De Bijbel als mythe

Johannes 8: 31,32. “gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal U vrij maken.”
 
 
Literatuur:
 
Y. Adler, The Origins of Judaism: An Archaeological-Historical Reappraisal (Yale, 2022)
 
W. Dever, What did the biblical writers know & when did they know it. (Cambridge, UK, z.j.)
 
I. Finkelstein en N.A. Silberman, De bijbel als mythe. Opgravingen vertellen een ander verhaal (Den Haag 2006) [hierna aangehaald als FS; NB: in tegenstelling tot Finkelstein en Silberman gebruik ik in het hierna volgende de term “vóór Christus”, aangezien ik van mening ben dat, wat er ook voor bezwaren aan kleven – Jezus Christus werd bijv. een aantal jaren vóór het begin van de naar hem genoemde tijdrekening geboren – het gebruik van die term een zeer lange traditie heeft, de Christelijke jaartelling in grote delen van de wereld gebruikt wordt, en dat voorts niemand kan ontkennen dat het Christendom een belangrijke rol in de wereldgeschiedenis heeft gespeeld en nog speelt.
 
I. Finkelstein en N.A. Silberman, David & Salomo, Archeologen ontrafelen een mythe. (Rotterdam 2010)
 
Inleiding.
 
Het met Deuteronomium verbonden historische verhaal van de boeken Jozua, Richteren, I en II Samuël, I en II Koningen is taalkundig en theologisch zo nauw verwant met Deuteronomium, dat de geleerden het sinds de jaren 1940 de “Deuteronomistiche Geschiedenis” zijn gaan noemen … De archeologie heeft voldoende materiaal opgeleverd om steun te geven aan de nieuwe opvatting dat de historische kern van de Pentateuch en de Deuteronomistische Geschiedenis in de 7e eeuw v. C. haar wezenlijke vorm kreeg. (FS, p. 26-27)
 

“[We stellen] dat een groot deel van de Pentateuch een creatie is uit de tijd van de late monarchie [d.w.z. de late 8e en 7e eeuw v.C.] ter verdediging van de ideologie en belangen van het koninkrijk Juda en als zodanig verbonden is met de Deuteronomistische Geschiedenis. En we zijn het eens met de geleerden die stellen dat de Deuteronomistische Geschiedenis voornamelijk werd samengesteld in de tijd van koning Josia met de bedoeling een ideologische rechtvaardiging te bieden voor bepaalde politieke ambities en godsdienstige hervormingen.” (FS, p. 27)

 
Chronologie
 
Volgens Exodus 12:40 duurde de slavernij van de Israëlieten in Egypte 430 jaar.
 
Volgens I Koningen 6:1 had de Exodus uit Egypte plaats 480 jaar voordat in het vierde jaar van koning Salomo’s regering de bouw van de tempel in Jeruzalem begon (ca. 970 v.C.).
 
Als we ervan uit gaan dat de aartsvaders Abraham, Izaäk en Jakob, wiens levensjaren elkaar gedeeltelijk overlappen, 200 jaar lang in Kanaän leefden, dan zou Abraham zich ca. 2100 v.C. in Kanaän gevestigd hebben. (FS, p. 48-49)
 
De afstammingslijsten in de Bijbel leveren een probleem op: Mozes en Aäron zijn nakomelingen van de vierde generatie van Levi, de zoon van Jakob. Jozua, een tijdgenoot van Mozes, is echter volgens de Bijbel een nakomeling van de twaalfde generatie van Jozef, een andere zoon van Jacob. (FS, p. 49)
 
Anachronismen.
 
Moderne Amerikaanse bijbelwetenschappers stellen dat zelfs als de latere teksten enkele vroege tradities bevatten, de selectie en bundeling van de verhalen eerder uitdrukking geven aan een duidelijke boodschap van de bijbelbewerkers uit de tijd waarin deze verhalen werden geschreven, dan dat ze een betrouwbaar historisch verslag bieden. Wanneer vond die selectie en bundeling plaats? De bijbeltekst geeft enkele duidelijke aanwijzingen:
 
In het verhaal van Jozef (Gen. 37:25) is sprake van kamelen, die gebruikt worden als lastdieren. Uit archeologisch onderzoek is gebleken, dat men kamelen in het Nabije Oosten pas ver na 1000 v.C. als lastdieren ging gebruiken.
 
 
Jozef verkocht naar Egypte
 
Gom, hars en balsem worden in het verhaal van Jozef door een kamelenkaravaan vervoerd. De handel in die Arabische producten bloeide pas in 8e en 7e eeuw v.C. onder controle van het Assyrische Rijk. (FS, p. 51)
 
Izaäk ontmoet “Abimelek, koning van de Filistijnen”, in de stad Gerar (Gen. 26:1). De Filistijnen vestigden zich echter pas enige tijd na 1200 v.C. in de kustvlakte van Kanaän. Gerar was in de IJzertijd I “niet meer, dan een klein en onbeduidend dorp”. Maar aan het eind van de achtste en zevende eeuw v.C. was het een belangrijk en zwaar versterkt Assyrisch bestuurscentrum geworden, zo blijkt uit opgravingen.
 
 
Alle aanwijzingen duiden erop dat de verhalen vele eeuwen na de tijd waarin volgens de Bijbel de aartsvaders leefden werden geschreven. De genoemde en andere anachronismen lijken erop te wijzen dat dit intensieve schrijfproces plaatsvond in de 8e en 7e eeuw v.C (FS, p. 52)
 
De aartsvaders en Mozes.
 
