Afstamming van A.B. den Haan van Karel de Grote

Bronnen:

Johan van Beverwijck, ’t Begin van Hollant in Dordrecht (Dordrecht 1640)

David C. Douglas, William the Conqueror (Yale University Press 1999)

A. van der Heijden, Genealogie van de heren van Naaldwijk (Historisch Archief Westland 2014)

B. de Keijzer, Kwartierstaat De Keijzer-Eijkelenboom, in Kwartierstatenboek Prometheus XV (Delft 1988)

Dr. L.M.G. Kooperberg, Anna van Borssele, haar geslacht en haar omgeving (Middelburg 1938)

Simon van Leeuwen, Batavia Illustrata ofte Hollandsche Chronyk (‘s-Gravenhage 1685)

H. Obreen, Het geslacht van Borselen, in De Nederlandsche Leeuw 1927, kol. 294 e.v.

I. Karel de Grote (747-814), koning van de Franken 768-814, tot keizer gekroond door paus Leo III op 25 dec. 800 in de Sint-Pieter te Rome.

Karel de Grote met zijn zoon Pippijn met de Bochel


Buste van de Karel de Grote (Domschatz in Aken). Het beeld bevat een deel van de schedel van de Karel de Grote. Het werd in 1349 geschonken door keizer Karel IV. (foto: A. B. den Haan, sept. 2016)

II. Lodewijk I de Vrome (778-840), keizer 813-840, trouwde 2e Judith, dochter van Welf I, graaf in Beieren en Eigilwich uit Saksen

Lodewijk de Vrome.

III. Karel II de Kale (823-877), koning van West-Francië 843-877, keizer (875)

Karel de Kale.

Kinderen:

IV. Judith (geboren ca. 843), trouwde met Boudewijn I met de IJzeren Arm, graaf van Vlaanderen

Boudewijn met de IJzeren Arm (stadhuis van Brugge)

V. Boudewijn II van Vlaanderen (ca. 865-918)

VI. Arnulf I van Vlaanderen (ca. 890-964 of 965)

VII. Boudewijn III van Vlaanderen (ca. 940-962)

VIII. Arnulf II van Vlaanderen (ca. 961-988), trouwde Susanna (Rosala) van Italië (zie addendum VI)

IX. Boudewijn IV van Vlaanderen (ca. 980-1035)

X. Boudewijn V van Vlaanderen, geboren ca. 1013, overleden 1 sept. 1067, trouwde Adela (ca. 1009-1079), dochter van Robert II van Frankrijk en Constance van Provence (Gens Nostra 1990, p. 367)

XI. Matilda van Vlaanderen (ca. 1031-1083), trouwde met Willem de Veroveraar (Willem de Bastaard), hertog van Normandië, koning van Engeland (1066-1087), natuurlijke zoon van Robert de Duivel, hertog van Normandië en van Herleve, die waarschijnlijk de dochter was van Fulbert, een leerlooier in Falaise.(Dat leerlooiers gebruik maken van urine bij het bewerken van leer berust op een misverstand. In het verleden gebruikten zij echter een bepaald soort vet, dat eveneens een onaangename geur afgaf. Daaraan waarschijnlijk danken leerlooiers de reputatie, dat zij een “vuil” beroep uitoefenen. In Nederland werden zij ook huidenvetters genoemd. [Vriendelijke mededeling van de heer B. den Hartog te Dordrecht])

Grafzerk van Mathilde van Vlaanderen in de Abbaye aux Dames te Caen (foto: A.B. den Haan, juli 2011)

“Matilda’s tomb in the church of Holy Trinity, Caen, suffered devastation [by protestants in 1562 and French revolutionaries in 1793] comparable to that which destroyed the sepulchre of her husband in Saint Stephen’s. The original coffin was thus destroyed, but in her case the bones were saved, and having been placed in a small casket they were reburied under the original and beautiful stone slab which, with its inscription, still remains in the church. In 1961 moreover, this casket was itself disinterred, and its contents examined with remarkable results. For the bones proved to be those of an extremely small woman whose height can hardly have exceeded fifty inches.”  [Douglas, o.c., p. 369-370]

“The fate of the Old English nobility during these years [1066-1087] was in truth catastrophic, and its downfall Is one of the best documented social transformations of the eleventh century. … By the end of the Conqueror’s reign, it has been calculated , only about 8 per cent of the land of England remained in the possession of this class. … The new aristocracy which supplanted it, though predominantly Norman, was not exclusively so. … among these were some who were either Flemish in origin, or to some extent dependents of the counts of Flanders. … More numerous than the Flemings, were the Bretons. … [However] the bulk of the new aristocracy which was established in England under William the Conqueror came from the nobility which had arisen in Normandy during the earlier half of the eleventh century. … Of all the land in England surveyed in the Domesday book [1086]. about a fifth was held directly by the king; about a quarter by the church; and nearly half by the greater followers of the Conqueror. Moreover, this secular aristocracy was not only extremely powerful and predominantly Norman; it was also small. … Thus about the half, held by lay tenure in England under the Conqueror, was given by him to only eleven men … all except Eustace [of Boulogne] and Count Alan were Normans … It was indicative of [William’s] personal authority that he was able to make these men from the start his tenants-in-chief in England, holding their lands, not in absolute ownership as spoils of conquest but in return for providing a specified number of knights for the royal service. It was the king, again, who fixed in each case the number of knights required … by means of individual bargains which bore no fixed relationship to the amount or value of the lands granted. … The conditions under which these men received their lands supplied the king with between 4,000 and 5,000 trained troops …. At no time was the Anglo-Norman state immune from attack. Its preservation was … the hazardous result of two decades of almost continuous war. [Douglas, o.c., p. 266-273]

XII. Adela van Engeland, trouwde Stephanus II van Blois (ca. 1045-1102). Hij was een van de leiders van de Eerste Kruistocht, maar keerde terug naar Europa in 1098, ging op aandringen van zijn vrouw opnieuw naar Palestina in 1101 en sneuvelde in de (tweede) Slag van Ramla op 19 mei 1102

XIII. Stephanus van Blois, koning van Engeland 1135-1154, trouwde Mathilda van Boulogne, zie ook hieronder: Addendum IV: Afstamming van Marie van Boulogne van Fergus Mor, koning van Dalriada

Stephanus van Blois (foto: wikipedia)

Hij werd waarschijnlijk geboren in of omstreeks het jaar 1096. Hij was de derde overlevende zoon. “The eldest, William, was evidently a disappointment [maar het is onduidelijk, wat er precies mis met hem was]… the one thing we know for certain is that in 1103 he went into Chartres Cathedral and took a solemn oath to kill the bishop.” Toen hun vader op kruistocht was, huwelijkte Adela, die regentes was tijdens haar mans afwezigheid, haar zoon Willem uit aan de dochter van een lagere edelman uit het Loire-gebied en gaf de vaderlijke goederen aan haar tweede zoon Theobald. “As for the remaining sons Stephen and Henry, they had to be put in the way of making their own fortunes… Stephen was sent [to the court of their uncle Henry I of England] by 1113, but his younger brother … did not follow until 1126 … [Henry] received his training at Cluny [and] … in 1126 his royal uncle gave him the abbey of Glastonbury, and three years later the bishopric of Winchester as well. … [As for Stephen] we can at any rate be sure he was [at King Henry’s court] by 1113, and that he had by then already been given the lands and title of count of Mortain.” Bovendien kreeg hijnog belangrijk grondbezit in Engeland en Normandië en in 1125 schonk Hendrik I hem de hand van Mathilda, de enige dochter en erfgename van Eustachius III, graaf van Boulogne, die – nog afgezien van zijn bezittingen op het Continent -een van de rijkste landeigenaren van Engeland was. “Mathilda had to be found a husband because her father wanted to retire to a Cluniac monastery; but any husband proposed had to be of very noble birth, because the lady was descended from Charlemagne, and her uncles [Godfried van Bouillon en Boudewijn I] were the first crusader kings of Jerusalem [Godfried weigerde de hem aangeboden koninklijke titel te aanvaarden – hij zei geen koningskroon te willen dragen in de stad, waar Christus de doornenkroon had gedragen – en noemde zichzelf liever Voogd van het Heilige Graf. Zijn broer Boudewijn had minder scrupules en was zowel de facto als in naam koning van Jeruzalem (aantekening ABdH)]. That was why Henry chose Stephen. His birth was unexceptionable, and yet he was bound to Henry’s interests as closely as if he had been his creature.” Hendrik I, koning van Engeland, stierf in dec. 1135. “There were three principal contenders for the succession, and one “fancied outsider”. The least popular was the official candidate whom Henry had designated and to whom the English barons had sworn allegiance (Dec. 1126), his daughter the Empress Mathilda. She was unpopular because she was a woman [Het zou nog tot 1553 duren voordat een vrouw koningin van Engeland werd: Lady Jane Grey, die niet door iedereen als rechtmatige koningin van Engeland wordt beschouwd, of anders Mary I Tudor, die regeerde van 1553 tot 1558 (aantekening ABdH).], and because her husband, Geoffrey Count of Anjou, was the hereditary enemy of the Normans, and actually at war with Henry at the time of his death. But more important still was the fact that in course of hostilities, both past and present, Geoffrey had naturally made friends and allies of those Normans whom Henry I had exiled and disinherited … This made it inevitable that there would be opposition from Henry’s “new men” for they had been consistently rewarded … with the estates of the disinherited. Their self-interest was bound to make them prefer a successor who was already committed to the new order, and they therefore focused their attention on the two men who were both of royal birth and “new”, Robert, Earl of Gloucester, the illegitimate son of the king, and Stephen … Either could have been considered worthy, but they were so jealous of each other that it was a foregone conclusion that neither would concede the slightest superiority to the other. Consequently there were many Normans, who, though unwilling to accept Mathilda, thought it dangerous to elevate either Robert or Stephen, and inclined towards an “outsider”or compromise candidate in the person of Stephen’s elder brother Theobald … Count of Blois, Chartres and Champagne. … Unfortunately he did not want the kingdom, at any rate not badly enough to make a fight of it. … [In the beginning of 1135 king Henry] lay dying at his hunting lodge of Lyon-la-Foret. With him were the archbishop of Rouen and the bishop of Evreux who were both to support Stephen, and his five earls – four of them supporters of Stephen, and the fifth Robert of Gloucester himself – but it is clear that Henry remained unmovable. … [Stephen] was at Boulogne when he heard the news of Henry’s death. He set sail for England at once … and made straight to London, which received him as king. … Moving on, Stephen seems to have met a little opposition in the country near London, but overcoming it quickly, made a dash for Winchester where he was welcomed by his brother Henry [the bishop of Winchester] and accepted by the citizens. There also, thanks to the assistance of his brother, he was recognized as king by Roger Bishop of Salisbury who, as justiciar, controlled the government of England, and by William Pont de l’Arche who kept the royal treasury. Then, having already secured the vital organs of the kingdom, he asked the archbishop of Canterbury, William de Corbeil, to anoint him king. William showed some scruple about the oath which he, Stephen, and the other notables had taken to the empress [Mathilda] in 1126. But Stephen’s supporters claimed that the oath was null and void because it had been exacted from them by force. They also produced the story – the first we hear of it – about Henry’s deathbed change of mind, and Hugh Bigod took an oath to vouch for its truth. Consequently the archbishop anointed Stephen king on 22 December 1135.” (R.H.C. Davis, King Stephen (Londen/New York 1990, p. 1-16)

XIV. Marie van Boulogne, trouwde met Matthias van de Elzas (overleden 1173), zoon van Dirk, graaf van Vlaanderen, en Sibylla van Anjou, dochter van Fulco V van Anjou, koning van Jeruzalem 1131-1143 (samen met zijn tweede vrouw Melisinde van Jeruzalem), en Ermengarde van Maine

XV. Mathilde van Boulogne, trouwde Hendrik I van Brabant (ca. 1160, overleden Keulen 5 sept. 1235)

Praalgraf van Hendrik I van Brabant

Praalgraf van Hendrik I van Brabant, M Leuven

Het praalgraf van Hendrik I van Brabant in de St- Pieterskerk te Leuven. (foto: vlaamsekunstcolectie.be)

XVI. Mathilda van Brabant, trouwde Floris IV,  graaf van Holland, geboren 24 juni 1210, overleden op 19 juli 1234 tijdens een toernooi in Frankrijk (in Corbie of Noyon). Hij werd begraven in de abdijkerk te Rijnsburg. In Jacob van Maerlants Spiegel Historiael lezen we over zijn dood het volgende: “Grave Floris bleef in den tornoy/Te Corbie: dat was vernoy [ellende]/Daer was gevellet [neergeveld] sine baniere/1230 ende viere/So screef men dat jaer ons Heeren,/Als ons die croniken leren/Elf jaer lesen wi van desen,/Dat hi grave hadde ghewesen” Andere middeleeuwse schrijvers voegen daar nog aan toe, dat Floris door zijn dapperheid tijdens het toernooi anderen afgunstig maakte en dat hij vervolgens door hen is vermoord. Maar niet uitgesloten mag worden, dat hij gewoon door een lans is geraakt tijdens het toernooi en vervolgens aan zijn verwondingen is overleden. (H. Bruch, Floris IV sneuvelt in een tournooi, in: Spiegel Historiael 1984, p. 93-96.)

