ORA Dordrecht inv. 1572 (1580)

12 juli 1580: Jan Simonsz. kruidenier verkoopt Pieter IJsbrantsz. koperslager een huis op de Groenmarkt, staande tussen het huis van Jan Simonsz. en Jan van Burick kaaskoper. Waarborg: Henrick Cornelisz. van Baerle. De koper is schuldig aan de verkoper een somma van 1100 gl. Borgen: Aert Pouwelsz. smid en Joris Aertsz. messenmaker. De koper verkoopt aan de twee weeskinderen van Claes Jansz., verwekt bij Lijntgen Jansdr. van Eijnden, genaamd Janneken Claesdr. en Huijbert Claesz. een jaarlijkse losrente van 4 Vlaamse ponden. (akte 1 t/m 3)

12 juli 1580: Willem Willemsz., als voogd van de weeskinderen van Willem Cornelis Willemsz., zijn broer, verkoopt Dirck Huijbrechtsz. een vijfde part, dat de kinderen toekomt, in een huis, genaamd “Beaumont”, staande aan de Poortzijde bij de Nieuwbrug tussen het huis, genaamd “het Paradijs” en dat genaamd “Venlo”. (akte 4)

12 juli 1580: Dirck Huijbrechtsz. en Willem Willemsz. hellebaardier verkopen Janneken Stevensdr., onmondig weeskind van Steven Jan Verelst, de eigendom van een brief. (akte 5)

12 juli 1580: Henrick Tolvoet verleent procuratie aan mr. Ghijsbert, stadsbode te Vianen, om te vorderen 11 Vlaamse ponden, die hem toekomen van het sterfhuis van Henrick Geeritsz. schipper, die tijdens zijn leven woonde in Vianen. (akte 6)

12 juli 1580: op verzoek van Heijman Ariensz. van Werkendam, verklaren Jacob Jansz., 36 jaar oud, en Steven Evertsz., 32 jaar oud, dat zij ongeveer vier maanden tevoren geweest zijn ten huize van Steven Evertsz., waar toen mr. Jan en mr. Dirck samen aangenomen hebben te genezen Pieter Barentsz., waarbij afgesproken werd, dat indien zij hem genazen “soe dat hij daervan opstont ende geen gebreck after hadde”, zij als meesterloon zouden ontvangen 50 gl., als hij niet geheel genezen zou zijn, zij niet meer zouden krijgen dan 3 Vlaamse ponden en als hij zou sterven zij 3 Vlaamse ponden zouden krijgen.(akte 7)

12 juli 1580: op verzoek van Cleijsgen Gijsbertsdr., de vrouw van Frans Rochusz. houtkoper, verklaart Cornelis Adriaensz., schipper en kaaskoper, burger van Dordrecht, ca. 60 jaar oud, dat hij circa 5 weken tevoren aanwezig is geweest ten huize van Pieter Rochusz., waar mede present was voornoemde Frans Rochusz. en een zekere Maerten Philipsz van Alkmaar [de rest is onleesbaar] (akte 8)

14 juli 1580: Neeltgen Haecx, de vrouw van Simon Haeck, verleent procuratie aan Evert Boegel. (akte 9)

14 juli 1580: Lueven Slachmoelen, inwoner van Dordrecht, verleent procuratie aan Henrick Fibis, Johan Blickvelt en mr. Kint Willem, wonende te Wezel. (akte 10)

15 juli 1580: Cornelis Meusz. van Streefkerk verklaart gemachtigd te zijn door Tonis Adriaensz, voogd van vaderszijde van het kind van Adriaen Adriaensz., genaamd Damas Adriaensz., en Jan Damasz. van Streefkerk, voogd van moederszijde van Damas Adriaensz., en Cornelis Meusz. nog als gemachtigde van Maritge Adriaensdr. te Streefkerk en voogd en procuratie hebbende van Meus Jacobsz. en Marige Pietersdr., allen erfgenamen van Magdalena Adriaensdr., weduwe van Rochus Antonisz. Hij verklaart getransporteerd te hebben aan Michiel Jacobsz., als man van Aefke Claesdr., weduwe van Cornelis Tonisz. Hollant een schepenenschuldbrief, gepasseerd voor schepenen van de heerlijkheid Beijerland, inhoudende 25 Vlaamse ponden. (akte 11)

15 juli 1580: Jacob Alberts. Clinckert, ’s heren dienaar, verklaart, dat hij op verzoek van Rick Huijgensz., brouwer te Delft, rechtelijk gearresteerd heeft de persoon en het schip van Arien Buijr uit de Korendijk, “hem belastende van dese stede nijet te vertrecken ten zij hij pertie van zijn achterwesen hadde voldaen”. (akte 12)