After a century of exhaustive investigation, all respectable archeologists have given up hope of recovering any context that would make Abraham, Isaac, or Jacob credible “historical figures”. … archeological investigation of Moses and the Exodus has similarly been discarded as a fruitless pursuit. Indeed the overwhelming archeological evidence today of largely indigenous origins for early Israel leaves no room for an exodus from Egypt or a 40- year pilgrimage through the Sinai wilderness. A Moses-like figure may have existed somewhere in southern Transjordan in the mid-late 13th centrury B.C., where many scholars think the biblical traditions concerning the god Yahweh arose. But archeology can do nothing to confirm such a figure as a historical personage, much less prove that he was the founder of later Israelite religion. (Dever, p. 98-99)
 
Rembrandt, Mozes

De buurvolken van de Israëlieten
 
De Joden leefden in twee koninkrijken: Israël in het noorden en Juda in het zuiden. Ten noorden van Israël ontstonden vanaf het begin van de 9e eeuw v.C. Aramese koninkrijken. Het koninkrijk Aram-Damascus was soms een bondgenoot en soms een rivaal van het koninkrijk Israël. De bevolking van de noordelijke gebieden van het koninkrijk Israël schijnt overigens voor een groot deel Aramees van oorsprong te zijn geweest. Jakob, die later de naam Israël kreeg, wordt bijvoorbeeld in Deuteronomium een “zwervende Arameeër” genoemd. (FS, p. 54)
 
A
 
De relaties van de Joodse koninkrijken met hun oosterburen waren in de 8e/7e eeuw v.C. vaak vijandig. Het is veelzeggend hoe die buurvolken, Ammon en Moab, in de Bijbel worden gekleineerd. De stamvaders van die volken, Ammon en Moab, waren volgens Genesis geboren uit een incestueuze verhouding van Abrahams neef Lot met zijn twee dochters. Die dochters konden geen geschikte echtgenoot vinden, wilden wel graag kinderen hebben, voerden daarom hun vader dronken en lieten zich door hem zwanger maken. (FS, p. 54-55)
 

 

Artemisia Gentileschi, Lot en zijn dochters
 
De zonen van Izaäk, Jakob en Esau, waren tweelingbroers. Esau was de oudste en Jakob de jongste. Esau werd de stamvader  van Edom  en  Jakob van Israël. God zegt tegen hun moeder Rebekka, wanneer zij van de broers zwanger is: “Twee volken zijn in uw schoot … de ene natie zal sterker zijn dan de andere, en de oudste zal de jongste dienstbaar wezen.”
 
 
L. Giordano, Izaäk zegent Jakob
 
Edom vormde vóór ca. 700 v.C. geen staat en had geen koningen. Vóór ca. 700 v.C. was het gebied dunbevolkt. De hoofstad Bozra groeide pas in de Assyrische periode uit tot een grote stad. (FS, p. 55-56)
 
Ismaël, zoon van Abraham en zijn dienstmaagd Hagar, die door Abraham later verstoten werd, is volgens de Bijbel de stamvader van de Arabische stammen ten zuiden van het koninkrijk Juda. Zijn portret in Genesis (16:12) is weinig vleiend: hij wordt beschreven als een eeuwige zwerver en “een wilde ezel”, die met iedereen strijd voert. De stammen, die Ismaël als stamvader hadden (o.a. de Kedarieten) worden voor de Israëlieten pas relevant vanaf de Assyrische periode (8e/7e eeuw v.C.) Daaruit valt op te maken dat de betreffende passages in Genesis pas tussen het einde van de 8e eeuw en de 6e eeuw vóór Christus werden samengesteld.(FS, p. 56)
 
 
Govert Flinck, De verstoting van Hagar en Ismaël
 
 
Juda en Israël
 
De schrijvers van de Pentateuch benadrukken, dat Juda het primaat van beide koninkrijken had, terwijl het in gebiedsomvang, rijkdom en militaire macht nauwelijks vergelijkbaar was met Israël. De mensen in Juda waren over het algemeen analfabeet. Het was een dunbevolkt en tamelijk geïsoleerd staatje en de hoofdstad, Jeruzalem, was een klein afgelegen bergstadje. De opkomst van Juda vond pas plaats na de liquidatie van Israël door Assyrië in 720 v.C. (FS, p. 58-61)
 
Het ontstaan van het volk Israël
 
“Vooral in het Kanaän van de late bronstijd was het alleen mogelijk dat er zo veel grote groepen nomadische herders in het hoogland en aan de rand van de woestijn leefden zolang de Kanaänitische stadstaten en dorpen een voldoende hoeveelheid graan konden produceren om handel mogelijk te maken. Dit was de situatie gedurende drie eeuwen van Egyptische overheersing over Kanaän. Maar toen dat politieke systeem in de twaalfde eeuw voor onze jaartelling ineenstortte, stortten ook de economische netwerken ervan ineen. We mogen redelijkerwijs aannemen dat de dorpsbewoners van Kanaän gedwongen waren zich te concentreren op hun eigen levensonderhoud en niet langer belangrijk meer graan produceerden dan wat zij nodig hadden. Dus moesten de nomadische herders in het hoogland en aan de rand van de woestijn zich aanpassen aan de nieuwe omstandigheden en hun eigen graan gaan verbouwen. Al spoedig leidden de vereisten van landbouw tot een reductie in de duur van seizoensmigraties. Toen de migratieperioden korter werden, moesten de kudden worden verkleind en toen er steeds meer arbeid werd geïnvesteerd in landbouw vond er een permanente verschuiving naar een sedentair leven plaats. Het proces dat we hier beschrijven, is in feite tegenovergesteld aan wat de Bijbel vertelt: de verschijning van het vroege Israël was een gevolg van de ineenstorting van de Kanaänitische cultuur, niet de oorzaak ervan. Ook kwamen de meeste Israëlieten niet van buiten Kanaän – zij verschenen van binnen  uit. Er vond geen massale uittocht uit Egypte plaats. En Kanaän werd niet met geweld veroverd. Het grootste deel van de mensen die het vroege Israël vormden waren inheemse mensen – dezelfde mensen die we de brons- en ijzertijd door in het hoogland zien. De vroege Israëlieten waren – o ironie – zelf van oorsprong Kanaänieten.” (FS, p. 145)
De vroege Israëlieten onderscheidden zich van hun buren (Filistijnen, Ammonieten en Moabieten) in één opmerkelijk opzicht: ze aten – om redenen die niet helemaal duidelijk zijn – geen varkensvlees. “Zo’n vijfhonderd jaar voordat de bijbeltekst , met zijn gedetailleerde wets- en spijsregels, op schrift werd gesteld, kozen de Israëlieten ervoor … geen varkensvlees te eten.” (FS, p. 146-147)
 
 David en Goliat. 
 