XVII. Aleida van Holland (1228-1284), trouwde kort na 20-8-1246 (pauselijke bekrachtiging, met dispensatie, 25-10-1246) Jan I van Avesnes, geb. Houffalize april 1218, overl. Binche of Valenciennes 24-12-1257,

XVIII. Jan II van Avemes, geb. ca. 1247; graaf van Henegouwen (Jan I), graaf van Holland, overl. Valenciennes of Bergen (Mons) 11 of 12-9-1304, tr. 1270 of begin 1271 Philippine van Luxemburg, overl. 6-4-1311, dr. van Hendrik II ‘de Blonde’ van Luxemburg en Margaretha van Bar. (Zie Addendum I en II: de afstamming van Jan II van Avesnes van Karel de Grote)

Uit een relatie met een onbekende vrouw:

XIX. (bast.) Aleid van Henegouwen, overl. na 12-6-1351, tr. (1) ca. 1312 (met pauselijke dispensatie wegens 4e-graads verwantschap) Wolfert II van Borselen, heer van Veere en Zandenburg, ridder, overleden voor 6-4-1317, zoon van Wolfert I van Borselen en Sibylle (van Praet of van Randerode?), verzoent zich in 1308 met de graaf van Holland en krijgt in 1309 met zijn broers een schadeloosstelling voor de moord op hun vader, Aleid tr. 2e Otto, heer van Buren (NNBW; De Keijzer, o.c., p. 342-343)

“Heer Wolfaert van Borselen, heer van Vere en Sandenburch. De juiste scheiding tusschen hem en zijn gelijknamigen zoon, voordien steeds als één persoon aangezien, is gemaakt door Mr. H. van Wijn in diens Onderzoek naar den tijd der regeering van Wolfaard den tweeden en derden, heeren van Vere, uit den huize van Borselen (Middelburg, 1837; geschreven in 1794. Ook opgenomen in Nieuwe Werken van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, 1e deel, 2° stuk). Hij wordt het eerst genoemd in het jaar 1303, wanneer hij, “Wolfard, zoon van wijlen heer Wolfard, heer van Zandenburgh, ridder,” een gift aan de abdij Eekhout bij Brugge goedkeurde; nog in ditzelfde jaar vindt men hem in het na te noemen testament van zijn broeder, heer Henric Wisse. In 1308 volgde ten slotte voor hem en zijn broeders de verzoening met den graaf van Holland en in 1309 de uitspraak over den dood zijns vaders; hij is dan ridder. Omstreeks 1312 huwde heer Wolfaert met Aleyd, een natuurlijke zuster van graaf Willem III van Holland, althans in dat jaar verleende de Paus daartoe dispensatie, hoewel zij elkaar in den vierden graad bestonden. Het huwelijk, zegt de pauselijke goedkeuring, vond plaats om een einde te maken aan de geschillen, die bestaan hadden tusschen heer Wolfaerts familie eenerzijds, graaf Willem en diens vader Jan, anderzijds. Heer Wolfaert werd door dit huwelijk zwager van den graaf en wordt dan ook als zoodanig door dezen betiteld. Op 30 Mei 1316 maakte hij met zijn broeders, heer Florens, Vranck en Clays, onder goedkeuring van den graaf, een overeenkomst in zake het leengoed, dat hun vader aan Wolfaert, als oudsten zoon, had nagelaten; ongelukkig geeft het stuk ons geen nader bericht, waar of de broeders gegoed waren; alleen van jaargelden wordt gewag gemaakt. Evengenoemd stuk is het laatste, waarin Wolfaert II gemeld wordt; hij was waarschijnlijk reeds dood op 6 April daaraanvolgend (1317), als de graaf beslist dat “ver Aleyt, vrouwe van der Vere, onse suster”, alle jaren een zekere som zal moeten betalen aan vrouw Beatrix, echtgenoote van heer Gherard van Heemskerk, zoolang Beatrix voogdes is over haar dochter Kateline, welke zij in eerste huwelijk gewonnen had bij heer Jan Mulart. Vrouw Aleyd hertrouwde met Otto, heer van Buren; zij komt in 1327 in een grafelijke uitspraak als vrouw van Zandenburgh en van Buren voor en nog in 1351, wanneer zij als weduwe van Otto en als vrouw van Buren het huis te Boesinghen, dat zij van het kapittel van St. Jan te Utrecht in leen hield, opdroeg ten behoeve van jcvr. Agniese Henryx wijf van der Weyde. Wij kennen uit het huwelijk van Wolfaert II en Aleyd slechts één kind: Wolfaert.” (Obreen, o.c., kol. 296 e.v.)

“Bovenstaande is – in hoofdzaak althans – ook in overeenstemming met H. van Wijn, “Onderzoek naar den tijd der regering van Wolfaard II en III, heeren van Vere, uit den huize van Borselle”, een studie, en veertig jaren nadat ze geschreven was, nog uitgegeven door het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen” (Middelburg 1837) … Uit deze verhandeling bleken genoegzaam de moeilijkheden met die Wolfaards, door van Wijn aldus opgelost, dat hij, Wolfert II, zoon van den te Delft vermoorden Wolfert I en Catharina, weduwe van Albert, heer van Voorne, en zelf gehuwd met Aleida, bastaardzuster van Willem III, in 1317 overleden was … En dat dan die Hadwich, door sommigen als vrouw (tweede of eerste) aan laatstbedoelden Wolfaard gegeven, eigenlijk gehuwd is geweest met diens zoon Wolfaard III, dood in 1345 (al dan niet door de Friezen verslagen). In 1351 en 1356 komt deze vrouwe van Veere – eigenlijk geheeten Hadwich Both van der Eem en nicht van Willem V als weduwe van Wolfaard III nog voor. En dan is de volgende Wolfaard, geheel overeenkomstig onzen bovenstaanden tekst de vierde van dien naam, welke zoon van Willem III [sic] en Hadwich op zijn beurt, eveneens blijkens de oude kronieken, in het huwelijk is getreden met Margriete van Arnemuiden. Vgl. ook de toegevoegde geslachtslijst ter opheldering van deze verhandeling over Wolfert III, interessant niet het minst voor de 9de generatie, bevattende, behalve Wolfert II, de 7 andere kinderen van het slachtoffer der Delftsche volksbeweging *en zijn eerste echtgenoote Sybille o.w. Claes, die hier heer van Brigdamme genoemd wordt en Vrank, heer van St. Maartensdijk, … Ter zelfder tijd bloeide ook de tak van Borssele-Cortgene. Als stamvader noemt Obreen Raes, voorkomende in het laatste decennium der 13de eeuw, bastaardbroeder van Wolfert I van Veere.” (Kooperberg, o.c., p. 15)

* “Bij een volksbeweging gevangen genomen, werd hij [Wolfert I van Borselen] 1 Aug. 1299 door de oproerige Delftenaars doodgeslagen.” (NNBW)

XX. Wolfert III van Borselen, heer van Veere en Zandenburg, knaap 1336, ridder 1337, vermeld 1318-1350, lid van de Grafelijke raad 1337-1338, 1344, 1346-1348,  overleden mei 1351 (aan een ziekte), tr. (2) Hadewich Both van der Eem, overleden tussen 1363 en 1371, begr. Utrecht (Domkerk) (De Keijzer, o.c., p. 341)

XXI. Aleida van Borselen, geb. ca. 1343, overl. na 26-8-1414, tr. 1e in of voor 1363 Jan van Heenvliet, geb. ca. 1335, ridder, heer op Bleijdestein, vermeld 1351-63 , overl. voor 1377, zoon van Jan, heer van Heenvliet, en Elizabeth van Bosinchem, 2e Jan, heer van Cruijningen en Woensdrecht. (De Keijzer, o.c., p. 338-339)

In 1363 vermeld als echtgenote van Jan van Heenvliet, wanneer zij geld leent aan haar broers Wolfaert en Henric. Deze man is in 1387 overleden, wanneer Aleyd als zijn weduwe voorkomt met haar zoons Jan en Sweder van Heenvliet. Zij was toen reeds hertrouwd met Jan heer van Cruijningen. (Obreen, o.c., kol. 300)

Hieruit o.m.:

XXII. Jan van Heenvliet of zijn broer Zweder van Heenvliet

Jan van Heenvliet, beleend met Kattendijke en Stavenisse 19-4-1387, overl. na 20-7-1409, voor 16-11-1411, tr. Margaretha van de Coulster, overl. voor 23-4-1409. (dr. van domproost Willem van de Coulster?).

Jan van Heenvliet, geboren Heenvliet ca, 1365, overleden ca. 1411, werd op 19 april 1387 beleend met Kattendijke en Stavenisse, hij was ridder, Heer van Heenvliet, van Cattendijk, Hindelopen en Stavenisse, baljuw van Amstelland, admiraal en maarschalk van Zeeland, hij was een belangrijk Hoeks edelman, die ook aan het hof in Den Haag kwam, vervulde diverse functies, als getuige, baljuw, raad en collegelid om rekeningen van de rentmeester te controleren, in de jaren 1397 en 1398 was hij admiraal, was ook actief tijdens de Arkelse oorlogen, o.a. bij het beleg van Gorinchem in 1402, en in 1409 bij de Friese waddenkust, de Vecht en in Utrecht, op 20 okt. 1405 was hij betrokken bij het beleg van Hagenstein en Everstein. Hij trouwde in of vóór 1395 te Veere met Margaretha van den Coulster, overleden vóór 23 april 1419, dochter van Willem van den Coulster, die hij in 1395 lijftochtte met 100 Dordtse guldens per jaar. Op 16 nov. 1411 wees hertog Willem de voogdij over zijn minderjarige kinderen, aanvankelijk uitgeoefend door … Heer Zweder van Heenvliet, toe aan zijn zwager Laurens van Cats.

XXIII. Maria van Heenvliet, geboren naar schatting ca. 1395, overleden 2 april 1456

NB: zij wordt door sommigen beschouwd als dochter van Zweder van Heenvliet, de broer van Jan van Heenvliet ( = gen. XXII), i.p.v. Maria van Heenvliet, de echtgenote van Jan van Puttenstein. Zie Van der Heijden, o.c., p. 30 e.v.

