I. Gerrit Vingerhoed, Rijnschipper, trouwde NN
Zoon:
II. Herman Vingerhoed, geboren naar schatting ca. 1630, jongman van Xanten (1651) Rijnschipper, koopman in wijnen te Dordrecht, veertigraad ald., begraven Dordrecht (Grote Kerk) 31 aug. 1691 (twee maal luiden over Herman Vingerhoet, veertigraad, begraven in de Augustijnenkerk), trouwde 1651*Elisabeth Corstiaensdr. Helligers (Hellegenhooft)
* Trouwboek Gerecht Dordrecht (onderscheiden gezindten) 28 juli 1651: de trouwbeloften aangetekend tussen Herman Vingeroet [sic] jongman van Santen Rijnschipper geassisteerd met Gerrit Vingeroet Rijnschipper zijn vader en Elisabeth Hellegenhooft geboortig van Lents [ = mogelijk Lent bij Nijmegen] jonge dochter wonende te Dordrecht geassisteerd met Corstiaen Hellegenhooft haar vader
ONA Dordrecht inv. 251, f. 78: op 9 april 1669 heeft notaris A. Meijnaert zich op verzoek van Herman Vingerhoet, koopman en burger van Dordrecht, en Dirck Francken, koopman en schipper op de Rijn, vervoegd bij Herman Damen, Rijn- of beitelschipper, en hem aangezegd, dat hij Vingerhoet en Francken in aug. 1668 te Amsterdam heeft beledigd ten huize van een zekere Mathijs, apotheker aldaar, “mettet seggen … dat [zij] … waren dickkoppen, dat sij nevens andere groote schippers hem [Damen] … ende andere cleijne schippers uijt de stroom wilde dringen, maeckende een teijckeninge int taeffelboeck van een galge met een manneken daer aen”. Dat ook hij Vingerhoet in okt. 1668 te Keulen heeft “geinjurieert” door te zeggen, dat Vingerhoet “geseijt soude hebben dat vijff ende twintich off dertich cleijne schippers eerst geruwijneert ende uijt den Rhijnstroom moste sijn eer de questien tusschen d’heere van Ceulen met eenige schippers ontstaen sijnde, soude werden affgedaen”. Damen antwoordt daarop dat hij de tekening van de galg met het mannetje eraan niet heeft gemaakt, dat hij de de beledigingen “onbedachtelijck ende jegens de waerheijt uijtgesproken heeft, mitsgaders dat hij de selve Herman Vingerhoet ende Dirck Francken hout ende erkent voor eerlijcke luijden”.
ORA Dordrecht inv. 1622, f. 99v: op 8 mei 1669 verkoopt Herman Vingerhoet, koopman en burger van Dordrecht, voor 400 gl. aan Maeijken Hendricx, weduwe van Thomas Pauwels Klinckebijl, een huisje in de Tolbrugstraat Landzijde, staande naast het huis van de erfgenamen van Grietje Brouwers.
ONA Dordrecht inv. 233, f. 78: op 24 mrt. 1672 verkoopt Maximiliaen Schaeps, wonende te Yarmouth in Engeland, voor 2000 gl. aan Herman Vingerhoet, Willem Paff, Andries Sam, Pieter van Gelsdorp en Adoplhus van der Linde, kooplieden en burgers van Dordrecht, elk voor een vijfde part, een boot met drie masten, genaamd “de Trial”. Op dezelfde datum verkoopt Jean Fearni, wonende te “Kestaff” in Engeland, voor 3000 gl. aan dezelfde kopers, elk voor een vijfde part, een kits [bepaald type zeilschip].

Kits
ONA Dordrecht inv. 259, f. 92: op 5 sept. 1682 verhuurt Catharijna Sam, weduwe van Arent Huttenus, een wijnkelder onder haar huis in de Wijnstraat, genaamd “Beverenburgh”, voor 100 gl. per jaar. De huur zal ophouden, wanneer één van haar kinderen besluit zelf de wijnhandel te gaan bedrijven.
