Voor oudere generaties van dit geslacht zie M. Balen, Beschryvinge der stad Dordrecht (1677), deel II, p. 1037 e.v.
I. Jacob van Diemen Gijsbertsz., trouwde Klara van de Poel
ORA Dordrecht inv. 1531, akte 342: op 22 dec. 1546 verklaart op verzoek van Claertgen van Diemen Soetgen Wijnantsdr., weduwe van Jan Cornelisz. schipper, oud ongeveer 63 jaar, dat toen wijlen Henricxgen Moermans ziek aan de pest in bed lag, zij erbij geweest is, toen Henricxgen bekende, dat zij Claertgen een zeker bedrag schuldig was, zonder te zeggen hoeveel die schuld bedroeg. Toen Truijchgen, de dochter van Claertgen, gekomen is voor het ziekbed van Henricxgen met een papier, waarop stond hoeveel zij aan Claertgen schuldig was, heeft Henricxgen die schuld bekend.
Kinderen:
a. Vrank van Diemen Jacobsz., priester
b. Geertruijd van Diemen Jacobsdr., trouwde Bartholomeus Mon van Eijssel, schepen van Dordrecht 1552
30 sept. 1560: Screvel Monnesz., voor zichzelf en tevens vervangende zijn moeder, Geertruijt van Diemen Jacobsdr., verleent procuratie aan Pieter van Bree Cornelisz., o.a. om voor hem haring en andere handelswaar te kopen. (ORA Dordrecht inv. 702 (oud), akte 82)
ORA Dordrecht inv. 736, f. 286: op 30 jan. 1582 compareren Bartholomeus Monnen voor zichzelf, Melchior Veris, als van man van Pieterken Monnendr. en Jan Otten, als man van Anneken Monnendr., samen vervangende Joris Cornelisz.van Schiedam, als man van Fransken Monnendr., allen erfgenamen van wijlen Mon van Eijssel Bartholomeusz., schepen van Dordrecht. Zij verlenen procuratie aan hun broer resp. zwager Screvel van Eijssel Monnesz., hun mede-erfgenaam, om te procederen tegen Adriaen Govertsz. Mosienbroeck en Henrick Pietersz. Meerenburg c.s. aangaande zeker land of aanwas, gelegen aan de Dussen.
c. Cornelis van Diemen Jacobsz., geboren ca. 1513, volgt II
d. Aletta (Aeltgen) van Diemen Jacobsdr., geboren ca. 1518, trouwde Adriaan van Bonkelwaard Voppensz.
ORA Dordrecht inv. 1540, akte 932: op 12 mrt. 1564 verklaart op verzoek van Damiaen Adriaensz. Aeltgen Jacobsdr. van Diemen, weduwe van Adriaen Foppensz., 46 jaar oud, poorteres van Dordrecht, dat ongeveer 12 jaar tevoren Adriaen Foppensz. in zijn huis op de Riedijk had staan een tonnetje “met coeperen spannekens”, dat toebehoorde aan Herman van Elten, die in Den Bosch woonde en altijd kwam logeren in het huis van Adriaen Foppensz., welk tonnetje zij, getuige, nog altijd in haar huis op de Nieuwe Haven op zolder heeft staan.
e. Anna van Diemen Jacobsdr.
f. Ermgard van Diemen Jacobsdr.
g. Balten van Diemen Jacobsz.