De Keijzer (o.c., p. 332 en 336) neemt eveneens aan, dat zij een dochter was van Zweder van Heenvliet, heer op Blijdestein, vermeld 1387-1418, baljuw van Texel, nam deel aan de eerste en tweede tocht tegen de Friezen, en van Elisabeth van Cattendijke

Huis en hofstad ‘Blijdesteyn’ met de leenmannen, lanen en verder toebehoren, het overhof, nederhof, boomgaarden, singels en grachten, ambacht en heerlijkheid, groot 3 gemet. Van de zuidzijde van de middeldyk noordwaarts tot de Ee, die door de Bornisse stroomt en van de watering achter Jacob Heinrix soens de wever westwaarts tot de heul in, Comanwaert met het ‘weerdekyn’ genaamd ‘Clarenlant’ tot aan de dijksloot. Alle goederen en heerlijkheden, leen en eigen in Heenvliet, gronden zowel als opstanden, hoge en lage ambacht, tienden, jaarschoten, water- en windmolens, vogelvangst, visserij, zwaandrift en veren.

20-1-1418: Zweder van Heenvliet draagt het leen over aan zijn neef en leenheer Johan, heer van Heenvliet en van der Capelle, tegen een lijfrente van 50 lb. hollands per jaar en 40 engelse nobelen contant. (N.B. In dit bedrag is tevens begrepen de verkoop van ongeveer 5 gemet land, gemeen met de hofstad Blidesteyn en 4 gemet die hij van Pieter Gherytssoen kocht. Dit zijn eigen goederen).

(Repertorium op de lenen van de heerlijkheid Heenvliet, 1307-1725 [internet])

Maria trouwde Boudijn Willemsz. van Drenkwaert, overleden 25 nov. 1452, dijkgraaf en schout van Zuidland, leenman van Putten, schepen van Geervliet, beiden begraven onder een zerk in de kerk van Geervliet.

Van Beverwijck, o.c., p. 18: Boudewijn Willemsz. leefde 1430, in het land van Putten, bezat een hoeve of woning, genaamd “Drenckwaert”, liggende bij het dorp Zuidland, “waer van de nakomelingen haer ghenoemt hebben”.

XXIV. Willem Bouwensz. (van Drenckwaert), heer van Giessendam, kwam in Dordrecht wonen, leenman van Strijen, beleend 1461, schepen van Dordrecht 1473-1474, burgemeester ald. 1474-1485, overleden in 1488, trouwde Machtelt Pallaes Jansdr., overleden 24 febr. 1506, dochter van Jan Claesz. op’t Pallaes, burgemeester van Dordrecht, en Cornelia Jansdr. van Riebeeck. (Van Beverwijck, o.c., p. 18; De Keijzer, o.c., p. 326 en 332)

XXV. Dignum (Digna) van Drenckwaert, geboren naar schatting ca. 1465, trouwde Adriaen Cornelisz. van Cleijburgh, baljuw van Voorne (vermeld 1494 en 1504, overleden tussen 1504 en 20 nov. 1510 (Ons Voorgeslacht 1983, p. 193-194; Johan van Beverwijck, ’t Begin van Hollant in Dordrecht [Dordrecht 1640], p. 18-19)

XXVI. Lijsbeth Adriaensdr. van Cleijburg, geboren naar schatting ca. 1490, overleden in of na 1537, trouwde Jacob Adriaensz. van Heijthoven

– 27 mrt.1620 of 1623 comp. voor een Rotterdamse notaris Adriaentje Jorisse, laatst weduwe van Rut Anthonisz., eerder weduwe van Evert Adriaensz. Heythoen. Zij verklaart, dat haar schoonvader Adrianus Heythoen, overleden in 1611, in 1575 is getrouwd met Cornelia Herbrechts of Herberts, die is overleden in 1580. Bij zijn huwelijk heeft hij goederen ingebracht ter waarde van 14.293 gl., die door zijn broer mr. Adriaan Heythoen advocaat zijn verkocht, met inbegrip van de vroonlanden, die comparante zijn aangekomen vanwege haar mans grootmoeder Elisabeth Adriaansdr. van Kleyenburg, gelegen in de St. Lijsbethspolder in de omloop van Dirksland. Zij verklaart voorts, dat haar schoonvader, toen hij genoemde vroonlanden heeft laten verkopen, “niet en heeft geweten wat hij dede”, omdat hij toen een oude, blinde, kreupele, dove en arme man was, en dat hij dat niet heeft mogen doen, aangezien die vroonlanden “subiect en legaal sijn weeskinderen verbonden stonden”. De man van de comparante Evert is in 1616 op zee verdronken, en begraven te Rotterdam, waarna zij in 1617 is hetrouwd met Rut Anthonisse uit Lekkerkerk, die nu ook is overleden. De comparante verklaart, dat zij is ook is “naestende” de portie in de heerlijkheid St. Lijsbethspolder, die haar schoonvader toekwam en welke eertijds door de tante van haar schoonvader, Cornelia van Kleyenburg, in het jaar 1537 is verkocht aan Jacob Willemsz. De comparante verleent procuratie aan Aert Harmensz. Wor, wonende te Dordrecht, om voornoemde vroonlanden en de portie in de heerlijkheid St.Lijsbethspolder te verkopen.(ONA Rotterdam inv. 117, akte 129, uitkoop dd 18 aug. 1620 en id., inv. 102, akte 65, procuratie dd 27 mrt. 1620 [doorgehaald en vervangen door 27 mrt. 1623])

XXVII. Digna van Heijthoven Jacobsdr., trouwde naar schatting ca. 1540 Willem van Beaumont Fransz., geboren ca. 1518, schoenmaker te Dordrecht, deken van het Schoenmakersgilde te Dordrecht (ORA Dordrecht 712, f. 10, attestatie dd 23 jan. 1579), overleden na 1601 (Ons Voorgeslacht 1974, p. 50-51), zoon van Frans van Beaumont en Agatha Scrijvers. (M. Balen, Beschryvinge van de stad Dordrecht [Dordrecht 1677])

– 8 juni 1567: mr. Adriaen Heijthoven, advocaat voor het Hof van Holland, Adriaen Jacobsz. Heijthoven voor zichzelf en Willem van Beaumont, als man en voogd van Digna Heijthoven Jacobsdr., verlenen procuratie ad lites aan Rochus Woutersz., schout van Bleskensgraaf. (ORA Dordrecht inv. 707, f. 6v)

– 18 dec. 1575: Willem van Beaumont Fransz. verkoopt Haddeman Joosz., zijn schoonzoon, een huis genaamd “den Hemel”, staande aan de Landzijde omtrent de Pelserbrug tussen het huis van Henrick Cornelisz. lakenkoper, genaamd “Teverzwijn”, en het huis van Frans Willemsz. Ram. De koper is schuldig aan zijn schoonvader een somma van 650 gl. (ORA Dordrecht inv. 1547, f. 41 e.v.)

– 5 mei 1576: Willem van Beaumont Fransz. verkoopt aan Evert Cornelisz. coman een huis met een klein huisje daarnaast, staande omtrent de Vuilpoort tussen het huis van Willem Abelsz. en het Zwijndrechtsestraatje [Dolhuisstraat]. Waarborg: Haddeman Joosz. De koper is schuldig aan verkoper een bedrag van 728 gl. Borg: Lambert Gijsbertsz. wagenmaker. (ORA Dordrecht inv. 1547, f. 110 e.v.)

ORA Dordrecht inv. 712, f. 10 e.v. (akte 32), verklaring dd 23 jan. 1577 op verzoek van Cornelis ’t Jong en Dirck Mathijsz., schoenmakers te Dordrecht, door o.a. Willem van Beaumont Fransz., deken van het Schoenmakersgilde te Dordrecht, 60 jaar oud

– 9 aug. 1578: Adriaen Jacobsz. Heijthoven, brouwer en poorter van Dordrecht, verkoopt aan zijn broer, mr. Adriaen Heethoven, advocaat voor het Hof van Holland, een jaarlijkse losrente van 9 gl., verzekerd op het huis en de brouwerij, waarin hij thans woont. Comp. mede Jacob Adriaensz. Heijthoven, de oudste zoon van de comparant, die verklaart, dat hij zijn oom, mr. Adriaen Heijthoven, “ontlast” en ontslaat van de “onderstanden”, die hij, mr. Adriaen Heijthoven, bewezen heeft aan zijn, Jacobs, vader, aan hemzelf, en aan zijn zusters en broers. Tevens ontslaat hij zijn oom van de borchtocht, waarvoor hij zich samen met wijlen Jacob Adriaensz. Heijthoven en Willem van Beaumont, resp. Jacobs grootvader en oom, verbonden heeft t.b.v. Jacobs vader om te voldoen de uitkoop van zijn, Jacobs, moederlijke goederen. (ORA Dordrecht inv. 713, f. 32v e.v.)

– 23 aug. 1585: Adriaen Ariensz. Medemblick, burger van Dordrecht, verklaart, “dat hij uijt crachte vande naestinge bij Willem van Beaumont, rechtelijcken aen hem versocht, overgedragen … heeft in gerechte eijgendom aen voorsz. Willem van Beaumont Fransz. … een gerechte dorde paert van zes ende vertich gemeten cosbaer lants gelegen inden ambocht vanden Bommel onder de juerisdictie van Olkensplaete inden landen van Putte … bij den voorschreve Adriaen Ariensz. eertijts gecoft van Adriaen Jaecobsz. Heijthoeven, brouwer tot Dordrecht, den voorsz. Willem van Beaumonts huijsvrouwe broeder, vuijt crachte vande brieve van eijgendom van daete den VIIen decembris anno [1583] … den selven Beaumont overgelevert … ende bekenne in voldoeninge van den landen boeven verhaelt vuijt handen van Haddeman Joostensz. van wegen de voorsz. Beaumont den XVen Novembris anno [1584] … ontfangen te hebben aen gelden de somme van [721 gl.] …” (ORA Dordrecht inv. 738, f. 224)

ORA Dordrecht inv. 1579, f. 46 e.v.: op 1 mei 1593 verkoopt Willem van Beaumont Fransz. aan dr. Jasper van Waerdenburch een huis in het Steegoversloot, staande tussen de St. Jorisdoelen en het huis van Huijch Jansz. kuiper (Cuper), strekkende van ’s herenstraat tot achter aan de gracht van de Doelen. Waarborgen: Henrick van der Stegen en Cornelis Dircxsz. Praem. De koper is schuldig aan verkoper een somma van 2250 gl. Borg: Reijnier Ariensz. hopkoper.

XXVIII. Aeltken Willemsdr. van Beaumont, geboren naar schatting ca. 1545, overleden tussen 19 mei 1608 en 6 juni 1624, trouwde 1e vóór 25 mei 1575 Aert Bastiaensz. van Houwelingen, overleden vóór 1590, zoon van Bastiaan Jacobsz. en Jenne de Jonge, 2e NG Dordrecht 14 jan. 1590 Herman Godschalksz., houtkoper te Oud-Beijerland

– 25 mei 1575: Aert Sebastiaensz., als man en voogd van Aeltken Willemsdr., verkoopt aan Jopken Soetmansdr., als “muije” van de weeskinderen van Laurens Ariensz. schipper, ten behoeve van die kinderen, een rentebrief (ORA Dordrecht inv. 710, f. 365v)

ORA Dordrecht inv. 1578, f. 118v: op 14 aug. 1592 transporteert Herman Godtschalcxsz., houtkoper wonende te Beijerland, als man van Aeltgen van Beaumont, aan de onmondige weeskinderen van Aert Bastiaensz., verwekt bij Aeltgen van Beaumont, een rentebrief van 6 gl. jaarlijks.

