Van Hoogeveen

I. Gerrit Melisz. van Hogeveen, geboren 8 aug. 1524, trouwde Eva Albrechtsdr. van Quackenbosch
Kinderen (o.a.):
a. Adriaen van Hogeveen Geritsz., geboren ca. 1559 te Leiden, volgt II
b. Amelius van Hogeveen, geboren ca. 1569 in Leiden, trouwde Leiden 16 sept. 1605 (ondertrouw) Cornelia de Wit Cornelisdr.
ONA Dordrecht inv. 29, f. 249: op 2 okt. 1625 verleent Cornelia de Witt, weduwe van Amelis van Hoogeveen, ontvanger van de gemene middelen te Leiden, procuratie aan Blasius Nachtegael, koopman te Middelburg, om te transporteren aan mr. Jacob de Wit, schepen in wette van Dordrecht, haar vierde part in een aandeel van 7825 gl. kapitaal in de VOC (kamer Middelburg), dat zij heeft geërfd van haar vader Cornelis Frans Wittensz., burgemeester van Dordrecht.
ONA Dordrecht inv. 31, f. 129: op 7 aug. 1627 verleent Cornelia de Witt, weduwe van Amelis van Hoogeveen, wonende te Dordrecht, procuratie aan Aelbrecht van Hoogeveen, haar neef, wonende in Leiden, om te innen van Annetgen Hermansdr., wonende te Leiden, hetgeen zij haar schuldig mag zijn.
ONA Dordrecht inv. 16, f. 202: op 4 mrt. 1630 benoemt Clementia van Beaumont, weduwe van Arend Maertensz., ambachtsheer van Oost-Barendrecht en Schobbelandsambacht, tot haar erfgename o.a. Cornelia de Wit Cornelisdr., weduwe van Amelius van Hoogeveen.

II. Adriaen van Hogeveen Geritsz., geboren te Leiden naar schatting ca. 1565, van Leiden (1588), brouwer in “het Cruijs” te Dordrecht, trouwde NG Dordrecht2/16 okt. 1588 Elisabeth de Valee Servaesdr., van Dordrecht (1588), dochter van Servaes de Valee en Maria Aertsdr. Hallinck

9 mrt. 1596: Gillis Gillisz., brouwer en burger van Dordrecht, transporteert aan zijn zwager, Adriaen Geeritsz. van Hoogeveen brouwer een “acte van condemnatie” van het Hof van Holland, inhoudende 1108 gl. ten laste van Willem Jansz., biersteker te Amsterdam, en zijn aandeel in twee obligaties, de ene verleden op 16 jan. 1592 door Leenert Pietersz. en Jacob Cornelisz., beiden wonende te Papendrecht, en de andere verleden door Adriaen Foppen c.s. in Papendrecht. (ORA Dordrecht inv. 1580, f. 42)

4 april 1598: Adriaen Geeritsz. van Hoogeveen brouwer verkoopt voor 1750 gl. Jaspar Ariensz. zandman een huis in de Houttuin, staande tussen het huis van Hilleken Geeritsdr. en het huis van de verkoper, verbindende in plaats van waarborg een huis, staande tegenover het verkochte huis tussen het huis van Hendrick Eeckholt en dat van de verkoper. De koper is schuldig aan verkoper een somma van 1250 gl. (ORA Dordrecht inv. 1580, f. 42)

28 mei 1605: Adriaen Gerritsz. van Hoogeveen, brouwer en burger van Dordrecht, verkoopt aan Jacob Florijn, “glaesemaecker” en burger van Dordrecht, een huis in de Wijngaardstraat tussen de Heer Heymansuysstraat en de Mariënbornstraat, staande tussen het erf van Geertgen Servaesdr. en de gang van de brouwerij van verkoper, strekkende van voren van ’s herenstraat tot twee voeten voorbij de pruimenboom, die op het erf staat. Waarborg: Jan Aertsz. Hallinck houtkoper. Koper is schuldig aan verkoper een somma van 1000 gl. Borgen: Gerit Joppensz. en Roeloff Ariensz., burgers van Dordrecht. (ORA Dordrecht inv. 748, f. 60v en 61)

15 april 1613: Adriaen van Hoogeveen, ongeveer 54 jaar oud, Aert Schut, ongeveer 40 jaar oud, Frans Schouttet, ongeveer 28 jaar oud, en Jan Matheusz. Onderwater, ongeveer 33 jaar oud, brouwers in Dordrecht, leggen op verzoek van Jacob Pietersz. Nachtglas en Arent van Buijl, brouwers te Amsterdam, een verklaring af. (ONA Dordrecht inv. 11, f. 56)

18 april 1616: Adriaen van Hoogeveen, brouwer en burger van Dordrecht, verklaart procuratie te hebben van de tante van zijn vrouw, Aertgen Aert Jansdr. Hallinck, in welke hoedanigheid hij heeft ontvangen van Jan Lemmensz., wonende in ‘s-Gravenmoer, een bedrag van 105 gl. 12 st., gekomen van een rente van 6 gl. jaarlijks, verzekerd op een hofstede en het bijbehorende land, gelegen in ‘s-Gravenmoer, in welke hofstede Jan Lemmensz. woont, strekkende van de Smalle Straat tot aan het “hol” van de Oude Vaart. (ONA Dordrecht inv. 11, f. 691v)

17 dec. 1620: Jacob Pietersz. Gorter, 40 jaar oud, en Maritgen Adamsdr., 26 jaar oud, wonende te Dordrecht, verklaren op verzoek van Adriaen van Hoogeveen, brouwer en lid van de Achten te Dordrecht, dat drie maanden tevoren Van Hoogeveen door Dirck Jansz. twijnder, wonende in “de Haringbuijse” in de Heer Heijmansuijsstraat, binnen werd geroepen om een beker bier te drinken en dat, toen Van Hoogeveen het huis weer had verlaten, hem tegemoet is gekomen Cornelis Fransz. varkenslager, die tegenover Dirck Jansz. woont, en die een hakmes in zijn hand had en “smijtende tvoors. hackmes in colere in eenen block die daeromtrent was staende [en] is daerop … Cornelis Fransz. seer hevich met veel lasterlijke scheltwoorden jegens [Van Hoogeveen] … vvtgevaren, ende onder andere overluijt roepende … sijt ghij een Acht ghij moecht een hontsvot wesen, ghij laet u om coopen om een pijpe toeback ende een dronck biers. Ick sall u … noch vvtdrijven dat ghij van mij eenen esel gemaeckt hebt”. De getuigen verklaren voorts noch, dat Cornelis Fransz. en zijn vrouw Van Hoogeveen hebben nageroepen , die echter zonder iets te zeggen naar huis ging. (ONA Dordrecht inv. 12, f. 662)

21 febr. 1622: Ghijsbrecht van Beaumont Cornelisz., ongeveer 32 jaar oud, azijnbrouwer en burger van Dordrecht, legt op verzoek van Adriaen Gerritsz. van Hoogeveen, lid van de Achten te Dordrecht, een verklaring af. Hij getuigt, dat hij op 6 dec. 1621 van de vrouw van Van Hoogeveen veertien en een halve volle ton bier heeft gekocht om daar azijn van te maken. De prijs ervan was 55 st. de ton en het bier is uit het leger teruggebracht door Jaques van den Berge, burger van Dordrecht. (ONA Dordrecht 13, f. 203)

