I. Claes Jager
II. Adriaen Claesz. Jager, van Dordrecht (1594), weduwnaar van Dordrecht (1599), schipper, trouwde 1e NG Dordrecht 23 okt./6 nov. 1594 Pieterken Pieter Cornelisdr., geboren van Alblasserdam (1594), 2e NG Dordrecht 1/15 aug. 1599 Lijncken Aert Jacobsdr., van Dordrecht (1599)
Kinderen:
Ex 1:
a. Rijcken, gedoopt NG Dordrecht okt. 1595
b. NN, gedoopt NG Dordrecht okt. 1597
c. Pieter Adriaensz. de Jager, geboren naar schatting ca. 1598, volgt IIa
Ex 2:
d. NN, gedoopt NG Dordrecht jan. 1602
e. Claes Ariensz. de Jager, gedoopt NG Dordrecht dec. 1605, volgt IIb
IIa. Pieter Arijensz. de Jager, geboren naar schatting ca. 1598, van Dordrecht wonende tegenover “de Oraenjeappelen” (1624), taander/taanmaker, trouwde NG Dordrecht 8 dec. 1624 (ondertrouw) Elijsabeth Anthonisdr. (Theunis Ariaensdr.) jonge dochter van Amsterdam wonende voor in het Steegoversloot (1624)
ONA Dordrecht inv. 179, f. 548: op 13 mrt. 1661 testeren Pieter Arijensz. Jaeger taander en zijn vrouw Lijsbeth Anthonisdr., burgers van Dordrecht. Tot erfgenaam benoemen zij de langstlevende van hen beiden, die gehouden zal zijn binnen zes weken na het overlijden van de eersttstervende van hen beiden aan hun kinderen of bij vooroverlijden hun kinderen uit te reiken al de kleren en juwelen van goud- en zilverwerk van de eerstoverlijdende. De langstlevende zal ook gehouden zijn aan Lijsbeth Pietersdr. de Jaeger, hun dochter, die bij hen inwoont, als zij gaat trouwen, een somma van 250 gl. uit te keren. Hun overige erfgenamen zullen zijn Aert, Anthonij, Geerit en Pieterken de Jager, hun getrouwde kinderen, in hetgeen zij van hen, testateuren, bij het aangaan van huwelijk als uitzet gekregen hebben. Als de testateur de eerstoverlijdende zal zijn, wenst hij dat zijn zoon Anthonij Pietersz. de Jager zijn taanketel en de daarbij behorende gereedschappen zal overnemen, mits hij daarvoor in de boedel een bedrag van 100 gl. inbrengt. Als de langstlevende gaat hertrouwen, moet hij of zij aan hun kinderen of bij vooroverlijden hun kinderen een somma van 1000 gl. uitkeren. Tot voogden benoemen zij de langstlevende van hen beiden, haar neef Anthonij Pietersz. Steenwijck en Johannes Chijs, hun “goede bekende vrunt”.
ONA Dordrecht inv. 180, f. 628: op 2 juli 1664 bevestigen Pieter Arijensz. Jager taander en zijn vrouw Lijsbeth Anthonisdr., burgers van Dordrecht, het testament, dat zij hebben gepasseerd voor notaris J. Melanen te Dordrecht op 12 mrt. 1661. Zij ontslaan Anthonij Pietersz. Steenwijck en Johannes Chijs van de voogdij, waartoe zij hen in dat testament hebben aangesteld en benoemen in hun plaats Tielman Seeberghe en Jan Huijgen van den Endt, hun “goede bekende vrinden”.
ONA Dordrecht inv. 184, f. 69: op 16 april 1672 testeert Lijsbeth Anthonisdr., weduwe van Pieter Arijensz. de Jager, burgeres van Dordrecht. Tot haar erfgenamen benoemt zij haar kinderen Anthonij, Geerit, en Elisabeth Pietersdr. de Jager, of bij vooroverlijden hun kinderen, alsmede de kinderen van haar overleden zoon Aert Pietersz. de Jager. Haar zoon Anthonij zal van zijn erfportie alleen de legitieme portie krijgen en van de rest slechts het vruchtgebruik. De eigendom ervan zal na zijn overlijden komen aan zijn kinderen. Tot voogden benoemt zij haar zoon Geerit Pietersz. de Jager en Johan Huijgen van den Endt, “haeren goeden bekenden vrunt”.