ORA Dordrecht inv. 1585, f. 122v e.v.: op 19 mei 1608 verkopen Herman Godtschalcksz., als man van Aeltgen van Beaumont, wonende in Beijerland, Janneken Aertsdr., weduwe van Frans Diricxsz. Blockert, Bastiaen Aertsz., kruidenier en burger van Dordrecht, Cornelis Thonisz. Praem, bakker en burger van Dordrecht, als procuratie hebbende Frans Aertsz., burger van Dordrecht, en Janneken Aertsdr. en Bastiaen Aertsz. tevens vervangende hun broer Willem Aertsz., die 21 jaar is, aan Maerten van Baelen pondgaarder een huis, genaamd “den Eijck”, staande bij de Grote Kerk tussen het huis van Anthonis Ariensz. pondgaarder en het erf en de houttuin van de verkopers, hun, verkopers, aangekomen bij overlijden van Aechgen van Beaumont, van welk huis het vruchtgebruik gelegateerd is aan Aeltgen van Beaumont.

ORA Dordrecht inv. 1601, f. 49v e.v.: op 6 juni 1624 verklaren Hermen Godschalcxsz., Frans Aertsz., Sebastiaen Aertsz. en Willem Aertsz., voor zichzelf en de drie laatstgenoemden tevens vervangende hun zuster, Janneken Aertsdr., samen erfgenamen ex testamento van Aeltken van Beaumont, de vrouw van Hermen Godschalcxsz. en moeder van de vier voornoemde kinderen, dat zij de goederen, die Aeltken heeft nagelaten, hebben verdeeld, waarbij aan Willem o.a. is toegevallen een huis in de Kannenkopersbuurt, genaamd “’t Joppenvat”, staande tussen het huis van dr. Cornelis van Someren en dat van Jan Henricxsz. Bot. Willem is schuldig aan Hermen een somma van 2520 gl. en aan zijn broers en zuster een bedrag van 1680 gl.

ONA Dordrecht inv. 58, f. 221v: op 1 okt. 1633 comp. Janneken Aertsdr. van Houwelingen, Frans Aertsz. van Houwelingen en Bastiaen Aertsz. van Houwelingen en Willem Aertsz. van Houwelingen, allen kinderen van Aert Bastiaensz., enerzijds en Dirck Jacobsz. zeilmaker, weduwnaar van Janneken Crijnen Louff, Mariche Crijnen Louff, weduwe van Apert Arijensz. Saijer, geassisteerd met haar zwager Dirck Jacobsz., Willem Jacobsz. Bol, als man van Angnietken Crijnen [Louff] en Dirck van Slingelandt, als vader en voogd van Jan van Slingelandt, door hem verwekt bij Dingna Crijnen Louff, allen kinderen van wijlen Grietgen Bastiaensdr. De comparanten verklaren, dat tussen hen nog onverdeeld zijn gebleven zekere goederen, gekomen uit de boedel van wijlen Reijer Bastiaensz., hun oom, waarvan het vruchtgebruik heeft toebehoord aan Dirck Bastiaensz., hun oom, te weten enkele rentebrieven, de helft van 6 morgen 48 roeden land in Klaaswaal, verkocht aan Cornelis van der Hooch in ‘s-Gravenhage voor 920 gl., 90 roeden land in Nieuw-Bonaventura, geschat op 80 gl., en een zesennegentigste deel van gorzen, gelegen aan de Dussen in Raamsdonk, geschat op 60 gl., samen bedragende 2214 gl. 10 st. of voor elke partij 1107 gl. 5 st.

ONA Dordrecht inv. 85, f. 151: op 28 juli 1646 comp. Aert Hermansz. Wor, enerzijds en Daniël Eelbo, als procuratie hebbende van kapitein Floris van Winteroeij, als weduwnaar van Dina van Galen, dochter van Anneken Aertsdr. van Houwelingen, Teunis Lambrechtsz., als man van Dingna Bastiaen Aertsdr. van Houwelingen, voor zichzelf en tevens als voogd van de kinderen van Dirck Jacobsz. Poelenburch, door hem verwekt bij Cathelijna Bastiaensdr. van Houwelingen, Balten Salibosch, als man van Aechten Bastiaensdr. van Houwelingen, voor zichzelf en als procuratie hebbende van zijn zwager Aert Bastiaensz. van Houwelingen, wonende in Frankrijk, Johannes Bastiaensz. van Houwelingen, Jan Jarde, als procuratie hebbende van Jean Lefau, als man van Aletta van Beaumont Willemsdr, en Johan Veeckemans, die door de weesmeesters van Dordrecht “gelast” is wegens de overige kinderen van Willem van Beaumont, anderzijds. De comparanten verklaren, dat in 1625 een proces is ontstaan, dat nog steeds hangende is, tussen Aert Hermansz. Wor nomine uxoris aangaande de uitkoop van haar moederlijke goederen en de borgtocht daarvoor gedaan door haar oom en voogd Willem van Beaumont, enerzijds en de kinderen en erfgenamen van Willem Fransz. van Beaumont en en diens vrouw Dingna van Heijthoven Jacobsdr., genaamd Elisabeth, Agatha en Aletta van Beaumont, en dat hangende het proces alle genoemde kinderen zijn overleden en derhalve alleen erfgenamen van Willem van Beaumont en Dingna van Heijthoven zijn gebleven de kinderen van Aletta van Beaumont, genaamd Bastiaen, Willem en Janneken Aertsdr. van Houwelingen.

Kinderen (volgorde onzeker):

a. Bastiaen Aertsz. van Houwelingen

b. Willem Aertsz. van Houwelingen

c. Frans Aertsz. van Houwelingen

d Janneken Aertsdr. van Houwelingen, volgt XXIX

XXIX. Jannichge Aertsdr. van Houwelingen, geboren naar schatting ca. 1580, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 28 febr. 1644 (tweemaal luiden over Janneken Aertsdr. van Houwelingen), trouwde 1e naar schatting ca. 1605 Frans Dircxsz. Blockert korenkoper, 2e NG Dordrecht 8/31 juli 1612 Ghijsbrecht Pietersz. Gulick, lakenbereider van Oudewater en daar wonende (1612), 3e ca. 1614 Willem Gerritsz. van Galen, wonende in de Kapellestraat te Oudewater (1612), lakenkoper wonende aan de Visbrug ald. (1615), belastingpachter, overleden vóór 30 juli 1627, trouwde 1e Cunera (Commertgen) Cornelisdr., begraven Oudewater 16 nov. 1612

ORA Dordrecht inv. 1600, f. 57: op 14 aug. 1623 verkoopt Janneken Aertsdr. van Houwelingen voor 600 gl. aan Jan Stoffelsz., bezemmaker en burger van Dordrecht, een huis op het Spui, staande tussen het huis van de weduwe van Nicolaes de Wael en dat van de weduwe van Cornelis Dircxsz. Praem. Waarborg: Hermen Godtschalcxsz.

ONA Dordrecht inv. 70, f. 54v: op 29 juli 1627 legt Jacobmijntgen Claesdr., de vrouw van Sijbert Jansz. bakker, burgeres van Dordrecht, op verzoek van Janneken Aertsdr. van Houwelingen, weduwe van Willem van Gaelen, wonende in Princeland, een verklaring af.

ORA Dordrecht inv. 1602, f. 99v e.v.: op 30 juli 1627 verkoopt Gijsbrecht Bastiaensz. molenaar, als man van Marijcken Pieters, erfgename van Judick Willems, weduwe van Pieter Dionijsz., aan Janneken van Houwelingen, weduwe van Willem van Galen, een huis in het Steegoversloot, staande tussen het huis van Michiel Cotermans en de ingang van het Hof. Borgen: Jan Bastiaensz. schrijnwerker en Pieter Schepens, burgers van Dordrecht. De koopster verkoopt aan Janneken Jacobs een jaarlijkse losrente van 25 gl., gehypothekeerd op het voornoemde huis en is schuldig aan Janneken Jacobs een somma van 200 gl.

ORA Dordrecht inv. 1604, f. 15v: op 11 febr. 1630 verkoopt Janneken Aertsdr. van Houwelingen, weduwe van Willem van Galen, aan Catarina van den Steen, weduwe van Johan de Lange, een jaarlijkse losrente van 18 gl. 15 st., verzekerd op een huis in de Grotekerksbuurt, staande tussen het huis van de weduwe van Willem Sieren en dat van Lidewij Diters.

ONA Dordrecht inv. 71, f. 34v: op 10 mrt. 1630 verlenen Franchoijs Aertsz. van Beaumont en Janneken Aertsdr. van Houwelingen, weduwe, geassisteerd met haar broer Franchoijs Aertsz. van Beaumont, procuratie ad lites aan Cornelis Evertsz. van der Pol contra hun schoonvader [stiefvader?] en broeders.

ORA Dordrecht inv. 1604, f. 35v: op 20 juni 1630 verkoopt Janneken Aertsdr. van Houweningen [sic] voor 1600 gl. aan Cornelis Jansz. schoenmaker een huis in het Steegoversloot, staande tussen het huis van Henrick Wagens en de poort van de Heelhaaksdoelen. De koper is schuldig aan verkoopster een somma van 1200 gl.

ORA Dordrecht inv. 1605, f. 115: op 18 sept. 1633 verklaart Janneken Aertsdr. van Houweningen uit de boedel van wijlen Reijer Bastiaensz. zowel aan geld als aan rentebrieven ontvangen te hebben een somma van 360 gl. en “voort fideïcommis vande selve somme” verbonden te hebben een huis in de Grotekerksbuurt, staande tussen het huis van de weduwe van Willem Sieren en dat van Lidewij Diters.

ONA Dordrecht inv. 58, f. 221v: op 1 okt. 1633 verklaren Janneken Aertsdr. van Houwelingen, geassisteerd met notaris Daniël Eelbo, Frans Aertsz. van Houwelingen, Bastiaen Aertsz. van Houwelingen en Willem Aertsz. van Houwelingen, allen kinderen van wijlen Aert Bastiaensz. van Houwelingen, enerzijds, en Dirck Jacobsz. zeilmaker, als weduwnaar van Janneken Crijnen Louff, Mariken Crijnen Louff, weduwe van Apert Arijensz. Saijer, geassisteerd met haar voornoemde zwager, Willem Jacobsz. Bol, als man van Angnietken Crijnen Louff, en Dirck van Slingelandt, als vader en voogd van zijn onmondige zoon, genaamd Jan van Slingelandt, verwekt bij wijlen Dingna Crijnen Louff, allen kinderen van wijlen Grietgen Bastiaensdr., anderzijds, dat tussen hen in gemeenschappelijk bezit zijn gebleven zekere goederen, gekomen uit de nalatenschap van hun oom Reijer Bastiaensz., waarvan het vruchtgebruik in bezit is geweest van hun oom wijlen Dirck Bastiaensz. Tot die goederen behoren o.a. de helft van 6 morgen 48 roeden land op Klaaswaal, door hen verkocht aan Cornelis van der Hooch in ‘s-Gravenhage voor 1920 gl., 90 roeden land in Nieuw-Bonaventura, geschat op 6 gl. en een 96ste deel in zekere gorsen, gelegen aan de Dussen onder Raamsdonk, geschat op 60 gl. De comparanten hebben die goederen thans onderling verdeeld.

ONA Dordrecht inv. 80, f. 104: op 9 mrt. 1634 verleent Janneken Aertsdr. van Houwelingen, weduwe van Willem van Galen, procuratie aan haar schoonzoon kapitein Floris van Winteroij.

ONA Dordrecht inv. 59, f. 44: op 20 febr. 1637 verleent Janneken Aertsdr. van Houlingen, weduwe van Willem van Galen, geassisteerd met haar schoonzoon kapitein Floris van Winteroijen, procuratie aan Jacomijntgen Clasen, weduwe van Sijbert Jansz. om te innen een derde part van de jaarlijkse pacht van 27 mrg. 59 roeden land met woning, liggende en staande in Maaskant, en een derde part in de huur van een huis in het Steegoversloot te Dordrecht, tegenwoordig bewoond door Andreas Colvius, Waalse predikant.