ONA Dordrecht inv. 261, f. 53: op 13 april 1686 verkoopt Joseph Milner, koopman te Rotterdam, als procuratie hebbende van zijn schoonvader Smart Goodenough, wonende in Engeland, voor 5350 gl. aan Herman Vingerhoet en Aelbert Wijgman, kooplieden te Dordrecht, welke Aelbert Wijgman samen met Gerard Vingerhoet, als procuratie hebbende van zijn vader Herman Vingerhoet, de koop accepteert, een huis in de Wijnstraat, staande tussen de Schrijversstraat en het huis van burgemeester Pieter Beelaerts, strekkende voor van de straat tot achter aan het pakhuis van Jacob van den Brandelaer, met alles wat daarin aard- en nagelvast is, met uitzondering van de goudleren behangsels en “schilderie” in de zaal, die zich voor aan de Wijnstraat bevindt.
ONA Dordrecht inv. 261, f. 173: op 28 okt. 1687 leggen Jan Cop, Hendrick Labring, René Poullain, Casper Ladigh, Pierre Belot en Jan Kamp, allen arbeiders in de raffinaderij in de Wijnstraat, op verzoek van de eigenaars van die raffinaderij en van Herman Vingerhoet, koopman te Amsterdam, een verklaring af. Jan Cop alleen verklaart, dat hij op 1 okt. 1687 is gegaan in het schip van Hendrick Verhoeven, dat met suiker en andere goederen geladen van Amsterdam was gekomen en toen in de haven achter de raffinaderij lag, om daar de suiker, zijnde vijf vaten te visiteren en dat hij uit de vaten heeft genomen zes broden suiker, “die hij alle geplect vont ende wel wetende dat het nette melisse moeste sijn, so is hij daerom genootsaeckt geweest sijne voorn. meesters daerbij te laten roepen [die]… daerbij gecoemen sijnde, hebben de selve suijckeren soo slegt bevonden dat sij … hebben geresolveert het genoemde vat met suijcker uijt het voorsz. schip het packhuijs te doen [in]brengen, om hetselve daer te ontpacken, ende naerder te visiteren, gelijck geschiede”. De overige getuigen verklaren, dat de meeste suiker in het vat “gepleckt en … aen stucken gebroken” was.
ONA Dordrecht inv. 261, f. 183: op 15 nov. 1687 verlenen Herman Vingerhoet en Aelbert Wijgman, kooplieden te Dordrecht, machtiging aan Jan van Gelé de jonge, koopman te Dordrecht, om voor hen waar te nemen gedurende hun afwezigheid “de koopmanschap en raffinaderij van suijckere in der selver raffinaderie” in Dordrecht.
ONA Dordrecht inv. 232, f. 66: op 22 mrt. 1689 verklaren Herman Vingerhoet, veertigraad en koopman te Dordrecht, Jan van Gelé, koopman te Dordrecht, en Fredrick Meulhoff, koopman te Rotterdam, dat zij “met malcanderen [zijn] aengegaen … een contract van socijteit ofte gemeenschap in een raffinaderij van suijcker”, te vestigen in Dordrecht. Vingerhoet zal in de compagnie inleggen de helft en Van Gelé en Meulhoff elk een vierde part van een somma van 48.000 gl. De meesterknecht en de overige knechts van de raffinaderij zullen “haer eijgen kost doen off door de compagnie gemeen gespijst werden sulx als sij met malcanderen sullen geraden vinden. Doch slaepplaetsen en bedden met der selver toebehooren alsmede slooven ende drinckebieren voor de selve sal nevens haere hueren off verdienste uijt de gemelte compagnie aen haer gelevert en voldaen werden”.
ORA Dordrecht inv. 1632, f. 14v: op 17 april 1689 verkoopt Gillis van der Ooth, als procuratie hebbende van Herman Vingerhoet, veertigraad van Dordrecht, voor 2100 gl. aan Aerent Coenen, kruidenier en burger van Dordrecht, een huis op de Groenmarkt, staande tussen de Visbrug en het huis van Maeijken Segers.
ONA Dordrecht inv. 262, f. 324: op 29 okt. 1691 verleent Elisabeth Heijligenhooft, weduwe van Herman Vingerhoet, machtiging aan haar oudste zoon Gerard Vingerhoet om voor haar waar te nemen “alle haer saecken ende affaires”.
