jaques en Jan Olis, halfbroers van zijn moeder, of bij vooroverlijden hun nakomelingen. Tot executeurs van zijn testament en voogden over zijn minderjarige erfgenamen benoemt hij Jaques en Jan Olis. (134, f. 87)
14 febr. 1656: inventaris van de goederen, die zijn nagelaten door mr. Sebastiaen Francken, raad ordinaris van het Hof van Holland, en door Elisabeth Franssen, weduwe van Jacob van Casteren, op verzoek van Jacob Francken, Philippe Deodatij , zijn vrouw Elisabeth Francken en Roeloff Francken, kinderen en kindskinderen van Sebastiaen Francken en van Elisabeth Franssen, en ten overstaan van Jacob van Casteren, president van ‘s-Hertogenbosch en Cornelis van Eijssel, achtraad van Dordrecht, vervangende Aert de Hulter, die samen door Elisabeth Franssen zijn benoemd tot voogden over haar minderjarige erfgenamen.
Tot de boedel behoren o.a. tinwerk, blikwerk, koperwerk, ijzerwerk, zilverwerk, wapens, een harnas, juwelen, potpenningen en andere geldstukken, porselein, linnen, kleding, bedden en beddengoed, houtwerk, huisraad, rentebrieven en obligaties.
Portretten:
twee van overgrootvader en overgrootmoeder van de kinderen, een van overgrootvader Franchois Franssen, twee van Jacob van Casteren en Elisabeth Franssen, de grootouders van de kinderen, een van grootmoeder Van Casteren, een van wijlen Cornelis van Casteren, een van mr. Sebastiaen Francken en Jacobmina van Casteren, een van Jacob Cornelisz. van Casteren in een landschap, twee van dode kinderen.
Schilderijen (o.a.):
een schilderij van Poelenburch
een schilderijtje “sonder lijf” van Boots
een landschap van Van der Velde
Huizen e.d.:
een huis in de Wijnstraat tussen het huis van Allardt van Rhijn en dat van wijlen Rut Matthijsz. Cool, verhuurd geweest aan dr. Johannes de Jonge voor 325 gl. per jaar en wederom verhuurd door de erfgenamen aan het stadsbestuur van Dordrecht om bewoond te worden door “den Clarcke secretaris” van de Engelse Court voor 400 gl. per jaar.
een huis in de Gravenstraat tussen het voornoemde huis en de gang van het grote huis, verhuurd aan Jan Fransz. van der Fijt voor 100 gl. per jaar.
een huis in de Gravenstraat tussen het voornoemde huis en de gang aan de ene zijde en de gang van Allardt van Rijn aan de andere zijde, verhuurd aan de weduwe van Jacob Florijn glasmaker voor 60 gl. per jaar.
een tuin buiten de Spui- en Vriesepoort, in erfpacht gehouden voor 3 gl. per jaar
drie vierde parten in een huis in ‘s-Gravenhage op de Kneuterdijk, staande tussen de Hoge Nieuwstraat en het huis van de erfgenamen van de heer Hovius, waarvan het resterende vierde part toebehoort aan de heer Schellekens te Frankfort.
acht morgen land met een huis van ” plaijsance”, “meest bepoot en beplant” tot een boomgaard, tuin en moeshoven, liggende en staande in het ambacht van Voorburg op de Burch en naast de Delftse Vaart, door Sebastiaen Francken van diverse personen gekocht.
Schilderijen in het huis van ” plaisance” (o.a.):
een schilderij van Van Bassem
zes schilderijen van Cuijp
twee tempeltjes van Van Bassem
vijf schilderijtjes van Esaias van de Velde
een schilderij van idem, wat groter
twee zeetjes van [Simon] de Vlieger
Deze boedel heeft gemeen met de weduwe van de raadsheer Losa een graf op het koor van de St. Jacobskerk in ‘s-Gravenhage.
Land:
zeven morgen land in de Arkelsehoeve op Quackernaeck, strekkende van de Quackernaeckse molen tot aan de Nieuwlandse kade, te leen gehouden van de grafelijkheid van Holland. Mr. Jacob Francken, die pretendeert, dat het land hem alleen toekomt, is met Philippe Deodatij en de voogden van Roeloff Francken overeengekomen, dat het land in gemeenschappelijk bezit zal blijven, en dat hij daarvoor alleen zal behouden de bibliotheek van zijn vader. Het land is verhuurd aan de kinderen van Corstiaan Dircxsz. voor 42 gl. per jaar.
Schilderijen in het huis in Den Haag (o.a.):
een landschap van Knipbergen
een portret van Roeloff Francken
een landschap, “wat blaeu”, van A. van Rande
een landschapje van Poelenburch
nog een voor de schoorsteen hangende
een landschap van Esaias van de Velde
een landschap van Moijses Vuijttenbroeck
een landschap van Blommert
een zeegezicht van De Vlieger
een zeegezicht met landschap van Poelenburch
een strand van Adam Willaerts
een veldslag bij nacht van Esaias van de Velde

Gevecht bij nacht door Esaias van de Velde (foto: fineartamerica.com)
een landschap met een omgegooide kar van Esaias van de Velde
een groot landschap van Esaias van de Velde
een tempel van Van Bassem
een landschap met schuit en paarden van Esaias van de Velde
een rots van Titiaan voor de schoorsteen
een veldslag van ruiters en voetvolk van Esaias van de Velde
een klein landschap van Jan van Goijen
een waterval van Esaias van de Velde
een landschap van Knipbergen
een schilderij van Esaias van de Velde naast de bedstee
een schilderij van grootvader
een portret van het gezin aan het strand