Kinderen:

a. Cuinijertgen (Dina), gedoopt NG Oudewater 25 febr. 1615, volgt XXX

XXX. Dina (Cuinijertgen) van Galen (van Ghelen), gedoopt NG Oudewater 25 febr. 1615, jonge dochter van Oudewater (1631), overleden tussen 10 nov. 1633 en 1 sept. 1644, trouwde Prinsenland 6 nov./14 dec. 1631 (getuigen: Jenneken Aerts, Joanna Bosch, Henricus Lemnius) Floris van Winteroy, jongman geboren te Ravels (België), kapitein te Woudrichem in het regiment van de graaf van Brederode, ritmeester in garnizoen te ‘s-Hertogenbosch

ORA Dordrecht inv. 1612, f. 64: op 18 dec. 1647 compareren voor schepenen van Dordrecht Daniël Eelbo, commies van de provincie Zeeland, als procuratie hebbende van kapitein Floris van Winteroij, weduwnaar van Dina van Galen, enige dochter van wijlen Janneken Aertsdr. van Houwelingen, volgens procuratie gepasseerd voor notaris Ch. van Leeuwevelt te Woudrichem op 7 jan. 1645, Theunis Lambertsz., schipper en burger van Dordrecht, voor zichzelf en als procuratie hebbende van Sebastiaen Aertsz. van Houwelingen, Johan Bastiaensz. van Houwelingen, Balten Salibosch, als man van Aechtgen Sebastiaensz. van Houwelingen, voor zichzelf en mede als procuratie hebbende van Arnoldus Sebastiaensz. van Houwelingen, Janneken Sebastiaensdr. van Houwelingen, voor zichzelf, samen vervangende de kinderen en erfgenamen van Dirck Jacobsz. Poelekint, door hem verwekt bij Catarina Sebastiaensdr. van Houwelingen, voornoemde Sebastiaen van Houwelingen en Theunis Lambertsz. nog als testamentaire voogden van genoemde kinderen, en Gijsbert van Dalen, als door de weesmeesters van Dordrecht gemachtigd zijnde wegens de minderjarige kinderen en descendenten van Willem Aertsz. van Houwelingen, allen fideï-commissionaire erfgenamen van Elisabeth van Beaumont. De comparanten verkopen aan Johan de Widt, ontvanger van de Grafelijkheidstol van Geervliet, een huis in het Steegoversloot, staande tussen het huis van Blasius van Haerlem en dat van Stoffel Jansz. kleermaker.

Kinderen:

a. Wilhelmus, gedoopt NG Woudrichem 10 nov. 1633 (getuigen: Wilhelmus van Winteroy, Janneken van Houlingen)

b. Maria, geboren te Woudrichem naar schatting ca. 1635, volgt XXXI

XXXI. Maria van Winteroy, geboren naar schatting ca. 1635, jonge dochter van Woudrichem (1662), trouwde NG Woudrichem 17 nov.1662 (ondertrouw, attestatie verleend om te Sleeuwijk te trouwen) Bartholomeus van de Graaff, van Woudrichem (1662), vaandrig van de compagnie van kolonel Meteren, gouverneur van Woudrichem

XXXII. Dina van de Graaff, geboren 1667, jonge dochter wonende te Prinsenland (1690), overleden Lexmond 24 aug. 1750, trouwde Hulst 7 april 1690 (ondertrouw) Pieter van Rijssel

XXXIII. Albertina Adriana van Rijssel, gedoopt NG Vianen 10 okt. 1709, jonge dochter wonende te Vianen (1727), overleden Coevorden 1 mei 1772, trouwde NG Vianen 10 febr. 1727 (ondertrouw; 5 mrt. 1727 attestatie gegeven naar Hagesteijn) Gillis van Braam, jongman wonende te Bergen op Zoom (1727)

XXXIV. Petronella van Braam, gedoopt NG Bergen op Zoom 4 juni 1730, overleden Maarheeze 24 april 1787, trouwde Veldhoven 2 jan. 1763 Carel Greve, schoolmeester te Maarheeze

XXXV. Maria Greve (1768-1819), trouwde Utrecht 3 nov. 1795 Hendrik Kropff

XXXVI. Pieternella Kropff (1796-1870), trouwde Herwijnen 30 juli 1819 Andries Liebrecht

XXXVII. Hendrika Liebrecht (1826-1907), trouwde Rossum 3 sept. 1847 Gerrit Jacobus van Soomeren

XXXVIII. Gerrit Jacobus van Soomeren (1868-1951)

XXXIX. Cornelia Gijsberta van Soomeren (1904-1991), trouwde Barend Haksteen

XL. Geertrui Haksteen (1928-2016), trouwde Bastiaan den Haan

XLI. Adrianus Barend (André) den Haan (1954)

Addendum I. De afstamming van Jan II van Avesnes van Karel de Grote (via de graven van Namen)

I. Karel I de Grote (747-814)

II. Lodewijk I de Vrome (778-840)

III. Karel II de Kale (823-877)

IV. Lodewijk II de Stamelaar (846-879), koning van West-Francië 877-879

V. Karel III de Eenvoudige (879-929), koning van West-Francië 898-923

VI. Lodewijk IV van Overzee (920-954), van West-Francië 936-954

VII. Karel van Neder-Lotharingen (953-992)

Het graf van Karel van Neder-Lotharingen in de St. Servaasbasiliek te Maastricht (foto:wikipedia)

VIII. Ermengarde van Neder-Lotharingen (overleden na 1012), trouwde Albert I van Namen

IX. Albert II van Namen (c.1000-1063/1064)

X. Albert III van Namen (c. 1035-1102)

XI. Godfried I van Namen (1068-1139)

XII. Adelheid van Namen (ca. 1115-1169), trouwde Boudewijn IV van Henegouwen (ca. 1110-1171)

Het huwelijk van Boudewijn IV en Adelheid van Namen (foto: wikipedia)

XIII. Boudewijn V (Boudewijn VIII), graaf van Henegouwen en Vlaanderen (c.a 1150-1195)

XIV. Boudewijn IX (Boudewijn I), graaf van Vlaanderen, keizer van Constantinopel (1171-1205)

XV. Margaretha van Vlaanderen (1202-1280), gravin van Vlaanderen, trouwde Burchard van Avesnes

XVI. Jan I van Avesnes (1218-1257), graaf van Henegouwen

XVII. Jan II van Avesnes, graaf van Henegouwen en Holland (1247-1304)

Addendum II. De afstamming van Jan II van Avesnes van Karel de Grote (via de graven van Chiny)

I. Karel de Grote (747-814)

II. Pepijn (773-810), koning van de Lombarden

“Pepijn van Italië, bij geboorte oorspr. Karloman, (april 7738 juli 810) was de tweede zoon van Karel de Grote met zijn vrouw Hildegard (na Karel de Jongere en bastaardzoon Pepijn de Gebochelde). Hij was koning (bestuurder en militair bevelhebber) van Italië binnen het rijk van zijn vader.

In 781 bezocht Karel Italië, officieel als bedevaartganger, maar mede om er orde op zaken te stellen en het land beter onder Karolingisch gezag te brengen. Hij benoemde er op 15 april zijn zoon Karloman (Pepijn) als koning. Hij brak met opzet met de traditie door hem tot koning van Italië te maken en niet van het nog maar net veroverde Lombardije, hoewel Karloman zich wel vestigde in de oude hoofdstad van de Longobarden, Pavia. Deze benoeming maakte deel uit van de politiek van Karel om het bestuur en de militaire organisatie van zijn rijk te decentraliseren, zodat ook tijdens zijn afwezigheid het rijk adequaat kon worden verdedigd. Karloman was bij zijn benoeming 8 jaar oud en zijn taken werden uitgevoerd door belangrijke hovelingen, zoals abt Adelard van Corbie en hertog Erik van Friuli. Na de mislukte opstand van Karlomans halfbroer Pepijn met de Bult in 792, viel die in ongenade. Karloman werd door de paus opnieuw gedoopt met de naam Pepijn.

De belangrijkste gebeurtenissen tijdens het bewind van Pepijn:

  • 791 veldtocht tegen de Avaren langs de Drava
  • 793 onderdrukt een opstand van Benevento, een veldtocht tegen Grimoald III, prins van Benevento
  • 795-6 oorlog tegen de Avaren. Met hulp van de Kroatische leider Vojnomir wist hij door te dringen in het gebied tussen Tisa en Donau (nu Hongarije) waar het Avaarse hoofdkwartier, de Ring, gelegen was. Het werd verwoest. Pepijn keerde terug met zoveel goud en zilver dat Einhard beweert dat dit de meest winstgevende onderneming van de Franken ooit was.
  • 797 veldtocht tegen de Slaven aan de oostgrens
  • 799 neemt deel aan de veldtocht tegen de Saksen
  • 800 voert opnieuw een veldtocht tegen Grimoald III van Benevento
  • Verovert Corsica op de Moren
  • 810 onderwerpt Istrië en de steden aan de Dalmatische kust, slaagt er niet in Venetië te veroveren

In 806 verdeelde Karel de Grote zijn rijk onder zijn zoons in de Divisio regnorum om na zijn dood onenigheid onder zijn erfgenamen te voorkomen. Aan het al bestaande gebied van het Italiaanse koninkrijk voegde hij Beieren, Karinthië en de helft van Alemannië toe. Vreemd genoeg werd er niet gezegd wat er met de keizerstitel ging gebeuren, mogelijk omdat er daarover met Byzantium nog steeds onenigheid was. Het zou echter allemaal anders lopen.

Pepijn stierf voortijdig in 810, na een ziekte (vermoedelijk malaria). Met instemming van Karel de Grote volgde diens bastaardzoon Bernhard hem op als koning van Italië. Ook Pepijns oudere broer, Karel, stierf voortijdig. De keizer maakte daarom zijn derde wettige zoon Lodewijk tot zijn enige erfgenaam, met inbegrip van de keizerstitel. De bedoeling was dat Bernhard van Italië -die dus als opvolger voor de keizerstitel gepasseerd werd- zijn oom net zo trouw zou dienen als Pepijn zijn vader gediend had, maar dat bleek al snel een vrome wens.

Mogelijk is Pepijn twee huwelijken aangegaan. Een eerste echtgenote zou Bertha van Toulouse zijn, mogelijk een dochter van Willem van Gellone. Een tweede partner was mogelijk Chrothais, via vader Bernhard een kleindochter van Karel Martel. Wel had hij (onwettige?) kinderen.” (wikipedia)

III. Bernard (bastaard) (797-818), koning van de Lombarden

Bernhard (79717 april 818) was een onwettige zoon van koning Pepijn van Italië en volgde zijn vader op als koning van Italië in 810. Bernhard werd op de leeftijd van ongeveer dertien jaar wees, toen zijn vader Pepijn in 810 stierf aan een ziekte, opgelopen bij het beleg van Venetië. Bernhard werd hierna opgevoed in de abdij van Fulda. In 812 werd hij meerderjarig en werd hij benoemd tot gouverneur van Italië, begeleid door abt Adelhard van Corbie, adviseur en neef van de Frankische keizer Karel de Grote. Een jaar later werd hij in Aken tot koning van Italië gekroond, als opvolger van zijn vader – wat bijzonder is omdat hij een onwettige zoon was. Hieruit bleek dat hij door zijn grootvader Karel De Grote zeer gewaardeerd werd. In de eerste jaren van zijn bestuur was hij een trouwe vazal van Karel de Grote en diens opvolger keizer Lodewijk de Vrome. In 815 onderzocht hij de moorden in een conflict tussen paus Leo III en diens tegenstanders uit adellijke Romeinse families. Toen hij in de zomer van 816 opnieuw in Aken was, kreeg hij de opdracht om de nieuwe paus Stephan IV bij diens reis naar keizer Lodewijk te begeleiden.