ONA Dordrecht inv. 262, f. 326: op 29 okt. 1691 verhuurt Elisabeth Heijligenhooft, weduwe van Herman Vingerhoet, aan haar oudste zoon Gerard Vingerhoet, koopman te Dordrecht, voor 30 gl. per jaar de eerste zolder boven het kuiphuis in het huis, waarin zijn woont, alsmede de hangzolder of het knechtenkamertje. Zij zal behouden een turfkist of bak, die op de voornoemde zolder staat en de hooizolder tot mei 1692 of zoveel eerder als wanneer zij haar paarden zal verkopen.
ONA Dordrecht inv. 262, f. 359: op 14 mei 1692 comp. voor een Dordtse notaris Elisabeth Heijligenhooft, weduwe van Herman Vingerhoet, veertigraad en koopman van Dordrecht. Zij bevestigt het testament, dat zij op 26 nov. 1690 samen met haar man heeft gepasseerd voor notaris J. de Bets te Dordrecht, voor zover niet strijdig met het hierna volgende. Zij wenst, dat haar oudste zoon Gerard Vingerhoet, koopman te Dordrecht, na haar overlijden zal aannemen, in mindering van zijn erfportie, voor 14.000 gl. haar huis, kelder, pakhuis, kuiphuis en overige toebehoren in de Wijnstraat, strekkende van de straat tot achter op de Nieuwe Haven, staande tussen het huis en pakhuis van Abraham Sam en het huis van Vaster de Ram.
Herman Vingerhoedt en Lijsbeth Corstiaensdr. (Hellegers) laten dopen (NG Dordrecht):
a. Margareta, 22 juli 1652
b. Lijsbeth, 2 april 1654
c. Catharina Vingerhoed, geboren naar schatting ca. 1655, trouwde NG Dordrecht 5 mrt. 1679 Jan van Gelé, koopman
ONA Dordrecht inv. 262, f. 78: op 2 april 1689 verklaart Herman Vingerhoet, veertigraad en koopman te Dordrecht, dat zijn schoonzoon Jan van Gelé, koopman te Dordrecht, “voor hem comparant vele van sijne koopmanschappen gedaen … mitsgaders sijne affaires verrigt heeft”.
ONA Dordrecht inv. 193, f. 420: op 19 dec. 1695 maken Johan van Ghelé, koopman, en zijn vrouw Catherijna Vingerhoet, burgers van Dordrecht, beiden redelijk gezond van lichaam, hun testament. Zij benoemen tot erfgenaam de langstlevende van beiden, die gehouden zal zijn hun kinderen te onderhouden tot hun mondigheid of huwelijk en hun dan onder hen allen uit te keren een bedrag van 40.000 gl. De testateur wenst, dat na zijn overlijden het vrijmeesterschap van de Munt van Holland te Dordrecht zal vervallen aan zijn zoon Herman van Ghelé, op voorwaarde dat hij uit zijn vaderlijke goederen daarvoor zal betalen een somma van 1550 gl. Tot voogden over hun minderjarige erfgenamen benoemen zij de langstlevende van hen beiden, Jacob Vingerhoed, koopman te Rotterdam, broer van de testatrice, en Johannes van Eijsden, arts te Dordrecht, hun goede vriend.