15 juli 1580: op verzoek van Govert Willemsz., waard in “de Griffioen”, verklaren Rutgert Cornelisz. kleermaker, ongeveer 45 jaar oud, Jan Jacobsz. tingieter, ongeveer 41 jaar oud, Joost Joostensz. tingietersknecht, ongeveer 21 jaar oud, en Lijntgen Ariensdr., ongeveer 26 jaar oud, dat de dag tevoren een meisje met een vaatje wijn op een “cordewagen” [kruiwagen] van de Wijnbrug is af komen “cruijen” naar de Tolbrug, daarmee is voorbijgegaan voor het huis van de rekwirant en gekomen ongeveer tussen het huis “den Both” en dat van de bakker, die ernaast woont, aldaar is stil gestaan. Voor de deur van de rekwirant is toen gekomen Huijch Snouck, die zeer dronken was en tegen de rekwirant zei: “deze wijn moet hier in huis zijn. De rekwirant heeft tegen Snouck gezegd: ” Ik ken de wijn en de meid niet”, waarop Snouck zei: “gij liegt het, de wijn moet hier zijn”. Snouck heeft de rekwirant 3 of 4 keer voor leugenaar uitgemaakt, waarop die hem een vuistslag voor zijn hoofd gaf. Comp. mede Nicasius Pietersz. wijnkuiper, ongeveer 30 jaar oud, die verklaart, dat hij de wijn met zijn meid met een kruiwagen gezonden heeft om deze te brengen in de schuit van de “coop” Gribbers, liggende aan de Karnemelksteiger, zonder dat de rekwirant “eenighe wetenschap off kennisse daer van gehadt heeft”. (akte 13)

16 juli 1580: Jacob Fransz. houtvletter verkoopt aan Pieter Pieters Corssen bakker een huis omtrent de Vuilpoort aan de havenzijde, staande tussen het huis van Maerten Cornelisz. Bouffgens en dat van de erfgenamen van Ploen de lapper. Waarborg: Jan Cornelisz. Poerdoes. De koper is schuldig aan de verkoper een somma van 299 gl. Borgen: Jan Philipsz. en Pieter Jansz. tingieter. (akten 14 en 15)

16 juli 1580: Adriaen Heijthoven brouwer “constituit hem … appellant of reformant van alsulcken appointemente oft sententie als bijden Hove van Hollant opten VIIIen julij lestleden gepronunchieert is” tussen hem, comparant, “als impetrant in cas dappel”, en de erfgenamen van Thonis Woutersz. stoeldraaier en zijn vrouw Maritgen Willemsdr., wonende in Dordrecht. (akte 16)

16 juli 1580: Gijsbrecht Jansz. Coninck, dijkgraaf, Dirck Philipsz., Cornelis van Schaerlaecken Gijsbertsz. en Meijnart van Segwaert, hoogdijkheemhraden van de Alblasserwaard, voor zichzelf en mede vervangende hun mede-hoogdijkheemraden, verlenen procuratie ad lites aan Cornelis van Dam, procureur voor het Hof van Holland, contra jonkvrouwe Anna van Outheusden, weduwe van mr. Aerndt Brebel. (akte 17)

15 juli 1580: op verzoek van Jan van Ingen, schipper van Roermond, verklaart Jan Jansz. Hoochaers, 44 jaar oud, dat in april bij hem in huis gekomen is Henrick Florisz., die vroeg of hij, deposant, hem zou willen helpen aan een of tweehonderd grote kolen. De deposant zei toen tegen hem gezegd, dat hij voor hem een koopman wilde halen. Daarna heeft hij de rekwirant geroepen en zijn zij overeengekomen aangaande de koop van anderhalf honderd kolen. (akte 18)

18 juli 1580: op verzoek van Kaernt Dircksz. verklaren Marijcken Aertsdr., 65 jaar oud, en Anna Ooms Jansdr. 62 jaar oud, dat toen zij woonden als zusters in het Mariënbornklooster, de goot van de slaapzaal, de goot van de gastenkamer en de goot van het “spreeckhuijs” altijd gelopen hebben door het “spreeckhuijs” in de plaats van het convent, dat nu het weeshuis is, en voorts dat de zusteren, die in het “spreeckhuijs” sliepen, als er een slagregen viel, hun bedden hebben moeten ruimen, omdat de goten overliepen. (akte 19)

18 juli 1580: op verzoek van Pieter Romers van Amsterdam verklaart Michiel Dionijsz., schipper en burger van Dordrecht, 36 jaar oud, dat de rekwirant hem in 1573 nooit enige goederen gebracht heeft. (akte 20)

19 juli 1580: Willem Willemsz. Stolckenaer transporteert aan Grietgen Willemsdr., onmondig weeskind van Thijs Willemsz. brouwersknecht, verwekt bij Neeltgen Aertsdr., een schepenenschuldbrief, verleden door Pel Aertsz. metselaar, waarvan nog resteert 12 Vlaamse ponden. (akte 21)