II. Cornelis van Diemen Jacobsz., geboren ca. 1513, wantsnijder, lakenkoper, burgemeester van ’s heren wege 1578, schepen 1561, 1562, 1565, 1573, raad 1557, 1558, thesaurier 1576, 1577, van Dordrecht, munter op de 6e plaats bij het Serment van de Munt van Holland, hoogheemraad van de polders Oud- en Nieuw Reijerwaard, overleden tussen 1581 en 1589, trouwde Liduwina (Liedewij) Gijsbertsdr. Besemer, overleden na 24 juli 1590, dochter van Gijsbert Besemer Heijndriksz., heemraad van Sandelingenambacht en NN. (Ons Voorgeslacht 2010, p. 301-302)
ORA Dordrecht inv. 1529, akten 161 en 168: op 2 okt. 1543 verklaart Cornelis van Diemen van Jacobsz. schuldig te zijn aan Baeltgen Stevensz., weduwe van Thomas Henricxsz., een somma van 448 gl. wegens de koop van een huis. Borg: Mon Meusz. Het huis staat aan de Landzijde bij de Wijnbrug tussen de St. Janssteiger en het huis van de weduwe van Jacob Cornelisz. Borg voor verkoopster: Cornelis Claesz. van Beveren.
Kinderen (o.a.):
a. Jacob van Diemen Cornelisz., geboren ca. 1542, burgemeester van ’s heren wege 1604, schepen 1603, in Dordrecht, trouwde Margaretha van Beaumont Jansdr., dochter van Jan van Beaumont Govertsz. en Janneken Ooms, brouwster
ORA Dordrecht inv. 1546, akte 47: op 19 aug. 1574 verklaart op verzoek van de dekens van het Lakenkopersgilde te Dordrecht, Jacob van Diemen Cornelisz., 32 jaar oud, dat ongeveer zes weken te voren, toen hij stond in het huis van Cornelis van Diemen, daar gekomen is een huisman, die bij zich had twee ellen wit wollen laken, en gevraagd waar hij dat laken gekocht had, zei “tot een bocxmaecker ende gaende vuijten huijse, wese opten huis van Jan inde Scoppen”. Hij vertelde ook nog, dat hij voor dat laken 12 st. de el gegeven had.
ORA Dordrecht inv. 1547, f. 124: op 29 mei 1576 comp. Adriaen Pietersz. Nan, lid van de Oudraad, als man van Cornelia van Beaumont Jansdr., Govert van Beaumont Jansz., Marijken van Beaumont Jansdr., weduwe van Jan Geritsz., Herber van Beaumont Jansdr., Cornelis Oom van Beaumont Jansz., Reijnsburch van Beaumont Jansdr., weduwe van Adriaen Mol Dircxsz., Philips Paeijman Gijsbertsz., als man van Dircxken van Beaumont Jansdr., Gijsbert van Diemen Cornelisz., als man van Anthonia van Diemen Jansdr., Jacob van Diemen Cornelisdr., als man van Margaretha van Beaumont Jansdr., allen erfgenamen van Joanna Ooms Cornelisdr., weduwe van Jan van Beaumont Govertsz. Zij verklaren, dat zij de goederen, die Janneken Ooms heeft nagelaten, onderling verdeeld hebben.
Kinderen:
a-1. Herbert van Diemen Jacobsz., in Brielle overleden
a-2. Rochia van Diemen Jacobsdr., trouwde Johan Bordels (zie genealogie Bordels op deze website)
a-3. Johanna van Diemen, geboren naar schatting ca. 1580, trouwde NG Dordrecht 29 april 1607 Johan Berck, burgemeester van Dordrecht
ONA Dordrecht inv. 321, geen folionrs.: op 1 aug. 1663 verklaart Johanna van Diemen, weduwe van burgemeester Johan Berck, dat door het overlijden van Cornelis en Jacob van Diemen zij patrones is geworden van twee vicarieën, “gefundeert” in 1474 op het St. Pancrasaltaar in de Grote Kerk, gesticht door Jan Aelbrechtsz. van Egmont, deken van de Grote Kerk, welk altaar “gedoteert” is met verscheidene landerijen in Mijnsheerenland en dat zij de genoemde vicarie “geconfereert” heeft op Johan Hallingh, minderjarige zoon van Johan Hallingh, door hem verwekt bij Margareta Berck.