d. Gerard Vingerhoed, geboren naar schatting ca. 1655, volgt III
e. Jacob Vingerhoed, jongman wonende te Rotterdam (1692), koopman te Rotterdam, begraven Rotterdam 29 aug. 1715 (Jacob Vingerhoet, weduwnaar van Catharina van der Plas, op de Gelderse Kade, Franse kerk, eigen graf), trouwde Rotterdam (stadstrouw) 25 juli/13 aug. 1692 Catharina van der Plas, jonge dochter wonende te Rotterdam (1692)
Kinderen:
e-1. Cornelia Vingerhoed, gedoopt Remonstrants Rotterdam 10 dec. 1694 (getuigen: Jan van der Plas, Catharina Vingerhoed, Jan van Gele)
e-2. Elisabeth Vingerhoed, gedoopt Remonstrants Rotterdam 26 jan. 1696 (getuige: Johan van der Plas)
e-3. Herman Vingerhoed, gedoopt Remonstrants Rotterdam 18 okt. 1697 (getuige: Johan van der Plas)
f. mogelijk ook Herman Vingerhoet de jonge, koopman te Amsterdam, mondig in 1687 (ONA Dordrecht inv. 261, f. 141, akte dd 2 mrt. 1687)
g. Johannes, 1 april 1669
III. Gerard (Gerrit) Vingerhoed, geboren naar schatting ca. 1655, koopman, trouwde 1e 14 jan. 1680 Elisabeth de Hulter, 2e 5 dec. 1690 Geertruij van Slingeland
ORA Dordrecht inv. 1629, f. 2 en ONA Dordrecht inv. 259, f. 9: op 13 jan. 1683 verkoopt Abraham Sam, veertigraad en koopman te Dordrecht, als procuratie hebbende van Cornelis van den Ancker, koopman wonende te Londen, en diens vrouw Sara Norden, laatst weduwe van Andries Sam, voor 9450 gl. aan Gerard Vingerhoet, koopman en burger van Dordrecht, een huis met een klein huis ernaast, staande in de Wijnstraat omtrent het Groothoofd, strekkende voor van de straat tot achter op de Kleine Vismarkt en staande tussen het huis van Johan van Diemen [genaamd “den Toelast”] en dat van Hendrick Penninck.
ONA Dordrecht inv. 261, f. 87: op 15 juli 1686 testeert Gerard Vingerhoet, koopman en burger van Dordrecht. Als hij vóór zijn ouders en zonder kinderen na te laten komt te overlijden, benoemt hij tot zijn enige erfgename [zijn schoonzuster] Johanna de Hulter, de vrouw van Abraham Sam, koopman te Dordrecht, op voorwaarde, dat zij aan zijn erfgenamen ab intestato zal uitreiken een somma van 10.000 gl., waarin hij zijn ouders, als die dan nog in leven zijn benoemt tot erfgenamen in plaats van de legitieme portie. Als hij kinderen zal nalaten, benoemt hij die tot zijn universele erfgenamen. Maar als die kinderen komen te overlijden voor hun mondigheid of huwelijk en voor het overlijden van zijn ouders, moeten in dat geval “alle de goederen die van de sijde van sijns testateurs huijsvrouw der voorsz. kinderen moeder gecomen sijn genoten” worden door [zijn schoonzuster] Johanna de Hulter, en alle overige goederen, die hij nalaten zal, door zijn erfgenamen ab intestato. In het geval, dat zijn kinderen na hem en niet tot mondigheid of huwelijk gekomen zijnde, allen komen te overlijden, nadat zijn ouders of één van beiden overleden zijn, wenst hij, testateur, dat alle goederen, die zijn kinderen zullen hebben geërfd van zijn ouders of één van beiden, zullen komen aan meer genoemde Johanna de Hulter voor twee derde parten en het resterende part aan zijn broers en zusters of bij vooroverlijden hun nakomelingen. Tot voogden over zijn minderjarige erfgenamen stelt hij aan zijn vader Herman Vingerhoet en zijn zwager Abraham Sam.
ONA Dordrecht inv. 262, f. 341: op 21 febr. 1692 verklaren Abraham Sam, koopman te Dordrecht, weduwnaar van Johanna de Hulter, en Gerrardt Vingerhoet, koopman te Dordrecht, weduwnaar van Elisabeth de Hulter, beiden dochters en erfgenamen van Maria Bergheijck, weduwe van Aert Michielsz. de Hulter, dat Maria Aertsdr. de With, weduwe van Johan van der Burch, in haar testament [datum niet vermeld] gepasseerd voor notaris J.Q. Buert, hun schoonmoeder tot universele erfgename heeft benoemd en in een codicil, gepasseerd voor notaris A. Meijnaert te Dordrecht op 9 dec. 1675, aan Maeijke Adriaensdr. Stoop, thans weduwe van Louijs Borgonjon, heeft gelegateerd een jaarlijkse uitkering van 50 gl., waarvoor Maeijke Stoop ten behoeve van Maria Bergheijk voor schepenen van Dordrecht op 3 juni 1678 heeft verleden een schuldbrief van 1000 gl., daarvoor verbindende een huis op de Tolbrug.