Het probleem is … dat in een eerdere verzameling van sagen over de machtige mannen rond David een andere versie over de dood van Goliat bestaat die er behoorlijk van afwijkt. Het is als een vergeten voetnoot bij de tekst gevoegd: ‘Tijdens een andere veldslag tegen de Filistijnen, opnieuw bij Gob, werd Goliat uit Gat gedood door Elchanan, de zoon van Jari, uit Betlehem. De schacht van Goliats speer was zo dik als de boom van een weefgetouw. (2.Samuel 21:19) … Pas met de opkomst van de zwaar bewapende Griekse huursoldaten [hoplieten] in de zevende tot vijfde eeuw v.Chr. was de standaard wapenuitrusting gelijk aan die van Goliat: een metalen helm, pantsers, metalen scheenplaten, twee speren, een zwaard en een groot schild. Dit doet vermoeden dat de auteur van het bijbelverhaal over David en Goliat goed bekend was met de Griekse huurlingen uit de late zevende eeuw.
(David & Salomo, p. 201)
 
 
David en Goliath, door Gustave Doré

David en Salomo
 
“De werkelijke omvang van het ‘rijk’ van David is onderwerp van een fel debat, Opgravingen in Jeruzalem hebben geen enkel bewijs opgeleverd dat het in de tijd van David of Salomo een belangrijke stad was. En er is alle reden de monumenten die eerder werden toegeschreven aan Salomo in verband te brengen met andere koningen.” (FS, p. 152)
 
Salomo
 
[Het geïdealiseerde beeld van het koninkrijk Judah onder Salomo in de tiende eeuw v.C.] heeft duidelijk niets te maken met de arme dorpen en de ruige omstandigheden waaronder de mensen leefden in het Jeruzalem van de tiende eeuw v.C., noch is het een precieze beschrijving van het snel groeiende koninkrijk van Achaz en Hizkia [tweede helft 8e eeuw v.C.]. Het geschetste beeld van een gevestigd en uitvoerig  koninklijk bestuur lijkt meer op het koninkrijk Juda in de vroege zevende eeuw v.C. (in grote lijnen tenminste), dat steeds meer georganiseerd en gecentraliseerd werd. (David & Salomo, p. 161)
 
 
Jeruzalem
 
“In Jeruzalem zijn steeds weer nieuwe opgravingen verricht – met vooral een periode van intens onderzoek in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw … naar overblijfselen uit de brons- en de ijzertijd in de stad van David, de oorspronkelijke stadskern van Jeruzalem. Verrassend genoeg leverde … het veldwerk daar en in andere delen van het bijbelse Jeruzalem geen belangrijke aanwijzingen op voor een bewoning in de tiende eeuw. Niet alleen ontbrak elk teken van monumentale architectuur, maar er werden ook geen simpele potscherven ontdekt. De aardewerktypen die elders zo kenmerkend zijn voor de tiende eeuw voor onze jaartelling, zijn in Jeruzalem zeldzaam. Sommige geleerden stellen dat latere, massale bouwactiviteiten in Jeruzalem alle sporen van de vroegere stad hebben uitgewist. Maar opgravingen in de stad van David leverden indrukwekkende vondsten uit de middenbronstijd en uit latere eeuwen van de ijzertijd op – alleen niet uit de tiende eeuw voor onze jaartelling. Het meest optimistische oordeel over dit negatieve bewijsmateriaal is dat het tiende-eeuwse Jeruzalem tamelijk klein van omvang was, misschien niet groter dan een typisch dorp in het heuvelland. Deze bescheiden inschatting sluit goed aan bij het nogal povere nederzettingenpatroon in de rest van Juda in deze zelfde periode, dat bestond uit slechts zo’n twintigtal dorpen met een paar duizend inwoners, van wie velen nomadische herders waren. Het is dan ook hoogst onwaarschijnlijk dat dit schaars bewoonde Juda en het kleine dorp Jeruzalem het centrum werden van een groot rijk dat zich uitstrekte van de Rode Zee in het zuiden tot Syrië in het noorden. … ” (FS, p. 163)
“Er is geen enkele archeologische aanwijzing voor de rijkdom en mankracht en het organisatieniveau die vereist zouden zijn om – zelfs voor korte perioden – een groot veldleger in stand te houden. Zelfs als de betrekkelijk weinige bewoners van Juda in staat waren snelle aanvallen uit te voeren op aangrenzende gebieden, dan blijft nog de vraag of ze ook in staat waren het uitgestrekte en zelfs nog ambitieuzere rijk van Davids zoon Salomo te besturen.” (FS, p. 163-164) [1]
 
Josia 
 
Het valt niet uit te sluiten, dat David omstreeks 1000 v.C. Filistijnse en Kanaänitische steden in het laagland heeft aangevallen en verwoest, zoals vermeld wordt in het eerste boek Samuël: daar zijn wel archeologische bewijzen voor gevonden, maar in het debat rond deze kwestie ging het niet zozeer om die veroveringen, “maar veeleer om wat er daarna gebeurde. Vestigde Salomo echt een glorieus bewind over het koninkrijk dat David had veroverd?” (FS, p. 164-165)
 