Het gezin van Sebastiaen Francken op het strand van Scheveningen, door Pieter Codde.
een ruïne met naakten en saters van Poelenburch
een veldslag van Esaias van de Velde
een landschap blauw van Van Rande
een landschap van Esaias van de Velde
een landschap met ruïne van Esaias van de Velde
een rots, water en koeien van Esaias van de Velde
een landschap met een sater van Van Sorgen
een klein landschap van Esaias van de Velde
een landschap, ” waterbruggen en post” van Cornelis Matthieu
een tempeltje met soldaten van Codde
een landschap van Molijn
een van “de beste griet die de duijvel opt cussen b… [onleesbaar] met een deel saters van Sachtleven
een perspectief met Thomas [?] van Van Bassem
een landschap van Cuijp
een landschap van Knipbergen
een landschap van Boerties
een landschap van Cuijp
Meubels, huisraad, kleding en geldstukken
(101, f. 1)
24 febr. 1656: comp. Aletta Cornelisdr. de Doot, weduwe van Jan Jacobsz. Sperwer, Cornelis Joosten de Doot, voogd over de minderjarige kinderen van Cornelis Joosten de Doot, zijn zuster, Johannes Prins, getrouwd met Johanna de Hartich, weduwe van Sebastiaan Hogendijck zaliger, voor zichzelf en voor Jacob Abelsz. de Vries, als echtgenoot van Maria Hogendijck, Geerardt Michielsz. de Veer, Anna Joosten de Doot, weduwe van Cornelis Sperwer, voor zichzelf en van wege Jan Jacobsz. Driesman, getrouwd met Geertruijt Jansdr., Cornelis Sijmonsz. van Driel, getrouwd met Aechie Cornelisdr. de Veer, mitsgaders Johannes en Davit Aertsz. Borgers, allen naaste verwanten en erfgenamen van Jan Francken en diens dochter Janneken Jansdr. Francken. (111, f. 80 e.v.)
4 april 1658: inventaris van de roerende goederen, die zijn nagelaten door Jacob van de Corput, lid van de Oudraad te Dordrecht, gemaakt op verzoek van Cornelia Bossemans, weduwe van Jan van de Corput en Aletta van Hoogeveen, de vrouw van Aletta van Hoogeveen, de vrouw van raadsheer Van de Born, o.a.:
een schilderij van Elisabeth en Maria met een vierkante lijst
een ” vande selfde soort” met een vierkanten lijst
een schilderij van Christus met twee deuren
een schilderij van de heer Van de Corput en zijn vrouw
een portret van voornoemde vrouw nog jong zijnde
een portret van wijlen de heer Van de Burch
een portret van Jan van de Corput
een portret van Emerentia van de Corput
een portret van Hendrick van de Corput
twee portretten van Jacob van de Corput en zijn vrouw
een schilderij met het hoofd van Hollefarius [Holofernes] met vergulde lijst
een vierkant schilderij van de drie gezusters met vergulde lijst
een schilderij met vergulde lijst van een tempel
een schilderij met vergulde lijst van een “lieffde”
een juffrouw met vergulde lijst
een rond portretje
twee portretten van Jacob van de Corput en zijn moeder
een portret van Hendrick van de Corput
twee portretten van de heer Berck en zijn vrouw
twee portretten van Montes en zijn vrouw
een portret van Berckenroede en zijn vrouw
een veldslag van Breerte met vergulde lijst
twee veldslagen met vergulde lijst
een stuk van de brand van Haarlem met vergulde lijst
een schilderij van twee “meuijncken”
een “stucken van Loth” met zwarte lijst
“een van Kettgen”
een “vertuijtgen” (een schilderij met zeven kindertjes
een schilderij “van een rasent gemeente”
een schilderij van Navan [Nathan] en David met vierkante lijst
een schilderij “uijt de schriftteur vande selve soort”
een “Claertgen, een schilderij vande ap ende kat”
twee stukken van “haven” en de lijst
(101, f. 234)
17 nov. 1659 (notaris A. de Haen): verklaring op verzoek van de gewezen pachters van het gemaal over de stad Dordrecht “ende den resorte van dien” door Abraham van Diepenbeeck, Pieter Jacobsz. Crevekeur en Teunis Fransz. Bouff, allen deurwaarders van de gemenelandsmiddelen. Zij verklaren bij hun ambtseed dat Diepenbeeck het ambt van deurwaarder heeft uitgeoefend voor de tijd van 20 jaar, Crevekeur voor ongeveer 9 jaar en Bouff voor ongeveer 11 jaar. Gedurende die tijd hebben zij menigmaal peiling en onderzoek gedaan bij verscheidene molenaars en bakkers “vant meel ende koren dat ijder in sijn huijs ofte molen soude mogen hebben”. (220, f. 159 e.v.)
23 juli 1662: verklaring van Berbera Paradijs, vroedvrouw, 53 jaar oud, Judith Jeremiasdr., de vrouw van Pieter Roevroeij, 44 jaar oud, en Aeltgen Laurensdr., de vrouw van Cornelis Huijmans, wagenmaker, 35 jaar, allen wonende buiten de Spuipoort. Zij getuigen op verzoek van Berbera Arijensdr., wonende te Streefkerk, dat zij op 21 juli 1662 ’s morgens om 6 uur geweest zijn buiten de Spuipoort, “alwaer Aeltgen Hendricx dochter op een camer is comen te verlossen van een jongen soon” en dat Berbera Paradijs Aeltgen “doen in haer uijtterste barents noot verscheijde maelen op haer conscientie affgevraecht heeft wie de vader van haer kindt was met groot dreijgementen, indien sij sulcx niet wilde seggen, dat sij vroetvrouwe … Aeltgen Hendricx soude verlaten ende in haeren noot niet assisteren, waaer op … Aeltgen Hendricx tot verscheijden maelen antwoorde ende telcken persisteerde dat sij den vader van het kindt niet conde noemen, als sij die niet en kende, overmidts het gebeurt was, dat eenigen tijt geleden, sij … savonts tusschen lichten en donckeren willende gaen naer haer moeder, gecomen is op enen wech daer weijnich volck passeert ende dat haer aldaer ontmoet is een mans persoon die haer met gewelt onder de voet ruckte ende thaeren weerwille bevrucht heeft, waer op de … vroetvrouwe vraechde off sij den … manspersoon niet en kende, ende indien sij hem kende, dat sij soude noemen ende seijde daerop … Aeltgen Hendricx dat sij hem niet en kende alsoo sij hem te vooren ofte daer naer noijt meer haer wetens hadde gesien ende dat sij haer leven noijt ijmant anders ter werelt hadde bekent, voegende … daer noch bij dat sij anders niet conde seggen al soude sij datelijk gebonden moeten sterven”. (221, f. 275)
1 dec. 1663 (notaris A. de Haen): verklaring door Pieter Jacobsz. Creveceur en Jan Gerritsz. van Boccum, beiden deurwaarders van ’s lands gemene middelen, op verzoek van de pachters van de wijnen over de Hoeksche Waard. Zij verklaren, dat zij samen met Johan van Ruijmbeeck op 29 nov. 1663 geweest zijn ten huize van Leendert Clootwijck *, tapper te Puttershoek, en dat Ruijmbeeck daarbij aan de vrouw van Clootwijck verzocht heeft peiling en onderzoek te mogen doen van de wijnen, die zij in haar kelder had opgeslagen. Clootwijcks vrouw heeft dat echter geweigerd, zeggende “Ick wil u niet laten peijlen dewijle ick geaccordeert ben”, waarna Van Boccum in opdracht van Ruimbeeck en in aanwezigheid van Creveceur zijn stok getrokken heeft en de vrouw met boete beslagen heeft. (222, f. 192 e.v.)
* Leendert Cornelisz. Clootwijck, meester timmerman, later tapper in herberg St. Joris aan de Oosthavenzijde te Puttershoek, trouwde 2e NG Puttershoek 19 juli/13 aug. 1653 Janneken (Anneken) Pietersdr., weduwe van Anthonis Ghijsbrechtsz. van Asperen, eigenaar van de herberg St. Joris (Ons Voorgeslacht 2001, p. 226)
5 nov. 1664: Sijbrecht Thijsz., wijnsledenaar en burger van Dordrecht, als man van Christina Garsten, dochter en mede-erfgename van wijlen Evert Garsten, overleden te Kettwig buiten Duisburg, verleent zijn toestemming aan de schenking en de overdracht, die zijn vrouw met haar broer en zusters gedaan heeft [de naam van de ontvanger wordt niet vermeld], van 7 “virtels” en 1 morgen land en van een boomgaard, liggende buiten Duisburg,welke doorEvert Garsten nagelaten zijn. (ONA Dordrecht inv. 180, f. 728)
3 nov. 1665: testament van Barent de Haen, jongman en burger van Dordrecht, Hij legateert aan zijn neef, Barent de Haen, zoon van Jan de Haen, zijn broer, een somma van 1000 gl. Tot erfgenamen van al zijn overige na te laten goederen benoemt hij Johan de Haen, de kinderen van wijlen Hendrick de Haen, verwekt bij Emmerentie van der Wiele, Beatrix de Haen, vrouw van Johannes van der Neth, en Pieter de Haen, zijn broers en zuster. Tot voogd stelt hij aan zijn broer Johan de Haen. (296, f. 52 e.v.)
[I. Barent Hendriksz. de Haen, blauwverver van Dordrecht wonende tegenover de Augustijnenkerk (1625), trouwde NG Dordrecht 19 jan./11 febr.1625 Catalina Jansdr. van der Plas, van Zegwaard wonende in de Vleeshouwersstraat (1625)
ORA Dordrecht inv. 1604, f 25v e.v.: op 15 mei 1630 verkoopt mr. Johan Oem Daniëlsz., als man van Aleda Welincx, voor 2600 gl. aan Barent Henricxsz., blauwverver en burger van Dordrecht, een huis tegenover de Vleeshouwersstraat, staande tussen het Claes Pietersz. en dat van Andries Reijersz. De koper verkoopt aan verkoper een jaarlijkse losrente van 77 gl.
Kinderen (allen NG gedoopt in Dordrecht):
a. Hendrick de Haen, juni 1628, volgt IIa
b. Johannes de Haen, nov. 1630, volgt IIb
c. Beatris (Beata)de Haen, april 1633, trouwde 1e 17 dec. 1651 Johan Cornelisz. van der Net, 2e 19 okt./5 nov.1670 Mathijs van Alsem, 3e 31 mei/16 juni 1676 Simon van Leeuwen
NG trouwboek Dordrecht 17 dec. 1651 (ondertrouw) Johannes van der Net Cornelisz. jongman wonende bij de Wijnbrug met Beatris de Haen Barentzdr. jonge dochter wonende bijhet Stadhuis [Lombardbrug], beiden van Dordrecht
Beata de Haen, weduwe van Johannes van der Net, wonende in de Wijnstraat, trouwde 2e NG Dordrecht 19 okt./5 nov. 1670 Matthijs van Alsem, koopman wonende op de Drapierskaai.
Beata de Haen, weduwe van Matthijs van Alsem, wonende bij de Gravenstraat, trouwde 3e NG Dordrecht 31 mei/16 juni 1676 mr. Simon van Leeuwen weduwnaar van Leiden en daar wonende (NG trouwboek Leiden 28 mei 1676 [ondertrouw] mr. Simon van Leeuwen weduwnaar van Clasina Vont wonende achter de Pieterskerk veertigraad en Beata de Haen weduwe van Matthijs van Alsem wonende te Dordrecht, bruid niet gecompareerd, attestatie overgeleverd)
ORA Dordrecht inv. 786, f. 8v e.v., 23 febr. 1668: Johan Cop en Adriaen Meijnaert, beiden notaris en procureur te Dordrecht, als geautoriseerd zijnde tot de verkoping van het huis van Agneta Hendricx, weduwe van Roelant Scheij, verkopen aan Jan van der Net domum cum suis, staande en gelegen in de Visstraat, genaamd “de Crimpert Salm”, staande tussen het huis van Margreta Gillisdr. [de vrouw van Joost Dirksz.] en het huis van [naam niet vermeld].
ONA Dordrecht inv. 234, f. 101 e.v.: op 19 juni 1673 compareert voor notaris G. de With Beata de Haan, laatst weduwe van Matthijs van Alsem. Zij verkoopt aan Aert Heijmansz. van Outheusden het huis genaamd “de Crimpert Salm”, belend door het huis van de kinderen van de heer Van Duijnen aan de ene zijde en het huis van [Margarita Libert], de weduwe van Joost Dirksz. aan de andere zijde, voor 2300 gl. en een dubbele ducaat van 10 gl. voor Barent van der Neth en Johannes van Alsem, te betalen met 800 gl. contant en de overige 1500 gl.door het overnemen van een hypotheekbrief, die Jan Mattheusz. van Beverwijck op het huis sprekende heeft met een jaarlijkse interest van 5 % en nog een schepenenschuldbrief van 500 gl., af te lossen met 100 gl. per jaar en 4 % interest. Het huis is verhuurd aan Johannes van Westenbrugge.
4 april 1677: attestatie van de NG gemeente van Dordrecht voor Beata de Haen, huisvrouw van mr. Simon van Leeuwen, gewoond hebbende in Wijnstraat, vertrokken naar Leiden.
Kinderen (ex 1, allen NG gedoopt te Dordrecht):
c-1. Barendt van der Net, 20 dec. 1656
c-2. Aeltie, 5 april 1659
c-3. Cornelis, 18 jan. 1662
c-4. Dirck, 9 jan. 1665
c-5. Catharina, 27 juli 1667
d. Pieter de Haen, sept. 1635, volgt IIc
e. Barent de Haen, juli 1638
f. Adriaen, 21 mrt. 1640
g. Willem, 1 aug. 1642
IIa. Hendrick (Henrick) de Haen, gedoopt NG Dordrecht juni 1628, trouwde 24 nov. 1647 Emmerentia van der Wielen
Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):
a. Aeltge, 12 juni 1652
b. Barendt, 17 aug. 1654
c. Catharina, 24 sept. 1655
d. Maria, 7 aug. 1658
IIb. Johan (Johannes) de Haen, gedoopt NG Dordrecht nov. 1630, trouwde 16 sept. 1659 Adriana Absouw
Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):
a. Dingena, 25 okt. 1658
b. Barendt de Haen, 15 febr. 1662
IIc. Pieter de Haen, gedoopt NG Dordrecht sept. 1635, trouwde 13 mei 1663 Janette Smack
Kind:
a. Catrina, gedoopt NG Dordrecht 27 dec. 1665]
19 nov. 1666: Willem Pasman, kolfdrager van het Hof en de Hoge Vierschaar van Zuid-Holland, en Anna Hendricxdr., echtelieden wonende te Dordrecht, benoemen tot voogden over hun minderjarige erfgenamen de langstlevende van hen beiden benevens Cornelis Fransz. der Moeijen, kolfdrager van het Hof en de Hoge Vierschaar van Zuid-Holland, en Adriaen Broeders, appeltonder *,hun goede bekende vrunden. (97, f. 210 e.v.)
* 31 okt. 1672: verklaring door o.a. Adriaen de Broeder, 53 jaar oud, gezworen appeltonder te Dordrecht (ONA Dordrecht inv. 155, f. 346)
* 16 okt. 1675: Elisabeth Hendricx, weduwe van Jan Hendricxsz. van Ringen, wonende te Dordrecht, benoemt tot voogden over haar minderjarige zoon Adriaen Braets penningmeester en Adriaen Broeder appeltonder, wonende te Dordrecht, haar goede bekende vrunden. (ONA Dordrecht inv. 161, f. 289)
13 april 1667: “Staetgen int Corte” van de goederen, die zijn nagelaten door Cornelis Smack [Hendriksz.], zowel die hij in eigendom bezeten heeft, als die hij van zijn overleden vrouw Josijna Gijsbertsdr. de Roch “in tochte” bezeten heeft.
Tot de boedel behoren de volgende baten: een huis, genaamd “het Blaeuw Schortecleet”, staande omtrent de Pelserbrug aan de Landzijde [Voorstraat], hetwelk Cornelis Smack zou aannemen voor 8000 gl., voor welke prijs het zal worden aangenomen door zijn erfgenaam; een woning boven het pakhuis, dat verhuurd is aan Maeijken Stevens voor 30 gl. per jaar; een huis in Maasdam op ’s herendijk; een tuin buiten de Spuipoort, volgens uitspraak van de schepen-commissaris toegewezen aan de kinderen van Dircxken Gijsbertsdr. de Roch; een loods met azijnplaats buiten de Spuipoort in het Geldeloze Pad; de helft van drie woningen met een schuitje in het dwarspaadje van het Geldeloze Pad buiten de Spuipoort; een boomgaardje in Strijen achter de kerk, verkocht voor 90 gl.; een griend in de Kleine Lindt onder de Twaal Roeden van de ondervoet van de dijk; obligaties en schuldbrieven, waaronder een obligatie van 400 gl. ten laste van Dirck Dircksz. Calis, gepasseerd op 17 febr. 1659; verscheidene winkelgoederen “raeckende de kaescoopmanschappe” en gedistileerde wateren; een winkel met toebehoren, zoals schalen, gewichten en het vaatwerk, behorende tot de brandewijnbranderij. Tot de lasten van de boedel behoren o.a.: 29 gl. betaald aan Nicolaes Maes voor het schilderen van een groot schilderij.
Het restant van de baten, verminderd met de lasten, dienen in twee helften verdeeld te worden, het ene t.b.v. Pieter de Haen, als man van Jannetta Smack, en het andere voor de twee zoons van Dircxken Gijsbertsdr. de Roch, genaamd Gijsbert en Petrus de Roch, op voorwaarde, dat hun moeder ervan het vruchtgebruik zal hebben. (331, zonder folionrs.)
14 april 1667: comp. voor notaris G. de With Catharina van Diemen, weduwe van Nicolaes Stevensz. van Esch, burgeres van Dordrecht, “uijt dien hooffde vande selven haren man za., wegens haren minderjarige zone Steven van Esch” collatrice van zeker beneficie of vicarie, dat is gesticht door wijlen Thomas Beuckelaer, rentmeester-generaal van Holland, op het altaar van St. Jacob de Meerdere in de Grote Kerk van Dordrecht, enerzijds en Jacob en Jan Jansz. Boll, burgers van Dordrecht en samen mede-gerechtigden en “naaste posseseurs” van het genoemde vicarie. Comparanten zijn overeengekomen, dat laatstgenoemden voor 748 gl. ten behoeve van Steven van Esch, de zoon van de eerste comparante, afstand doen van al hun rechten op voornoemd vicarie, alsmede van de goederen, die daartoe behoren. (233, 77 e.v.)
17 april 1669: verklaring door Isack Hutten, ongeveer 28 jaar, Pieter Vinck, ongeveer 24 jaar, Hendrick de Exter, ongeveer 20 jaar, en Arien Coens, ongeveer 21 jaar, allen burgers van Dordrecht, op verzoek van Cornelis Pompe van Meerdervoort, schout van Dordrecht. Zij getuigen, eerst Isack Hutten, dat zij op zondag 14 april 1669 om half negen ’s avonds zijn geweest ten huize van Lambert Cambeij, bleker buiten de Spuipoort, en daar gehoord en gezien te hebben, dat enige manspersonen, onder wie Stephanus Bisbinck, zoon van mr. Jan Bisbinck, vuurwerker, al zingende enige onstichteljke liedjes, bij het huis van Cambeij kwamen “ende als doen seer injurieuselijck begonden te schelden ende uijt te vaeren op de dochters van … Cambeij haer uijtscheldende voor hoeren, gebruijde hoeren en duijvelshoeren”, etc., “schrappende met eeren met haere messen ende Bisbinck met sijn deegen voor de poorte ofte deur ende gooijende met steenen op deselve”. Zij verklaren gezamenlijk, dat genoemde manspersonen, nadat zij een tijdje waren weggegaan, zijn teruggekeerd “met schrappen van hare messen ende deegen respective, vloecken ende sweeren … eijschende met eeren (in gevalle eenige persoonen in het voors. huijs van … Cambeij mochten wesen) buijten de deur te koomen om met haer te vechten”. (312, f. 214)
29 aug. 1670: compareren voor notaris G. de Jager de jonge Pieter Jacobsz. Crevaceur [Crevecoeur], 67 jaar oud, en Jan Geeritsz. Resel, 38 jaar oud, burgers van Dordrecht. Zij verklaren op verzoek van Maeijken Pieters, weduwe van Frans Marcelisz., in zijn leven kuiper en burger van Dordrecht, dat Frans ongeveer 7 weken geleden is overleden.Deposanten geven voor redenen van wetenschap, dat zij buren van Frans Marcelisz. zijn geweest en ook bij zijn begravenis aanwezig zijn geweest. Akte door Crevecoeur ondertekend. (ONA Dordrecht inv. 123, f. 170)
[Begraafboek Dordrecht 8 juli 1670: een baar buiten de Spuipoort in “de Drie Kuijpen” voor Frans Marselise
Pieter Jacobsz. Crevecoeur (Creven) en Janneken Jans laten dopen (NG Dordrecht)
a. Willem, 20 febr.1660
b. Willem, 1661
c. Willemijntje, 29 jan. 1663
Begraafboek Grote Kerk Dordrecht 29 april 1661: een kind onder de arm van Pieter Jacobse buiten de Spuipoort
Idem 2 okt. 1667: een kinderbaar buiten de Spuipoort “tot Pijeter Jacobse”
Idem 4 nov. 1667: een kind boven de vier jaar van Pieter Jacobse buiten de Spuipoort]
3 nov. 1670: voor notaris A. van Neten comp. Cornelis van Wessem, ongeveer 40 jaar ouden Pieter Helmich, ongeveer 28 jaar oud, twijnders en burgers van Dordrecht, werkende ten huize van Pieter van Regenmorter, koopman te Dordrecht. Zij verklaren op verzoek van Leonardt van Naerssen, koopman te Rotterdam, oom van moederszijde en voogd van Revixit Vlam, dat zij op 24 okt. 1670 geweest zijn ten huize van Pieter van Regenmorter,”alswanneer zijn huijsvrouwe jouff. Elisabeth van Naerssen op zekere geruchten zoo haer waeren te ooren gecomen hadde ontboden Maijken Pieters jonge dochter zoo aldaer ten huijse mede in twijnen gewerckt hadde ende haer attestanten zeer wel bekent is, ende alsdoen gehoort te hebben dat d’voorsz. jouff. Elisabethvan Naerssen de gemelte Maijken Pieters iterativelijcken afvraechde of deselve hadde voorgegeven dat zij swanger was, bijden voorn. Revixit Vlam waer[op] zij Maijken Pieters t’elcken antwoordeJae, replicerende d’voorsz. jouff van Regenmorter dat zij het looch voegende daer bij wat bewijs zijdaer van zoude connen doen, ende of zij ijetwas vande voorn. Vlam haddeende hij haer hadde beloovt te trouwen, antwoordende d’selve Maijken Pieters tot verscheijde malen Neen, maer dat zij hem het kindt soude opsweeren ende zij het[wilde] …brengen int huijs daer sij het hadde gehaelt waer over d’voorsz. jouff. Regenmorter d’voorsz. dapper doornam van datse een vuijle hoer was ende datse voortaen noijt meer in haer werckhuijs soude hebben te verschijnen”.(151, f. 423)
[Revixit van Naerssen Thomasz., gedoopt NG Dordrecht mei 1595, trouwde Anthonetta (Jacobsdr.) van Heel, begraven Rotterdam 21 febr. 1655 (Teuntje Jacobs, vrouw van Reviscit van Naersen)
Kinderen (o.a.):
a. Ida van Naerssen, trouwde naar schatting ca. 1645Dominicus Vlam
Kinderen (o.a.)
a-1. Revixit Vlam
b. Elisabeth van Naerssen, jonge dochter van Rotterdam wonende in de Wijnstraat (1667),trouwde NG Rotterdam 10/27 juli 1667 Pieter van Regenmorter Pietersz., weduwnaar van Maria van der Heijden wonende te Dordrecht (1667),koopman, oudraad (1672) en schepen (1673) van Dordrecht
c. Leonard van Naerssen, burgemeester van Rotterdam (1673, 1674), door de stad Rotterdam verleden met de ambachtsheerlijkheid Kralingen.
(Balen, o.c., deel II, p. 1151 e.v.)]
1 juni 1671: boedelinventaris van Margrieta de Rouw, laatst weduwe van kapitein Johan Palm, overleden te Dordrecht op 27 mei 1671, gemaakt op verzoek van Jacobus van Hoochstraten, haar executeur-testamentair, Francois Leermans, als man van Maria Leversetge, Helena en Hendrica Meinicke, kinderen van wijlen Marija de Rouw, Stephanus en Anthonis de Rouw, voor zichzelf en als voogden van Willemijntgen Anthonisdr. de Rouw, hun onmondige zuster, Heijltge Anthonisdr. de Rouw, meerderjarige dochter, kinderen van wijlen Anthonij de Rouw, Stephanus Luijcasz. de Rouw, Pieter van Someren, als man van Anna Luijcasdr. de Rouw, kinderen van Luijcas de Rouw, vervangende hun absente broeders, allen erfgenamen van Margrita de Rouw.
Tot de boedel behoren o.a.:
– twee tekeningen met glas ervoor door Tegelberch
– een schilderij van de geboorte van Christus door Dodhijn
– een schilderij zijnde een bloempot van Bosschert
– een boerenwerf van Van der Poel
– een landschap van Verhagens
– nog een landschap van Verhagen
– twee “geselschapkens of tavernkens” van Johannes Warnier, beleend
– een landschapje van Van Geel
– een kerstnacht van Benjamijn Cuijp
– een groot schilderij waarin de overledene zittend is afgebeeld door Hoochstraten, gekocht door Stephanus de Rouw voor 34 gl.
– een schilderij van Droochsloot
– een landschap van Ruijschert
– twee landschappen van Chappel
– een “fruijtage” van A. Suijsimer met achtkanten lijst
21 jan. 1672: boedelscheiding tussen Pieter de Haen, koopman te Dordrecht, als man van Jannetta Smack, enige nagelaten dochter en erfgename van Cornelis Smack, enerzijds en Henrick Cruijskercken, als man van Dircxken Gijsbertsdr. de Rogh, en Gijsbert Cool en Pieter Cool, voorkinderen van Dircxken Gijsbertsdr. de Rogh, als erfgenamen van Josijna Gijsbertsdr. de Rogh, overleden in jan. 1667 enin haar leven echtgenote van Cornelis Smack, anderzijds.
Tot de boedel behoren:
a. een huis, genaamd “het Blaeuw Schortecleet”, staande omtrent de Pelserbrug aan de Landzijde [Voorstraat], waarvan volgens verbaal gehouden voor schepenen-commisarissen van Dordrecht op 27 febr. 1668 is overeengekomen, dat Cornelis Smack het zou behouden voor een somma van 8000 gl. Pieter de Haen neemt dit huis thansaan voor een zelfde bedrag.
b. een huis aan de andere zijde van de Pelserbrug, staande tussen het huis van Aert Sandersz. Keijser en dat van de erfgenamen van Cornelis Dircxsz. Bloesem
c. een huis in de Lombardstraat, staande tussen het huis van Maerten van Asperen smid en dat van Phlips Hardra, hetwelk in de boedelscheidingwordt toebedeeld aan Pieter de Haen, als man van Jannetta Smack
d. een huis in de Lombardstraat, staande tussen het huis van Onderwater en dat van Govert Schoen, eveneens toebedeeld aan Pieter de Haen nomine uxoris
e. een huis in Maasdam op ’s herendijk, welk huis Pieter de Haen heeft aangenomen voor 500 gl.
De baten van de boedel bedragen 24.832 gl. 12 st., waarvan na aftrek van de lasten resteert een bedrag van 20.753 gl. 10 st. 4 penn., welk bedrag in twee gelijke parten verdeeld zal moeten worden tussen Pieter de Haen, nomine uxoris erfgenaam van Cornelis Smack, enerzijds, en de twee zoons van Dircxken Gijsbertsdr., Gijsbert en Petrus Cool, anderzijds. Hun moeder zal tot haar overlijden het vruchtgebruik van hun erfdeel behouden.
Tot de lasten van de boedel behoren o.a.:
a. een somma van 3000 gl., die toekomt aan de twee zoons van Dircxken Gijsbertsdr. de Rogh, krachtens het testament dd 17 juni 1664 van Cornelis Smack en Josijna Gijsbertsdr. de Rogh, ter compensatie van hetgeen Jannetta Smack bij het aangaan van haar huwelijk heeft gekregen, alsmede een somma van elk 100 gl. over hetgeen Gijsbert Jaspersz. de Leeuw aan die twee zoons bij testament gelegateerd heeft
b. een bedrag van 29 gl. aan Nicolaes Maes schilder voor het schilderen van een “groote schilderije”, boven hetgeen hij aan deze boedel schuldig was [deze post is in zijn geheel doorgehaald]
(184, f. 7 e.v.)
13 mrt. 1673: Jan Huijmans, Geerit van der Linden en Sijbert Wijnantsz., dekens en Jan Jansz. de Wael, Hendrick Jansz. van Pluren enBlanserom Willemsz., achtmannen van het St. Jans- of Kleermakersgilde te Dordrecht, verhuren in genoemde hoedanigheid aan Cornelis van der Meer, twijnmolenmaker te Dordrecht, voor 132 gl. per jaar een huis in de Buijstelbuurt [Voorstraat] omtrent de Wijnbrug, staandetussen het huis van Bastiaen van der Meer en het huis van de kinderen van wijlen Jacobus Saverij. (ONA Dordrecht inv. 234, f. 35 e.v.)
16 sept. 1673: Anneken van den Brande, vrouw van Jan Cortijn, burgeres van Dordrecht, geeft, bij afwezigheid van haar man, die in het leger is, toestemming voor het huwelijk van haar zoon, Matthijs Jansz. Cortijn, met Trijntje Cornelisdr., jonge dochter wonende te Delfshaven. (ONA Dordrecht inv. 234, f. 299)
2 april 1674: inventaris van de goederen, die zijn nagelaten door Maria van Rommerswael, weduwe van Godschalck van der Hulst, die aangetroffen zijn op de drie kamers van Jan Constant, steenhouwer en burger van Dordrecht, gedaan op verzoek van haar kinderen, bij haar verwekt door Godschalck van der Hulst, m.n. Pieter van der Hulst en Maria van der Hulst, weduwe van dr. Hendrick Outhovius, beschreven door notaris J. Hellu te Dordrecht.
De nalatenschap bevat o.a.:
een huis op de Hoge Nieuwstraat, staande tussen de Walevest en het huis van de weduwe en erfgenamen van Pieter van Norenburch
landerijen
zilverwerk, andere kleinodieën en linnen
rentebrieven en obligaties
huisraad
“Volcht de konst ende de schilderijen soo als dezelve op beijde de kamers zijn bevonden”:
een schilderij, zijnde “een vanitas van de heern”
een waterval van Knipbergen
een vanitas van Beijeren
een stuk van Judith en Tamar van Blocklant
een eigen portret van de broer van Samuel van Hoofdstraten
een historiestuk van “Rubbens beeldens levensgroote daer een dochter haer vader in de gevanckenisse laeft