ORA Dordrecht inv. 1634, f. 25: op 7 mei 1693 verkopen Anna van den Abeele, weduwe van Aart Teggers, pachter van verscheidene gemenelandsmiddelen, en notaris Jan Debets, als voogd over de minderjarige kinderen van Aart Teggers, voor 1680 gl. aan Gerrard Vingerhoet, koopman en burger van Dordrecht, een huis in de Wijnstraat omtrent het Groothoofd, staande tussen het huis van de koper en dat van Maria van Wingaerden.
ORA Dordrecht inv. 1634, f. 107v: op 8 mei 1694 verkopen Jan van der Schaer, visser en burger van Dordrecht, tevens vervangende zijn zwager Govert Dionijsz., visser en burger van Dordrecht, voor 280 gl. aan Gerrard Vingerhoet, koopman te Dordrecht, een klein gedeelte van hun huis, staande aan de kade van de Nieuwe Haven tussen het huis van Gerrard Vingerhoet en de gang naast het pakhuis van Jan van Gelé, komende achter het huis van de koper, vanouds genaamd “den Toelast”, welk gedeelte voorheen is gebruikt als keuken.
ORA Dordrecht inv. 1636, f. 150: op 3 juli 1698 verkoopt Johan van den Brandelaar, thesaurier van Dordrecht, als gemachtigde van de burgemeesters van Dordrecht, voor 10.000 gl. aan de heren Vingerhoets, Van Eijsden en Mulhoff, “in compagnie” kooplieden te Dordrecht en Rotterdam, een huis, vanouds genaamd “het Westindisch Huijs”, staande in de Wijnstraat omtrent het Groothoofd tussen het huis van Louies van der Putten en dat van de weduwe en kinderen van Kalraat.
ORA Dordrecht inv. 1636, f. 177v: op 4 nov. 1698 verkoopt Gerrard Vingerhoet, koopman te Dordrecht, als voogd van zijn twee voordochters [d.w.z. zijn dochters uit zijn eerste huwelijk] Maria en Elisabeth Vingerhoet, voor 2500 gl. aan Cornelis Noteman, blokmaker en oud-burger van Dordrecht, twee naast elkaar staande huizen in het opgaan van de Boom aan de landzijde, staande naast het huis van kapitein Anthonij Walbeeck.
ORA Dordrecht inv. 1646, f. 8: op 19 febr. 1715 verkoopt Ruben van Hoven, boekhouder te Dordrecht, als procuratie hebbende van Gerrard Vingerhoet, veertigraad te Dordrecht, Elisabeth van Gelé, Jacoba Catarina van Gelé, Anthonij de Vries, brouwer te Dordrecht, als man van Johanna Gelé, tevens vervangende Jacob Vingerhoet, koopman te Rotterdam, voor 5332 gl. aan Fredrick Mulhoff, raffinadeur te Dordrecht, twee derde parten van de huizen, vanouds genaamd “het Westindische Huijs” en “het Ossenhooft”, staande in de Wijnstraat.

Het Westindisch Huijs in de Wijnstraat (foto: A.B. den Haan)
ORA Dordrecht 1654, f. 25: op 3 mei 1735 verkopen Jan de Bruijn, Philips van Haarlem en Mattheus Rees, als executeurs-testamentair en voogden over de minderjarige erfgenamen van Gerard Vingerhoed, veertigraad en koopman te Dordrecht, voor 10.150 gl. aan Willem Bijen, kapitein ter zee in Nederlandse dienst, een huis met een huisje ernaast, staande in de Wijnstraat omtrent het Groothoofd, van achteren uitkomende op de Kleine Vismarkt en staande tussen het huis van Hermanus Pippinghuizen en het pakhuis, dat eveneens is nagelaten door Gerard Vingerhoed. Dezelfde verkopers in hun genoemde hoedanigheid verkopen aan Margareta van Slingeland, weduwe van mr. Johan van Hoogeveen, burgemeester van Dordrecht, voor 515 gl. de helft van een huis in de Voorstraat bij de Nieuwkerkstraat, staande tussen het huis van de erfgenamen van burgemeester Barthout van Slingeland en dat van mr. Caspar Balthazar Doll van Ourijk.