“Voor het volk van Juda uit de tijd waarin het bijbelverhaal voor het eerst op schrift werd gesteld was er een nieuwe David op de troon gekomen die de bedoeling had de glorie van zijn verre voorouders te herstellen. Dat was Josia, die wordt beschreven als de vroomste van alle koningen van Juda. En Josia was in staat in zijn eigen tijd de tijd van de legendarische verenigde monarchie te doen herleven. Door Juda te reinigen van de gruwel van de afgodendienst [voor het eerst in Jeruzalem] geïntroduceerd door Salomo met zijn harem van buitenlandse vrouwen] … kon Josia de overtredingen die hadden geleid tot de ondergang van het ‘rijk’ van David ongedaan maken.” (FS, p. 176)
 
De tempel van Salomo
 
De eerste tempel is ongetwijfeld op het hoogste, noordelijke deel van de bergkam van de Stad van David gebouwd.  Maar in dit gebied … bevinden zich nu twee van de belangrijkste heiligdommen van de Islam, de al-Aqsamoskee en de Rotskoepel. Om religieuze redenen is het derhalve niet mogelijk hier uitvoerige archeologische opgravingen te verrichten. Zelfs als het wel mogelijk zou zijn om onder de Rotskoepel te graven, dan nog is het verre van zeker of er ruïnes uit de ijzertijd zouden worden gevonden. In de eerste eeuw v.C. was de Tempelberg immers het decor van een van de omvangrijkste bouwwerkzaamheden in de geschiedenis van het Heilige Land, toen koning Herodes I de Grote een enorme fundering liet aanleggen, die vandaag de dag nog steeds bestaat (de al-Aqsamoskee en de Rotskoepel staan hierop). … Het is dus onwaarschijnlijk dat ruïnes uit de ijzertijd tijdens dergelijke werkzaamheden bewaard zijn gebleven. … Als de zoon van de plaatselijke leider van een kleine staat in de hooglanden zou [Salomo] … geen toegang hebben gehad tot de middelen om een grote tempel te bouwen. In feite zou hij slechts in staat moeten zijn geweest om een bescheiden plaatselijk dynastiek heiligdom te bouwen of te renoveren, van het soort dat veelvuldig in het oude Nabije Oosten is opgegraven. (David & Salomo, p. 177-178)
 
 Hasor, Megiddo en Gezer.
 
[In 1 Koningen 9:15 lezen we:] “Salomo liet de tempel, het paleis, het Millobolwerk en de stadsmuur van Jeruzalem uitvoeren als herendienst, evenals de werkzaamheden in Hasor, Megiddo en Gezer.”  … De steden werden met de bijbelpassage in verband gebracht en bijgevolg gedateerd in de tiende eeuw v. Chr. Deze interpretatie is echter overtuigend weerlegd op zowel statigrafische als chronologische gronden. … Alle drie de steden waren op het grondgebied van het noordelijk koninkrijk [Israel] gelegen en waren, op de hoofdstad, Samaria na, waarschijnlijk de belangrijkste bestuurscentra. …. Megiddo kwam eerst tot bloei als een noordelijke Israëlitische stad onder de heerschappij van koning Omri in de negende eeuw v.Chr., toen er twee prachtige natuur stenen paleizen werden gebouwd. In de achtste eeuw, waarschijnlijk in de tijd van Jerobeoam II, had de stad een grote poort met zes vertrekken en een uitgebreid stallencomplex, dat door een enorme stadsmuur was omgeven. De stad had een goed ontwikkeld watersysteem, bestaande uit een diepe pijp en een tunnel, die naar een bron aan de voet van de berg leidde. Ook Hasor was ten tijde van de dynastie der Omriden een vooraanstaande stad, werd daarna kortstondig bezet en verfraaid door de dynastie van Damascus en viel tenslotte weer onder Israëlitische heerschappij in de tijd van Jerobeam  II. De stad werd op grote schaal verbouwd en vernieuwd; ook werd er een omvangrijk watersysteem aangelegd, uitgehouwen uit de rotsen. Gezer bevond zich eveneens binnen de grenzen van het noordelijk koninkrijk. In de achtste eeuw v. Chr. bereikte het zij maximale omvang. De stad was omgeven door een enorme stenen muur, die grote overeenkomsten vertoont met de opgegraven muren in Megiddo en Hasor. Er was zelfs een poortgebouw met zes vertrekken dat ook dienst deed als binnenpoort. … In de jaren twintig van de vorige eeuw geloofden archeologen ten onrechte dat de eigenlijke ruïnes van de stallen van Salomo in de noordelijke stad Megiddo waren gevonden. … Later onderzoek in Megiddo heeft echter aangetoond dat deze bouwwerken niet uit de tijd van Salomo stammen; gebleken is dat ze waren gebouwd in de tijd van grote voorspoed in het noordelijk koninkrijk in de eerste helft van de achtste eeuw v. Chr., ten tijde van Jerobeam II. … de Amerikaans geleerde Deborah Cantrell heeft overtuigend aangetoond dat ze wel degelijk voor paarden werden gebruikt.
(David & Salomo, p. 169-170)
 