Ruben’s, Cimon en Pero
[“Cimon is een oude man die in de gevangenis zit en is veroordeeld tot de hongerdood. Zijn dochter Pero mag hem wel bezoeken, maar mag hem geen eten meebrengen. Dagelijks bezoekt zij hem, en geeft hem de borst om hem in leven te houden. Wanneer de oude Cimon na een maand nog steeds in leven is, controleert de cipier of Pero mogelijk toch voedsel mee naar binnen neemt. Wanneer hij geen voedsel aantreft, besluit hij hen te bespieden en ontdekt hij dat Pero haar vader zoogt. De cipier bericht het voorval aan de rechters die zoveel bewondering hebben voor deze kinderliefde, dat zij zowel vader als dochter gratie verlenen.
De legende is onder meer in het jaar 31 opgetekend door de Romeinse schrijver Valerius Maximus in zijn negendelige werk Facta et dicta memorabilia. Hij kende het verhaal uit een muurschildering die een grote indruk op hem had gemaakt. Ook zijn er muurschilderingen voor Christus uit Pompeï bekend. Deze schilderingen doen een herkomst van de legende uit Griekenland vermoeden die versterkt wordt door de schrijfwijze van de naam als Micon, die op een van die muurschilderingen werd aangetroffen.” (Wikipedia)]
een drie koningen van Benjamin Kuijp levensgroot
Samuel van Hoogstraten, zijn eigen portret “veel grooter als ’t leven”
koeien van Aelbert van Kuijp
een bordeel van Quast