ONA Dordrecht inv. 176 (geen folionrs.): op 8 juli 1666 testeert Johanna van Diemen, weduwe van mr. Johan Berck, burgemeester van Dordrecht, ziek in bed liggende. Zij bevestigt het testament, dat zij met haar man heeft gemaakt ten overstaan van notaris C. van Bijwaert te Dordrecht op 12 juni 1651, alsmede het codicil, dat zij heeft gemaakt ten overstaan van notaris J. Cop te Dordrecht op 24 mrt. 1656, voor zover niet strijdig met het hierna volgende. Tot erfgenamen benoemt zij de kinderen van haar zoon mr. Dirck Berck, haar dochter Emmerentia Berck, weduwe van Christiaen Snellen, haar dochter Margareta Berck, tegenwoordige echtgenote van Johan Halling, oud-burgemeester van Dordrecht, en de kinderen van haar dochter Erckenraet Berck, weduwe van Johan Repelaer, elke staak voor een vierde part. Zij legateert aan haar dochter Emmerentia Berck haar kleren. Aan haar behoeftige “vrienden” legateert zij haar kleren, die “van weinich importantie” zijn. Zij wenst, dat haar erfgenamen aan de dienstbodes, die tijdens haar overlijden bij haar inwonen, zullen uitkeren zodanige bedragen “als deselve naar discretie sullen goetvinden”. Tot voogden over haar minderjarige erfgenamen benoemt zij haar schoonzoon Johan Hallingh en mr. Adriaen van der Mast, lid van de Oudraad te Dordrecht.
ONA Dordrecht inv. 322, f. 25: inventaris dd 27 april 1667 van de goederen, die zijn nagelaten door Johanna van Diemen, weduwe van Johan Berck, burgemeester van Dordrecht, overleden te Dordrecht, opgemaakt op verzoek van Emmerentia Berck, weduwe van Christiaen Snellen, Margareta Berck, de vrouw van Johan Hallincg, oud-burgemeester van Dordrecht, kinderen van mr. Dirck Berck, lid van de Oudraad van Dordrecht, en de kinderen van Johan Repelaer, als weduwnaar van Erckeraet Berck, allen erfgenamen van Johanna van Diemen, ten overstaan van burgemeester Johan Hallincg en mr. Adriaen van der Mast, als testamentaire voogden over de weeskinderen van mr. Dirck Berck en die van Johan Repelaer en van Johan Snellen
Tot de boedel behoren o.a. de volgende schilderijen:
– de portretten van Dirck Berck van Berckenroode en diens echtgenote
– portret van prins Willem de Oude
– portret van een vaandrig
– een Mariabeeld
– schilderij van Lucretia
– historie uit de “Evidues” [=Ovidius?]
– schilderij van de gevangenis van Jozef en de bakker
– schilderij zijnde naakte beelden
– schilderijtje “sijnde een boerenplaegerij”
– twee portretten van burgemeester Berck en diens vrouw
– schilderijtje zijn de Indus
– dito van een “kortegarde”
– dito van de verkondiging van Christus’ geboorte
– dito van Haswerus [Ahasverus]
– een schilderij voor de schoorsteen in de keuken zijnde “een out antiqiteijt”
– drie landschappen
– een verloren zoon
– schilderij van de kruisiging van Christus
– portret van Matthijs Berck
– twee landschapjes
– een bloempotje
– schilderij van de hel
– portret van prins Maurits
– een schilderij met opzittende hondjes
– predikant Besius
– portret van een vrouw
– twee portretten van grootvader Van Diemen en zijn vrouw
– schilderij zijnde een verschiet
– dito zijnde een historie
– dito zijnde Romeinen
– een schilderij met een dood kind
– schilderij van Susanna