II. Adriaen van Hogeveen Geritsz., geboren te Leiden naar schatting ca. 1565, van Leiden (1588), brouwer in “het Cruijs” te Dordrecht, trouwde NG Dordrecht2/16 okt. 1588 Elisabeth de Valee Servaesdr., geboren naar schatting ca. 1565, van Dordrecht (1588), dochter van Servaes de Valee en Maria Aertsdr. Hallinck

9 mrt. 1596: Gillis Gillisz., brouwer en burger van Dordrecht, transporteert aan zijn zwager, Adriaen Geeritsz. van Hoogeveen brouwer een “acte van condemnatie” van het Hof van Holland, inhoudende 1108 gl. ten laste van Willem Jansz., biersteker te Amsterdam, en zijn aandeel in twee obligaties, de ene verleden op 16 jan. 1592 door Leenert Pietersz. en Jacob Cornelisz., beiden wonende te Papendrecht, en de andere verleden door Adriaen Foppen c.s. in Papendrecht. (ORA Dordrecht inv. 1580, f. 42)

4 april 1598: Adriaen Geeritsz. van Hoogeveen brouwer verkoopt voor 1750 gl. Jaspar Ariensz. zandman een huis in de Houttuin, staande tussen het huis van Hilleken Geeritsdr. en het huis van de verkoper, verbindende in plaats van waarborg een huis, staande tegenover het verkochte huis tussen het huis van Hendrick Eeckholt en dat van de verkoper. De koper is schuldig aan verkoper een somma van 1250 gl. (ORA Dordrecht inv. 1580, f. 42)

28 mei 1605: Adriaen Gerritsz. van Hoogeveen, brouwer en burger van Dordrecht, verkoopt aan Jacob Florijn, “glaesemaecker” en burger van Dordrecht, een huis in de Wijngaardstraat tussen de Heer Heymansuysstraat en de Mariënbornstraat, staande tussen het erf van Geertgen Servaesdr. en de gang van de brouwerij van verkoper, strekkende van voren van ’s herenstraat tot twee voeten voorbij de pruimenboom, die op het erf staat. Waarborg: Jan Aertsz. Hallinck houtkoper. Koper is schuldig aan verkoper een somma van 1000 gl. Borgen: Gerit Joppensz. en Roeloff Ariensz., burgers van Dordrecht. (ORA Dordrecht inv. 748, f. 60v en 61)

15 april 1613: Adriaen van Hoogeveen, ongeveer 54 jaar oud, Aert Schut, ongeveer 40 jaar oud, Frans Schouttet, ongeveer 28 jaar oud, en Jan Matheusz. Onderwater, ongeveer 33 jaar oud, brouwers in Dordrecht, leggen op verzoek van Jacob Pietersz. Nachtglas en Arent van Buijl, brouwers te Amsterdam, een verklaring af. (ONA Dordrecht inv. 11, f. 56)

18 april 1616: Adriaen van Hoogeveen, brouwer en burger van Dordrecht, verklaart procuratie te hebben van de tante van zijn vrouw, Aertgen Aert Jansdr. Hallinck, in welke hoedanigheid hij heeft ontvangen van Jan Lemmensz., wonende in ‘s-Gravenmoer, een bedrag van 105 gl. 12 st., gekomen van een rente van 6 gl. jaarlijks, verzekerd op een hofstede en het bijbehorende land, gelegen in ‘s-Gravenmoer, in welke hofstede Jan Lemmensz. woont, strekkende van de Smalle Straat tot aan het “hol” van de Oude Vaart. (ONA Dordrecht inv. 11, f. 691v)

17 dec. 1620: Jacob Pietersz. Gorter, 40 jaar oud, en Maritgen Adamsdr., 26 jaar oud, wonende te Dordrecht, verklaren op verzoek van Adriaen van Hoogeveen, brouwer en lid van de Achten te Dordrecht, dat drie maanden tevoren Van Hoogeveen door Dirck Jansz. twijnder, wonende in “de Haringbuijse” in de Heer Heijmansuijsstraat, binnen werd geroepen om een beker bier te drinken en dat, toen Van Hoogeveen het huis weer had verlaten, hem tegemoet is gekomen Cornelis Fransz. varkenslager, die tegenover Dirck Jansz. woont, en die een hakmes in zijn hand had en “smijtende tvoors. hackmes in colere in eenen block die daeromtrent was staende [en] is daerop … Cornelis Fransz. seer hevich met veel lasterlijke scheltwoorden jegens [Van Hoogeveen] … vvtgevaren, ende onder andere overluijt roepende … sijt ghij een Acht ghij moecht een hontsvot wesen, ghij laet u om coopen om een pijpe toeback ende een dronck biers. Ick sall u … noch vvtdrijven dat ghij van mij eenen esel gemaeckt hebt”. De getuigen verklaren voorts noch, dat Cornelis Fransz. en zijn vrouw Van Hoogeveen hebben nageroepen , die echter zonder iets te zeggen naar huis ging. (ONA Dordrecht inv. 12, f. 662)

21 febr. 1622: Ghijsbrecht van Beaumont Cornelisz., ongeveer 32 jaar oud, azijnbrouwer en burger van Dordrecht, legt op verzoek van Adriaen Gerritsz. van Hoogeveen, lid van de Achten te Dordrecht, een verklaring af. Hij getuigt, dat hij op 6 dec. 1621 van de vrouw van Van Hoogeveen veertien en een halve volle ton bier heeft gekocht om daar azijn van te maken. De prijs ervan was 55 st. de ton en het bier is uit het leger teruggebracht door Jaques van den Berge, burger van Dordrecht. (ONA Dordrecht 13, f. 203)

Kinderen (o.a.: allen NG gedoopt in Dordrecht):

a. Mariken, nov. 1589

b. Heva, juni 1594

c. Emerentiana, okt. 1597

d. Elisabeth van Hoogeveen, juli 1603

e. Gerrit van Hoogveen, april 1604, kapitein van een compagnie voetknechten in Nederlandse dienst, trouwde Berbera Slijp

ONA Dordrecht inv. 137, f. 288: op 4 juli 1658 verleent Gerrart van Hoogeveen, kapitein van een compagnie voetknechten in Nederlandse dienst, in garnizoen liggende te Bresoirt, procuratie aan Servaes en Aelbrecht van Hoogeveen, zijn broers, beiden brouwers en burgers van Dordrecht, in het bijzonder contra Govert van  Bergen, brouwer in “de Valck” en om hem met alle mogelijke middelen te dwingen tot het overdragen van hetgeen hem, comparant, en zijn mede-erfgenamen is aangekomen uit de boedel van wijlen Maria van Hoogeveen, de vrouw van Pieter Fransz. Schouttet en zuster van de comparant.