Bordeeltje door Pieter Quast
een ovaal landschap van Knipbergen
een stilleven van Faliant
een fruitkrans van Van der Merck van Antwerpen
een maneschijn van Roesschers
een landschap van Richard Farinton
een ovaal landschap van Knipbergen
een stilleven van Verelst
een tempel van Van Vucht “de beelden van Palamedes”
een landschap van Van Geel
een tronie van Goltius
een historiestuk van Jordaens, waarin Io in een koe verandert
een stuk van Jordaens, waarin Juno de koe bij Argus brengt
en stuk van Terbrugge
een “groen wijff” van Van Hasselt
vissen van Paludanus
“toeback suijgers” [tabakrokers] van Van Hassel [sic], het laatste stuk, dat hij gemaakt heeft
een barbierswinkel van Teniers van Antwerpen
een kwakzalver van Wouwerman
een veldslag van Verschuer
een verloren zoon van Andries Bot
een zee van Parcellis
een stukje van Bramer
een bloempot van Ballingchier
een fruitschotel van de oude Bosschaert
de vijf zinnen van Rijckhals
en bloempot van Marel
een Nicodemus van Van Vliet
een stuk van Geertie tot St. Jans
een stuk van Lucas Kraen, zijnde een Hercules met naakte beelden
een kerstnacht van Sachtleve
krabben en wijnglazen van Rijckhals
een kamer van Kodde met ” monsieurs en joffrouwen”
een hofje van de Helse Breugel
een landschap van Hercules Segers
een wafelbakster van Dipram
een tronie van Rembrandt
een amoureuze boer van Dipram
boeren van Ostade
nog meer boeren van Ostade
een dronken boer van Dipram
een boer en boerin van Hals
een bloempot van Assteijn
een tronie van Michiel Merevelt
een tronie van Frans Floris
een tronie van idem
een stukje van Herri met de Bles
een waterverf, Jozef en Maria
Christus onder de doctoren van Bramer
een hofje van Hans Jordaens
een winter van Van Goijen
een paardje van Wouwerman