ONA Dordrecht inv. 322, f. 34: op 30 mei 1667 comp. in het sterfhuis van Johanna van Diemen, weduwe van Johan Berck, burgemeester van Dordrecht, ten overstaan van notaris Pieter Muijs te Dordrecht, Johan Berck, voor zichzelf en tevens vervangende Pompeus Berck, zijn broer, Engelbert Kettelaer, als man van Johanna Berck, Johan Snelle, vervangende zijn moeder Emmerentia Berck, oud-burgemeester Johan Halling, als man van Margareta Berck, en dezelfde Johan Halling, samen met Adriaen van der Mast voogd over de minderjarigen, die in deze nalatenschap gerechtigd zijn, samen erfgenamen van Johanna van Diemen. Zij hebben daar geopend zekere vaststaande, verzegelde kisten, waarin bevonden zijn een besloten testament gedateerd 9 jan. 1651, een besloten codicil, gedateerd 24 mrt. 1656, een acte van “revocatie” van voogden onder de hand van Johanna van Diemen en gedateerd 28 dec. 1659, een akte onder de hand als voren dd 14 mrt. 1664, zijnde een acte van taxatie van de woning van de overledene, en een staat van de goederen, die door Johanna van Diemen aan haar kinderen zijn gegeven wegens hun vaderlijke goederen. Deze stukken zijn vervolgens door Johan Halling onder zich genomen, die belooft ze aan betrokkenen ter inzage te zullen geven.
ONA Dordrecht inv. 322, f. 98: op 11 mei 1668 comp. voor een Dordtse notaris mr. Pompeius Berck en Johan Berck, voor zichzelf en tevens vervangende Engelbertus Kettelaer, als man van Johanna Berck, en vervangende dezelfde Johanna Berck en Margareta Berck, hun zwager en zusters, alsmede Johan Snellen, voor zichzelf en tevens vervangende Emmerentia Berck, weduwe van Christiaen Snellen, zijn moeder, en Johan Halling, burgemeester van Dordrecht, als man van Margareta Berck, en mr. Adriaen van der Mast, als voogden over het onmondig kind van Erckenraet Berck, bij haar verwekt door Johan Repelaer, allen erfgenamen van Johan Berck, burgemeester van Dordrecht, en diens vrouw Johanna van Diemen, resp. hun ouders en grootouders. De comparanten verklaren, dat Johan Berck en Johanna van Diemen in zeker besloten codicil hebben bepaald, dat alvorens hun erfgenamen tot hun nalatenschap worden “geadmitteert” zij gehouden zullen zijn de borgen, aan wie de boedel schuldig mag zijn, te ontlasten van hun borgtocht. Door de comparanten is goedgevonden, dat aan Pompeius en Johan Berck of met hun toestemming hun moeder Johanna de Rovre, weduwe van mr. Dirck Berck, door Johan Halling, burgemeester van Dordrecht, als executeur van de boedel, uit de koopsom, die is gekomen uit de verkoop van het huis van Dirck Berck, uitgereikt zal worden een somma van 1500 gl.
ONA Dordrecht inv. 322, f. 189: op 26 april 1669 verlenen Johan Halling, burgemeester van Dordrecht, voor zichzelf en als voogd van Emmerentia Repelaer, Emmerentia Berck, weduwe van Christiaen Snellen, en mr. Pompeius Berck, voor zichzelf en tevens vervangende zijn broer en zusters, allen erfgenamen van Johanna van Diemen, weduwe van burgemeester Johan Berck, procuratie aan Johan Snellen, doctor in de medicijnen, om voor schout en schepenen van Ooltgensplaat te transporteren aan Cornelis Willemsz. de Grijse, “woonende op de Stadt”, de helft van een woning met “timmeragie ende plantagie”, liggende in de Grote Block onder Ooltgensplaat in de 23e kavel, groot 40 gemeten, en de helft in ongeveer 5 gemeten, liggende annex de voornoemde woning.