ONA Dordrecht inv. 184, f. 164: op 26 jan. 1673 testeert Lijsbeth Anthonisdr., weduwe van Pieter Arijensz. Jager, burgeres van Dordrecht. Zij benoemt tot haar erfgenamen haar kinderen Anthonij, Geerit en Elisabeth Pieters de Jager, of bij vooroverlijden hun kinderen, alsmede de kinderen van haar overleden zoon Arent Pietersz. de Jager. Tot executeurs van haar testament en voogden over haar minderjarige erfgenamen benoemt zij haar zoon Geerit de Jager en ds. Johannes van de Hatert, “haeren goeden bekenden vrunt”.
ONA Dordrecht inv. 197, f. 425: inventaris dd 24 juni 1675 van de boedel, die is nagelaten door Elisabeth Anthonisdr., weduwe van Pieter Arijensz. de Jager, en de scheiding ervan door haar erfgenamen op 29 juni 1676. Voogden van de twee kinderen van haar overleden zoon Aert de Jager zijn ds. Johannes van de Hatert en Geerit de Jager.
Baten:
een huis [in de Voorstraat] omtrent de Nieuwkerkstraat, staande tussen het huis van de weduwe van kapitein Laurens Davitsz. Convent en dat van Pieter de Bruijn, verkocht op 24 febr. 1676 aan Maria Cappendijk, weduwe van Aert de Jager voor 1100 gl.
het achtergedeelte van het voornoemde huis, dat is aangenomen door Anthonij de Jager voor 932 gl. 15 st.
een huis in de Torenstraat, dat is aangenomen door Anthonij de Jager voor 717 gl. 10 st.
een losrentebrief, obligaties, contant geld, goud- en zilverwerk, een zilveren onderriem met twee zilveren kettinkjes, een hoofdijzertje, zeven lepels, een zilveren pannendeksel, huisraad en meubelen
Totaal van de baten: 9681 gl. 5 st. 8 penn.
Lasten (o.a.):
Aan Anthonij, Geerit en Elisabeth de Jager komt toe aan rouwkleren, “bij de kinderen van Aert de Jager zaliger uijt desen boedel mede genoten”, elk 100 gl. ofwel samen 300 gl.
Doodschulden en andere lasten: 129 gl.
Wegens rechtelijke kosten in de zaak tegen Anthonij de Jager: 53 gl. 2 st.
Totaal van de lasten: 742 gl. 12 st. 8 penn.
Resteert: 8938 gl. 13 st.
Welk bedrag verdeeld moet worden onder Anthonij de Jager en zijn kinderen, ieder voor een achtste part, of samen een vierde part, Geerit de Jager voor een vierde part, Elisabeth de Jager voor een vierde part en de kinderen van wijlen Aert de Jager, samen voor een vierde part, t.w. voor ieder 2234 gl. 12 st. 12 penn.
ONA Dordrecht inv. 186, f. 25: voorwaarden dd 24 febr. 1676, waarop Anthonij de Jager, Geerit de Jager en Elisabeth de Jager, voor zichzelf en Geerit de Jager en ds. Johannes van den Hatert, als voogden over de kinderen van wijlen Aert de Jager, willen een verkoper twee woningen, waarvan het voorste huis staat in de Voorstraat tegenover de Nieuwkerkstraat tussen het huis van de weduwe van kapitein Laurens Davitsz. Convent en dat van Pieter de Bruijn. Op 26 febr. 1676 komen de erfgenamen met Marija Cappendijck, weduwe van Aert de Jager, overeen, dat zij het huis op de erfportie van haar kinderen zal aannemen voor 1100 gl. Het tweede huis is een achterhuis, bestaande uit een bovenwoning met een taanderij en koperen taanketel eronder, strekkende tot aan het achtergeveltje en de houten deur van het voornoemde voorste huis. Op 26 febr. 1676 komen de verkopers overeen met Anthonij de Jager, dat hij het achterhuis op zijn erfportie zal aanvaarden voor 910 gl.
Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):
a. Aert Pietersz. de Jager, mrt. 1626, volgt IIIa
b. Pieterken Pietersdr. de Jager, aug. 1627, jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Boom (1661), trouwde NG Dordrecht 14 nov. 1661 (ondertrouw) Hendrick Corstiaensz. van Aelsorch (van Aensorgh), jongman van Dordrecht wonende in de Kannenkopersbuurt (1661), schiptimmerman
ONA Dordrecht inv. 179, f. 649: op 18 juli 1661 testeren Hendrick Corstiaensz. van Aelsorch schiptimmerman en zijn vrouw Pieterken Pietersdr. de Jaeger, burgers van Dordrecht, hij ziek in bed liggende, zij gezond. Tot hun erfgenaam benoemen zij de langstlevende van hen beiden. Als zij de langstlevende is, moet zij aan Grietgen Aerts, weduwe van Corstiaen van Aelsorch, zijn moeder, een bedrag van 50 gl. uitkeren, waaruit aan Michiel, Aert en Stijntgen Corstiaens van Aelsorch, zijn broers en zuster, betaald moet worden elk een zilveren dukaton, en aan Corstiaen Corstiaensz. van Aelsorch, zijn broer, uitgereikt moet worden zijn beste rode laken “borsrock” met zilveren knopen. Als zij de eerstoverlijdende zal zijn, moet de testateur aan haar ouders Pieter Arijensz. Jager een Lijsbeth Anthonisdr. of bij vooroverlijden de langstlevende van hen beiden een bedrag van 50 gl. uitreiken en aan haar zuster Lijsbeth Pietersdr. de Jager haar beste zwarte Turkse rok.
c.. Anthonij de Jager, geboren naar schatting ca. 1630, volgt IIIb
d. Lijsbeth de Jager, aug. 1631, ongehuwd
ONA Dordrecht inv. 182, f. 384: op 26 okt. 1669 testeert Lijsbeth de Jager, ongehuwde persoon, wonende te Dordrecht, ziek van een “quade hant” in een stoel zittende. Tot haar erfgenaam benoemt zij haar goede vriendin Sara Plaetman, die gehouden zal zijn aan de kinderen van haar broers Anthonie en Geerit de Jager en de twee kinderen van haar overleden broer Aert de Jager samen een bedrag van 300 gl. uit te reiken. Tot voogden benoemt zij ds. Johannes van de Hatert, predikant op Papendrecht, en Pieter Schellebeeck, haar “goede bekende vrunden”.
ONA Dordrecht inv. 185, f. 388: op 17 aug. 1675 testeert Elisabeth Pietersdr. de Jager, ongehuwde persoon, burgeres van Dordrecht. Zij legateert aan Sara Plaetman, haar goede bekende vriendin, “daarmede sij de linde laecke ende kantneringe is doende”, het vruchtgebruik van alle goederen, die haar aanbestorven zijn bij overlijden van haar moeder Lijsbeth Anthonisdr., weduwe van Pieter Arijensz. de Jager. Als Sara echter gaat trouwen zal zij van die goederen het vruchtgebruik hebben tot aan haar trouwdag en verder niet. In dat geval of indien Sara komt te overlijden, zal de eigendom ervan komen aan de kinderen van haar broer Anthonij de Jager of bij vooroverlijden hun kinderen, voor een derde part, aan de kinderen of verdere nakomelingen van haar broer Geerit de Jager, voor een derde part, en aan de twee kinderen van haar broer Aert de Jager of bij vooroverlijden hun kinderen, voor een derde part. Tot erfgenaam van al haar overige na te laten goederen benoemt zij Sara Plaetman, op voorwaarde, dat Sara aan de NG huisarmen van Dordrecht een somma van 50 gl. zal uitkeren, aan de nakomelingen van Anthonij de Jager 100 gl., aan de kinderen van Geerit de Jager 100 gl. en aan de twee kinderen van 100 gl., om daarvoor rouwkleren te kopen. Tot executeur van haar testament en voogd over haar minderjarige erfgenamen stelt zij aan ds. Johannes van den Hatert, predikant te Papendrecht, “haer goeden bekenden vrunt”.
ONA Dordrecht inv. 188, f. 219: op 7 dec. 1680 passeert Elisabeth de Jager, meerderjarige ongehuwde persoon, burgeres van Dordrecht, haar testament. Zij herroept het testament, dat zij samen met Sara Plaetman heeft gepasseerd ten overstaan van notaris A. van Neten op 5 okt. 1679. Zij prelegateert aan Pieterken, dochtertje van haar broer Anthonij de Jager, van wie zij meter is, een zilveren bekertje en een aarden kan met zilveren deksel, en aan Lijsbeth, ook dochtertje van haar broer, haar gouden haarnaald. Tot erfgenamen van al haar overige goederen benoemt zij de kinderen van haar overleden broer Aert de Jager, voor een derde part, de kinderen van haar broer Anthonij de Jager, voor een derde part, de kinderen van haar overleden broer Geerit de Jager, voor een derde part, of bij vooroverlijden hun kinderen. Haar broer Anthonij zal van de erfporties van zijn kinderen het vruchtgebruik krijgen. Tot executeurs-testamentair en voogden over haar minderjarige erfgenamen benoemt zij haar broer Anthonij de Jager en Philips Beijs bakker, haar neef.