 
Opkomst en ondergang van het oude Israël
 
“Een kaart van de nederzettingen in het hoogland in de vroege bronstijd [ca. 3500-2200 v.C.] laat bijvoorbeeld duidelijk twee verschillende regionale nederzettingssystemen zien, waarbij de scheidslijn tussen beide ruwweg loopt tussen Sichem en Jeruzalem, een grenslijn die later de grens tussen Juda en Israël zou worden.” In het noorden waren er grote, middelgrote en kleine nederzettingen, die alle sterk afhankelijk waren van landbouw. Het zuiden was dunner bevolkt en had alleen kleine nederzettingen. Er zijn in het zuiden alleen potscherven gevonden en geen permanente gebouwen, wat de indruk wekt dat de bevolking van het zuiden voor een groot deel uit nomadische herders bestond. Zowel het noorden als het zuiden werd gedomineerd door één groot centrum dat het hart vormde van de regionale politieke en economische activiteiten – en misschien ook van de regionale religieuze praktijken. In het zuiden was dat Ai (ten noordoosten van Jeruzalem). Het had indrukwekkende vestingwerken en een monumentale tempel. Het noorden had meerdere centrale nederzettingen, maar één ervan (het bijbelse Tirza) domineerde over de rest. (FS, p. 185-186)
De situatie was in de middenbronstijd (ca. 2000-1550 v.C.) niet veel anders: alleen had Jeruzalem nu de plaats ingenomen van Ai, met als tweede grote centrum Hebron, beide versterkte plaatsen. Sichem was nu het centrum van het noorden geworden. Het had indrukwekkende vestingwerken en een grote tempel. (FS, p. 186).
Uit de late bronstijd beschikken we over tekstinformatie: de Tell-Amarna brieven (14e eeuw v.C.). Die bevestigen de verdeling van het centrale heuvelland tussen twee vroege territoriale staten: Sichem en Jeruzalem. De kustvlakte en de dalen van Kanaän waren verdeeld in vele kleine stadstaatjes. De staten in het hoogland waren weliswaar groter in oppervlakte, maar veel dunner bevolkt. Tussen die twee staten in het hoogland heerste een langdurige rivaliteit en ze waren tamelijk verschillend van elkaar. Daar was een goede reden voor: ze hadden elk een heel verschillend natuurlijk milieu. In het noorden waren er voldoende dalen met vruchtbare landbouwgrond om de bevolking van meerdere dorpen van het nodige te voorzien (graan, olijven, wijnranken). De verbindingen waren er tamelijk goed en transport van landbouwprodukten was in het noorden makkelijker dan in het zuiden, niettegenstaande het feit dat het noorden heuvelachtiger is dan het zuiden. De westelijke hellingen van het noorden waren echter minder steil en rotsachtig en veel geschikter voor de aanplant van olijfbossen en wijngaarden dan die in het zuiden. Het noorden ontwikkelde zich tot een economisch hoger ontwikkelde samenleving en dat leidde tot het ontstaan van zoiets als een staat. (FS, p. 188-190)
In het begin van de ijzertijd bloeide Israël, terwijl Juda economisch nog altijd marginaal was en achterliep.
Het uiteenvallen van de vermeende verenigde monarchie ca. 900 v.C., zoals beschreven in de Bijbel, heeft derhalve nooit plaatsgehad. Er zijn altijd al twee verschillende eenheden geweest: het noorden (Israël) en het zuiden (Juda).
In het noorden bevonden zich in deze periode (10e-9e eeuw v.C.) versterkte steden met fraaie paleizen (Megiddo, Jizreël en Samaria), die in het zuiden pas voorkwamen vanaf de zevende eeuw, en bovendien kleiner en qua bouw van mindere kwaliteit zijn, en minder buitenlandse invloed vertonen. Jeruzalem ontwikkelde zich pas tegen het einde van de achtste eeuw tot een echte stad. (FS, p. 190-191)
Niettemin hadden beide volken in de ijzertijd ook veel gemeen: ze vereerden (onder andere goden) JHWH, ze spraken overeenkomstige talen, of dialecten van het Hebreeuws, en ze deelden legenden, helden en verhalen uit het verleden, en in de achtste eeuw v.C. gebruikten ze hetzelfde schrift. De verschillen tussen beide waren echter zo groot, dat Juda beschouwd kan worden als het “dorpse achterland” van Israël. (FS, p. 192)
“Wat aanvankelijk de onafhankelijkheid van het hoogland mogelijk maakte was het feit dat … het stelsel van stadstaten in Kanaän aan het eind van de late bronstijd een reeks catastrofaal verlopende verwoestende omwentelingen te verduren kreeg.” Wat daarvan de oorzaak was is nog steeds onduidelijk: rooftochten van de zogenaamde Zeevolken, onderlinge rivaliteit tussen de steden of interne sociale onrust, daarover is men het nog steeds niet eens. Na verloop van tijd herstelde Kanaän zich weer: de Filistijnen consolideerden de macht van hun steden. Na een aantal decennia verlaten te zijn geweest raakten de grootste steden zelfs weer bewoond. Megiddo is daarvan een goed voorbeeld. Het werd opnieuw een flinke stad met een cultuur die in bijna alle opzichten leek op Megiddo’s vroegere Kanaänitische cultuur. De Kanaänitische tempel was nog altijd in gebruik. Dit herstel zou echter niet lang duren. Ca. 926 v.C. begon farao Sheshonk (Sisak in de Bijbel) aan een agressieve veldtocht naar het noorden. Die invasie wordt ook in de Bijbel vermeld, maar vanuit een uitgesproken Judees standpunt. Het wordt namelijk voorgesteld of Jeruzalem het voornaamste doel van de Egyptische aanval was, wat niet waar kan zijn. De campagne van Sheshonk bracht mogelijk de genadeslag toe aan de Kanaänitische stadstaten, maar bood de inwoners van het noordelijke hoogland nieuwe kansen. (Een andere kandidaat als veroorzaker van de ondergang van de Kanaätische steden is het noordelijke koninkrijk zelf: Sheshonk had namelijk weinig belang bij het verwoesten van steden, die hij van plan was te gaan overheersen.) In het noorden ontstond een volledig ontwikkeld koninkrijk (Israël), dat zich (grofweg) ca. 900 v.C. uitbreidde naar het aangrenzende laagland. Wat het zuiden betreft: het duurde nog twee eeuwen voordat daar een echte staat ontstond. (FS, p. 194-195).
 