ORA Dordrecht inv. 1782, f. 119v: op 17 mrt. 1739 verkopen Jan de Bruijn, burgemeester van de Achten, weduwnaar van Maria Vingerhoed, Mattheus Rees, als man van Cornelia Vingerhoed, en Philip van Haarlem, als voogd van zijn kinderen, door hem verwekt bij Elisabeth Vingerhoed, samen erfgenamen van Gerrard Vingerhoed, die in Dordrecht is overleden, voor 225 gl. aan Jan van der Weijden, tuinman wonende op grond van de Merwede, een tuin met de beplanting en een stenen huis erop, gelegen en staande op grond van de Merwede in het Steltepaadje buiten de Kleine Sluispoort tussen de tuin van de weduwe van Elias Venlo en het huis en de tuin van de koper.
Kinderen:
Ex 1:
a. Elisabeth Vingerhoed, gedoopt NG Dordrecht 21 sept. 1682, trouwde 22 jan. 1708 Philips van Haarlem
Kinderen (o.a.; allen NG gedoopt in Dordrecht):
a-1. Pieternella, 24 dec. 1710
a-2. Gerrard, 28 juni 1714
a-3. Jan, 24 juli 1715
a-4. Blasius, 17 juli 1717
a-5. Elisabeth, 31 mei 1719
a-6. Georgius, 25 sept. 1720
a-7. Philips, 26 dec. 1723
b. Maria Vingerhoet, geboren naar schatting ca. 1685, jonge dochter van Dordrecht wonende bij het Groothoofd (1708), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 21 jan./8 febr. 1708 (de bruidegom geassisteerd met zijn vader Pieter de Bruijn, de bruid met haar vader Gerrard Vingerhoet, veertigraad van Dordrecht) Jan de Bruijn, jongman van Dordrecht wonende omtrent de Lange Houten Brug (1708)
Kinderen (o.a.; allen NG gedoopt in Dordrecht):
b-1. Pieter,14 dec. 1708
b-2. Elisabeth Maria, 15 okt. 1710
b-3. Gerrard, 8 juni 1712
b-4. Geertruijd Johanna, 22 sept. 1713
b-5. Cornelia Philippina, 21 juli 1716
b-6. Pieternella Jacoba, 19 nov. 1717
Ex 2 (kinderen van Gerard Vingerhoed en Geertruij van Slingeland):
c. Cornelia Vingerhoed, gedoopt NG Dordrecht 7 april 1690, trouwde 1e 12 april 1711 Mattheus Rees, 2e Damas van Slingeland
ORA Dordrecht inv. 1756, f. 101v: op 10 mei 1759 verkopen “Mattheus Rees, inden Oud-Raad en Rochus Rees, inden Veertigen resp: binnen dese Stad, Item de Heer Gerard de Bevere, inden Agten deser voorsz. Stad en Bailliuw en Dijkgraaff vanden Lande van Strijen als in Huwelijk hebbende Vrouwe Petronella Rees, ende laastelijk nog den voorn: Heer Mattheus Rees als last en Procuratie hebbende vande Heer Pieter Meerman Johansz:, Oud-commissaris van het Zeerecht te Rotterdam, en van Vrouwe Johanna Rees, Egteluijden, volgens deselve Procuratie daervan sijnde gepasseert voorden Notaris Jan Theodore Friscarode en getuijgen te Rotterdam in dato den 2 Meij 1759 ons Scheepenen verthoont, zijnde de voorn: Heeren Mattheus en Rochus Rees, en Vrouwen Petronella en Johanna Rees de eenige nagelatene kinderen mitsgrs. geinstitueerde Erffgenamen van wijlen Vrouwe Cornelia Vingerhoed in Haar Ed. leve eerst wed. en Boedelhouster vande Heer Mattheus Rees inden Oud-Raad, en laast Huijsvrouw vande Heer Mr: Damas van Slingeland, Raad en Oud Burgemeester deser Stad”, voor 2350 gl. aan Adam Statenus, koopman te Dordrecht, een pakhuis, genaamd “Resenburgh”, staande op de Kalkhaven buiten de Grote Sluispoort tussen het pakhuis van Jan van Eijck en de gemenelandswerf.