ONA Dordrecht inv. 190, f. 292: op 3 aug. 1685 verkoopt Willem de Bruijn, schipper en burger van Dordrecht, voor 1575 gl. aan Elisabeth de Jager, burgeres van Dordrecht, een huis, waar uithangt “het Vergulde Comptoir”, staande bij de Boom omtrent de Nieuwkerkstraat, tussen het huis van Anthonij de Jager en dat van juffrouw Van Eijsden, strekkende tot achter op de kade.
ORA Dordrecht inv. 1638, f. 3: op 7 jan. 1700 verkoopt Johan van Bijwaert, notaris te Dordrecht, als curator over de insolvente boedel van wijlen Elisabeth de Jager, meerderjarige ongehuwde persoon, burgeres van Dordrecht, voor 1380 gl. aan Aarnout van der Beeck mr. timmerman en Tielman Treckdam, schipper en burger van Dordrecht, een huis in de Voorstraat bij de Nieuwkerkstraat, staande tussen het huis van Maria van Bragt, weduwe van Johannes van Eijsden, koopman en burger van Dordrecht, en dat van Maria Cappendijck, weduwe van Aert Pietersz. de Jager, blokmaker en burger van Dordrecht, strekkende van de Voorstraat tot achter aan de kade van de haven. Het verkochte huis wordt in twee woningen bewoond en komt van achteren aan het huis van Maria van Bragt en het taanhuis van Johan van den Hatert, predikant in Papendrecht. Het voorste huis wordt eigendom van Aarnout van der Beeck en het achterste op de kade van Tielman Treckdam. Het komt van
e. Gerrit de Jager, okt. 1634
IIb. Claes Ariensz. de Jager, gedoopt NG Dordrecht dec. 1605, trouwde 12 sept. 1632 Catalina Gerrits
Kinderen (allen NG gedoopt in Dordrecht):
a. Arien, aug. 1633
b. Gherrit de Jager, febr. 1635, mr. kuiper en tabakverkoper
ORA Dordrecht inv. 1636, f. 196v: op 29 dec. 1698 verkoopt Gillis van der Beecq, meerderjarige ongehuwde persoon, koopman te Dordrecht, voor 2000 gl. aan Gerrit de Jager, mr. kuiper en koopman van tabak, een huis tussen de Vuilpoort en de Sluispoort, vanouds genaamd “de Hermiaanse Kerk”, waar thans uithangt “den Polack”, strekkende van de straat af met een kleiner huis, dat tot het grote huis behoort, uitkomende in de Suikerstraat en staande tussen het huis van Lourens de Jongh mr. zeilmaker en dat van Hendrick Sasse. De koper is schuldig aan Lourens de Jongh, arts te Dordrecht, een somma van 2000 gl.
c. Aert, okt. 1636
d. Trijntje, febr. 1641
e. Cornelis, 28 mei 1643
f. Johannes, 28 mei 1643
IIIa. Aert Pietersz. de Jager, mrt. 1626, jongman van Dordrecht wonende bij de Boom (1658), blokmaker, trouwde 5/19 mei 1658 Maria Jacobsdr. Cappendijk, jonge dochter uit Engeland wonende bij de Boom (1658)
ONA Dordrecht inv. 180, f. 649: op 1 aug. 1664 benoemt Marijken Jacobsdr. Cappendijck, weduwe van Aert Pietersz. Jaeger, wonende te Dordrecht, tot voogden over haar onmondige erfgenamen Pieter Arijensz. Jager, Teunis Arijensz. Spruijt en Leendert Arijensz. van de Vliet, resp. haar schoonvader, oom en aangetrouwde oom.