26 juli 1580: Hans Terwaert, als curator van het sterfhuis van Willem Adriaensz. Snouck, verkoopt Jacob Berrits stadhouder een huis tegenover de Kruiskapel, staande tussen het huis “het Dubbelt Cruijs” en het huis, waar uithangt “de Zon”. De koper is schuldig aan de verkoper een somma van 1000 gl. (akten 22 en 23)

19 juli 1580: op verzoek van Fop Huijgen uit Nieuw-Lekkerland verklaart Cornelis Jansz., wonende in Brandwijk, ongeveer 34 jaar oud, dat in aug. 1578 bij hem in huis te Streefkerk, waar hij toen woonde, bijeengekomen zijn Cornelis Pietersz. Stam, wonende in Bergambacht, en de rekwirant en dat toen Stam “verveijlt” heeft aan de rekwirant een obligatie, verleden door Ghijsbert Jansz. te Streefkerk, inhoudende 100 schilden. Fop Huijgen heeft toen tegen Stam gezegd, dat hij geen interesse had. Daarop zijn hij, deposant, en Stam gegaan naar het huis van Ghijsbert Jansz., waar diens vrouw hen vertelde, dat haar man op het veld was. Stam heeft tegen haar gezegd: “ziet Aeltgen Ghijben dese obligatie hebben ick Fop Huijgen verveijlt maar hij en begeert die nijet te copen off het most u believen”. Waarop de vrouw zei: “wij hebben geen geld”. Zij zijn toe terug gegaan naar Fop Huijgensz., die zei: “spreek met Ghijsbert Jansz. zelf”. Aldus gedaan hebbende, zei Ghijsbert Jansz.: “ik wil niet kopen, want ik heb geen geld. Ik heb liever, dat Fop Huijgen de obligatie heeft dan Adriaen Aertsz. Haen”. Comp. mede Jan Florisz., bode te Streefkerk, ongeveer 30 jaar oud, en verklaart met Cornelis Jansz., dat hij de andere dag of twee dagen later gezien heeft, dat Fop Huijgensz. aan Cornelis Pietersz. Stam het beloofde geld betaald heeft. Daarna zijn Jan Florisz., Stam en Cornelis Jansz. naar Ghijsbert Jansz. gegaan en hebben hem gezegd: “bestelt Fop Huijgen zijne penningen weder binnen XIIII daegen, hij is daer mede te vreden”. (akte 24)

20 juli 1580: Jacob Franz. houtvletter transporteert aan Neeltgen Ariensdr. Kennip een schepenenschuldbrief, verleden door Pieter Pieter Corssen bakker, inhoudende 299 gl. (akte 25)

20 juli 1580: op verzoek van Crijn Daemasz. verklaart Marijcken Cornelisdr., ongeveer 60 jaar oud, dat voor Vastenavond zij gewoond heeft achter aan de Vest bij de Spuipoort met een vrouw, genaamd Grijetken, die tapte of herberg hield, en dat zij daar heeft zien drinken Henrick Hijesvelt met de rekwirant en andere personen en dat zij met elkaar woorden hadden aangaande een Roomse reis. De rekwirant zei toen, “dat hij hem aen de coop van de Roomsche reijs niet en begeerde te houden”, waarop Hijesvelt zei: “gij en derff daer geen woorden om maecken, ten is niet beuselarij … betaelt u gelach en gaat deur”. De rekwirant heeft zijn gelag betaalt en is heengegaan. Comp. mede Cornelis Aertsz. glasmaker, ongeveer 38 jaar oud, die verklaart, dat hij met zijn vrouw gekomen is ten huize van de rekwirant om “te neder te leggen” de kwestie tussen Hiesvelt en de rekwirant aangaande de Roomse reis en dat Hiesvelt tegen hem en zijn vrouw zei: “ten sijn maer beuselarij ende brabbelingh, ick doet maer om dat hij op een andere tijt soe veel snaps niet hebben en soude ende begeerde den coop niet”. Comp. mede mr. Cornelis Ariensz., ongeveer 37 jaar oud, die verklaart, dat hij ’s anderendaags Hiesvelt bij heeft laten halen en dat Hiesvelt gezegd heeft: “daer en sijn maer twee kannen wijns op verdroncken ende daer sijn de gasten vroom genoech toe om dat te betalen”. Hiesvelt heeft de deposant daarna mee naar buiten genomen en gezegd: “ick gecker maer mede ende tes beuselarij, ick doet maer om te sien hoe hij ende sijn huijsvrouwe haer houden souden ende om dat hijt op een ander tijt te beter laeten soude”. (akte 26)