In 817 stelde Lodewijk de Vrome de Ordinatio Imperii op, een document dat de troonopvolging in het rijk moest regelen. Bernhard werd bij het opstellen daarvan niet geraadpleegd. Eigenlijk was zijn machtspositie hinderlijk voor Lodewijks drie zonen. Bernhard vreesde dat hij zijn positie zou verliezen. Daarop werden er aan zijn hof plannen gemaakt voor het uitroepen van een onafhankelijk koninkrijk. Bernhard bezette met zijn troepen de belangrijkste passen van de westelijke Alpen, zonder dat hij de bedoeling leek te hebben om de keizer aan te vallen. Het ging hier eerder om een defensieve actie, omdat Bernhard er zich goed van bewust was dat zijn leger militair niet opgewassen was tegen dat van de keizer. Lodewijk de Vrome mobiliseerde alle dienstplichtige mannen en trok met een leger naar Chalon-sur-Saône. Bernhard begreep dat zijn positie onhoudbaar was, zeker toen enkele van zijn aanhangers hem verlieten. Bernhard kreeg bericht dat Lodewijk hem wilde begenadigen. Bernhard ging naar Lodewijk in Chalon en daar bleek dat hij geen keuze had dan zich met zijn aanhangers over te geven.

In 818 werd Bernhard te Aken ter dood veroordeeld maar de straf werd verzacht tot het uitsteken van de ogen (met een roodgloeiend mes). Twee dagen na de straf bezweek Bernhard alsnog na een ondragelijk lijden. De aanhangers van Bernhard verloren allen hun bezittingen en titels, de leken werden de ogen uitgestoken en de geestelijken werden opgesloten. Sommigen, onder meer de gerespecteerde bisschop Theodulf van Orléans, stierven daarna verdacht snel. Lodewijk was daarna bevreesd voor nieuwe opstanden en dwong zijn nog steeds trouwe halfbroers om in het klooster te treden.

Lodewijk de Vrome (links) laat Bernhard van Italië (rechts) de ogen uitsteken en dwingt een bisschop (midden) in het klooster te gaan
Lodewijk de Vrome (links) laat Bernhard van Italië (rechts) de ogen uitsteken en dwingt een bisschop (midden) in het klooster te gaan

Lodewijk werd gekweld door wroeging over de dood van Bernhard en Theodulf. Zijn gedrag in de nasleep van deze crisis, inclusief een publieke schuldbelijdenis, deed ernstige afbreuk aan zijn prestige als vorst.

Bernhard was getrouwd met Kunigonde van Laon. Zij stichtte het nonnenklooster van San Allessandro in Parma. Volgens sommige bronnen zou ze de dochter zijn van Heribert van Orange, zoon van Willem van Gellonne, maar deze theorie is alleen gebaseerd op de prominente, en anders moeilijk te verklaren, plaats van de naam Heribert onder de graven van Vermandois, de afstammelingen van hun zoon.” (wikipedia)

IV. Pepijn (ca. 818- na 850), graaf van Vermandois

“Pepijn van Vermandois (ca. 818 – na 850) was een zoon van Bernard van Italië en van Cunigonde. Hij is de eerste van de graven van de Vermandois die twee eeuwen lang tot de belangrijkste feodale vorsten van Frankrijk hoorden.

In 834 bevrijdde hij samen met andere Italiaanse edelen keizerin Judith van Beieren uit het klooster van Cortona waar ze was opgesloten door haar opstandige stiefzoons en bracht haar naar Lodewijk de Vrome in Aken. Als beloning werd hij in 836 benoemd tot graaf van St. Quentin, Senlis en Peronne. Net als veel andere getrouwen van Lodewijk de Vrome steunde hij na diens dood in 840 zijn jongste zoon Karel de Kale maar toen Lotharius I optrok naar Parijs koos Pepijn diens kant. Na het verdrag van Verdun werd hij blijkbaar weer zonder problemen vazal van Karel en behield zijn functies.

Pepijn was getrouwd met een onbekende vrouw. Op grond van het gegeven dat zijn kinderen goederen in de Vexin erfden wordt verondersteld dat zij dochter was van een edelman Theoderic uit de Vexin, die achterkleinzoon was van Childebrand. Theoderics vader en grootvader heetten beiden Nibelung.” (wikipedia)

V. Herbert I (850-900/907), graaf van Vermandois

VI. Herbert II (880-943), graaf van Vermandois

VII. Albert I de Vrome (ca. 931-987), graaf van Vermandois

VIII. Otto I van Chiny (ca. 955-987)

IX. Lodewijk I (overleden 1025), graaf van Chiny en Verdun

X. Lodewijk II (overleden ca. 1066), graaf van Chiny

XI. Arnold I (ca. 1045-1106), graaf van Chiny

XII. Otto II (ca. 1065-1131), graaf van Chiny

XIII. Ida van Chiny (overleden 1117), trouwde 1099 Godfried I met de Baard, graaf van Leuven

XIV. Godfried II (ca. 1105-1142),  landgraaf van Brabant en hertog van Neder-Lotharingen

XV. Godfried III (ca. 1140-1190), graaf van Leuven en hertog van Neder-Lotharingen

XVI. Hendrik I (ca. 1165-1235), hertog van Brabant en Nederland-Lotharingen

XVII. Mathilde van Brabant (ca. 1200-1267), trouwde in 1227 met Floris IV van Holland

XVIII. Aleid van Holland (1228-1284), trouwde Jan I van Avesnes

XIX. Jan II van Avesnes (ca. 1247-1304), graaf van Henegouwen en Holland

Addendum III. De afstamming van Jan II van Avesnes van Karel de Grote via Lodewijk VI van Frankrijk (Gens Nostra 1991, p.479)

I.. Karel de Grote (747-814)

II. Pepijn (773-810), koning van de Lombarden

III. Bernard (bastaard) (797-818), koning van de Lombarden

IV. Pepijn (ca. 818- na 850), graaf van Vermandois

V. Herbert I (850-900/907), graaf van Vermandois

VI. Herbert II (880-943), graaf van Vermandois

VII. Robert (ca. 915- overleden na 19 juni 966), graaf van Méaux en Troyes

VIII. Adelheid van Troyes, (overleden 974), trouwde Godfried  Grisgonelle overleden 21 juli 987, graaf van Anjou

IX. Irmgard van Anjou, trouwde ca. 970 Conan le Tort, graaf van Rennes, gesneuveld 27 juni 992

X. Judith van Rennes, (ca. 982-1017), trouwde Richard II van Normandië, overleden 23 aug. 1026

XI. Adelheid (Judith) van Normandië, overleden na 1037, trouwde Reinoud, graaf van Bourgondië, overleden 3/4 sept. 1057

XII. Willem de Grote (1017/1018- 1087), graaf van Bourgondië

XIII. Gisela van Bourgondië (ca. 1070-na 1110), trouwde Humbert II, graaf van Savoye, overleden 18 sept. 1103

XIV. Adelheid van Savoye, (ca. 1100-1154), trouwde Lodewijk VI de Dikke, koning van Frankrijk, overleden 1 aug. 1137

XV. Lodewijk VII de Vrome (ca. 1120-1180)

XVI. Maria van Frankrijk (1138-1198), Hendrik I le Liberal, graaf van Champagne, overleden 11 mrt. 1181

XVII. Maria van Champagne, (ca. 1174-1204), trouwde Boudewijn, graaf van Vlaanderen, Henegouwen en Namen  keizer van Contantinopel (Latijnse Keizerrijk), overleden na 20 juli 1205 in gevangenschap

XVIII. Margaretha van Vlaanderen (Constantinopel) (1202-1280), trouwde 1e Burchard van Avesnes, onthoofd in 1244

XIX. Jan I van Avesnes (1218-1257), graaf van Henegouwen, trouwde Aleid van Holland

XX. Jan II van Avesnes (1247-1304), graaf van Henegouwen,Holland en Zeeland

Addendum IV. De afstamming van Mathilde van Boulogne van Fergus Mor, koning van Dalriada (West-Schotland en County Antrim in Ierland)

I. Fergus Mor, (430-501), stichtte volgens de overlevering in 498 het koninkrijk Dalriada

II. Domangart Reti, overleden in ca.  507, koning van Dalriada

III. Gabran, leefde in het midden van de 6de eeuw AD, koning van Dalriada

IV. Aedan, overleden ca. 609, koning van Dalriada

V. Eochaid Buide, koning van Dalriada ca. 609-629

VI. Domnall Brecc, koning van Dalriada 629-642

VII. Domangart, overleden 673, koning van Dalriada

VIII. Eochaid, overleden 697, koning van Dalriada

IX. Eochaid, koning van Dalriada 726-733

X. Aed Find, koning van Dalriada ca. 733-778

XI. Eochaid, koning van Dalriada begin 9de eeuw AD

XII. Alpin, overleden 834, koning van Dalriada

XIII. Kenneth I MacAlpin (810-858), koning van Dalriada en koning van de Picten

XIV. Constantijn I, overleden 877, koning van de Picten 862-877

XV. Donald II, overleden 900, koning van de Picten/van Alba

XVI. Malcolm I (897-954), koning van Alba

XVII. Kenneth II (932-995), koning van Alba (Schotland)

XVIII. Malcolm II (954-1034) koning van Alba (Schotland)

XIX. Bethoc, trouwde ca. 1000 Crinan, lekenabt van Dunkeld

XX. Duncan I (ca. 1001-1040), koning van Alba (Schotland)

XXI. Malcolm III Canmore (ca. 1031-1093), koning van Alba (Schotland) 1058-1093

XXII. Marie van Schotland (1082-1116), trouwde Eustace III, graaf van Boulogne

XXIII. Mathilda van Boulogne (ca. 1105-1152), trouwde Stephanus van Blois, koning van Engeland

Addendum V. Afstamming van A.B. den Haan van Karel de Grote via de heren van Cysoign

I. Karel de Grote (747-814)

II. Pepijn (773-810), koning van de Lombarden

III. Bernard (bastaard) (797-818), koning van de Lombarden

IV. Pepijn (ca. 818- na 850), graaf van Vermandois

V. Herbert I (850-vermoord 6 nov. 902), graaf van Vermandois en Soissons

“Herbert I van Vermandois (ca. 850 – 6 november 902), ook Heribert, was via zijn vader Pepijn van Vermandois en zijn grootvader Bernhard van Italië (die een onecht kind was), een directe afstammeling in mannelijke lijn van de Karolinger Karel de Grote. Door een succesvol bestuur en een handige politiek in de strijd rond de koningstitel van West-Francië werd Herbert een van de machtigste edelen in het noorden van Frankrijk.

In 886 versloeg Herbert de Vikingen bij Parijs en werd hij graaf van Soissons en lekenabt van Saint-Crépin in Soissons. In 888 werd hij graaf van Meaux en Madrie, en gaf leiding aan de verdediging van de Seine en de Oise tegen de Vikingen. Hij was, samen met aartsbisschop Fulco van Reims en zijn broer Peppijn, een van de leiders van de karolingische oppositie tegen de nieuwe koning Odo van Parijs, die in 888-898 de eerste Capetinger op de Franse troon was. In deze periode herbouwde Herbert het kasteel van Château-Thierry. Op 28 januari 893, de verjaardag van het overlijden van Karel de Grote, kroonden Herbert, Peppijn en Fulco, Karel III de Eenvoudige tot Karolingische tegenkoning. Odo wist echter gaandeweg de aanhangers van Karel voor zich te winnen, en Herbert moest in 895 naar Bourgondiëvluchten. Het volgende jaar verzoende Herbert zich met Odo en kreeg daarbij het graafschap Vermandois toegewezen. De verzoening werd bezegeld door het huwelijk van hun kinderen. Daarop werd de Vermandois echter veroverd door Rudolf van Kamerijk, broer van Boudewijn II van Vlaanderen, die meende zelf recht op het graafschap te hebben. Herbert wist hem echter te verslaan en doodde daarbij Rudolf op 28 juni 896. Vervolgens breidde Herbert zijn gezag uit en werd heer van Beauvais, Vexin, Chartres en Senlis, en lekenabt van St. Medardus te Soissons, Péronne en Saint Quentin. In 900 viel Boudewijn II van Vlaanderen Herbert nog een keer aan, maar zonder succes. Het lukte Boudewijn later wel om Herbert en aartsbisschop Fulco van Reims samen te laten vermoorden op 6 november 902.