ORA Dordrecht inv. 1625, f. 99v: op 2 juni 1676 verkopen “Johan Hallincq, Out Borgemr. ende mr. Pompejus Berck, heere Dircxs, Schepenen in Wette deser Stadt Dordrecht als mede Erffgenaemen van wijlen Vrouwe Johanna van Diemen weduwe ende Boedelhouster was van za.r gedachte de heer mr. Johan Berck, in sijn leven mede Borgemeester alhier ter Stede indier qualiteijt voor haer selven ende noch vervangende hun sterckmakende, ende de rato Caverende voorde andre mede Erffgenamen van opgemelte Vrouwe Johanna van Diemen”, voor 2300 gl. aan Arijen Arijens een huis in het Steegoversloot, staande tussen het huis van de erfgenamen van Jacob Stoop en dat van Damas van Slingelant.
ONA Dordrecht inv. 326, f. 278: op 5 juni 1684 comp. voor een Dordtse notaris mr. Herman Hallingh, vroedschap van Dordrecht, zoon van Margarita Berck, die een dochter was van Johanna van Diemen, dochter van Jacob van Diemen, burgemeester van ’s herenwege van Dordrecht, en mr. Petrus Stricken, zoon van Margarita van den Honaert, dochter van Margarita Bordels, dochter van Rochia van Diemen, mede een dochter van voornoemde Jacob van Diemen. Compareert op 15 juni 1684 mede mr. Pompejus Berck, zoon van mr. Dirck Berck, zoon van voornoemde Johanna van Diemen. Zij verklaren, dat tussen hen geschil was ontstaan over een erfmuntersplaats, die laatst eigendom is geweest van Jacob van Diemen, hun overgrootvader. Om verdere processen hierover voor te komen zijn zij onderling overeengekomen, dat de erfmuntersplaats eigendom zal blijven van mr. Herman Hallingh.
Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):
a-3-1. mr. Dirck Berck, trouwde Johanna de Roovere
Kinderen (o.a.):
a-3-1-1. Johanna Berck, geboren 10 april 1639, trouwde 1658 mr. Engelbert Kettler (Kettelaar), raad van vorst Georg-Kristiaan te Oost-Friesland (zie Bale, o.c., p. 942-943)
a-3-2. Jacob, juni 1610
a-3-3. Emmerentia Berck, mrt. 1612, trouwde Christiaan Snellen
a-3-4. Margareta Berck, mei 1614, trouwde Johan Hallingh
a-3-5. Lucretia, jan. 1616
a-3-6. Lidia, april 1619
a-3-7. Erckenraet Berck, febr. 1624, trouwde Johan Repelaer
b. Gijsbert van Diemen, volgt III
c. Petronella van Diemen, trouwde Anthonis Jordensz., huidenvetter
ORA Dordrecht inv. 1568, f. 227: op 8 dec. 1576 stelt Anthonis Jordensz. huidenvetter zich borg voor Cornelis van Diemen, thesaurier van Dordrecht, voor een bedrag van 90 ponden 10 schellingen, waartoe jonkheer Pieter van Roon onlangs is veroordeeld door het Hof van Holland, om dat bedrag aan Pieter van Roon te restitueren, indien bij het definitieve vonnis van het Hof van Holland “sulcx bevonden wert te behoeren”.
ORA Dordrecht inv. 1580, f. 67v: op 5 juni 1597 verkoopt Willem Thomasz., schrijnwerker en burger van Dordrecht, aan Anthonis Jordensz., weduwnaar van Petronella van Diemen Cornelisz., een jaarlijkse losrente van 6 Rijnse gl., verzekerd op een huis in de Weeshuisstraat.
Kind:
c-1. Cornelia Anthonisdr., trouwde 1 mrt. 1605 Herman Oem Jansz.
d. Jonge Jacob van Diemen Cornelisz., geboren ca. 1550, trouwde Maria Jansdr.
e. Anthonia van Diemen Cornelisdr., trouwde Henrik van Slingeland Simonsz.