de schimmel, door Philips Wouwerman
een ” luijsevanger” van Stoop
een stukje van Dipram
een hertogin van Brabant van Willem Keij
een stuk van “lap rock”
de vijf zinnen van Van Venne
een stuk van Lucas van Leijden en van Abberdaen, de twee voorste beelden Christus en Maria
een kruisdrager van de Hupse Maerten
een stilleven van Van Vucht
nog een van idem
boeren van Dipram, die hij voor Zijne Hoogheid geschilderd heeft
zwemmers van Poelenburch
een boompje met enige dieren van Nagel
een altaarstukje, zijnde een doodshoofd en van achteren een vrouwtje van Abberdaen
een stuk van Lange Pier, zijnde een portret van burgemeester Joost Buijck
een landschap van Udens
een keuken van Dipram
een kerstnacht van Lesier
een zee van Vroom
een stuk van Wolphert van Lier
een ben met bloemen van Bosschaert
een wintertje van Van de Velden
en landschap van Verhagen
een landschap van Hoboken
een Susanna [en de ouderlingen] van Frans Floris, levensgroot
een ” fruijtagie” van Paludanus
koeien van Savrij
een brand van Troje van Bramer
Judith en Holofernes van Bramer
een Ecce Homo
een stuk van Christus, levensgroot, waarin wordt gezegd “Laat de kinderkens tot mij komen”.
Boeken:
een plakkaatboek en ” ordonnantiën” van de Staten van Holland
een dito van de Staten-Generaal
een dito over de uitleg der psalmen van Doresla
een Franse bijbel
een huisboek door Henricus Bullingerius
een boek van Erasmus
een dito van Johannes Sleijdanus
een dito van Aelbrecht Duijr
een dito ” reigles militaires du chevalier Milzo touchant la cavalerie”
een veldbouw of landwinning
“een Theodora Beza”
wapenhandeling van roeren, musketten en pieken
gewijsde zaken door Johan van der Sandt
” dictionaire Francois”
” verhael vande nederlantse vredehandeling”
het leven en sterven van Johan van [Olden]barnevelt
rechten en “costumen” van Antwerpen
handvesten van Zuid-Holland
Damhouder civil
manier van procederen door Merula
Barent van Zutphen, Nederlandse praktijk
keizerlijke statuten
” conferentie” op de goddelijke predestinatie
Theorie geometria
Christelijke hoofddeugden van Udemans
instructie van het Hof van Holland
“consultatien en adviezen”, 1e, 2e en 3e deel
Damhouder, in criminele zaken
een Engels bijbeltje in octavo
treurtoneel der doorluchtige mannen van onze eeuw
Plinius, van de mensen, beesten, dieren en vogels
Beverwijck, schat der ongezondheid
Beverwijck, schat der gezondheid
Beverwijck, heelkunst
Beverwijck, uitnemendheid van het vrouwelijke geslacht
Buijtendijck, verborgenheden der vaderlijke Jezuiëten
praktijk van het notarisschap
Drelincourt, tegen de Papisten
praktijk der godzaligheid
gulden kleinood door Emanuel Southon
raad tegen de dood door Jacobus Borstius
Wielands ” practice civil”
nog een paar boekjes van geen importantie
(338, f. 78)
ONA Dordrecht inv. 197, f. 382 e.v.: inventaris van de boedel van wijlen Anna Hoeffijsers, weduwe van Willem Beeck, opgemaakt op 18 juli 1674 op verzoek van Isaack Corten, wonende te Amsterdam, vader van Catharijna en Sara Corten, enige erfgenamen van Anna Hoeffijsers. Tot de nalatenschap behoren o.a.:
– een huis in de Wijnstraat. genaamd “Groot Valckenburch”, staande tussen het huis van de weduwe van Jean Jarde en dat van de vrouw van W. van Beverwijck, in welk huis Anna Hoeffijsers gewoond heeft en overleden is. De wijnkelder eronder is verhuurd aan Gijsbert van de Kemp voor 5 gl. per maand,
– de helft van een huis in de Wijnstraat, waarin de Bank van Lening wordt gehouden, staande tussen het huis van jonkheer Johan Nicolaes van Malepert, heer van Craeijesteijn, en dat van de weduwe van burgemeester Johan van Meeuwen, verhuurd aan Thomas van der Merck, heer van de Leur, voor 330 gl. per jaar
Schilderijen:
– een stuk met grote naakte beelden en een sater door Jan van Kalcker
-een schilderij van de Verloren Zoon door Lange Pier [bijnaam van de Amsterdamse schilder Pieter Aertsen, overleden in 1575]
– een bruiloft door Maerten Pepijn
– een “zeevaert” met een groot schip door Jan Vroon
– een groot stuk van Jan Vroon met een potvis
– een bordeel met daarin vier grote beelden door Lange Pier
– een stuk met een vrouw met “hoenderkens” door Mompert
– een “suikerbanket” door Maerten Pepijn
– een “banket van fruijtagie” en oesters door Maerten Pepijn
– een stuk met allerhande beesten door Roelant Saverij
– een stuk met twee Oostindische “ravens” door Roelant Saverij
– een grote bloempot van Jacob Vosmaer
– een “Calisto”, zijnde naakte beeldjes op een koperen plaat door Van Balen, gestoffeerd door de Fluwelen Breugel [Jan Brueghel de Oude (1568-1625)]
– een stukje van Breugel met daarin een zittende kluizenaar
– de geboorte van Christus door Cornelis van Haerlem
– een Vastenavond door Jeronimus Bos
– een rond schilderijtje door de Fluwelen Breugel
– de Verrijzenisdoor de Fluwelen Breugel
– een “seeken off strandeken” door Adam Willaerts
– een “bedruckte” Maria Magdalena door een Italiaanse meester
– een Maria met het kindeken Jezus door Otto Marceus [van Schrieck]
– een bloempotje door Ambrosius Bossert
– de brand van Sodom door Breugel

Lot en zijn dochters, op de achtergrond de brand van Sodom, door Jan Brueghel de Oude
– een “spookerij” van Herrij de Bles
– twee stukken van Palumedes met daarin jonkers en joffers
– een groot landschap door Mompert
– de vlucht van Jozef en Maria door Heemskerck
– een grote vogelvlucht
– een nimf met een vel om
– een stuk van de waardgelders te Utrecht door Droochsloot

Afdanking van de waardgelders in Utrecht, door Joost Droochsloot (1625)
– een stuk door Terbrugge met een oude man [Cimon], die door zijn dochter [Pero]gevoed wordt
– de vier Evangelisten door Heemskerck
– twee stukjes van Hondekoter, zijnde een zomer en winter
– een heel donker stukje van Mompert
– twaalf stukjes van één formaat door de Lange Pier
– een portet van ds. Arnoldus Corneli
– een portret van Anna Hoeffijsers
– een portret of prent van ds. Buijtendijck
– een dito van ds. Debits
– een schilderij zijnde een corps du garde
– twee grote landschappen door Pieter Jordaens, gestoffeerd door Hans Jordaens
– twee stukjes van Vinckeboom
– een stukje met gezaaide bloempjes door Van der Ast
– een stukje met een “tulpa” door Van der Ast

Stilleven met tulp door Balthasar van der Ast
– een groene papegaai
– een stukje waarin een hond een haas naloopt
– een zeegezicht
– twee schilderijen met een zot en een zottin
– een portret van Anna Hoeffijsers in zwart krijt
– twee portretten van haar ouders
– twee portretten van de ouders van haar man
– twee portretten van Anna Hoeffijsers en haar man
– een portret van Dirck Hoeffijsers
– een schilderijtje van een boom
– een landschapje
– een masquerade
– een schilderij met ene koning, die drinkt
– de geboorte van Jezus in de nacht
– een gulden regen
– een schilderijtje met een brand door Breugel
– een schilderijtje met een manstronie
– een stuk met bedelaars
– een groot stuk “daer in een wagen afgeset wert”
– een lang stuk met onweer
– Lucretia die zichzelf doorsteekt
– een stuk van Vinckeboom
21 dec. 1674: Jenneken Willemsdr. Meijburch, weduwe van Floris Dirksz., vroedvrouw te Dordrecht, prelegateert aan de kinderen van Anneken Jacobs, dochter van Huibertgen Jans, haar (Jennekens) voordochter, een obligatie ten laste van de provincie Holland, inhoudende 1200 g., met de daarop verlopen interest. Zij tekent met een kruisje. (159, f. 366)
20 mrt. 1675: comp. Anthonetta van Haerlem, weduwe van Arent Dichters [geboren Dordrecht naar schatting ca. 1610, dochter van Gijsbert van Haerlem Rochusz. en Liduwi van Diemen Gijsbertsdr. (M. Balen, Beschryvinge der Stad Dordrecht [Dordrecht 1677], deel II, p. 1076), trouwde Gerecht Dordrecht (onderscheiden gezindten) 12/28 aug. 1638 Arnoult Dichter(s), jongman van Luik, zoon van Nicolaes Dichter(s) en NN], wonende te Dordrecht, redelijk gezond, om haar testament te maken. Zij legateert aan Maria en Catharijna Dichters, zusters van haar overleden man, “twee conterfeijtsels van haer testatrice ende den gemelten haeren man int cleijn met ovale ebben houte leijsten, alnoch een schilderije representerende t’aenbidden der drije Coningen, gemaeckt door Benjamin Cuijp”.