ONA Dordrecht inv. 193, f. 270: op 21 dec. 1694 testeert Marija Jacobsdr. Cappendijck, weduwe van Aert de Jager, burgeres van Dordrecht. Zij herroept het testament, dat zij heeft gepasseerd voor notaris F. Beut op 22 febr. 1694 en benoemt tot haar enige erfgenaam haar zoon Pieter de Jager of bij vooroverlijden diens drie voorkinderen, door hem verwekt bij Helena Pietersdr. Spolt, alsmede de kinderen, die hij eventueel nog zal verwekken bij zijn tweede echtgenote Marija Leendertsdr. Noordegraeff. Voorwaarde daarbij is, dat hij aan zijn voorkinderen en nakinderen bij hun mondigheid of huwelijk elk een somma van 300 gl. zal uitkeren. Als haar zoon voor haar komt te overlijden, moet dat bedrag niettemin aan zijn kinderen worden uitgekeerd. Tot voogden stelt zij aan haar zoon Pieter en ds. Johannes van den Hatert, predikant op Papendrecht.
ORA Dordrecht inv. 1637, f. 99v: op 22 sept. 1699 verkoopt Huijbert Borret, koopman te Dordrecht, als voogd van het weeskind van wijlen Ariaantje Thomasdr. Beijs, weduwe van Adriaan Hechters, distillateur te Dordrecht, en tevens vervangende Jan Theunisz. Beijs en Pieter Hechters, burgers van Dordrecht, zijn medevoogden, voor 225 gl. aan Maria Kappendijck, weduwe van Aert de Jager, een huis in de Nieuwkerkstraat, staande tussen het huis van Bastiaen Zoethout en dat van Thomas Coppelaer. De koopster is schuldig aan de verkoper een somma van 100 gl.
Kinderen:
a. Jacob de Jager gedoopt NG Dordrecht 2 okt. 1659
b. Pieter Aertsz. de Jager, geboren naar schatting ca. 1660, volgt IV
IIIb. Anthonij Pietersz. de Jager, geboren naar schatting ca. 1630, jongman van Dordrecht wonende bij de Boom (1660), scheepstimmerman, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 17 febr. 1689 (een baar voor Anthonij de Jager, schiptimmerman, bij de Boom), trouwde NG Dordrecht (ondertrouw) 1 aug. 1660 Neeltje Jansdr. van de Linde, jonge dochter van Zwijndrecht wonende aldaar (1660)
ONA Dordrecht inv. 190, f. 297: op 10 sept. 1685 testeert Anthonij de Jager, scheepstimmerman en burger van Dordrecht, ziek op een stoel zittende. Hij benoemt tot zijn erfgenamen zijn dochters Anthonia, Pieterken en Elisabeth de Jager, of bij vooroverlijden hun kinderen. Hij prelegateert aan zijn jongste dochter, Elisabeth, zijn grootste zilveren beker. Hij prelegateert aan Pieterken en Elisabeth, boven hun moederlijke goederen, een behoorlijke uitzet, kleding etc., die ook zijn getrouwde dochter Anthonia van hem heeft gekregen. Het huis, waarin hij woont, staande op de Nieuwe Kade bij de Boom, zal onverkocht moeten blijven, totdat zijn dochter Elisabeth mondig wordt of gaat trouwen. De aan te stellen voogden moeten het jaarlijkse inkomen van het huis aanwenden voor het onderhoud van Elisabeth. Tot executeurs-testamentair en voogden over zijn minderjarige erfgenamen stelt hij aan zijn zwager Pieter de Stercke en zijn “goeden bekenden vrunt” Cornelis de Gelede.

Gravure van Jan Luyken (1694)
ORA Dordrecht inv. 1632, f. 60v: op 8 dec. 1689 verkopen Arnoldus van Dollen en Pieter Koch, burgers van Dordrecht, als echtgenoten van resp. Teuntgen en Pietertgen de Jager, en tevens als voogden van hun schoonzuster Elisabeth de Jager, samen kinderen en erfgenamen van Anthonij de Jager, burger van Dordrecht, voor 670 gl. aan Cornelis Mes, beenhakker en burger van Dordrecht, een huis in de Torenstraat, staande tussen het huis van Govert Denijsz. visser en een huis van de Heilige Geest ter Nieuwerkerk.