ORA Dordrecht inv. 1578, f. 167: op 13 febr. 1593 verkoopt Jacob van Diemen Cornelisz., als daaraan toebedeeld zijnde bij overlijden van zijn vader Cornelis van Diemen Jacobsz., aan Johan en Jacques de la Faille ten behoeve van de kinderen van Charles de la Faille, door hem verwekt bij Cecilia Gramaije, een jaarlijkse eeuwige rente van 16 Vlaamse ponden en een rente van 6 Vlaamse ponden. Henrick van Slingelandt Sijmonsz., als man van Anthonette van Diemen Cornelisdr., verkoopt aan idem een rentebrief van 5 Vlaamse ponden.
f. Maria van Diemen Cornelisdr., trouwde Gerit Jansz. de Bruijn van Berendrecht
g. Anthonia van Diemen, OSP, trouwde Henrik van Slingelant Sijmonsz.
III. Gijsbert van Diemen, trouwde Anthonia van Beaumont
Kinderen:
a. Johanna van Diemen, trouwde Niklaas van Haarlem
Dochter:
a-1. Anthonetta van Haarlem, trouwde Michiel de Bruijn van Berendrecht
b. Lidewij van Diemen, trouwde Gijsbert van Haarlem Rochusz., weduwnaar van Dordrecht (1627), trouwde 2e Gerecht Dordrecht (onderscheiden gezindten; de bruid geassisteerd met Alidt van Beverwijck, haar tante) 24/29 jan. 1627 Anna Pannij Pietersdr., weduwe van Dordrecht (1627)
Kinderen (ex 1):
b-1. Cornelia van Haarlem
b-2. Anthonetta van Haarlem, trouwde Arent Dichter
b-3. Rochus van Haarlem
c. Johan van Diemen, volgt IV
d. Clara van Diemen Gijsbrechtsdr., weduwe van Dordrecht (1614), trouwde 1e Cornelis Ariaensz. Vink, 2e NG Dordrecht 30 nov./28 dec. 1614 Cornelis Melsen Koninck, weduwnaar van Dordrecht (1614)
e. Jacob van Diemen, trouwde Maria du Bois
IV. Johan van Diemen Gijsbrechtsz., geboren naar schatting ca. 1585, “van Dordrecht”, commissaris ter recherche te Dordrecht, trouwde 1e NG Dordrecht 8 april 1607 (ondertrouw, door schrijven van Willemstad, bescheid gegeven om te Willemstad te trouwen op 23 april 1607) Agneta Prikkers (Prockers) Jansdr., “van Willemstadt” (1607), 2e Belia Geij, 3e Maria Dannewaert Jansdr.
ORA Dordrecht inv. 1603, f. 18v: op 13 mei 1628 verklaart Johan van Diemen schuldig te zijn aan Gijsbert van Haerlem, burger van Dordrecht, een somma van 600 gl., verbindende zijn huis in de Grotekerksbuurt, staande tussen het huis van mr. Jacob de With en dat van Gijsbert de Jager.
– 9 juni 1651: Damas van Slingelandt Baerthoutsz., geautoriseerd door het Gerecht van Dordrecht tot de verkoop van het huis van Lambert Arijensz. bakker, verkoopt aan Maria van Dannewaert, weduwe van Jan van Diemen, een huis aan het Groothoofd, staande aan de havenzijde, tegenover herberg “de Toelast” en tussen het huis van Thielman Hermans en dat van de erfgenamen van de weduwe van Willem Reijers koekenbakker. Koopster is schuldig aan Daniël Jansz. 900 gl. (ORA 778, f. 40 e.v.)