Finkelstein en Silberman verklaren de verhalen over de scheuring van de twee koninkrijken, die in geen enkel opzicht ondersteund worden door archeologische vondsten, uit “de pogingen van een latere generatie Judese uitleggers een verklaring te vinden voor de onverwachte wendingen van de geschiedenis.” Het volk van Juda had een verklaring nodig voor het feit waarom Juda zo lange tijd in de schaduw van Israël had gestaan, terwijl JHWH toch aan David beloofd had dat zijn nageslacht voor altijd vanuit Jeruzalem zou heersen. De verklaring die de uitleggers vonden was dat de koning van Juda door God gestraft werd voor zijn godsdienstige ontrouw. Een straf die overigens slechts tijdelijk zou zijn. De verklaring is vervat in vier (zichzelf vervullende) profetieën:
1. Salomo was een zondaar die met meerdere buitenlandse vrouwen trouwde, die hem verleidden tot afgodendienst, waarmee hij behalve aan God ook ontrouw werd aan zijn vrome vader David, die zich daar altijd verre van had gehouden (I Koningen 11:4-8). God zegt tegen Salomo, dat Hij het koninkrijk van zijn zoon (Rechabeam) zal afscheuren en het aan Salomo’s “knecht” zal geven, maar ter wille van David en Jeruzalem de zoon van Salomo één stam zal laten behouden.
2. de profeet Achia voorspelt aan Jerobeam, dienaar van Salomo, dat God hem tien stammen zal geven en Salomo slechts één stam zal laten behouden, omdat Salomo Hem “heeft verlaten, en zich neergebogen heeft voor Astarte, de godin van de Sidoniërs”, en de goden van Moab en Ammon. Voorwaarde is echter wel, dat Jerobeam zal doen wat recht is in de ogen van God. De nieuwe koning hield zich niet aan deze voorwaarde en hij richtte twee gouden kalveren op, het ene te Betel en het andere te Dan. Vervolgens kreeg hij een ondergangsvisioen:
3. een man Gods kwam naar Betel, toen Jerobeam voor het gouden kalf een offer wilde ontsteken, en voorspelde dat “een zoon … aan Davids huis geboren” zou worden, Josia genaamd, die met grof geweld een einde zou maken aan de afgodendienst in Betel. Kort daarna kreeg de koning middels zijn vrouw de vierde voorzegging te horen, van dezelfde profeet Achia:
4. de profeet onthult, dat God Jerobeams mannelijke nageslacht wegens diens ontrouw zal uitroeien.
 
 
Astarte
 
Uit deze profetieën komt duidelijk naar voren wat de ideologie van de schrijver ervan (de Deuteronomistische historicus) inhoudt. De belangrijkste pijler van die ideologie is het idee dat de cultus van Israël geheel geconcentreerd moet zijn in de tempel van Jeruzalem. Het heiligdom te Betel, dat in het begin van de zevende eeuw v.C. nog steeds in gebruik was, werd als een ernstige concurrent van Jeruzalem beschouwd en de cultus te Betel werd ervaren als een bedreiging voor de ambities van Juda in de dagen van Josia. “En zo werd de onontkoombaarheid van Israëls ondergang – en de overwinning van Josia – een centraal thema in het bijbelverhaal.” (FS, p. 195-201)
 
Tevens rechtvaardigt het Bijbelverhaal de ambitie van koning Josia om het noordelijke koninkrijk in te lijven bij het zijne: beide vormden ooit één rijk en één volk, met één religie, dat als straf voor de zonden van Salomo, Josia’s voorvader, verdeeld is, zij het slechts voor bepaalde tijd. Josia zal het rijk weer herenigen door de zonden van Salomo en Jerobeam ongedaan te maken door middel van de zuivering van Israël en wel voornamelijk door de vernietiging van het heiligdom te Betel. (FS, p. 201-202)
 
 
Aantekeningen:
 
[1]
“Gath, the capital city of the Bible’s bad guys as well as the hometown of Goliath, is known today as Tel Tzafit. Not far from Kiryat Gat, Tel Tzafit has been excavated for 16 years now by Prof. Aren Maeir of Bar-Ilan University.
But while thousands of artifacts and vessels have been unearthed, including a four-horned altar, as well as just this year, huge fortifications, doctoral candidate Yotam Asher of the Weizmann Institute is concentrating on a few faded white patches of rock.

The Canaanites established the first city at Tel Tzafit about 3,500 years ago, as attested by the walls discovered this year, which are significant because Canaanite cities in this period were rarely walled, Maeir says.
The Philistine city was built in the 12th century B.C.E. and flourished for 300 years. Philistine culture was complex and included elements of the culture of the kingdom of Judah as well as the Canaanite and Aegean cultures.
Unfortunately for people who support a historical interpretation of events depicted in the Bible, no external evidence of the capture of Gath by David or Solomon has been found.
The most dramatic event in Gath’s history was its conquest and destruction in 830 B.C.E. by the Aramean king Hazael, whose campaign against nearby Jerusalem is recorded in 2 Kings, which according to Maeir brought on enormous geopolitical change. [2]”On the surrounding hills, to this day, 2,800 years later, you can clearly see the remains of the Aramean siege lines,” Maeir says.” (Haaretz 10 aug. 2012 [internet])
 
[2]
 
The Tel Dan stele
 
Fragments of the Tel Dan stele were found in Northern Israel in 1993 and 1994. “If we follow the conventional reconstruction of the tekst, the inscription tells the story of a war, the details of it depend on how the tekst is reconstructed and translated. Its originator is probably King Hazael of Damascus (ca. 842-806, his name is not mentioned in the inscription itself) who tell how his father waged war against Israel, which had invaded his country, but was defeated. Then, Hazael claims, the deity Hadad made him king and went in front of him at war against Israel. The numerical size of his enemy is somewhat uncertain, because the tekst is broken, but as we read it, he slew seventy kings who had harnessed thousands of horsemen (or horses). Hazael brags of having killed Joram, son of Ahab, king of Israel, and Ahaziah, son of Joram, king of the House of David. There is also an indication of a siege, possibly of Samaria in the last, very fragmented line. Other scholars see other details. Not all will identify the kings Ahab and Joram in Fragment B. There seems to be a fifty-fifty opinion for and against this identification among the scholars who have written on the question. … The word bytdwd has been interpreted very differently, but is by most scholars taken as a reference to the House of David, even though understood in different ways.” (H. Hagelia, Philological Issues in the Tel Dan inscription., p. 234-235, 237 [internet])
De bijbelauteurs vermelden in 2 Koningen 9:14-27 dat Joram  en Ahazia inderdaad gelijktijdig dood waren gegaan, maar ze schrijven hun dood toe aan een totaal andere oorzaak: niet Hazael  zou hen gedood hebben, maar een gewelddadige coup d’etat door de Israëlitische generaal (en latere koning) Jehu. (FS, p. 274)
AuthorYonatan Adler
SubjectOrigins of Judaism
GenreNon-fiction
PublisherYale University Press
Publication date15 November 2022
Media typePrint
Pages384
ISBN978-0-300-26837-9
WebsiteYale University Press listing