Herbert was vermoedelijk gehuwd met Bertha van Morvois (862-907)” (wikipedia)

VI. Cunegonda (?) van Vermandois, trouwde ca. 915 Udo van Wetterau

Udo van de Wetterau (ca. 895 – 2 december 949) was een prominente Duitse edelman uit de tiende eeuw. Hij was een zoon van Gebhard van Lotharingen.

In 914 werd Udo benoemd tot graaf van de Wetterau en stichtte een Mariakerk in Wetzlar. De Wetterau was een van de graafschappen van zijn vader Gebhard van Franconië geweest en Udo verwierf ook nog twee andere graafschappen die van hem waren geweest: de Rijngouw in 917 en de Lahngouw in 918.

Udo is vooral bekend door de slag bij Andernach op 2 oktober 939. De opstandige hertogen Giselbert II van Maasgouw en Everhard III van Franken hadden de graafschappen van Udo en zijn neef Koenraad (graaf van de Neder-Lahngouw) ten oosten van de Rijngeplunderd. Hun strijdmacht was zo groot dat Udo en Koenraad hen niet konden weerstaan. Maar toen de opstandelingen bij Andernach de Rijn weer overstaken om terug te keren naar Lotharingen hadden Udo en Koenraad een kans. Giselbert en Everhard waren nog bij hun achterhoede op de oostelijke oever toen het grootste deel van hun leger de oversteek al had gemaakt. Op dat moment vielen Udo en Koenraad aan en versloegen de troepen die nog achtergebleven waren. Everhard werd daarbij gedood en Giselbert verdronk toen hij over de Rijn probeerde te vluchten. De opstand was hiermee gebroken en koning Otto I de Grote kon eenvoudig zijn gezag herstellen. Udo werd hierdoor een gunsteling van Otto: bij de dood van Koenraad (949) werd hij ook benoemd tot graaf van de Neder-Lahngouw en Udo kreeg van Otto het recht om zijn graafschappen en andere lenen naar eigen goeddunken onder zijn zonen te verdelen.

Udo trouwde met een dochter van Herbert I van Vermandois, die vermoedelijk Cunigonde heette.” (wikipedia)

VII. Heribert van Wetterau, graaf in Kinziggau, geboren ca. 915, overleden ca. 992

“Herbert van de Wetterau (ca. 930 – 992), was zoon van Udo van de Wetterau en een dochter (vermoedelijk heette ze Kunigunde) van Herbert I van Vermandois en Bertha van Morvois. Herbert was een belangrijk edelman in Centraal-Duitsland en leider van de Konradijnen.

Na de dood van zijn vader Udo van de Wetterau in 949 werd Herbert graaf van de Kinziggau, de Engersgouw, en de Wetterau. Ook erfde hij de burcht Gleiberg, hoog op een basaltrots in het huidige Gießen (district). In 976 kreeg Herbert de grafelijke rechten voor de Gleiberg en omgeving: het graafschap Gleiberg. Herbert verwierf ook de titel van paltsgraaf. In 981 volgde hij keizer Otto II naar Italië en nam in 982 deel aan de rampzalig verlopen slag bij Crotone tegen de Saracenen.

Hij trouwde met Irmtrud van Avalgau (957 – 1020), dochter van Megingoz en Gerberga (dochter van Godfried, paltsgraaf van Lotharingen en Ermentrudis, dochter van Karel de Eenvoudige en achterkleindochter van Otto I van Saksen, de man die de basis legde voor de macht van de Ottonen).” (wikipedia)

VIII. Irmentrud van Wetterau (van Gleiberg), overleden ca. 1020, trouwde Frederik, graaf van Luxemburg, graaf in de Moezelgouw, voogd van Stavelot

Irmentrude van de Wetterau (ook: Irmtrud; ca. 972; gestorven voor 1015) was de dochter van graaf Herbert van de Wetterau en Kinziggau uit het geslacht van de Konradijnen en diens vrouw Irmentrude, dochter van graaf Megingoz. Zij was de erfgename van het graafschap Gleiberg en werd de stammoeder van het eerste, Luxemburgse grafelijke huis van Gleiberg, dat eind 11e eeuw in de mannelijke lijn uitstierf.” (wikipedia)

“Frederik van Luxemburg (ca. 9656 oktober 1019), was graaf van de Moezelgouw, voogd van de dubbelabdij Stavelot-Malmedyen de abdij van Sint-Maximinius te Trier terwijl zijn oudste broer, Hendrik I, graaf was van Luxemburg. Frederik was de tweede zoon van graaf Siegfried van Luxemburg en Hedwig van Nordgau.

Sinds het begin van de elfde eeuw had hij het Karolingische domein Baelen-sur-Vesdre in handen. Hier zou zijn zoon, eveneens Frederik genaamd rond 1030 een versterking bouwen in de vorm van een mottekasteel .[1] In 1008 kwam Frederik in opstand tegen zijn zwager, keizer Hendrik II, en zat daarom van 1011-12 gevangen, maar verzoende zich later met hem.

Na zijn dood ging de Moezelgouw op in het graafschap Luxemburg. Het voogdschap van de dubbelabdij Stavelot-Malmedy ging over op zijn zoon Frederik.

Frederik trouwde rond 985 met Irmentrude van de Wetterau (ca. 967 – ca. 1020), erfgename van het kasteel Gleiberg (in de huidige gemeente Wettenberg). Zij was dochter van Herbert van de Wetterau en Irmtrud van Avalgau (957 – 1020).” (wikipedia)

IX. Gisela van Luxemburg, trouwde Radulf van Aalst (Radulf van Gent)

X. Boudewijn I van Aalst, heer van Aalst, Waas, Drongen en Ruiselede, overleden 23 of 24 april 1082

“Boudewijn I van Gent (ca. 1030 – 24 april 1082) was een Vlaams edelman, de eerste die zich “heer van Aalst” noemde.

Boudewijn was een zoon van Rudolf van Gent (ca. 995 – 1052/1056) en van Gisela (ca. 1005 – na 1058), dochter van Frederik van Luxemburg. Boudewijn I noemde zichzelf ook “Gandensis” omdat hij voogd was van de Sint-Pietersabdij van Gent. Hij was ook heer van Waas, Drongen en Ruiselede, bezittingen die hij als een schenking van Robrecht I de Fries, graaf van Vlaanderen, had verkregen.

Boudewijn I stierf in april 1082. Zijn broer Gilbert trok met Willem de Veroveraar mee naar Engeland en ontving voor zijn diensten de heerlijkheid Folkingham.

Boudewijn was getrouwd met Oda, die na zijn dood in het klooster trad en nog in 1096 werd vermeld als non.” (wikipedia)

XI. NN van Aalst, trouwde Ingelbrecht IV van Petegem en Cysoing, neemt deel aan de Eerste Kruistocht (1095-1099), overleden na 1135

XII. Jan I van Petegem en Cysoing, overleden voor 1154

XIII. Jan II van Cysoing, ridder (1182), heer van Petegem en Cysoing (1197), overleden na 1220

XIV. Jan III van Cysoing, heer van Cysoing en Petegem, geboren ca. 1190, overleden na 1240

XV. Catharina van Cysoing, trouwde Hendrik van Voorne, burggraaf van Zeeland

“Hendrik van Voorne (ca. 1200 – 13 maart 1259) was heer van Voorne en burggraaf van Zeeland.

Hendrik werd vanaf 1220 genoemd in aktes van zijn vader Dirk II van Zeeland Van Voorne. In 1228 volgde hij zijn vader op. In 1229 gaf Hendrik een vergunning voor zoutwinning aan de abdij Ter Doest. Hij werd in 1235 vermeld als leenheer van Nicolaas I van Putten. Hendrik ontwikkelde zich tot een belangrijke hoveling van Willem II van Holland. Hendrik wordt vermeld als getuige in een aantal aktes van Willem en deed zelf enkele schenkingen (onder andere aan de Duitse Orde). Rond 1250 kocht hij van Willem gronden ten noorden en oosten van Rotterdam en gaf die uit aan leenmannen. In 1254 bevestigde hij de leenrechten van zijn broer Hugo, heer van Heenvliet.

Hendrik trouwde in 1231 met Catharina van Cysoing (ca. 1210 – 1260)” (wikipedia)

XVI. Hildegonde van Voorne, overleden 5 april 1302, begraven in de Brederodekapel van de Engelmunduskerk te Velsen, trouwde 1e Costijn van Renesse, 2 Willem van Brederode

Gezichtsreconstructie van Hillegonda van Voorne (Huis van Hilde te Castricum)

“Willem van Brederode (Santpoort, 1226/30 – Velsen, 3 juni 1285) was heer van Brederode, hij stamt af van de heren van Teylingen, die verwant waren aan de graven van Holland.

Hij was een zoon van Dirk I van Brederode en Alvaradis van Heusden. Willem werd pas in 1244 als heer van Brederode erkend, mede omdat hij in voorgaande jaren nog minderjarig was. Van Brederode trok in 1248/49 met Willem II van Holland mee op veldtocht tegen de opstandelingen boven de Rijn in het Ruhrgebied, in 1256 herhaalde hij dit tegen de West-Friezen. Hij werd in 1255 tot ridder geslagen en in 1269 benoemd tot baljuw van Kennemerland. In 1272 zegde hij militaire bijstand toe aan gravin Aleid van Holland. Op 25 juni 1282 werd hij beleend met de gerechten van Goudriaan, Hardinxveld, Papendrecht, Peursum en Slingeland.

In de tweede helft van de 13e eeuw stichtte hij Kasteel Brederode bij Santpoort-Zuid door de bouw van een woontoren. De naam Brederode verwijst naar een stuk bosgrond (Brede Roede) dat gerooid werd, waarop het kasteel is gebouwd. Het kasteel vormde onderdeel van de hoge heerlijkheid Brederode, waarmee de heren van Brederode in de 13e eeuw door de graaf van Holland waren beleend. Na zijn dood liet zijn zoon Dirk II van Brederode een vierkant kasteel liet optrekken.

Willem werd na zijn dood begraven in de Brederodekapel van de Engelmunduskerk te Velsen.

Willem huwde in 1254 met Hillegonda van Voorne, uit het huwelijk kwamen zeven kinderen voort.

De provincie Noord-Holland heeft driedimensionale gezichtsreconstructies laten maken van het Middeleeuwse ridderechtpaar Willem I en Hillegonda van Brederode. De skeletten van het echtpaar kwamen in het beheer van de provincie, nadat ze in 1967 aan de noordzijde van de Engelmunduskerk in Oud Velsen buiten de kerk werden opgegraven. De reconstructies zijn gemaakt door fysisch antropoloog Maja d’Hollosy. Willem ziet er beduidend jonger uit dan zijn echtgenote. De reden was dat hij al op 59-jarige leeftijd stierf, in 1285, terwijl Hillegonda 17 jaar later overleed, ze was toen 72. … Anno 2015 bevinden de reconstructies zich in Huis van Hilde.” (wikipedia)

Ex 2:

XVII. Dirk van Brederode “de goede”, heer van Brederode (1285), baljuw van Kennemerland (1288), overleed op 16 dec. 1318 op de terugweg van een pelgrimstocht naar het Heilige Land, begraven in de Dominicanerkerk te Reims

Dirk van Brederode (± 1256 Santpoort16 december 1318 te Reims, overleden op de terugweg uit Palestina), bijgenaamd De Goede, was heer van Brederode (1285), baljuw van Kennemerland (1288) en ridder (1290). Hij ligt begraven in de Dominicanenkerk te Reims. Hij was een zoon van Willem I van Brederode en Hildegonde van Voorne.