ORA Dordrecht inv. 1663, f. 14v: op 27 mrt. 1760 verkopen Mattheus Rees, Rochus Rees, en Gerard de Bevere, baljuw en dijkgraaf van het Land van Strijen, als man van Petronella Rees, voor zichzelf en samen tevens vervangende hun zuster Johanna Rees, de vrouw van Pieter Meerman Johansz., wonende te Rotterdam, samen kinderen en erfgenamen van Cornelia Vingerhoed, eerst weduwe van Mattheus Rees en laatst echtgenote van mr. Damas van Slingeland, oud-burgemeester van Dordrecht, voor 1800 gl. aan mr. Damas van Slingeland voor de ene helft en aan Pieter Meerman Johansz., secretaris van Beukelsdijk en Oost- en West-Blommerdijk, genaamd Kool, voor de andere helft, een groot, hecht en sterk pakhuis, met een wijnkelder eronder en een plaats erachter, komende met een gang op de Kleine Vismarkt, staande in de Wijnstraat omtrent het Groothoofd tussen het huis van de weduwe van Hendrik van den Sandheuvel en dat van de erfgenamen van Cornelia van Kranenburgh, weduwe van Hendrik de Jager.
ORA Dordrecht inv. 1670, f. 167: op 22 april 1779 verkoopt “Mattheus Rees Heeren Mattheusz: Raad in de vroedschap, en Oud Burgemeester dezer Stad &: &: in qualiteit als door wijlen Vrouwe Pieternella Rees, wed.e wijlen de Heer Herman Vingerhoedt, in zijn Ed. Leven in den Agten dezer Stad, bij Testament op den 6 junij 1769 voor den Notaris Gerardus Verveer en getuigen alhier ter Steede gepasseert, met en nevens den Wel Ed. Gestr. Heer Mattheus Rees Gillisz: aangestelde, dan vermits ’t vooroverlijden van Laatstgemelde Heer, nu alleen fungeerende Executeur, in haar Wel Ed. Geboore boedel, en voogd over de minderjarige daar in geregtigd” voor 9150 gl. aan Elisabeth Oem, weduwe van mr. Jacob Roest, wonende te Dordrecht, een huis in de Wijnstraat aan de havenzijde met een huis ernaast, staande tussen het huis van Elizabet Philippina van Slingelandt, weduwe van mr. Johannes Dierkens, en dat van de commies Driesprong.
Kinderen (allen NG gedoopt in Dordrecht):
c-1. Mattheus Rees, 26 jan. 1713
c-2. Gerard, 3 jan. 1715
c-3. Piternella Rees, 4 juli 1716, trouwde Gerard de Bevere, baljuw en dijkgraaf van het Land van Strijen
c-4. Rochus Rees, 4 mei 1718
c-5. Herman, 25 mei 1720
b-6. Elisabeth, 23 jan. 1722
c-7. Geertruij, 19 febr. 1723
c-8. Johanna Rees, 11 febr. 1725, trouwde Pieter Meerman Johansz.