– 1 sept. 1679: testament van Maria van Dannewaert, weduwe van Johan van Diemen, commissaris ter recherche te Dordrecht. Zij benoemt haar zoon, Johan van Diemen, eveneens commissaris ter recherche te Dordrecht, of bij vooroverlijden zijn wettige nakomelingen, tot erfgenamen van slechts de legitieme portie in haar nalatenschap. Tot erfgenaam van haar overige na te laten goederen benoemt zij Johan Bisbinck, de zoon van haar overleden dochter Maria van Diemen, bij haar verwekt door Barent Bisbinck, of bij vooroverlijden zijn wettige nakomelingen. Als Johan komt te overlijden voor zijn mondigheid of eerder huwelijk, zullen die goederen “devolveren” op de kinderen van de zoon van de testatrice, Johan van Diemen, die tot aan zijn overlijden het vruchtgebruik ervan zal genieten, op voorwaarde, dat zijn zoon, Johan van Diemen de Jonge, uit genoemde goederen als prelegaat een somma van 1000 gl. zal ontvangen, alsmede twee zilveren schalen, een grote en een kleine, en een zilveren schelpschotel. Tot executeurs-testamentair en voogden over haar kleinzoon, Johan Bisbinck, benoemt zij haar zoon, Johan van Diemen, en mr. Herman Hallingh, secretaris van Dordrecht. (ONA Dordrecht inv. 166, f. 422 e.v.)
Kinderen (volgorde onzeker):
a. Johan van Diemen, volgt V
b. Maria van Diemen, trouwde Barent Bisbinck, kunstschilder
Maria van Diemen, jonge dochter van Dordrecht wonende bij het Groothoofd (1654),trouwde NG Dordrecht 13 dec./29 dec. 1654 Barend Bisbink, jongman van Dordrecht wonende bij de Boom (1654), landschapsschilder, trouwde
Bisbinck of “Bispinck” werd geboren na 1622 (het jaar dat zijn ouders trouwden) in Dordrecht. Na 1646 vertrok hij naar Utrecht om leerling te worden van Jan Both. Na zijn terugkeer in Dordrecht trouwde hij in december 1654. Zijn vrouw sterft echter bijna een jaar later (november 1655). Bispinck verhuisde hierna naar Den Haag en Hulst (1657). Na dit jaar zijn geen gegevens meer bekend van hem.” (Wikipedia)
Kind:
b-1. Johan Bisbinck, geboren ca. 1655
V. Johan van Diemen, geboren naar schatting ca. 1630, commies ter recherche te Dordrecht, trouwde NG Dordrecht (ondertrouw) 6 mrt. 1667 Anthonetta van Hees
4 april 1658: Gerrit Jacobsz. van Leent, burger van Dordrecht, verkoopt Abraham Rens, burger van Dordrecht, een huis in de Wijnstraat, genaamd “de Lanscroon”, staande tussen het huis van Evert Reijniersz. Raets schrijnwerker en dat van de kinderen van Willem Reijers. De koper is schuldig aan verkoper een somma van 1400 gl. (ORA Dordrecht inv. 782, f. 93 e.v.)
ORA Dordrecht inv. 1619, f. 69: op 3 nov. 1661 verkoopt Pieterken Jans, weduwe van Abraham Rens, voor 1500 gl. aan Johan van Diemen, commies ter recherche te Dordrecht, een huis in de Wijnstraat, staande tussen het huis van Evert Raets schrijnwerker en dat van de kinderen van Willem Reijers koekenbakker.
ORA Dordrecht inv. 1620, f. 32: op 9 mei 1663 verkoopt Franchois van Bredenhoff, burger van Dordrecht, als procuratie hebbende van Adriana van den Berch, laatst weduwe van Abraham Frans, voor 5300 gl. aan Johan van Diemen, commies ter recherche te Dordrecht, een huis in de Wijnstraat, vanouds genaamd “de Toelast”, waar nu uithangt “het Heerelogement”, met het goudleer, dat zich daarin bevindt, staande tussen het huis van Dionijs van der Poel en dat van de kinderen en erfgenamen van Bartholomeus Damasz.