ONA Dordrecht inv. 142, f. 160: op 5 april 1663 toont Aelbrecht van Hoogeveen, brouwer in “de Gecroonde Dissel”,  een procuratie, die op hem is gepasseerd door Berbera Slijp, weduwe van zijn broer kapitein Gerrart van Hoogeveen, inhoudende een clausule van substitutie volgens welke hij procuratie aan Cornelis Roscam, marktschipper van Dordrecht op ‘s-Gravenhage, verleent om in ontvangst te nemen de interest van een bedrag van 1400 gl., gekomen op 6 aug. 1662 van twee morgen vicarieland.

Kinderen:

e-1. Geertruij van Hoogeveen, trouwde NG Sneek 20 mrt. 1664 Lievius Lamminga, arts in Sneek

e-2. Catharina van Hoogeveen

e-3. Elisabeth van Hoogeveen, trouwde naar schatting ca. 1665 Jacobus Stuart

f. Servaes van Hoogeveen, juli 1605, jongman van Dordrecht wonende in de [Oude] Houttuin [Voorstraat], brouwer te Dordrecht, OSP, begraven Dordrecht (Grote Kerk) een zwarte baar op de Boom voor kapitein Servaes van Hoogeveen), trouwde NG Dordrecht 24 febr. 1641 (ondertrouw; per schrijven van Gouda) Maria van Abbesteech, jonge dochter van Breda wonende te Gouda (1641)

ONA Dordrecht inv. 63, f. 331v: op 11 nov. 1650 testeren Servaes van Hoogeveen brouwer en zijn vrouw Maria van Abbesteech, burgers van Dordrecht, hij ziek bij het vuur in een stoel zittende, zij gezond. Hij legateert aan de NG huisarmen van Dordrecht een bedrag van 100 gl. Zij benoemen tot hun erfgenaam de langstlevende van beiden, op voorwaarde, dat de erfgenamen ab intestato van de eerstoverlijdende van hen beiden na de dood van de langstlevende onder hen allen een bedrag van 3000 gl. zullen ontvangen, waarvan de langstlevende van beiden gedurende zijn of haar leven het vruchtgebruik zal hebben.

ONA Dordrecht inv. 140, f. 441: op 30 aug. 1661 testeren Servaes van Hoogeveen, gewezen brouwer, en zijn vrouw Maria van Abbesteech, wonende te Dordrecht, hij gezond, zij ziek in bed liggende. Zij legateren aan de NG huisarmen te Dordrecht een somma van 300 gl., aan de Waalse huisarmen te Dordrecht een somma van 200 gl., aan Aeltgen, wonende in de Torenstraat, en aan Neeltgen, wonende in de Kerkstraat, elk een rijksdaalder per week, aan Marijken Thijssen, de vrouw van Leendert Maertensz. Schouman, 400 gl., aan de weeskinderen van Geertgen Pietersdr. onder hen allen 800 gl., aan Geertruijt van Hoogeveen Gerritsdr., Emmerentia van Born en Jacoba Junius, van wie zij doopgetuige is geweest, ieder 250 gl., aan hun gewezen dienstmeid Janneken Hermans 100 gl., aan Johanna de Laet 1000 gl., aan de vrouw van Daem van Abbesteech, burgemeester van Gouda, 1500 gl. met, als zij, testatrice, de eerststervende is, haar grootste strik, aan Lijntgen Andries, hun huidige dienstmaagd, een nieuwe Toerse rok met een laken “onderlingh”, aan Thijsken, de keukenmeid, een laken rouwtabberd, aan Agata van Hoogeveen Aelbertsdr. haar beste roodscharlaken rok met een colombijnse rok, en aan Elisabeth van Hoogeveen, haar zuster, een satijnen rok met een roodscharlaken dichtgeboorde rok. Tot erfgenamen van al hun overige goederen benoemen zij de langstlevende van hen beiden. De goederen, die de langstlevende nalaten zal, moeten verdeeld worden tussen de erfgenamen ab intestato van de langstlevende en die van de eerststervende. Tot voogden over hun minderjarige erfgenamen stellen zij aan zijn broer Aelbrecht van Hoogeveen en haar neef Daem van Abbesteech.

ONA Dordrecht inv. 140, f. 512: op 6 okt. 1661 testeren Servaes van Hoogeveen, gewezen brouwer, en zijn vrouw Maria van Abbesteech, wonende te Dordrecht, hij gezond, zij ziek in bed liggende. Zij legateren aan de NG huisarmen van Dordrecht 200 gl., aan de Waalse huisarmen te Dordrecht 100 gl., en aan Geertruijt van Hoogeveen Gerritsdr., Emmerentia van Born en Jacoba Junius, van wie zij doopgetuige is geweest, elk 250 gl. Tot erfgenamen van hun overige goederen benoemen zij de langstlevende van hen beiden, op voorwaarde, dat na diens dood de goederen, die hij of zij nalaten zal, namens de testateur voor de ene helft verdeeld zal worden onder Aelbert van Hoogeveen, Cornelia en Geertruijt van Hoogeveen, de weeskinderen van kapitein Geerit van Hoogeveen, zijn, testateurs, zusters en broeders kinderen, elke staak voor een vierde part, en mits de erfgenamen van de langstlevende namens de testateur zullen uitkeren aan Geertruijt Gillis een bedrag van 1000 gl. en aan Jacob, Huijbert en Eva Bordels onder hen allen een somma van 1000 gl. Betreffende de wederhelft van de goederen, die de langstlevende zal nalaten, daarin benoemen zij tot erfgenaam namens de testatrice Daem van Abbesteech, burgemeester van Gouda, op voorwaarde, dat van die goederen de weeskinderen van Geertgen Pietersdr. onder hen allen zullen ontvangen een somma van 800 gl., Johanna de Laet een bedrag van 1000 gl. en de kinderen van Anneken Arijens, de vrouw van Cornelis van der Linde, een bedrag van 3000 gl. Indien Anneken evenwel zonder kinderen na te laten komt te overlijden, zal dit bedrag komen aan Daem van Abbesteech, die gehouden zal zijn aan de weduwe van Jacob Baerthouts gedurende 20 jaar een bedrag van 50 gl. jaarlijks uit te keren. Tot voogden over hun minderjarige erfgenamen benoemen zij Aelbrecht van Hoogeveen en Daem van Abbesteech.

ONA Dordrecht inv. 121, f. 264: op 9 okt. 1662 verhuurt Servaes van Hoogeveen, burger van Dordrecht, aan mr. Albert Berbier, residerende te Delft, voor 60 gl. per jaar een huis op het Zwijndrechtse Veer, staande naast het huis van ds. Bastinus.

ONA Dordrecht inv, 315, f. 31: op 30 jan. 1663 verhuurt kapitein Servaes van Hoogeveen aan Frans Jansz. Seeman schipper voor 66 gl. per jaar een huis en klosbaan, staande aan het einde van de straatweg naast de Hoogendijk en bij de moutmolen.

ONA Dordrecht inv. 315, f. 164: op 22 mrt. 1664 verhuurt Servaes van Hoogeveen voor 72 gl. per jaar aan Adriaen Denisse, schipper en burger van Dordrecht, een huis op de Riedijk, genaamd “Antwerpen”, staande tussen het huis van Steeven Huijbertse en dat van Cornelis Dircxse van Dorre.