d. Hermanus Vingerhoed, gedoopt NG Dordrecht 27 nov. 1692, jongman van Dordrecht (1721), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 3/21 april 1721 (de bruidegom geassisteerd met zijn vader Gerrard Vingerhoed, veertigraad van Dordrecht, de bruid met haar vader Mattheus Rees) Petronella Rees, jonge dochter van Dordrecht (1721)
ORA Dordrecht inv. 1649, f. 174: op 1 okt. 1722 verkopen “Samuel de Moraaz geswore Clercq ter Secretarie dezer Stadt en mede notaris alhier, als speciale Last en procuratie hebbende van Juffrouw Catharina Backus wed.e en Boedelhouster van wijlen d’hr. Pieter Cloens, woonende alhier voor een derde part, Item van Juffrouw Margaretha Plukké wed.e en Boedelhoudster van wijlen de Heer Corstiaan Backus, woonagtig alhier mede voor een derde part als mede van de Heer Mattheus Rees, Coopman alhier voor een agtste in een derde parte, ende hem boven dien sterkmakende voor de Heer Willem Rees mede voor een agtste in een derde part Gelijk ook vande Heer Gillis Rees Coopman alhier voor een agtste in en derde part, en hem bovendien sterkmakende voorde Heer Willem Rees mede voor een agtste in een derde part, Item van deselve Heer Mattheus en Gillis Rees mitsgaders haar sterkmakende voor de Heer Willem Rees met hen drien in qual.t als voorgden over haare minderjarige broeder de Heer Pieter Rees, ende ten dien reguarde approbatie hebbende vande Ed. Groot Agtb. Heere die van de Camere Judicieel deser Stadt volgens Appoinctemente van dato den 24e September 1722 mede voor een agtste in een derde part, mitsgaders van de Heer Cornelis Terwe, Coopman alhier als in houwelijk hebbende Juffr. Johanna Rees voor een agtste in een derde part, alsmede vande Heer Herman Vingerhoedt Coopman alhier in houwelijk hebbende Juffrouw Petronella Rees voor een agtste in een derde part. Gelijk ook van de Heer Adrianus Verster bedienaar des Goddelijke woords binnen deze Stadt, als in houwelijk hebbende Juffrouw Cornelia Rees voor een agtste in een derde part En Laastelijk van Juffrouw Elisabeth Rees meerderjaarige ongehuwde Juffrouw woonagtig alhier mede voor een agste in een dere part; alle gezaamentlijk in qualiteijt als erfgenaamen van Juffr. Johanna van Oost wed.e wijlen de Heer Jan Backus Coopman”, voor 3320 gl. aan Adriaan ’t Hooft Cornelisz., thans wonende te Dordrecht, een huis met pakhuis ernaast, verscheidene zolders erboven, en een eigen kade ervoor, staande in de Houttuinen tussen de Grote Kerkstraat en het huis van Adriaan van der Pot koopman.
ORA Dordrecht inv. 1651, f. 132: op 11 mei 1728 verkopen “Mr: Johan Bout, Vrij Heer van Lieshout alhier als in Huwel: hebbende, vrouwe Sara Repelaar dogter en meede Erffgenaam van wijlen De Heer Mr: Hugo Repelaar in sijn Ed: Leeven Borgemeester deeser Stad, ende weegens de voorsz: Stadt gecommitteert in ’t Ed. Mogende Collegie ter admiraliteijt op de Maas, nogh De heer Mr: Anthonij Dirk Repelaar door Veniam Aetatis meerderjarig soon en meede Erffgenaam vanden voorn. Heer Mr: Hugo Repelaar Ende nog den voorsz: Heer Mr: Jan Bout als last en Procuratie hebbende van Vrouwe Hester Cooijman wed:e wijlen De Heer Anthonij Repelaar in sijn Ed:e Leeven Borgemeester deezer Stad als Grootmoeder en voogdesse over de minderjarige naargelatene dogter en meede Erffgenaame vanden voorn: Heer en Mr. Hugo Repelaar, ende van Jonkvrouw Hendrika Repelaar dogter en meede Erffgen: vanden voorsz: Heer en Mr: Hugo Repelaar”, voor 5600 gl. aan Herman Vingerhoed, achtraad van Dordrecht, twee naast elkaar staande huizen in de Wijnstraat aan de havenzijde, staande tussen het huis van mr. Johan van der Burgh, heer van Naaldwijk en Sliedrecht, en dat van de weduwe Van As.
Weeskamer Dordrecht inv. 37, f. 39v: op 9 dec. 1777 extract in het weesboek ingeschreven van het testament van Pieternella Rees, weduwe van Herman Vingerhoet, achtraad van Dordrecht, gepasseerd voor notaris G. Verveer te Dordrecht op 6 juni 1769. Zij heeft daarin tot voogden over haar minderjarige erfgenamen benoemd Mattheus Rees Mattheusz. en Mattheus Rees Gillisz. Laatstgenoemde is inmiddels overleden.