Kinderen:
a. Anthonia (Teuntgen) de Jager, geboren naar schatting ca. 1661, jonge dochter van Dordrecht wonende aan het Groothoofd (1682), weduwe wonende bij het Groothoofd (1687),trouwde NG Dordrecht 31 mei/ 14 juni 1682 Pieter Pietersz. de Stercke, jongman van Dordrecht wonende aan het Groothoofd (1682), 2e NG Dordrecht/Dubbeldam 6/20 april 1687 Arnoldus van Dollen, weduwnaar van Nijmegen wonende bij het Groothoofd (1687)
ONA Dordrecht inv. 243, f. 5: op 16 jan. 1683 testeren Pieter Pietersz. de Stercke en zijn vrouw Anthonia Anthonisdr. de Jager, burgers van Dordrecht, hij gezond, zij ziek in het kraambed liggende. Zij benoemen tot hun erfgenaam en voogd over hun minderjarige erfgenamen de langstlevende van hen beiden, op voorwaarde, dat die hun kinderen zal onderhouden tot hun mondigheid of huwelijk en hun dan een uitzet zal geven en elk een somma van 25 gl.
ORA Dordrecht inv. 1633, f. 81v: op 24 jan. 1692 verkopen Arnoldus van Dollen, als man van Teuntge de Jaeger, en Pieter Knogh, als man van Pietertje de Jaeger, burgers van Dordrecht, voor zichzelf en als voogden over Elisabeth de Jaeger, hun schoonzuster, allen kinderen en erfgenamen van Antonij de Jaeger, burger van Dordrecht, voor 750 gl. aan Johannes van den Hatert, predikant te Papendrecht, een huis tegenover de Boom op de Nieuwe Kade, vanouds genaamd “het Taanhuijs”, staande tussen het huis van de weduwe van kapitein Laurens van Convent en dat van Elisabeth de Jaeger.
Kind:
Ex 1:
a-1. Cornelis, gedoopt NG Dordrecht 9 febr. 1684
Ex 2:
a-2. Anthonij, gedoopt NG Dordrecht 28 jan. 1688
b. Pietertje (Petronella) de Jager, gedoopt NG Dordrecht 9 juni 1666, wonende aan het Groothoofd (1688), trouwde NG Dordrecht 31 okt./14 nov. 1688 Pieter Knoch, jongman van Koef in de Wijnstraat (1688), wijnkoper, distillateur, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 6 dec. 1721 (Pieter Knoch, op de hoek van het Nieuwpoortje, met twee koetsen extra)
Burgerboek Dordrecht 24 juli 1688 ontvangen als burger van Dordrecht Pieter Knogh, geboortig van Coeff onder Bacharach.
ORA Dordrecht inv. 1632, f. 39: op 9 juli 1689 verkoopt Jan van der Meer, grutter en burger van Dordrecht, als procuratie hebbende van Aernout Lacroij, voor 2600 gl. aan Pieter Knogh, wijnkoper en burger van Dordrecht, een huis, staande tussen de Boomstraat en het huis van Anthonij Walbeeck. De koper is schuldig aan de verkoper een somma van 1800 gl.
ORA Dordrecht inv. 1633, f. 71: op 6 nov. 1691 verkoopt Adriaan Hagoort, notaris te Dordrecht, namens Jan Francken, oud-burgerkapitein te Dordrecht, voor 3750 gl. aan Pieter Knogh, distillateur en burger van Dordrecht, een huis “op de cant vande reviere” naast het Nieuwpoortje, waar uithangt “de Drie Spaense Koopmans”, staande tussen de gang van het Nieuwpoortje en het huis van Arien Heijman.
Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):
b-1. Cornelia, 4 jan. 1690
b-2. Regina Knoch, 19 nov. 1691, jonge dochter van Dordrecht wonende bij het Nieuwpoortje (1712), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 29 mei/12 juni 1712 (de bruidegom heeft schriftelijk consent van zijn moeder, de bruid geassisteerd met haar vader) Dirk van den Bogaert, jongman van Nieuw-Beijerland wonende in het Steegoversloot (1712)
ORA Dordrecht inv. 1653, f. 109: op 5 mei 1733 verkopen notaris Bartholomeus van der Star en Gijsbert de Leng, Anthonij en Arnoldus Knogh, kooplieden te Dordrecht, als voogden over de vijf minderjarige kinderen en erfgenamen van Dirck van den Bogaert, burger van Dordrecht, voor 2530 gl. aan Arnoldus Knogh een huis aan de noordzijde van de Riedijk, het tweede huis van het Nieuwpoortje, staande tussen het huis van de koper en dat van de weduwe Den Hooijman.