ONA Dordrecht inv. 201, f. 66: op 12 dec. 1664 leggen Hendrick Oudeman, burger van Dordrecht, circa 40 jaar oud, en Aeltgen Abrahams, ca. 42 jaar oud, op verzoek van Servaes van Hoogeveen, burger van Dordrecht, een verklaring af. Aeltgen getuigt als eerste, dat zij ongeveer 14 dagen tevoren ten huize van Theunis Oudeman, herbergier in “het Besaanjacht” te Dordrecht, is geweest, dat in de achterkamer van die herberg aanwezig waren Jacob Molier, lakenkoper te Dordrecht, en Servaes van Hoogeveen, en dat Molier “sonder hem eenige redenen of occasie van offentie bij [Van Hoogeveen]… te sijn gegeven een kussen vande stoel staende inde opgemelte camer heeft genomen daer mede [hij] met soodanige hevicheijt [Van Hoogeveen] … (maeckende onder tusschen sijn water) toegevallen ende op sij hooft geslagen heeft in voegen dat hij [Van Hoogeveen] … suijsbollende naer ter aerde viel sonder dat hij [Van Hoogeveen] … hem eenichsints heeft gedefendeert, waer op sij getuige (vreesende voor grooter en swaerder gevolch) heeft beginnen te roepen, sulcx dat daer door de dienstmaecht vande voorn. Oudeman aentstonts in de opgemelte camer gecoomen sijnde sijluijden hem Molier door veel devoirs vvt d’voorsz. camer gekregen ende de deure vandien toegesloten hebben”. De eerstgenoemde getuige verklaart, dat na het incident Van Hoogeveen tegen Molier gezegd heeft: “hebt gij mij dan niet met het kussen gegooijt, waer op hij Moliet antwoorde … ick heb u gegooijt ende indien u hooft hadde van glas geweest soude het al lanch ontstucken hebben geweest”.

ONA Dordrecht inv. 248, f. 327: op 18 sept. 1665 comp. Jacoba van Abbesteech, weduwe van Servaes Du Bois, majoor in de Klundert, voor een derde part erfgename van Baerthout van Abbesteech, haar broer, geassisteerd met Cornelis van der Linden, enerzijds en Servaes van Hoogeveen, burger van Dordrecht, als erfgenaam van zijn vrouw Maria van Abbesteech en van Agata van Abbesteech, haar zuster, welke Maria en Agata van Abbesteech, elk voor een derde part erfgenamen waren van Baerthout van Abbesteech, hun broer, geassisteerd met Aelbert van Hoogeveen en Jacobus Stuart, resp. zijn broer en neef, anderzijds. De comparanten verklaren, dat tussen hen geschil is ontstaan door het feit, dat de eerste comparante beweerde, dat Baerthout van Abbesteech als beschadigde borg voor Agata van Abbesteech moest betalen aan een zekere Claes Lucas een bedrag van 600 gl en aan procureur Gerard de Roodere wegens verdiend salaris een somma van 67 gl. 11 st., waarvan zij meende, dat haar een derde deel moest toekomen. Bovendien meende zij, dat aan haar toekwam een derde deel in zekere obligatie, waarvan hij, tweede comparant, bekende, dat hij van Baerthout van Abbesteech, als voogd van Baerthout van Abbesteech de jonge, enige penningen heeft ontvangen. Cornelis van der Linden beweerde ook nog, dat door Servaes van Hoogeveen enige meubelen en huisraad uit zijn woning zijn gehaald, die hij heeft gekocht en betaald. Waartegen Servaes van Hoogeveen beweerde, dat dat alles niet juist was, maar dat hij van Jacoba van Abbesteech nog tegoed had een gouden ketting, medaille en “boot”, die door Baerthout van Abbesteech aan zijn vrouw zijn gelegateerd. Om een proces hierover te voorkomen zijn de comparanten overeengekomen, dat Servaes van Hoogeveen aan Jacoba van Abbesteech en Cornelis van der Linden zal betalen een bedrag van 370 gl., en het salaris van de procureur van Jacoba van Abbesteech, alsmede hetgeen “op deze comparitie” in de herberg “de Roode Leeuw” is verteerd. De comparanten doen tevens afstand van een kapitaal van circa 4460 gl. ” welck vermeent wert bestaen te hebben off noch te bestaen oude banck van leeninge te Gouda”.

ONA Dordrecht inv. 315, f. 483: op 21 aug. 1666 verklaren kapitein Servaes van Hoogeveen en Pieter Lambertsz. Crol schipper, dat zij hun huizen verruild hebben. Dat van Van Hoogeveen staat op de Riedijk tussen het huis van Cornelis van Dorre schipper en dat van Steven Huijbertsz. Claeuwaers schipper, en dat van Crol staat in de Torenstraat tussen het huis van Pieter Jansz. schipper en dat van [NN] Cock. Crol belooft bovendien aan Van Hoogeveen een bedrag van 540 gl. te betalen.

ONA Dordrecht inv. 315, f. 485: op 29 aug. 1666 legateert Servaes van Hoogeveen, burger van Dordrecht, ziek zijnde, aan zijn gewezen dienstmaagd Janneken Hermans en aan zijn huidige dienstmaagd Leentien Corste elk een bedrag van 50 gl. en daarenboven aan elk een somma van 40 gl. voor het laten maken van een “eerlijck” rouwkleed.

ORA Dordrecht inv. 1621, f. 126v: op 5 mei 1667 verkopen “Cornelia van Hoogeveen beiaerde ongehoude dochter voor een derdepaert, Aelbert van Hoogeveen Brouwer mede voor een derdepaert, d’heer Jacobus Stuaert als getrout hebben(de) Jouffr. Elisabeth van Hoogeveen, Jouffr. Berbera Slijp wed.e wijlen d’heer Gerrit van Hoogeveen als last en procuratie hebben(de) van d’heer Lievius Lamminga docter inde medecina tot Sneeck, als getrout hebben(de) Jouffr. Geertruij van Hoogeveen blijcken(de) bijde selve procuratie gepasseert voor(de) Notaris Arent van Neten en(de) sekere getuijgen binnen deser Stede resideren(de) in date den xo Aprilis 1667 ons vertoont en noch den voorsz. Aelbert van Hoogeveen als Testamentaire voocht van Catarina van Hoogeveen alle drije kinderen van(de) voorsz. heere Gerard van Hoogeveen voort resteren(de) derde paert, te samen erffgen. van za: Cap.n Servaes van Hoogeveen”, voor 1700 gl. aan Aelbert Haring, burger van Dordrecht, een huis in de Oude Houttuin [Voorstraat], waar uithangt “het Turffschip”, staande tussen het huis van Sijmon Cornelisz. de Vries en dat van Anthonie Moliers.

g. Agneta, dec. 1607, vermoedelijk jong overleden

h. Aelbrecht (Aelbert) van Hogeveen, juli 1609, volgt III

i. Geertruijt van Hoogeveen, trouwde Gijsbert van Dalen

ONA Dordrecht inv. 62, f. 787: op 4 mei 1649 transporteert Gijsbert van Dalen, rentmeester van de weeskamer te Dordrecht, aan Louijs Victor, ordinaris koopmansbode van Amsterdam op Dordrecht, een recipisse, die moet worden geconverteerd in een obligatie ten laste van het gewest Holland, inhoudende een hoofdsom van 500 gl., staande op naam van zijn, Van Dalens, schoonmoeder Elisabeth de Valee, weduwe van Adriaen van Hoogeveen, en gedateerd 13 mei 1648.