NG trouwboek Dordrecht 6 mrt. 1667: Johan van Diemen jongman van Dordrecht, wonende aan het Groothoofd en Anthonetta van Hees [Matthijsdr.] jonge dochter van Den Bosch wonende aldaar, per schrijven van Den Bosch, hebben op 21 mrt. 1667 bescheid gekregen om in Den Bosch te mogen trouwen
ORA Dordrecht inv. 795, f. 80v: op 17 febr. 1688 verkoopt Johannes van Wageningen, als voogd van vaderszijde over de kinderen van Johan van Diemen, en procuratie hebbende van Anthonij Eeckhout, commissaris van de kraanslepers te Rotterdam, zijnde samen met Johan Brant, koopman in Den Bosch, voogd over de kinderen van Johan van Diemen, verwekt bij Anthonetta van Hees, volgens procuratie gepasseerd voor notaris J. Duclou te Rotterdam op 31 jan. 1688, voor 1175 gl. aan Anthonij de Vos, schipper en burger van Dordrecht, een huis in de Wijnstraat omtrent het Groothoofd, genaamd “de Croon”, staande tussen de weduwe van Evert Raets en het huis van Herman Celis.
ORA Dordrecht inv. 798, f. 102 e.v.: op 28 april 1694 verkoopt Rageltie de Witt, de vrouw van Reijnier van Amerongen, commies van de Grafelijkheid te Rotterdam, als procuratie hebbende van haar echtgenoot, die door het Gerecht van Dordrecht is aangesteld tot voogd over de kinderen van wijlen Johan van Diemen en Antonetta van Hees, volgens procuratie gepasseerd ten overstaan van notaris J. Brouwer te Gorinchem op 23 april 1694, voor 1360 gl. contant aan Cornelis van Malsen een huis in de Wijnstraat, staande tussen het huis van Adriaen Meijnaert en dat van Jan Claesz. Schattelingh.
(Zie Balen, o.c., p. 1042)
Kinderen (o.a.; allen NG gedoopt in Dordrecht):
a. Jan, 8 okt. 1670
b. Matthijs, 17 dec. 1672
c. Johanna, 28 nov. 1674
d. Maria, 25 jan. 1677
e. Cornelis van Diemen, 3 juni 1680, volgt VI.
VI. Cornelis van Diemen, gedoopt NG Dordrecht 3 juni 1680, jongman van Dordrecht wonende bij de Munt (1712), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 13/27 mrt. 1712 Johanna van Geijn, jonge dochter van Ophemert wonende bij de Visbrug (1712)
ORA Dordrecht inv. 1660, f. 132: op 8 mei 1753 verkoopt Johanna van Geijn, weduwe en universele erfgename van Cornelis van Diemen, voor 1300 gl. aan Pieter de Haan, banketbakker en burger van Dordrecht, een huis op de Voorstraat omtrent de Zeevismarkt, staande tussen het huis van Matthijs Kerper en dat van Frans Tummerman [sic].
Kind:
a. Anthonetta van Diemen, gedoopt NG Dordrecht 27 mei 1713, jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Vismarkt (1735),trouwde Gerecht/NG Dordrecht 15/30 jan. 1735 ( de bruidegom geassisteerd met zijn vader Reijer van Sprangh, de bruid met haar vader Cornelis van Diemen) Jan van Sprangh, jongman van Dordrecht wonende bij het Groothoofd (1735), weduwnaar van Dordrecht wonende bij het Groothoofd (1739), trouwde 2e Gerecht/NG Dordrecht 21 nov./6 dec. 1739 (de bruid geassisteerd met Maria van de Grient, weduwe van Anthonij van de Grient, haar moeder) Magdalena van de Grient, jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Gravenstraat (1739)
ORA Dordrecht inv. 1662, f. 98: op 2 mei 1758 verkoopt Jan van Sprang, burger van Dordrecht, voor 1800 gl. aan Andries Monnai, steenhouwer en burger van Dordrecht, een huis in de Wijnstraat bij het Groothoofd, staande tussen het huis van Jan de Haan en dat van de heer Schombart.