The Origins of Judaism: An Archaeological-Historical Reappraisal is a 2022 book by Israeliprofessor of archaeology and ordained rabbi[1] Yonatan Adler of Ariel University. The book examines the archaeological and historiographical record of Jewishreligious practice, concluding that widespread adoption of the Torah as a binding law code probably originated in the time of the Hasmonean dynasty, in the 2nd–1st centuries BCE. Adler’s work challenges a traditional scholarly dating of the emergence of Jewish religion to the periods of major Hebrew Bible composition, such as the late Iron AgeBabylonian exile, and early Second Temple periods, centuries before the Hasmoneans.[2][3]

Contents

In the book’s introduction, Adler writes: “The aim of the present book is to investigate when and how the ancestors of today’s Jews first came to know about the regulations of the Torah, to regard these rules as authoritative law, and to put these laws into actual practice in their daily lives.”[4]: 3  The establishment of Torah law as ordinary religious practice forms the basis for Adler’s definition of Judaism.[4]: 5  Adler then conducts a review of scholarship from the 18th century onwards on the question of the emergence of Judaism and the composition of the Hebrew Bible.[4]: 8–17  Finally, Adler introduces his method: a data-driven search for the terminus ante quem of Judaism—the date by which Judaism must have begun. He anchors his initial study in the first century CE—a time during which ample historical evidence exists for widespread observance of Torah laws—and works backwards in time until such evidence disappears.[4]: 17  Adler organizes his study of Jewish practices by chapter.

Dietary laws (kashrut)

Adler finds abundant literary evidence of Jewish and Roman awareness of many Torah-based dietary restrictions—such as taboos against consuming pork, animal blood, and scaleless fish—in the first century CE. The archaeological record shows negligible remains of pig bones at first-century Judean sites, while contemporaneous non-Judean sites have considerable presence of pig bones. Similarly, almost all fish bones at Judean sites from this period belonged to fish with fins and scales. Additional literary evidence from the Dead Sea Scrolls, Roman authors, and biblical apocrypha suggests some observance of these rules in the first and second centuries BCE.[4]: 27–40 

In contrast, Adler finds that texts before the second century BCE show “no indications that Judeans might have possessed any set of restrictions on their diet”. Though the Bible does contain condemnations of the consumption of blood and pigs, Adler argues that these condemnations apply to cultic practices of Yahwehworship, rather than everyday regulations for the general public. Iron Age Israelite assemblages contained low proportions of pig bones, though this was common of other Levantine cultures, aside from the Philistines. A substantial finding of catfishbones from the Persian period in the Givati Parking Lot dig site indicates consumption of non-kosher fish.[4]: 40–48 

Ritual purity laws (tumah and taharah)

Adler finds first century CE literary evidence of Jewish adherence to ritual purity laws (tumah and taharah) in the works of PhiloJosephus, and in New Testamentreferences to handwashing before meals. He also finds extensive archaeological evidence in the form of ritual immersion pools and chalk vessels—two features unique to Judean culture of the period that served to preserve Jews’ ritual purity. The Dead Sea scrolls and (to a lesser extent) biblical apocrypha also note concern for ritual purity, showing its prominence in the 2nd–1st centuries BCE.[4]: 53–79 

In reviewing pre-Hasmonean Hebrew biblical texts, Adler finds that most discussions of purity reference moral purity, rather than ritual purity, and that there does not appear to be a system for removing ritual impurities. He states that no stepped ritual immersion pools in Judea have been dated earlier than the late second century BCE, and that chalk vessels appear beginning in the first century BCE.[4]: 79–85 

Prohibition of figural art

A coin of Persian-period governor Hezekiah, depicting the governor’s face and a bird on each side, c. 350 BCE
A coin of 2nd-century BCE Hasmonean ruler and High Priest of IsraelJohn Hyrcanus, omitting depictions of humans or animals

Deuteronomy 4 contains a prohibition on creating depictions of any living creature, which would violate the commandment against creating graven images. Adler finds that Philo and Josephus wrote of creating figural art as a taboo unto itself, often related to but distinct from idolatry (avodah zarah). Some first-century CE Greek and Roman writers appear to have known about a Jewish taboo against making statues. Herodian coins minted in Jerusalem omitted figural art, whereas some coins minted in the Roman city of Caesareafeatured royal portraits. Architectural decorations, funerary art (such as on ossuaries), and pottery of the Hasmonean and Herodian periods in Judea also omit figural art almost completely.[4]: 87–106 

Adler finds very limited evidence to evaluate in the early Hellenistic period. In the Persian period, however, Yehud coins routinely featured depictions of both humans and animals, including individuals with theophoric names. Stamp impressions on storage jars found in Judea, dating to either the sixth or fifth century BCE, bear depictions of lions. Persian-era human and animal figurines have been found in Judea, though less frequently than at contemporary sites elsewhere in the Levant. Fifth-century BCE seals from the Jewish community in Babylonia depict humans, animals, and mythical figures.[4]: 106–110 