Benjamin Cuijp, Aanbidding door de Drie Koningen
Aan Petronella Dichters, eveneens haar mans zuster, legateert zij een lijfrente van 250 gl. jaarlijks, haar leven lang gedurende, aan Maria Dichters, nicht van haar man “een groote schilderije daerinne de conterfeijtsels van haer testatrice en haar zaliger man, representerende de historie van den jongen Tobias haelende sijn huijsvrouwe [Tobias, de zoon van Tobit.trouwde in Ekbatana met Sara. “Tobit” is een – althans volgens de protestanten – apocrief bijbelboek, dat in de katholieke bijbel behoort tot het Oude Testament en staat tussen de boeken Nehemia en Judit.], gemaeckt door [Carel] Fabritius, [1622-1654, schilder te Amsterdam, Beemster en Delft, omgekomen bij de explosie van de Delfste buskruittoren op 12 okt. 1654. NNBW, deel VIII, (Leiden 1930), kol. 525-526, in voce Carel Fabritius, vermeldt als één van detoen – begin jaren 1930 – bekende werken van Fabritius: Tobias en zijn vrouw, een werkdat zichtoentertijd teInnsbruck bevond]alnoch de conterfeijtsels vande voorn. haer mans grootvader ende broeder Alexander”, aan Marguareta Dichters, mede haar mans nicht en zuster van voornoemde Maria Dichters “de conterfeijtsels vande voorsz. haer zaliger mans vader ende moeder, met nocheen schilderije verbeeldende de begraefnisse Christi gemaeckt door den Borgemeester vander Lisse inden Hage, alnoch een groot palm houte crucifix hebbende een swarten ebben voet, gemaeckt ofte gedraeijt door haer vader d’heer Nicolaes Dichters en door den selve aen haer testatrice voorsz. zaliger man voor desen gelegateert”, aan Arnold Martin, zijnde de zoon van haar mans nicht Elisabeth Pierotte, wonende te Houffalize of daaromtrent, door haar en haar man ten doop geheven, eens de somma van 50 gl., aan Arnold le Ruijt, zoon van Aert le Ruijt, mede haar neef 50 gl. eens, aan Arnold van Galen, zoon van haar zuster wijlen Lidvina van Haerlem, mede ten doop geheven “een groot schilderije zijnde een boere kermis gemaeckt door [David]Vinckeboom” [David Vinkenboom of Vingboons, schilder en etser, vermoedelijk geboren in 1578 te Mechelen, overledente Amsterdam in 1629], en in geld eens de somma van 100 gl., aan Anthonetta van Galen, mede haar voornoemde zusters dochter, ook ten doop geheven, “de groote conterfeijtsels van haer en haer man, item het cas[t]ken met een partije coguilliens en andere rariteijt daerinne berustende”, haar mans diamanten ring, een bed met beddengoed, in geld een somma van 100 gl., het lijnwaad “totte testatrice lijve approprieerende” en haar beste rode onderrok, aan haar behuwd neef Abraham van der Lisse “een groot schilderije vvtbeeldende een leger ofte rendevou van schepen leggende voor Nieumegen gemaecktdoor Aelbert Cuijp”, aan Fransoijs van der Lisse, haar neef “een schilderije representerende een Quacksalver gemaeckt door [Pieter] Breugel, ende een lantschap met beesten daerin, door Hondekoot [Melchior d’Hondekoeter]”, aan Gerardus de Bruijn, haar neef een “plaet silver staende in een lijst daerin Jesus, Maria, Elisabeth ende St. Jan,gemaeckt ende gedreven” door zijn broer Rochus de Bruijn, aan haar neef Nicolaes de Bruijn in geld een bedrag van 50 gl., aanJannetteMaria, dochter van Cornelis de Jongh, mede ten doop geheven, een bedrag van 25 gl. eens, aan haar neef Fransoijs Pierot, wonende te Anteijn en bij vooroverlijden aanzijn zusters zoon, eensomma van 100 gl. enaan haar behuwd neef Abraham van der Lisse 1000 gl., aan te wendenop de wijze zoalszij hem mondeling heeft opgedragen en zonder daarvoor aan iemand ter wereld rekening te hoeven afleggen. Voorts”remitteert” enlegateert zij testatrice aan haar mans zuster Petronella Dichters en haar nicht Anthonetta van Galenal hetgeen zij aan haar testratrice en haar mans boedelschuldig zouden mogen zijn, ter zake van kostgeld, kledingen dergelijke. Testatrice wenst, dat na haar overlijden aan haar mans zusters en broeder uitgereikt zullen worden de kerkelijke ornamenten, schilderijen, tafel etc. op het kamertje van Margrieta Dichters, welke haar man onder bepaling van fideï-commis in eigendom heeft gehad,overeenkomstig het testament van zijn moeder en zuster. Voorts legateert zij nog aan Gijsbartus [sic]van Galen, zoon van haar zuster, wijlen Lidvina van Haerlem, een bedrag van 100 gl., aan het nagelaten weeskind van haar broer Johannes van Haerlem,met bepaling van fideï-commis, een somma van 1000 gl. enaan de jongste kinderen van Lidvina van Haerlem samen eveneens1000 gl.Tot erfgenamen van al haar overige na te laten goederen benoemt zij de zes kinderen van haar zuster Lidvina van Haerlem, m.n. Rochus, Anthonetta, Willemijntje. Johanna, Arnold en Cornelia van Galen, ieder voor een gerecht 1/6 part. Tot executeurs-testamentair stelt zij aan Cornelis Beljaerts en Justus Coxius, beiden leden van de Oudraad te Dordrecht en Abraham van der Lisse, wonende te Breda, haar behuwd neven. (160, f. 158 e.v.)
20 nov. 1676: notaris P. van Son heeft op verzoek van Govert van Tricht, jongman ongeveer 25 jaar oud, (nadat hij zich op dezelfde dag met Sara Duijssers, jonge dochter 24 jaar oud, geassisteerdmet haar zuster Adriana Duijssers, weduwe van Cornelis Bor, in zijn leven luitenant van de Compagnie Marijnen, allen wonende te Dordrecht, gepresenteerd heeft in de consistorie van de NG-kerkenraad van Dordrecht, ten einde zich aldaar te laten aantekenen voor de huwelijksproclamaties, hetwelk hem geweigerd werd door de predikanten Staphorstius en Oostrum), zich aanstonds vervoegd in de consistorie en gevraagd aan de heren predikanten om wat voor reden dat geweigerd was. Waarop ds. Oostrum heeft geantwoord: omdatdoor het Hof van Holland volgens appointement dd 12 nov. 1676 Van Tricht was bevolen te verschijnen voor Cornelis Teresteijn van Halewijn en Cornelis van Neijn, raden van het Hof van Holland, als commissarissen, om de rekwirant en zijn voogd “was’t doenlijck te vereenigen” en dat hun, predikanten, zulks nog niet was gebleken. (442, f. 115 e.v.)
27 nov. 1676: notaris P. van Son heeft zich op verzoek van Govert van Tricht, jongman ongeveer 25 jaar oud, vervoegd in de consistorie van de Augustijnenkerk, alwaar toen als voorzitter van de vergadering zittende was ds. Debiths, predikant te Dordrecht en heeft verklaard dat het Hof van Holland op het rekest van Van Tricht verleend heeft “nihil”, waarmee de reden voor de weigering om de geboden te verlenen kwam te vervallen. De heer Debits heeft daaropgezegd “dat de voors. vergaderinge na verhoor van partijen den insinuant voor alsnoch tot het aenteijckenen van sijne geboden niet hadden konnen admitteren”, omdat Hunne Edelheden was gebleken, dat op het rekest van de insinuant was verleend “nihil hic” en dat hij ook in één of twee akten van het Gerecht te Dordrecht “was genoemd innocent” en dat hij het maar hogerop moest zoeken. (442, f. 121 e.v.)
2 juni 1678: inventaris van de goederen, die zijn nagelaten door Jacob Trip, opgemaakt door notaris Johan van der Hoop op verzoek van Jacob van Commersteijn, oud-burgemeester van Brielle, mr. Johan Munter, raadsheer in het Hof van Holland, en Jacob Trip Henrixsz., als executeurs-testamentair van Jacob Trip. Tot de nalatenschap behoren:
– 2 pakhuizen op de Kalkhaven te Dordrecht;
– 2 kavels land in de polder van Wieldrecht, groot 17 mrg. 258 roeden;
– een woning, staande op erfpacht in de polder van Wieldrecht, alsmede de Schenkeldijk van Wieldrecht voor de voornoemde woning, die mede in erfpacht van de Grafelijkheid wordt gebruikt (wordt gezegd te zijn getransporteerd, dus pro memorie)
– 20 mrg. 477 roeden land in de Bovenpolder van Wieldrecht (welke eveneens zou zijn getransporteerd, dus pro memorie)
(369, geen folionrs.)
16 juli 1678: comp. voor notaris A. Meijnaert Janneken de Haen, weduwe van Jan Febis, schipper op Keulen. Zijverklaart voor 425 Rijksdaalders Hollands geld aan Jan Jansz. van Westervoort, schipper op de Rijn, haar beitelaak te hebben verkocht. (257, f. 92)
12 sept. 1678: inventaris van de goederen, die gemeenschappelijk bezit zijn geweest van kapitein Thomas Rijckers en zijn overleden vrouw Elisabeth Francken, die is overleden in een huisin de Wijnstraat, staande tussen het huis van Allart van Rhijn en een huis, dat is verhuurd aan de schoenmaker Johannes Dier, staande op de hoek van de Gravenstraat. De inventaris is opgemaakt op verzoek van Thomas Rijckers, mr. Philippus Diodathi, zoon van Elisabeth Francken en Roeloff Francken, als testamentaire voogd over haar minderjarige kinderen.
De boedel bevato.a. denavolgende schilderijen:
– een vierkant stukje schilderij, zijnde een keuken met een “bacxvoetie” van Van Sorgen te Rotterdam [Hendrik Sorgh, geboren Rotterdam 1611, overleden 1670]
– een dito schilderij, zijnde een keuken met een waster “van den Heluen”
– een schilderij van Ossenbeeck [Jan of Joost van Ossenbeeck, geboren Rotterdam 1627, overleden Regensburg 1678]met Bacchus daarin
– een landschap van Decker
– een klein landschapje van Esaijus van der Velden
– twee achtkantige schilderijen, zijnde de portretten van mr. Jacob Francken en Elisabeth Francken zaliger, door Cuijp
– een klein landschapjedoor Coster
– een schilderijtje met twee dronken boeren
– een groot schilderij, zijnde een vrouw met een kind aan de borst door Pieter de Grebber

Vrouw met kind aan de borst, door Pieter de Grebber, 1622 (Frans Halsmuseum)
– een bergachtig landschap, Brabants werk
– een groot landschap van Van der Velden
– een schilderij met zeeschepen door Momper
– een groot landschap door Jan van Goijen
– een watervalletje door Esaijus van der Velden
– nog één, wat kleiner, door idem
– een groot schilderij van Abraham Blommert
– een stukje schilderij, zijnde een maaltijd, Brabants werk
– twee kleine stukjes schilderij, zijnde “winterkens” van Vermer
– een schilderij van Romulus [de stichter en eerste koning van Rome], onbekend
– een schilderij van de maaltijd van koning Hasueres [de Perzische koning Ahasverus enHaman te gast bij Esther: episode uithet Bijbelboek Esther]
– een scheepvaart door Momper
– een schilderij van Tobias
– een stukje van Esarus
– een landschap met vergulde lijst, Brabants werk
– een langwerpig landschapje door Knipbergen
– vijf kleine stukjes schilderijen van Esaijus van der Velden
– een bloempotje van waterverf, getekend BE
– een “seestrandeken”
– een achtkantig stukje van Molijn
– een scheepvaart van Vermer
– een “rossken” van De Vlieger
– een “fruijtagie” door Cuijp
– een schilderij met zeestrand met raadsheer Francken en zijn familie door Pieter Codde