ONA Dordrecht inv. 133, f. 441: op 1 okt. 1654 testeert Geertruijt van Hoogeveen Adriaensdr., weduwe van Ghijsbert van Daele, wonende te Dordrecht. Zij legateert aan Johanna van Dalen, voordochter van haar overleden man, die bij haar inwoont, een schepenenschuldbrief van 200 gl., verzekerd op een huis in de Raamstraat, al haar huisraad, meubels en inboedel, o.a. schilderijen, al haar kleren, juwelen en zilverwerk, en dat alles wegens de goede diensten, die Johanna haar heeft bewezen. Tot erfgenamen van al haar overige goederen benoemt zij Cornelia, Gerrart, Servaes en Aelbrecht van Hoogeveen, haar zuster en broers of bij vooroverlijden hun nakomelingen.

ONA Dordrecht inv. 315, f. 118: op 14 sept. 1663 verlenen Anna Grijph, wonende te Mechelen, en Geertruijt van Hoogeveen, weduwe van Gijsbert van Daelen, procuratie aan hun neef Niclaes van Dongen om voor hen op te eisen hetgeen zij geërfd hebben van hun nicht Gooltie van Schaerlaken, die een dochter was van Geertruijt Hallinck, de dochter van Ocker Hallinck.

j. Cornelia van Hoogeveen, ongehuwd

ONA Dordrecht inv. 316, f. 47: op 22 april 1667 legateert Cornelia van Hoogeveen, bejaarde, ongehuwde persoon, aan de twee dochters van haar overleden broer Gerrit van Hoogeveen, met name Geertruijt van Hoogeveen, de vrouw van Lievius Lammenga, en Catarina van Hoogeveen elk een somma van 800 gl., en aan Leentien Corsten, haar dienstmaagd, indien die bij haar overlijden nog bij haar inwoont, een bedrag van 100 gl.

ONA Dordrecht inv. 316, f. 203: op 1 juni 1668 legateert Cornelia van Hoogeveen Adriaensdr., burgeres van Dordrecht, aan haar nichten Elisabeth van Hoogeveen, de vrouw van Jacobus Stuwardt, Geertruijt van Hoogeveen, de vrouw van Livius Lammega, en Catarina van Hoogeveen, dochters van haar overleden broer Geerit van Hoogeveen, een somma van 200 gl.

ONA Dordrecht inv. 272, f. 168: op 16 okt. 1669 laten Aelbert van Hoogeveen, voor de ene helft, Lievius Lamminga, als man van Geertruijt van Hoogeveen, Jacobus Stuardt, als man van Elisabeth van Hoogeveen, en Aelbert van Hoogeveen nog als voogd over Catarina van Hoogeveen, minderjarige, alle drie kinderen van wijlen kapitein Gerrardt van Hoogeveen, voor de wederhelft, erfgenamen van Cornelia van Hoogeveen, bejaarde ongehuwde persoon, veilen twee naast elkaar staande huizen in het Steegoversloot, staande tussen de Doelstraat en het huis van de commies Aernout van Ravelijn, met een huisje erachter, uitkomende in de Doelstraat, “geapproprieert” tot twee woningen. Het eerste huis wordt verkocht aan notaris Hugo van Dijck voor 3350 gl. en het tweede voor 1720 gl. aan Aelbert van Hoogeveen.

ONA Dordrecht inv. 272, f. 175: op 16 okt. 1669 laten Aelbert van Hoogeveen, voor de ene helft, Lievius Lamminga, als man van Geertruijt van Hoogeveen, Jacobus Stuardt, als man van Elisabeth van Hoogeveen, en Aelbert van Hoogeveen nog als voogd over Catarina van Hoogeveen, minderjarige, alle drie kinderen van wijlen kapitein Gerrardt van Hoogeveen, voor de wederhelft, erfgenamen van Cornelia van Hoogeveen, bejaarde ongehuwde persoon, veilen vijf huisjes in Dordrecht. Het eerste huisje, staande in de Wijngaardstraat naast het huis “de Jeneverboom”, gehuurd en bewoond door Isabela de kopster,  wordt verkocht aan Michiel van Aensorgen voor 400 gl. De volgende drie huisjes, staande naast elkaar in de Heer Heymanssuysstraat achter brouwerij “het Cruijs”, wordt verkocht aan Aelbert van Hoogeveen voor 665 gl. Het vijfde huisje, staande in de Mariënbornstraat op de hoek van de Vrankenstraat, gehuurd en bewoond door Jan de Wit, wordt voor 600 gl. verkocht aan Michiel van Aensorgen.

k. Maria van Hoogeveen Adriaensdr., van Dordrecht wonende in de Houttuin (1632), trouwde NG Dordrecht 25 april/18 mei 1632 Pieter Fransz. Schouttetten, weduwnaar uit Vlaanderen wonende bij de Tolbrug (1632), brouwer

l. Sebastiaan, jan. 1611

III. Aelbrecht (Aelbert) van Hogeveen, gedoopt NG Dordrecht juli 1609, jongman van Dordrecht wonende in de Houttuin (1645), brouwer in ” den Dissel” te Dordrecht, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 16 juni 1686 (een zwarte baar voor Aelbert Hoogeveen in de Kannenkopersbuurt), trouwde NG Dordrecht 19 febr. 1645 (ondertrouw, per schrijven van Rotterdam, op 4 mrt. 1645 bescheid ontvangen om in Rotterdam te trouwen) Catharina Kievit, jonge dochter van Rotterdam wonende aldaar (1645), begraven Dordrecht 16 juni 1686

18 mei 1648: Neeltgen Arijensdr. de Post, Hendrick Jansz. Bommelaer, als man van Adriaentgen Arijensdr. de Post, voor zichzelf en samen met Herman Cornelisz. Monseur voogd over de kinderen van wijlen Geertruijt Arijensdr. de Post, tevens vervangende de weduwe van Andries Arijensz. de Post en Jan Arijensz. de Post, die in Brazilië verblijft, Arijen Arijensz. de Post en Lambert Pietersz., als man van Anneken Arijensdr. de Post, allen kinderen en kindskinderen en erfgenamen van Arijen Cornelisz. de Post, verkopen aan Aelbrecht van Hoogeveen, brouwer en burger van Dordrecht, een huis in de Houttuin, genaamd “Heijsterbach”, staande tussen het huis van Joost Boone wijnkoper en Anthonij Molier metselaar. (ORA Dordrecht inv. 1612, f. 89)