Dirk werd voor het eerst vermeld in een oorkonde als ‘ridder Dirk’ in oktober 1268, hij was getuige en mede-zegelaar van Floris V van Holland in Brugge. Hij nam in 1272 deel aan zijn eerste veldtocht tegen de West-Friezen. Deze tocht verliep slecht en werd beëindigd met een veldslag bij Heilo op 20 augustus 1272. In 1282 volgde de tweede Friese veldtocht van Dirk II. Hierbij werd het stoffelijk overschot van Willem II van Holland, de vader van Floris V, teruggevonden in Hoogwoud, waarna deze veldtocht succesvol werd afgesloten.

Hij nam weer deel aan zijn derde veroveringstocht van West-Friesland in 1287 onder leiding van Floris V van Holland door middel van een vloot invasieschepen. Hierbij speelde hij een grotere rol en droeg hij de titel ‘Admiraal van Holland’. Door een hevige storm, gevolgd door een vloed in december 1287, werden grote delen van West-Friesland overstroomd. Mede door een list wisten Dirk en zijn mannen met hun schepen de opstandige Friezen te onderwerpen. In hetzelfde jaar trok hij voor Floris V met een leger naar Utrecht om de heren van Amstel en van Woerden gevangen te nemen.

In april 1304 maakte Dirk II deel uit van de ridders die zich succesvol tegen de indringende Vlamingen verzetten. In augustus 1315 maakte hij deel uit van een veldtocht in Vlaanderen. Na een bedevaart werd Dirk II door een ziekte getroffen en hij stierf op de terugweg naar huis in Reims op 16 december 1318.

In de tweede helft van de 13e eeuw stichtte zijn vader Kasteel Brederode bij Santpoort-Zuid door de bouw van een woontoren. Dirk liet de toren rond 1300 afbreken en een vierkant kasteel bouwen, wat in die tijd in Holland een ongebruikelijke bouwstijl was. Aleid van Holland en Avesnes liet enige decennia eerder bij Schiedam een vierkant kasteel bouwen naar Frans voorbeeld. De naam Brederode verwijst naar een stuk bosgrond (Brede Roede) dat gerooid werd, waarop het kasteel is gebouwd. Het kasteel vormde onderdeel van de hoge heerlijkheid Brederode, waarmee de heren van Brederode in de 13e eeuw door de graaf van Holland waren beleend.

Dirk trouwde rond 1290 met Maria van der Lecke, (ovl. op 1 april 1307), dochter van Hendrik II, heer van de Leck en Jutte van Borsele. Dirk II kreeg minstens vier kinderen met Maria van der Lecke” (wikipedia)

XVIII. Catharina van Brederode, overleden 28 juni 1372, begraven in Monster, trouwde Jan I van Polanen

Jan I van Polanen (Wassenaar, 01 september 1282 – Monster, 26 september 1342) was vanaf 1326 pandheer van de Lek en vanaf 1339 pandheer van Breda. Hij is de stamvader van de zijtak-Polanen uit het huis Wassenaer. Hij woonde op het stamhuis Polanen bij Monster (Zuid-Holland). (en een van de rijkste mensen in het Europa van die tijd)

Hij was de zoon van Filips van Duivenvoorde. Misschien ten onrechte wordt als zijn moeder vaak opgegeven Elisabeth, vrouwe van Vianen, Elisabeth (Liesbeth) van Beusinchem – Vianen, geboren 17 maart 1250, overleden 21 oktober 1330, Gravin van Strijen en vrouwe van Polanen (1295-1307). Ze trouwde in 1290 in Leiden.

Jan I van Polanen was een halfbroer van Filips’ buitenechtelijke zoon Willem van Duivenvoorde. Jan wordt voor het eerst vermeld in een bron uit 1305.

Tussen 1307 en 1309 erfde Jan van Polanen van zijn vader het huis en goed te Polanen (Monster). Hij wist zijn bezit in het Westland uit te breiden met een molen te Monster (1311), met tienden aldaar (1322), en met tienden onder Delft, Maasland en Schipluiden (1324). Ook elders had hij bezittingen; zo verkreeg hij van Wouter van Haarlem het Broek te Zoeterwoude (tegenwoordig polderpark Cronesteyn bij Leiden).

In 1328 was hij aanwezig bij de Slag bij Kassel onder de graaf van Vlaanderen (Lodewijk II van Nevers). In het jaar erop (in maart 1329) werd hij tot ridder geslagen.

Na het overlijden van zijn rijke halfbroer Willem van Duivenvoorde, erfde Jan I zijn burcht te Geertruidenberg.

Hij werd in 1331 tot baljuw van Woerden benoemd, in 1331 en 1336 baljuw van Rijnland, en in 1339 baljuw van Kennemerland en West-Friesland.

Samen met zijn zoon Jan II van Polanen (13241378) pandde Jan I vanaf 9 december 1339 van hertog Jan III van Brabant de heerlijkheid Breda, waarvan zijn halfbroer Willem het vruchtgebruik kreeg. Zijn zoon Jan II van Polanen kocht de heerlijkheid Breda in 1353 en liet er het kasteel van Breda bouwen. Jan II van Polanen gaf ook opdracht om een muur op te trekken rond Breda om de stad te beschermen tegen aanvallers.

Jan I van Polanen overleed in 1342 en werd in de Grote Kerk te Breda begraven.

Jan I van Polanen huwde in 1322 met Catharina van Brederode (ovl. 1372), dochter van Dirk II van Brederode (ovl. 1318)” (wikipedia)

XIX. Maria van Polanen, overleden na 21 mrt. 1384, trouwde 16 mei 1346 (dispensatie) Gerrit van Heemstede

“Gerard van Heemstede (1320 – 1375) was heer van Heemstede, Bennebroek, Berkelrode, De Lier, Teylingen en raadslid, houtvester, schat & zegelbewaarder van de graaf van Holland & Zeeland

Hij was een zoon van Reinoud II van Heemstede en Beatrise. Hij werd op 6 september 1346 officieel beleend met Heemstede door Keizerin Margaretha. In 1347 sticht Gerard een kapel in Heemstede ter herinnering aan graaf Willem IV van Holland, die bij Warns was gesneuveld. Hij is hetzelfde jaar 1347 baljuw van Medemblik. Na de Oorlog van 1350-1352 moest hij vluchten met mede Hoekse edelen. Hij verblijft tot 1355 in het Sticht Utrecht waar hij deels mogelijk op het Ridderhofstad Heemstede verblijft. Hij bouwt in die jaren een schuld op van 100 schilden aan bisschop Jan van Arkel. In 1357 is hij weer in de omgeving van graaf Willem V van Holland en zou hij deze graaf hebben zien aftakelen tot “krankzinnige”.

Vanaf 1358 is Albrecht van Beieren, graaf van Holland & Zeeland, deze geeft Gerard de functie van “Houtvester” en hij is deels belast met het beleg van Delft in 1359 als inrichter van het belegeringskamp en militair materieel. Hij is tussen 1363-63 baljuw van Amstelland en Waterland. Hij is vanaf 1364 heer van Bleiswijk en Bokelsdijk, deze laatste ambacht geeft hij enkele jaren later terug aan de heer van Weena. Van Heemstede stamde af van het vroege riddergeslacht “Van Holy” uit de omgeving Vlaardingen.

Hij trouwt in 1346 in de kerk van Heemstede met Maria van Polanen, dochter van Jan I van Polanen. Maria was in 1345 weduwe geworden van Jan I van Montfoort. Dit huwelijk had echter wel dispensatie nodig van de Paus, omdat Gerards moeder Beatrise verwant zou zijn aan Maria.” (wikipedia)

XX. Machtelt Gerritsdr. van Heemstede, trouwde ridder Dirck Jansz. van Hodenpijl, overleden mei/nov. 1406

Dirk II Janszn van Hodenpyl (ca.1321 – overleden rond 1406) was heer van Rijswijk-Blotinge, Maasland, Rodenrijs en Nieuwkerk aan den Alm en baljuw van Delfsland.

“Hij was een zoon van Jan van Hodenpyl en Aleid van der Made. In 1340 werd Dirk tot ridder geslagen en hij trouwde kort daarna met Machteld van Heemstede, een dochter van Gerrit van Heemstede. In de volgende jaren verkreeg hij de heerlijkheden Maasland en Rodenrijs waar hij tevens een stenen huis liet bouwen onder de naam huize Rodenrise; dit werd bekostigd door Jan I van Brederode. Hij stichtte ook het huis Te Blotinghe wat het stamhuis der Hodenpyls werd. In 1360 werd hij tot rentemeester benoemd voor het noordelijk deel van Holland, dit bleef hij tot zijn dood doen. In 1398 wist Dirk het leven van Albrecht van Beieren te redden tijdens een van de tochten tegen de Friezen”. (wikipedia)

XXI. Hadewij Dircksdr. van Hodenpijl, trouwde IJsbrant Dircksz. van der Woert, overleden in 1462

XXII. Dirck IJsbrantsz. van der Woert, overleden in 1448

XXIII. Sijbrand (IJsbrand) Dircksz. van der Woert, overleden in 1517

XXIV. Machtelt Sijbrantsdr. van der Woert , overleden 11 okt. 1524, trouwde Jacob Kerstantsz. van Vliet

XXV. Kerstant (Cors) Jacobsz. van Vliet, overleden 2 juli 1515

XXVI. Willem Corsse van Vliet, geboren ca. 1505, overleden 22 jan. 1567

XXVII. Neeltgen Willemsdr. van Vliet, overleden 15 sept. 1606,, trouwde Jan Arentsz. Touw van der Burch, geboren ca. 1539, overleden 1596

XXVIII. Jannetje Touw van der Burch, geboren ca. 1570, overleden ca. 1637, trouwde Pouwel Adriaensz. van Dijk van Adrichem

XXIX. Jan Pouwels. Touw van Dijk, gedoopt NG Naaldwijk 14 jan. 1596, begraven Naaldwijk 3 okt. 1658

XXX. Willem Jansz. Touw, (ca. 1650-1705)

XXXI. Cornelis Willemsz. Touw (ca. 1690-1760)

XXXII. Willem Cornelisz. Touw (1718-1747)

XXXIII. Maartje Touw (1748-1807), trouwde Leendert Jansz. Noordermeer

XXXIV. Adriana Noordermeer (1775-1818), trouwde Jacob Stolk

XXXV. Cornelis Stolk (1799-1864)

XXXVI. Jaapje Stolk (1829-1919), trouwde Jacob den Haan

XXXVII. Cornelis den Haan (1856-1936)

XXXVIII. Adrianus den Haan (1899-1996)

XXXIX. Bastiaan den Haan (1921-1999)

XL. Adrianus Barend (André) den Haan (1954)

Addendum VI. De afstamming van Susanna (Rosala) van Italië van Karel de Grote

I. Karel de Grote (747-814)

II. Lodewijk I de Vrome (778-840)

III. Gisela (ca. 821-5 juli 874), trouwde Eberhard, markgraaf van Friuli

IV. Berengarius I van Friuli, koning van Italië (845-7 april 924)

V. Gisela (ca. 880-13 juni 910), trouwde Adalbert van Ivrea

VI. Berengarius II van Ivrea (ca. 900-6 aug. 966)

VII. Susanna (Rosala) (ca. 950-26 jan. 1003), trouwde 1e Arnulf II van Vlaanderen, 2e 989 Robert de Vrome, koning van Frankrijk