– een groot bergachtig landschap van Momper
– een boerenkermis van waterverf door DB
– een landschapje met een sparreboompje door P
– een klein landschapje met beeldjes door Poelenburch [Cornelis van Poelenburgh (1594-1667)]
– een groot schilderij boven de schoorsteen op de bovenzaal met daarin mr. Jacob, Elisabeth en Jacobmina Francken uitgeschilderd, nog jong zijnde
– een schilderij van een haan, hen en kuikens, met vergulde lijst
– een schilderij van een hen en kuikens, met vergulde lijst
– een schilderij “zijnde een perspectief”
– een landschap met beeldjes
– een boerenkeuken of gevecht
– een langwerpige “battailije” [veldslag]
– een langwerpig schilderij met een plundering
– een “scheepsvaertgen”
– een landschap van Guldewagen [Jan Jacobsz. Guldewagen, eerste helft zeventiende eeuw]
– vijf kleine schilderijtjes, zijnde landschapjes van Esaijus van der Velden
– een oude mans tronie
– een portret van prins Willem III van Oranje
– een morgenstond door Sachtleven [Herman Sachtleven of Saftleven, geboren ca. 1580, overleden Rotterdam 1627]
– een prent van raadpensionaris [Johan] de Witt, met een ebbehouten lijst en glas ervoor
– een “waterken”
– een landschapje van Jan van Goijen
– een zeevaartje met vergulde lijst
– een speelmannetje, een jonker met juffertje, een prent op zijde van “Duik d’Halva” [de hertog van Alva] met rollen
– een groot schilderij, zijnde een vismarkt, door de oude Beuckelaer
– twee portretten van de voorouders van wijlen juffr. Van Casteren
– twee portretten van raadsheer Van Losen
– twee schilderijen van Jacob en Cornelis van Casteren
– een portret van ds. Johan Diodathij
– een portret van diens vrouw, zonder lijst, en één van hun dochter, ook zonder lijst
– een portret van ds. Philippus Diodathij
– een portret van juffr. Van Casteren
– een portret van wijlen Roeloff Francken
– twee portretten van raadsheer Francken en zijn vrouw
– twee portretten van Jacob van Casteren en zijn vrouw
– een portret van raadsheer Francken
– een oud portretje
– twee schilderijtjes, zijnde landschapjes van Guldewagen
– twee schilderijtjes, zijnde duinen
– een groot schilderij, zijnde een landschap van Knip[b]ergen
– een schilderij, waarop de dochter van farao Mozes uit het water haalt
– een portret
(187, f. 189 e.v.)
18 april 1679: comp. voor notaris G. Waltherij Jacomijnije Jacobsdr., weduwe van Willem Gerritsz. Hordijk, overleden en verongelukt onder Maasdam, geassisteerd met Wouter Cornelisz. Tael, wonende op Puttershoek, als haar gekoren voogd, enerzijds en Leendert Foppen van Driel, getrouwd met Cornelis Gerritsdr. Hordijk, wonende in Wieldrecht, Sijmon Gerritsz. Hordijk, wonende in Oud-Beijerland, voor zichzelf en voor de meerderjarige en minderjarige kinderen van Ingetie Gerritsdr. Hordijk en i.h.b. ten aanzien van de minderjarige kinderen met approbatie van Schout en Gerecht van de heerlijkheid van De Mijl en Arien Gerritsz. Hordijk, wonende op Dubbeldam,allen erfgenamen ab intestato van Willem Gerritsz. Hordijk, anderzijds. Comparanten zijn overeengekomen, dat Jacomijntje Jacobsdr. in het bezit zal blijven van alle goederen, die haar man heeft nagelaten, op voorwaarde, dat zij aan de voornoemde erfgenamen ab intestato een bedrag van 370 gl. zal uitreiken, die zij onder elkaar moeten verdelen volgens “d’ordonnantie ende ordre van successie ab intestato”. Jacomijntie tekent met een merkje, de overige comparantenmet hun naam. (308, f. 198 e.v. NB: deze akte is later geroyeerd en doorgehaald)*
* 15 juni 1680; comp. voor notaris G. Waltherij Leendert Foppen van Driel, Sijmon Gerritsz. Hordijk en Arien Gerritsz. Hordijk, die verklaren van de vorenstaande akte van uitkoop door Hendrick Bastiaensz. van der Linden, echtgenoot van Jacomijntje Jacobsdr., volledig voldaan en betaald te zijn. Akte derhalve geroyeerd. (308, f. 199)
[Leendert Foppen van Driel, gedoopt NG Heinenoord 28 okt. 1629 (tweeling met Neelke), zoon van Fop (Fob) Cleijsz. van Driel en Maritke Bastiaensdr., trouwde naar schatting ca. 1660 Cornelia Gerritsdr. Hordijk. (zij is doopgetuige bij Janneken, gedoopt NG Heinenoord 18 nov. 1668, dochter van Bastiaen Foppen (van Driel) en Ingentie Jans)
ORA ‘s-Gravendeel inv. 81:op 9 juni 1671 assisteert Leendert Foppen van Driel, schepen van Wieldrecht, Maike Gerritsdr. Hordijk, bij het passeren van een akte van uitkoop met Cornelis Heijmansz. Cappeteijn, oom en bloedvoogd van haar weeskind, genaamd Heijman Wijdte van Es, negen maanden oud. (Heijman, gedoopt NG Barendrecht 7 sept. 1670, zoon van Wijt Heijmensz. en Maeijken Gerritsdr., get.: Cornelis Heijmensz.)
Gemeentearchief Strijen inv. 45: op 29/30 april 1675 koopt Leendert Foppen van Driel van Hendrik Pietersz. Winter een “roowithooffde” koe voor 101 gl.
Kinderen:
a. Fob, gedoopt NG Barendrecht 8 jan. 1660 (get.: Marritje Huijgen)
b. Simon Leendertsz. van Driel, vermoedelijk geboren te Barendrecht naar schatting ca. 1665, jongman van Barendrecht (1692), trouwde Dordrecht 7/29 dec. 1692 (volgens attestatie van ondertrouw te Dubbeldam) Lijsbeth Wouters, jonge dochter van Blankenburg (1692)
c. Marij, gedoopt NG ‘s-Gravendeel 10 april 1672 (Collectie Van Meurs)]
4 juli 1679: comp. Sara Pieters Persijn, weduwe en erfgename van Jan Hardij, burgeres van Dordrecht. Haar overleden man is naaste bloedverwant en erfgenaam ab intestato geweest van Jan Tassijn, die in 1644 of daaromtrent in dienst van de VOC (kamer Amsterdam) naar Oost-Indië is gevaren en op 27 mei 1650 op Negombo is overleden. Comparante verleent procuratie aan haar zoon, Gregoor Hardij, koopman te Dordrecht, om van de VOC (kamer Amsterdam) te vorderen hetgeen Jan Tassijn van de Compagnie nog tegoed had. (ONA Dordrecht inv. 240, f. 191 e.v.)
15 febr. 1681: Godefridus Schalcken, “gerenommeert schilder” en burger van Dordrecht, en zijn vrouw Francoisa van Diemen verlenen procuratie aan Paulus Rutter, notaris te Geertruidenberg, om te vorderen van … [sic], koper van zeker huis en toebehoren in de Hallstraat te Breda, zodanige somma van penningen als aan hen, comparanten, toekomt ten laste van voornoemde koper. (ONA Dordrecht inv. 242, f. 23 e.v.)
22 april 1684: Steven Pietersz. Kreeck, jongman wonende op ‘s-Gravendeel, benoemt tot erfgenaam zijn moeder Maijcken Stevens, wonende mede aldaar. Legaat voor zijn halfbroers Jan en Cornelis Hermansz. Voogden: zijn oom Steven Stevensz., smid op Maasdam en Dirck Stevensz., wonende op ‘s-Gravendeel. (243, f. 225 e.v.)
23 dec. 1684: inventaris van de goederen, die zijn nagelaten door Johan Muijs, stadsbode, beschreven op verzoek van Pieter Muijs, mr. Johan Muijs, Anna Muijs, weduwe van Hendrick van de Snoeck, Jacobus Muijs, Jacobus Stopman, als man van Levina Muijs, en Pieter Muijs nog als voogd van het weeskind van Geertruijt Muijs, samen kinderen en erfgenamen van Johan Muijs.
Tot de nalatenschap behoren (o.a.):
een huis op de Groenmarkt, staande tussen het huis van Pieter Muijs en dat van Willem Oudeman, in welk huis Johan Muijs gewoond heeft en is overleden
een huis in de Nieuwe Breestraat, staande tussen het huis van de weduwe van Franchois van Bredenhoff en dat van de erfgenamen van Laurens van Duijnen, verhuurd aan Pieter van de Werff voor 90 gl. per jaar
een huis in de Vleeshouwersstraat, staande achter het huis van Johan van Boedonck en naast het huis van Jacob van Dalen, verhuurd aan Sijmon Gregoor schoenmaker voor 77 gl. per jaar
een huis in de Vleeshouwersstraat, staande naast het huis van Jacob van Dalen, verhuurd aan Otto Cruijsberch kleermaker voor 66 gl. per jaar
een huis voor het Bagijnhof, staande tussen de gracht en het huis van de weduwe van Covijn schilder, verhuurd aan Jonas Breij voor 46 gl. per jaar
Inboedel, huisraad, kleding, rentebrieven en obligaties,
gouden en zilveren munten (samen ter waarde van 2383 gl. 7 st. 8 penn.
een graf in de Grote Kerk in de zuidelijke trant tegenover de kapel van burgemeester Muijs
Boeken: een bijbeltje in quarto met zilveren “schelpkens”, een dito testamentboek met zilverbeslag en een dito kettinkje erin, Flavius Josephus in folio met Franse band, een grote bijbel in folio met koperen sloten, Ambrosius Paré [een Franse chirurg, overleden in 1590] in folio, een testamentbeok in quarto, zes allerhande boekjes
Goederen, die door de overledene zijn gelost uit de Bank van Lening, toebehoord hebbende aan Geertruijt Muijs, voor 100 gl., door hem voorgeschoten voor haar doodschulden 95 gl. 3 st.
Zilverwerk, tinwerk en koperwerk.
Schilderijen: de geboorte van Christus, nog een dito, een geslacht varken, een geborduurd bloempotje, een portret van een onbekende, een bedelaarster, een landschapje, een portret van Walterus Levesque, een kwakzalver, twee zeegezichten, een tekening, twee koperen “fortuijntgens” met een lijst, een banket, vijf bordjes, zijnde de vijf zinnen, een portret, een gezelschap van muzikanten, een landschapje, vijf bordjes voor de bedstee, een landschapje, een zeegezicht, een dronken boer met een kan en roemer, een watertje met een zeeschip, een liereman,

David Vinckboons, de Liereman
twee koeien, een schilderij met twee lopende beelden, een portret van prins Willem I, een landschapje, een schilderij met vier zangers, een schilderij van het vrouwtje van Samaria [Jezus en de Samaritaanse vrouw in Johannes 4:7-29],

School van Rembrandt, Jezus en de Samaritaanse vrouw
een gezelschap, een schilderij met twee oude personen, die bidden, een groot langwerpig schilderij, twee banketjes, twee getekende portretten van Walterus Levescque en zijn vrouw, een groot schilderij met verscheidene personen, een groot schilderij “uijtte schrift”, een langwerpig landschapje, twee schilderijtjes, grauw geschilderd.
(198, f. 229)
9 mrt. 1685: Catharina Cornelisdr. Gout, 20 jaar oud, logerende te Dordrecht ten huize van Dirxken Cornelis, weduwe van Jan Baltensz. verver, wonende tegenover het huis van mevrouw Alewijn, verklaart, dat Jacobus Tuijsschenbroeck, jongman, met haar “vleesschelijck heeft geconverseert”, waardoor zij zwanger is geworden, dat zij vier weken eerder is verlost van een zoontje en dat Jacobus Bredlij, bij wie zij als dienstmaagd heeft gediend en gewoond, nooit geslachtsverkeer met haar heeft gehad, en dus niet de vader van haar zoontje kan zijn.(128, f. 9)
13 mrt. 1685: Leendert Cornelisse, wonende in Bleskensgraaf , Jan Gijsbertsz. [van der Wulp], burger van Dordrecht, zijn vrouw Annigjen Huijgen en Aentje Joris, vrouw van Nicolaes Muijen, wonende in Noordeloos, stellen zich borg voor Nicolaas Muijen voor de voldoening van de gemenelandsimposten en stadsaccijnzen, die op 1 april 1685 te Dordrecht in verpachting zullen komen en gehuurd zullen worden door Nicolaes Muijen. (485, zonder folionrs.)
14 febr. 1691: Cornelis van Someren, tegenwoordig wonende in Papendrecht, verhuurt aan Johannes van Tricht, wijnkoper te Dordrecht, een voorhuis met “comptoir”, kelder en achterwoning, bestaande uit een middelkeuken, achterkeuken, nog een keuken grenzende aan de voornoemde kelder, een achterkamer met een goudleerkamer en een tuin met achteruitgang naar de Doelstraat van een huis in de Houttuin [Voorstraat], staande tussen het huis van de weduwe Van Bergen en dat vands. Samuel van Til, voor 120 gl. per jaar. (520, akte 21)
26 mei 1691: Danïel van Veen, kamerbewaarder te Dordrecht en Matthijs Paradijs, hospes in “de Gouden Molen” te Dordrecht, leggen een verklaring af op verzoek van mr. Willem Stoop, schout van Dordrecht en Pieter Caan, burger van Dordrecht. Op een niet nader aangeduide dag in mei 1691 heeft de eerste comparant uit naam van Pieter Caan arrest gedaan op de persoon van Barent Jonckholt, inwoner van Gouda en terwijl hij inde herberg “de Gouden Molen” de akte van arrest zat te schrijven, is bij hem gekomen een zekere Hornincx, die eveneens in Gouda woont, samen met de voornoemde Jonckholt. Hornincx heeft toen gezegd: “Dat arrest zal niet veel uithalen, het is maar vagebondenwerk”. De comparant verklaart gezien te hebben dat Hornincx, die in de gang van de herberg stond, Pieter Caan, die daar ook aanwezig was, een trap heeft gegeven, zonder dat Caan hem daartoe enige aanleiding had gegeven. (587, f. 75 e.v.)
15 sept. 1693: Johan Diodati, koopman en burger, ziek te bed liggende, herroept het testament, dat hij samen met Alegonda Trouwers voor J. van der Hoop, notaris te Dordrecht, heeft gepasseerd op 17 okt. 1686. Hij benoemt zijn vrouw tot voogdes enerfgename van alle door hem na te laten goederen, ook de goederen, die hij heeft geërfd van zijn oom Theodorus Diodati, gelegen zowel te Géneve als elders, op voorwaarde, dat zij hun kinderen zal onderhouden en opvoeden tot hun mondigheid of totdat zij, met toestemming van zijn vrouw, gaan trouwen. Zij moet hun dan een bedrag uitreiken, dat zij naar de staat van zijn nalatenschap zal oordelen behoorlijk te zijn. (193, 66 e.v.)
13 april 1695: compareren voor notaris J. Melanen Pieter Muijs, voor zichzelf en als voogd over de weeskinderen van Geertruijt Muijs en Anna Muijs, zijn overleden zusters, Jacobus Muijs, voor zichzelf en Jacob Stopman, als man van Levina Muijs, allen kinderen en erfgenamen van wijlen Johan Muijs. Comparanten hebben de goederen, die hun broer resp. zwager, mr. Johan Muijs, overleden in Oost-Indië, in “tochte” heeft bezeten en aan hem door zijn vader subject fideï-commis zijn gelegateerd, verdeeld. In gemeenschappelijk bezit zal vooralsnog blijven een obligatie van 800 gl., door hun broer nagelaten, tot het moment, waarop er een definitieve uitspraak is in het proces, dat ds. Samuel Megapolensis tegen de erfgenamen heeft aangespannen. De erfporties van de weeskinderen van Geertruijt en Anna Muijs zullen onder beheer blijven van voornoemde Pieter Muijs. (229, f. 329v e.v.)
19 april 1695: testament van Salomon Levi, wonende te Dordrecht. Hij benoemt tot universeel erfgenaam zijn vrouw Judick Meijers, die gehouden zal zijn hun minderjarige kinderen naar staat en gelegenheid van de boedel op te voeden en te alimenteren tot hun mondigheid of eerder huwelijk en hun dan een som geld of goederen uit te keren, zoveel als zij zal oordelen behoorlijk te zijn. Testateur begeert, dat zijn vrouw na zijn overlijden “sal vermogen te blijven in compagnie met sijne soonen Levi ende Meijer Salomons ende soodanige andere kinderen die met sijn testateurs overlijden inde compnts. negotie gestelt sullen sijn.” Hij benoemt zijn vrouw en zijn twee oudste zoonstot voogden.Testateur tekent met zijn naam in Hebreeuwse letters. (568, akte 22, f. 45 e.v.)