22 sept. 1652: testeren Aelbrecht van Hoogeveen, brouwer in “de Gecroonde Dissel”, en diens vrouw Catharina Kievits, burgers van Dordrecht, beiden ziek in bed liggende. Zij benoemen tot erfgenaam en voogd over hun minderjarige erfgenamen de langstlevende van hen beiden, die gehouden zal zijn hun kinderen tot hun mondigheid of huwelijk te onderhouden en hun dan onder hen allen een bedrag van 32.000 gl. uit te keren. Als de langstlevende van hen beiden zonder kinderen komt te overlijden, moet dit bedrag uitgekeerd worden aan de erfgenamen ab intestato van de eerstoverlijdende. (ONA Dordrecht inv. 64, f. 239)

27 febr. 1653: testament van Aelbrecht van Hoogeveen, brouwer in “de Gecroonde Dissel”. Hij benoemt tot erfgenamen de kinderen, die hij heeft verwekt bij zijn overleden vrouw Catharina Kievits, en de kinderen, die hij nog zal verwekken. Als hij zonder kinderen na te laten komt te overlijden zullen al zijn goederen komen aan zijn erfgenamen ab intestato. Hij benoemt tot voogden zijn broer Servaes van Hoogeveen en zijn neef Johan de Valee. (ONA Dordrecht inv 64, f. 378)

29 juni 1655: Pieter Gillisz. de Coning en Pieter Eduarts, als procuratie hebbende van Matthijs Holtwiller mr. schrijnwerker, gewoond hebbende te Dordrecht, verkopen aan Aelbert van Hoogeveen, brouwer en burger van Dordrecht, een huis in de Kannenkopersbuurt, staande tussen het huis van de koper en dat van Joost Boon wijnkoper. (ORA Dordrecht inv. 1616, f. 46v)

10 mei 1656: Joost Willemsz. van der Elst, burger van Dordrecht, kapitein Willem van Santen en Walterus Cools, voor zichzelf, laatstgenoemde nog, samen met Hugo Repelaer, als voogden over de kinderen van wijlen Johanna Cools, bij haar verwekt door Cornelis van Overstege, als crediteuren van Willem van der Elst, de vader van voornoemde Joost van der Elst, verkopen aan Aelbert van Hoogeveen brouwer een huis op de Riedijk, genaamd “het Moriaenshooft”, staande tussen het huis van Willem Meermans en dat van Jan Verlaen twijnder. (ORA Dordrecht inv. 1616, f. 104v)

15 mrt. 1659: Aelbert van Hoogeveen, brouwer in “den Dissel”, verklaart, dat hij Thomas Dollis, jong gezel, in 1653 het moutmaken en bierbrouwen heeft geleerd. (ONA Dordrecht inv. 49, f. 136)

14 mei 1659: Gerrit Oosterling, burger van Dordrecht, als procuratie hebbende van Pieter Roos en Adriaen van der Cloet, kooplieden in ‘s-Gravenhage, die door het Gerecht van Dordrecht zijn gemachtigd tot het redderen van de boedel van Steven Fransz. Roos, verkoopt aan Aelbert van Hoogeveen, brouwer en burger van Dordrecht, een huis in de Kannenkopersbuurt [Voorstraat], genaamd “den Gulden Haring”, staande tussen het huis van de weduwe van mr. Gerrit van der Thuijnen en dat van Hans Verhagen. (ORA Dordrecht inv. 1616, f. 27 e.v.)

28 juni 1662: Aelbert van Hoogeveen, brouwer en burger van Dordrecht, verkoopt voor 2200 gl. aan Willem van der Elst, notaris en burger van Dordrecht, een huis op de Riedijk, staande tussen het huis van Pleun Jacobsz. en dat van Jan Francken, strekkende van ’s herenstraat tot achter aan de gracht. (ORA Dordrecht inv. 1619, f. 117)

19 juli 1663: Aelbert van Hoogeveen, brouwer en burger van Dordrecht, verkoopt voor 1750 gl. aan Sictus van Reenen, burger van Dordrecht, een huis in de Oude Houttuin [Voorstraat], genaamd “Heijsterbach”, staande tussen het huis van Anthonij Moliers en dat van Joost Boon, kapitein van de “Jacht van Stapele”. (ORA Dordrecht inv. 1620, f. 58v)

15 nov. 1667: Grietgen Jansdr. weduwe van Geerit Engelen Bommelaer, burgeres van Dordrecht, verkoopt voor 4000 gl. aan Aelbert van Hogeveen, brouwer en burger van Dordrecht, een huis omtrent de Munt aan de havenzijde, genaamd “de Clock”, staande tussen het huis van de weduwe van Adriaen van Clootwijck en dat van Elsken Jans, weduwe van Thomas Woutersz. Oulrij. (ORA Dordrecht inv. 1621, f. 164)

13 juni 1670: Franciscus Debets, predikant te Tholen, als weduwnaar en erfgenaam van Lidia Cools, die mede-erfgename was van Arent Schut, haar grootvader, verkoopt voor 4000 gl. aan Aelbrecht van Hogeveen, brouwer in “de Distel” en burger van Dordrecht, een huis in de Oude Houttuin [Voorstraat], staande tussen het huis van postmeester Slingelant en dat van de weduwe van Lodewijck Lamberts, alsmede voor 1350 gl. aan dezelfde koper een huis in de Oude Houttuin, staande tussen het huis, waarin de weduwe van Lodewijck Lambertsz. van der Heijden woont, en de Mariënbornstraat.(ORA Dordrecht inv. 1623, f. 36v e.v.)

Kinderen:

a. Elisabeth van Hogeveen, gedoopt NG Dordrecht 18 mei 1647, jonge dochter van Dordrecht (1687), trouwde NG Dordrecht/Dubbeldam 9/26 febr. 1687 Louis du Chene, weduwnaar van Amsterdam (1687), koopman

ORA Dordrecht inv. 1631, f. 18v e.v.: op 24 april 1687 verkopen Louis du Chene, koopman te Amsterdam, en zijn vrouw, Elisabeth van Hoogeveen, voor 6000 gl. aan Salomon van Til, predikant te Dordrecht, een huis en “verdere getimmerte” in de Kannenkopersbuurt, uitkomende in de Mariënbornstraat en staande tussen het huis van Cornelis van Someren en dat van Aernoldus van Houwelingen.

ORA Dordrecht inv. 1650, f. 204v: op 9 dec. 1725 verkopen mr. Johan van Hogeveen, lid van de Oudraad te Dordrecht, voor zichzelf en als procuratie hebbende van Aalbert van Hogeveen, kapitein ter zee in Nederlandse dienst, Adriaan van Hogeveen en mr. Gerrard Amilius van Hogeveen, Ida Catarina, Magdalena, Agatha en Maria Arnoudina van Hogeveen en nog als voogd over Jacobus en Albertus Adam Hacke, en Berbera Maria Hacke, voor haar zelf en nog als procuratie hebbende van haar zusters Magdalena Elisabeth en Agatha Hacke, wonende te Londen, allen erfgenamen van Elisabeth van Hogeveen, weduwe van Louies Duchene, die gewoond heeft en overleden is te Bommel, voor 450 gl. aan Cornelis Evenwel mr. metselaar drie huisjes, staande naast elkaar in de Heer Heymansuysstraat tussen het huis van Joris Warnier en dat van Johannis Hesmer.