Tefillin and mezuzot

Adler finds first-century literary evidence for the use of tefillin and mezuzot“admittedly sparse and rather vague”. Additionally, archaeological evidence for mezuzot is extremely limited. However, a small number of objects remarkably similar to modern tefillin were discovered during 20th-century excavations at Qumran, providing “incontrovertible evidence” of their use by early Roman times. Adler cites Józef Milik’s work at Qumran to acknowledge that these tefillin could date as early as—but not earlier than—the Hasmonean era, based on the Hebrew script of the Torah verses contained in the tefillin. The Nash Papyrus, dating to the late second century BCE, may also have been used in tefillin.[4]: 115–130 

Outside of the Torah, Adler finds no evidence in biblical texts that ancient Israelites or Judahites practiced rituals involving tefillin or mezuzot. Similarly, he finds no archaeological remains dating before the second century BCE “reasonably associated with tefillin or mezuzah practices”. He cites the closest possible piece of evidence as being the Ketef Hinnom scrolls from c. 600 BCE, though the purpose of the scrolls is not known; nor is there evidence of widespread usage of such scrolls for ritual purposes.[4]: 130 

Other Jewish practices

Adler uses this chapter to review six additional Jewish practices, including: circumcision, observance of ShabbatPassover traditions, fasting on Yom Kippur, rituals related to Sukkot, and having a seven-branch menorah in the Jerusalem temple. Adler finds that circumcision was probably practiced traditionally by Israelites, but that it is only recorded as a matter of law starting in the second century BCE. Sabbath prohibitions were widely followed in Hasmonean, Herodian, and Roman times, though the precise contours of these prohibitions were a matter of substantial legal debate. Passover was widely celebrated as a seven-day feast of unleavened bread in the first century CE; this may have combined two separate occasions in antiquity—a festival of unleavened bread and a sacrificial Passover offering. Adler finds first-centuries CE and BCE evidence of Yom Kippur observance, but apparent ignorance of this observance in Persian-era biblical texts. Specific Sukkot rituals, such as the four species, were “extremely well known” in the first century but spoken of only once in the bible outside the Torah. The earliest depiction of a seven-branch menorah dates to the first century BCE.[4]: 132–167 

Adler concludes this review by noting, “All these elements of first-century-CE Judaism are attested in the first century BCE, and some also in the second century BCE, but none are clearly attested prior to this.”[4]: 167 

Emergence of the synagogue

The Theodotos inscription (c. 1st century CE) identifies the synagogue as an institution devoted to teaching Torah.

Unlike the previous chapters devoted to covering specific laws, this chapter concerns the emergence of the synagogue, an institution used primarily in ancient times to teach Torah law observances to ordinary Judeans—”without which Judaism itself may never have taken root and spread”. Adler finds from numerous literary sources that first-century Judeans used to gather weekly at the synagogue for recitations of the Torah followed by verbal explanations and commentary. Archaeological finds like the Theodotos inscription and the synagogue ruins at Masada affirm their existence in the first century. Contrastingly, there is no evidence in the Bible or apocrypha for a synagogue-like institution. Some inscriptions for “houses of prayer” date from the late third to first centuries BCE both inside and outside of Judea, but it is unknown what specific rituals Judeans performed there (such as Torah reading). The synagogue at Umm el-Umdan appears to be the only synagogue found dating to the Hasmonean period, with none predating it.[4]: 170–188 

Conclusion

In the concluding chapter, Adler reviews the prior evidence to assess the most likely time period for widespread adoption of Torah law. He reviews the probability for three time periods:

  • Persian period (539–332 BCE). Adler finds the historicity of Torah-related narratives in Ezra–Nehemiah to be dubious and probably ideological constructions of later writers. He also argues that few scholars subscribe to the theory of “Persian imperial authorization” that argued the Cyrus edict formed the basis of formal adoption of the Torah as law in Judea. Adler acknowledges that archaeological evidence substantiates Yahwistic practice in Judea and in the diaspora (such as in Babylonia and Elephantine) during the period, but not Torah-based Judaism. Thus he concludes there is “little reason” to believe that Torah-based Jewish practice was adopted in the Persian period.[4]: 190–207 
  • Early Hellenistic period (332–167 BCE). There is ambiguous literary evidence in the 3rd century BCE that the Torah was considered Jewish law, and it is around this time that the Torah was translated into Greek for the first time. The late-3rd century BCE writer Demetrius the Chronographer showed familiarity with patriarchal narratives from the Torah, but surviving texts do not mention Mosaic law. Ben Sira‘s Book of Sirach extolls the Torah’s commandments as a whole but elaborates little on any specific laws. Greek intellectual innovations—such as the creation of binding legislative codes for ordinary individuals (rather than divine or royal legal proclamations, like the Code of Hammurabi)—may have created the proper conditions for the adoption of Torah as binding law at this time. Adler concludes that the proposition of mass adoption of Torah law in this period “lack[s] any direct evidence” but “presents some intriguing possibilities”.[4]: 208–223 
  • Late Hellenistic (Hasmonean) period (167–63 BCE). Adler suggests that literary evidence from the Book of Daniel and biblical apocrypha about Antiochus’s abolition of an already-established system of Torah law is “political propaganda meant to legitimate the Hasmonean regime”. Adler cites scholarship that has proposed that the Hasmoneans aggressively promoted Torah Judaism as a unifying ideology against external forces, like Hellenism. Literary evidence suggests the Hasmoneans imposed Torah law on conquered subjects—such as the IdumeansSamaritans, and Itureans—as their kingdom expanded. Additional support for the Hasmonean period is lent by the contemporary rise of sectarianism within Judaism, with competing factions such as the SadduceesPharisees, and Essenes offering competing interpretations of Torah practice at this time.[4]: 223–233 

Adler concludes that, compared with the Persian and early Hellenistic periods, the Hasmonean period is “a far more conducive epoch in which to seek the origins of Judaism”.[4]: 234