Kinderen (o.a.; allen NG gedoopt te Dordrecht):
b-2-1. Dirk Hubert, 5 mei 1713
b-2-2. Willem, 23 april 1715
b-2-3. Pieter, 24 dec. 1717
b-2-4. Antonia, 12 dec. 1719
b-2-5. Pieternella, 7 jan. 1724
b-3. Johannes, 6 sept. 1693
b-4. Antoni Knogh, 1 april 1699, weduwnaar van Dordrecht wonende bij het Nieuwpoortje (1728), koopman, trouwde Gerecht/Engelse kerk Dordrecht 24 juni/18 juli 1728 (de geboden gaan in Roosendaal en in de Engelse kerk) de bruid geassisteerd met haar tante Pieternella van Pelt, de vrouw van Alewijn van den Bergh, en heeft consent van haar oom en voogd Hendrik van Pelt) Catharina van Pelt, jonge dochter van Roosendaal wonende bij het stadhuis van Dordrecht (1728), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 8 sept. 1773 (Catharina van Pelt, weduwe van Anthonie Knogh, in de Wijnstraat, laat kinderen na, met zes koetsen extra, de eerste boete)
ORA Dordrecht inv. 1661, f. 18v: op 4 april 1754 verkoopt Justus de Bruijn, koopman te Dordrecht, als procuratie hebbende van Susanna de Bruijn, wonende in Dordrecht, voor 1000 gl. aan Anthonij Knogh, koopman te Dordrecht, een huis met kelders, staande in de Wijnstraat tussen het huis van Margareta Eelbo, weduwe van mr. Hendrik Braats, heer van Spijkenisse en de Wijnsteiger.
ORA Dordrecht inv, 1662, f. 64: op 10 nov. 1757 verkoopt mr. Philip van den Brandeler, oud-burgemeester en president-schepen van Dordrecht, als procuratie hebbende van Claude Chabrot zijdewerker, voor 430 gl. aan Anthonij Knogh, koopman te Dordrecht, een huis in de Wijnstraat omtrent de Wijnsteiger, uitkomende aan de haven en staande tussen het huis van Huijbert Uitterlimmigen en dat van Johannes Verhoeven.
ORA Dordrecht inv. 1663, f. 34: op 17 juni 1760 verkopen Anthonij Bax, notaris te Dordrecht, als procuratie hebbende van Gijsbert Prinse, koopman wonende te Gorinchem, en van Johan Prinse, koopman wonende te Rotterdam, alsmede Dirk Prinse, koopman wonende te Dordrecht, en Hendrik Prinse, apotheker wonende te Dordrecht, voor zichzelf en als procuratie hebbende van Ida Prinse, meerderjarige ongehuwde persoon wonende te Dordrecht, en van Johanna van Driel, weduwe van Pieter Prinse, wonende te Dordrecht, samen enige kinderen een erfgenamen ab intestato van Johan Prinse koopman, die gewoond heeft en is overleden in Dordrecht, voor 630 gl. aan Anthonij Knogh, koopman te Dordrecht, een pakhuis en kelder in de Wijnstraat omtrent de Schrijversstraat aan de havenzijde, staande tussen het huis van Catharina Verveer en dat van Jan van der Wulp.
b-5. Elisabet, 14 nov. 1700
b-6. Pieter, 1 april 1704
c. Jan, 29 april 1668, vermoedelijk jong overleden
d. Elisabeth de Jager, geboren naar schatting ca. 1670
IV. Pieter Aertsz. de Jager, geboren naar schatting ca. 1660, jongman wonende in de Voorstraat (1683), weduwnaar van Dordrecht wonende op de Nieuwe Haven (1691), weduwnaar van Dordrecht (1693), blokmaker, trouwde 1e NG Dordrecht 10/24 okt. 1683 Helena Pietersdr. Spolt, jonge dochter van Brielle wonende in Dordrecht (1683), 2e Gerecht/NG Dordrecht 21 okt. 1691 (ondertrouw) Sybilla Hulsius, jonge dochter van Dordrecht wonende op de Nieuwe Haven (1691), 3e Gerecht/NG Dordrecht 18 okt./1 nov. 1693 (de bruidegom geassisteerd met Jacob van de Moer, zijn “neeff germaine”, de bruid met haar tante Judick Jansz., de vrouw van Melis Cornelisz. van Bleskensgraaf) Maria Leendertsdr. Noordegraeff, jonge dochter van Lexmond (1693)
ONA Dordrecht inv. 190, f. 8: op 24 jan. 1684 testeren Pieter de Jager blokmaker en zijn vrouw Helena Spolt, burgers van Dordrecht, zij benoemen de langstlevende van hen beiden tot hun erfgenaam en voogd over hun minderjarige erfgenamen. Die langstlevende zal gehouden zijn hun kinderen te onderhouden tot hun mondigheid of huwelijk en hun dan onder hen allen een bedrag van 25 gl. uit te keren. Als de eerstoverlijdende komt te overlijden zonder kinderen na te laten of als hun kinderen allen zullen overlijden voor hun mondigheid of huwelijk, moet de langstlevende aan de erfgenamen ab intestato van de eerststervende een somma van 25 gl. uitreiken. Als de testateur de eerstoverlijdende zal zijn, moet de testatrice aan zijn broer Jacobus de Jager al zijn kleren uitreiken. Als de testatrice de langstlevende zal zijn en zonder kinderen na te laten komt te overlijden, moeten al haar goederen komen aan Marija Cappendijck, de moeder van de testateur, of bij vooroverlijden aan zijn erfgenamen ab intestato.