ORA Dordrecht inv. 1650, f. 204:op 9 dec. 1725 verkopen mr. Johan van Hogeveen, lid van de Oudraad te Dordrecht, voor zichzelf en als procuratie hebbende van Aalbert van Hogeveen, kapitein ter zee in Nederlandse dienst, Adriaan van Hogeveen en mr. Gerrard Amilius van Hogeveen, Ida Catarina, Magdalena, Agatha en Maria Arnoudina van Hogeveen en nog als voogd over Jacobus en Albertus Adam Hacke, en Berbera Maria Hacke, voor haar zelf en nog als procuratie hebbende van haar zusters Magdalena Elisabeth en Agatha Hacke, wonende te Londen, allen erfgenamen van Elisabeth van Hogeveen, weduwe van Louies Duchene, die gewoond heeft en overleden is te Bommel, voor 1210 gl. aan Johannes Boone, koopman en zeilmaker te Dordrecht, een huis in de Boomstraat omtrent het Groothoofd, staande tussen het huis van de koper en dat van Roelant Millaarts.

b. Adriaen van Hogeveen, gedoopt NG Dordrecht 20 mei 1648, volgt IV

c. Adam van Hoogeveen, gedoopt NG Dordrecht 8 april 1652

ONA Dordrecht inv. 128, f. 536: op 7 april 1689 verklaart Adam van Hoogeveen, kapitein-luitenant van de compagnie van de markies de Montpelliau, luitenant-generaal van de cavalerie en kolonel van een regiment ruiters in Nederlandse dienst, aangenomen te hebben George de Latour, mr. chirurgijn en burger van Dordrecht, als chirurgijn van de lijfcompagnie van voornoemde kolonel op een traktement van 63 gl. per 42 dagen.

e. Agatha van Hoogeveen, trouwde ds. Jacobus Feij

ORA Dordrecht inv. 1636, f. 106: op 14 febr. 1698 verkoopt Agata van Hoogeveen, weduwe van ds. Jacobus Fij, wonende te Dordrecht, voor 4000 gl. aan Margrita van der Heijden, weduwe van de stadhouder Willem van Campen, een huis in het Steegoversloot, staande tussen het huis van de stadhouder Adriaen Cleijn en dat van Pieter de Jongh, alsmede een huisje erachter, dat uitkomt in de Doelstraat, “geapproprieert tot twee woningen”, staande tussen het huis van Jan Cloens en dat van Miggiel van Aensorgen, haar, comparante op 26 juli 1686 aangekomen bij overlijden van haar vader Albertus van Hoogeveen.

IV. Adriaen van Hogeveen, gedoopt NG Dordrecht 20 mei 1648, burgemeester van Dordrecht, trouwde NG Dordrecht 14 mrt. 1677 Magdalena Gevaerts, gedoopt NG Dordrecht 16 aug. 1658, dochter van Johan Gevaerts en Ida Brantwijk

ONA Dordrecht inv. 353, f. 72: op 30 juni 1677 testeert Cornelia Gevaerts, ongehuwd persoon, wonende te Dordrecht. Zij wenst, dat “haere nichte Magdalena Gevaerts, getrout met sr. Adriaen van Hoogeveen haer vergenoeght en gecontenteert sal moeten houden met het legaet haer bij [het besloten testament, dat zij heeft gepasseerd voor notaris J. Hellu] … gemaeckt, ende daermede t’eenemael van haer comparante naerlatenschap blijven gesecludeert”. Zij wenst voorts, dat hetgeen Magdalena na het overlijden van Petronella Gevers, weduwe van mr. Johan van Gelre, secretaris van Hulsterambacht, de zuster van de testatrice, uit de goederen van haar, testatrice, zou toekomen, zal moeten vererven op mr. Michiel Pompe van Slingeland, schepen in wette van Dordrecht, die is getrouwd met Elisabeth de Lange, de dochter van de overleden zuster van de testatrice.

ONA Dordrecht inv. 353, f. 238: op 16 april 1679 testeert Petronella Gevers, weduwe van Johan van Gelre, griffier van Hulsterambacht, wonende in Hulst, ziek in bed liggende. Zij legateert aan haar nicht Magdelena Gevers, dochter van haar broer dr. Johan Gevaerts, echtgenote van Adriaen van Hoogeveen, achtraad van Dordrecht, haar leven lang het vruchtgebruik van een kapitaal van 2000 gl., en de eigendom ervan aan haar kinderen of bij ontbreken vandien haar zuster en broer.

ORA Dordrecht inv. 1629, f. 121v: op 14 dec. 1684 verkopen mr. Ocker Gevaerts en Adriaen de Lange, als executeurs-testamentair van hun tantes Cornelia Gevaerts, bejaarde ongehuwde persoon, en Pieternella Gevaerts, weduwe van mr. Johan van Gelder, tevens als voogden over de minderjarige erfgenamen, m.n. Pieter en Elisabeth Pompe, samen voor twee vijfde parten, dezelfde Ocker Gevaerts, Adriaen van Hoogeveen, als man van Magdalena Gevaerts, en Hugo Repelaer, als man van Maria Gevaerts, voor anderhalf vijfde part, Adriaen de Lange, voor zichzelf en als procuratie hebbende van Elisabeth de Lange, weduwe van mr. Michiel Pompe, en Alida de Lange, weduwe van Johan Rammelman, volgens procuratie gepasseerd voor notaris F. de Coninck te Rotterdam op 12 dec. 1684, voor het resterende anderhalve vijfde part, voor 4400 aan Aert Teggers, burger van Dordrecht, een huis tegenover de Beurs, staande tussen de Tolbrugstraat Waterzijde en het huis van Hendrick van der Banck.

ORA Dordrecht inv. 1639, f. 85 e.v.: op 19 nov. 1701 verkoopt Pieter de Both, deurwaarder van het Hof van Holland, als gemachtigde van het Gerecht van Dordrecht, voor 535 gl. aan Adriaan van Hogeveen, schepen in wette van Dordrecht, twee huizen, naast elkaar staande in de dwarsgang tussen de Mariënbornstraat en de Heer Heymansuysstraat, aan de ene zijde belend door het huis van het weeskind van wijlen Adriaen Hegters en de poort of achteringang van het huis van Cornelis van Someren aan de andere zijde.

ORA Dordrecht inv. 1752, f. 95: op 22 nov. 1714 verkoopt mr. Johan van Hogeveen, lid van de Oudraad en thesaurier van Dordrecht, voor 1200 gl. aan Daniël van der Kuijp timmerman een huis en tuin, staande buiten de St. Jorispoort omtrent de kruisweg tussen het huis van de loodgieter Hordijck en de tuin van Jan Kooll.

ORA Dordrecht inv. 1648, f. 138: op 7 sept. 1719 verkoopt Magdalena Gevaerts, weduwe van Adriaan van Hogeveen, burgemeester van Dordrecht, voor 100 gl. aan Samuel van Buren, mr. grutter en burger van Dordrecht, een pakhuis in de Schuitenmakersstraat, staande recht boven de kelder van Arnold van Poelien en naast het huis van Arnoldus ’t Hooft.