13 mrt. 1697: compareren voor not. A. van Nievelt Jannichje Ariens, vrouw van Pieter Pluijm en Marijcke van der Haege, vrouw van Aert Hendricksz. Cop, beiden timmerlieden, de eerste wonende buiten en de tweede binnen de stad Dordrecht. Zij verklaren op verzoek van Teunis Joosten, bleker buiten de stad Dordrecht, dat zij op verzoek van de rekwirant zijn geweest bij Geertruijt … [sic], dienstmaagd van de weduwe van Claes Gerrets, eveneens bleker en met haar hebben gesproken over het feit, dat zij door Teunis Joosten is zwanger gemaakt. Zij hebben voorgesteld “of het niet het beste soude sijn dat sij met den requirant het glad affmaeckte en het kind selfs hielde”. Daarop heeft Geertruit geantwoord, dat als Teunis haar 200 gl. zou geven, zij het kind zou houden en hem daarover nooit meer lastig vallen. De attestanten hebben daarna 100 daalders geboden,welke Geertruijt heeft afgewezen. Na verder overleg met Teunis zijnde attestanten uiteindelijk met Geertruijt overeengekomen, dat de man haar 200 gl. zal betalen, waarop in mindering gebracht zulllen worden de 24 gl. aan kraamkosten, die hij haar al heeft gegeven. (597, f. 36)

De voorste vrouw zit in een zogenaamde bakermat.
2 mei 1697: Johan Diodathi, burger van Dordrecht, onlangs door de Bewindhebbers van de V.O.C. “ter Camere Seventhien” aangesteld tot fiscaal van de Kust van Suratte in Oost-Indië, verklaart, dat hij gedurende zijn afwezigheid procuratie verleent aan Samuel de Moraes, klerk in de secretarie, om in het openbaar of uit de hand te verkopen een huis in de Gravenstraat te Dordrecht, staande tussen het huis van Thomas Rijckaerts en dat van de weduwe van Arent Huttenis, welk huis hem is aanbedeeld bij de scheiding van de nalatenschap van Elisabeth en Agatha Francke, zijn overleden tantes, en de kooppenningen daarvan over te dragen aan Thomas Rijckaerts, in mindering van hetgeen hij, Diodathi, aan hem schuldig is, of het huis aan Rijckaerts te transporteren. (ONA Dordrecht inv. 194, f. 223 e.v.)
18 juli 1698: compareert voor not. P. van Son Maximiliaan van der Hentsz [van der Henst, van der Hengst], die als onder-chirurgijn in 1693 op het schip Pijnenburg van Texel is uitgevaren naar Guinee. Hij verklaart procuratie te verlenen aan zijn zoon Matthijs van der Hentsz, die evenals hijzelf in Dordrecht woont, om bij de kamer Amsterdam van de W.I.C. de penningen te innen, die hij nog tegoed heeft. (453, akte 57, f. 163 e.v.)
17 dec. 1698: compareren Adriaen Hoffman, garenbleker en Michiel van der Spoor, twijnder en burger van Dordrecht. Zij verklaren, dat Govert Bonten, garenbleker buiten Dordrecht, als echtgenoot van de weduwe van Arij Weda, ten behoeve van Pieter van Bellicum, inwoner van Gorinchem, heeft gepasseerd twee hypotheekbrieven, een van 1200 gl. en een van 1800 gl., waarvoor hij heeft verbonden de garenblekerij, waarop hij woont, liggende buiten Dordrecht tussen de Spuipoort en de Vriesepoort. Comparanten stellen zich borg voor Govert Bonten. Akte door beiden ondertekend. (593, f. 421 e.v.)
13 juli 1699: testament van Arijen Cornelisz. Weedae en zijn vrouw Geertgen Gijsbertsdr., echtelieden wonende te Numansdorp, beiden gezond van lichaam en geest. De testateuren staan niet in de 200e penning. Zij herroepen al hun eerdere testamenten, codicillen e.d. en benoemen thansde langstlevende van hen beiden tot erfgenaam. Voorwaarde is, dat de langstlevende gehouden blijft alle kleren van wol, linnen en andere stoffen ten lijve van de eerststervende zes weken na diens overlijden te laten volgen aan de erfgenamen ab intestato van de eerstoverlijdende. Als de testatrice de eerststervende is benoemt zij het kind van haar overleden dochter, genaamd Neeltgen Gijsbertsdr. Kuijper, tot erfgenaam van haar kleren en zulks in plaats van de haar naar rechten toekomende legitieme portie. Zij wenst,dat die kleren na het verlopen van de periode van zes weken publiekelijk verkocht zullen worden ende daarvan ontvangen penningen”tot proffijte uitgeseth sullen werden”. Voorts stellen de testateuren als voorwaarde, dat na het overlijden van de langstlevende de goederen, die hij of zij nalaten zal, verdeeld zullen moeten worden onder de erfgenamen ab intestato van de eerstoverlijdende voor de ene helft en de erfgenamen van de langstlevende voor de wederhelft. De testatrice bepaalt te dien aanzien nog, dat, ongeacht of zij de eerst- of laatststervende is, en indien haar voornoemde kleinkind haar erfgenaam zal zijn,zij de goederen, die zij boven de legitieme portie vande testatriceerven zal, niet zal mogen vervreemden of daarvan disponeren, maar er alleen haar leven lang het vruchtgebruik van zal mogen genieten, welke goederen na haar, Neeltgens,overlijden zullen vererven op haar wettige nakomelingen, die er insgelijks alleen het vruchtgebruik van zullen hebben en welke goederen na hun overlijden weer zullen vererven op hun wettige nakomelingen, maarzonder aftrek van de trebellianique portie. Indien Neeltgen Gijsbertsdr. echter geen wettige nakomelingen zal nalaten, zullen genoemde goederen toekomen aan de nakomelingen van wijlen Trijntgen Gijsbertsdr., de zuster van de testatrice. Indien, tegen verwachting nochtans, de nakomelingen van haar dochter zich tegenbovenstaande bepalingen zullen verzetten, of de testateur “molesten” zullen aandoen, bijvoorbeelddoor staat en inventaris te eisen, zullen de betreffendebepalingen vervallen en benoemt de testatrice haar man aan tot erfgenaam van de volle eigendom vaneen kindsgedeelte in haar nalatenschap. De testateuren benoemen de langstlevende van hen beiden aan tot voogd over hun minderjarige erfgenamen, benevens namens hem Rochus Simonsz. Ronaer en namens haar Arien Ariensz. Moockhouck en Aert Huijgen Clootwijck, met bevoegdheid om in geval van vooroverlijden van één of meer vandie personeneen nieuwe medevoogd aan te wijzen. Zij sluiten schout en gerechtalsmede weesmeesters van Numansdorp in Cromstrijen of van welke andere plaats, waar hun sterfhuis zal zijn, uit van hun nalatenschap. Akte door testateur ondertekend, testatrice zet een kruisje. (ONA Dordrecht inv. 264, f. 244 e.v.)
31 juli 1699: compareren voor notaris G. Muijs Jan Louisz. van der Elst, winkelier te Dordrecht. Hij verklaart zijn schoonzoons Arijen van der Spaen en Barnardus Stam schadeloos te zullen houden van zodanige borgtocht als zij voor genoemde notaris op dezelfde dag ten behoeve van zijn crediteuren hebben verleden en hij verleent procuratie aan zijn schoonzoons om zijn “soo vaste als losse en meuble goederen” aan de meestbiedende te verkopen en te transporteren. (594, akte 49)
31 juli 1699: Arijen van der Spaen, getrouwd met Lijsbeth Jansdr. van der Elsten Barnardus Stam, getrouwd met Pieternella Jansdr. van der Elst, stellen zich borg voor hun schoonvader Jan Louisz. van der Elst. Stam tekent met “Bernardus Stam”. (594, akte 50) [Jan Lowijsz. en Jannetje Pieters laten dopen (NG Dordrecht) op 14 febr. 1663 een dochter Pietronel]