ORA Dordrecht inv. 1631, f. 39v: op 15 juli 1687 verkoopt Jacob de Val, steenhouwer en burger van Dordrecht, voor 2000 gl. aan Pieter de Jager, blokmaker en burger van Dordrecht, een huis op de Nieuwe Haven, staande tussen het huis van Lambert Constant en dat van de verkoper.
ONA Dordrecht inv. 192, f. 69: op 21 juli 1692 testeert Pieter de Jager blokmaker en zijn vrouw Sibilla Hulsius, burgers van Dordrecht. Als de testateur voor zijn vrouw komt te overlijden, zal zijn vrouw de helft van hun gemeenschappelijke boedel krijgen, en benoemt hij zijn drie voorkinderen, door hem verwekt bij zijn vorige vrouw Helena Spoldt, en die kinderen, die hij eventueel nog zal verwekken bij zijn huidige vrouw tot zijn erfgenamen elk voor een kindsgedeelte. Als de testatrice de eerstoverlijdende zal zijn, benoemt haar man tot haar erfgenaam, op voorwaarde, dat hij hun kinderen bij mondigheid of huwelijk een somma van 12 gl. zal uitkeren. Als zij zonder kinderen na te laten komt te overlijden of als die kinderen voor hun mondigheid of huwelijk zullen overlijden, zal haar man gehouden zijn haar vader en moeder of de langstlevende van hen beiden of bij vooroverlijden van beiden aan haar erfgenamen ab intestato een somma van 6 gl. uit te reiken. Tot voogden benoemen zij de langstlevende van hen beiden en hij zijnerzijds over zijn drie kinderen Hendrik van Aensorgen, zijn aangetrouwde oom, en ds. Johannes van den Hatert, predikant te Papendrecht, “sijnen goeden bekenden vrunt”.
ORA Dordrecht inv. 1634, f. 76v: op 16 febr. 1694 verkoopt Pieter de Jager, blokmaker en burger van Dordrecht, voor 1900 gl. aan Cornelis Koole, kuiper en burger van Dordrecht, een huis op de Nieuwe Haven, staande tussen het huis van Hendrick Houtcamp en dat van Jacques de Val.
ORA Dordrecht inv. 1657, f. 57: op 2 febr. 1745 verkopen Jan van den Brink, burger van Dordrecht, als man van Cornelia de Jager, voor zichzelf en tevens vervangende Leendert de Jager, en Frans de Wijs, als man van Ariaantje de Jager, wonende te Rotterdam, samen kinderen en erfgenamen van Maria Noordegraaff, weduwe van Pieter de Jager, voor 210 gl. aan Pieter van Bree, mr. metselaar en burger van Dordrecht, een huis op de Taankade bij het Blauwe Bolwerk, staande tussen het huis van dr. Hendrik van Convent en dat van de kinderen van Tieleman Trekdam.
Kinderen (o.a.; allen NG gedoopt in Dordrecht):
Ex 1:
a. NN, geboren naar schatting ca. 1685
b. Marija, 25 sept. 1686
c. Lijsbeth, 23 mrt. 1690
Ex 2:
d. Ariaentie de Jager, 7 febr. 1695, trouwde Frans de Wijs
e. Aart, 10 febr. 1697
f. Leendert de Jager, 5 jan. 1699
g. Cornelia de Jager, 8 okt. 1703, trouwde Jan van den Brink
h. Gerrit, 11 sept. 1705
i. Jacoba, 15 jan. 1710
j. Jacob, 20 jan. 1712