ORA Dordrecht inv. 1654, f. 154v e.v.: op 29 jan. 1737 verkoopt Adriaan Boeff, apotheker en burger van Dordrecht, voor 1834 gl. 8 st. en 14 penn. aan Magdalena Gevaerts, weduwe van oud-burgemeester Adriaan van Hoogeveen, een huis in de Voorstraat omtrent de Pelserbrug met aan de achterzijde een vrije uitgang op de stadsvest, staande tussen het huis van Anthonij de Vos en dat van de erfgenamen van Cornelis Coomans.

ORA Dordrecht inv. 1656, f. 164v e.v.: op 25 april 1743 verkopen Albert van Hoogeveen, kapitein ter zee, en mr. Gerard Aemilius van Hoogeveen, lid van de Oudraad te Dordrecht, voor zichzelf en als procuratie hebbende van zijn broer Adriaan van Hoogeveen, en zijn zusters Magdalena, Agatha en Maria Arnoudina van Hoogeveen, voor 2250 gl. aan David Crena, koopman te Dordrecht, een huis in de Voorstraat omtrent de Pelserbrug, strekkende voor van de straat tot achter op de stadsvest en staande tussen het huis van de koper en dat van Van Toll.

Kinderen (allen NG gedoopt in Dordrecht):

a. Ida Catharina, 11 april 1678

b. Albertus van Hoogeveen, 28 sept. 1680, ongehuwd, kapitein ter zee, vice-admiraal, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 10 sept. 1751 (Albert van Hoogeveen, vice-admiraal ter Admiraliteit op de Maas, ongehuwd, met zeven koetsen extra en een wapen, eerste boete)

c. mr. Johan van Hoogeveen, 14 febr. 1682, burgemeester van Dordrecht, trouwde Margaretha van Slingelandt, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 6 okt. 1759 (Margareta van Slingelandt, weduwe van burgemeester Johan van Hoogeveen, op de Voorstraat bij de Nieuwkerkstraat, laat geen kinderen na, de hoogste boete, met een wapenbord en acht koetsen extra)

ONA Dordrecht inv. 762, f. 394: rekening dd 14 juni 1710 en 8 aug. 1710, gedaan door mr. Johan van Hogeveen, regerende burgemeester van Dordrecht, als echtenoot van Margareta van Slingeland, dochter en mede-erfgename van Barthout van Slingeland, burgemeester en hoofdofficier van Dordrecht, en mr. Damas van Slingeland, zoon en mede-erfgenaam van Barthout van Slingeland, executeur-testamentair en voogd over de minderjarige erfgenamen van Cornelia van Gouthoeven, en van de uitgaven en inkomsten van de goederen, die de vier kinderen van Elisabeth van Beaumont, weduwe van Joost van Stabroek, t.w. Gerrit, Hendrik, Jacobus en Adriana van Stabroek, zijn aangekomen bij overlijden van hun nicht Cornelia van Gouthoeven.

d. Magdalena van Hoogeveen, 2 april 1684, ongehuwd, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 19 okt. 1748 (Magdalena van Hoogeveen, ongehuwd, met zeven koetsen extra, de eerste boete)

e. Adriaen van Hoogeveen, 3 aug. 1689, ongehuwd, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 2 april 1749 (Adriaan van Hoogeveen, ongehuwd, met zeven koetsen extra, de eerste boete)

f. Agatha van Hoogeveen, 29 aug. 1692, ongehuwd, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 2 juli 1763 (Agata van Hoogeveen, ongehuwd, met zeven koetsen extra, de eerste boete)

ORA Dordrecht inv. 1663, f. 172: op 27 mei 1762 verkoopt Hugo Repelaer, schepen in wette en lid van de Oudraad te Dordrecht, als procuratie hebbende van Agatha en Maria Arnaudina van Hoogeveen, wonende te Dordrecht, voor 1300 gl. aan Adriaan van Werkhoven, mr. bakker en burger van Dordrecht, een huis, vanouds genaamd “de Klok”, staande in de Voorstraat omtrent de Munt tussen het huis van de weduwe van Aart van Engelen en Pieter Visser.

g. Maria Arnoldina van Hoogeveen, 23 aug. 1693, ongehuwd, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 21 april 1766 (Maria Arnoldina van Hoogeveen, ongehuwd, op de Voorstraat, met zeven koetsen extra, de eerste boete)

ORA Dordrecht inv. 1666, f. 44v: op 2 sept. 1766 verkopen mr. Paulus Gevaerts, lid van de Oudraad en burgemeester van Dordrecht, en Hugo Repelaar, lid van de Oudraad en hoofdofficier van Dordrecht, als executeurs-testamentair van Maria Arnoudina van Hoogeveen, gewoond hebbende en overleden te Dordrecht, voor 30.000 gl. aan mr. Jacob Adriaan Braats, veertigraad van Dordrecht, een “groot en modern” huis in de Voorstraat [thans Voorstraat 125] tegenover de Mariënbornstraat, een huis aan de zuidzijde van dat huis, een huis aan de noordzijde ervan, een huis daarnaast en een stal en koetshuis in de Mariënbornstraat.

Voorstraat 125

h. mr. Gerard Amilius van Hoogeveen, 22 okt. 1694, raad en vroedschap van Dordrecht, ongehuwd, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 18 febr. 1758 (mr. Gerard Aemilius van Hoogeveen, in de Kannenkopersbuurt, met acht koetsen extra, ongehuwd, eerste boete)

ORA Dordrecht inv. 1661, f. 63: op 12 nov. 1754 verkoopt Arnoldus Cumsius, koopman te Dordrecht, samen met Johannes Sterk, predikant te Heeze in de Meierij van ‘s-Hertogenbosch, executeur-testamentair van Anna Maria Trellecatius, weduwe van Hendrik Besoijen, die gewoond heeft en overleden is in Dordrecht, als procuratie hebbende van voornoemde Johannes Sterk, volgens procuratie gepasseerd voor schepenen van de Vrije Grondheerlijkheid Heeze, Leende en de Zes Gehuchten op 1 nov. 1754, voor 955 gl. aan Agatha en Maria Arnoldina van Hoogeveen, alsmede mr. Gerard Aemilius van Hoogeveen, raad en vroedschap van Dordrecht, een huis, staande in de Voorstraat bij de Mariënbornstraat aan de havenzijde tussen het huis van de koopsters en dat van Christoffel Montre.

Weeskamer inv. 36, f. 106v: op 16 jan. 1764 extract in het weesboek ingeschreven van het testament van Gerrit Hogeveen, Agata Hogeveen en Maria Hogeveen, dat zij gepasseerd hebben voor notaris P. van Well te Dordrecht op 18 febr. 1752

i. Elizabeth, 18 nov. 1695

j. Ocker, 8 nov. 1697

k. Swane Elisabeth, 24 mrt. 1700, jong overleden

l. Geertruijd, 21 juni 1702