ORA Dordrecht inv. 1572 (1580)

NB: de inhoud van sommige akten heb ik op andere plaatsen in deze website gezet.

12 juli 1580: Jan Simonsz. kruidenier verkoopt Pieter IJsbrantsz. koperslager een huis op de Groenmarkt, staande tussen het huis van Jan Simonsz. en Jan van Burick kaaskoper. Waarborg: Henrick Cornelisz. van Baerle. De koper is schuldig aan de verkoper een somma van 1100 gl. Borgen: Aert Pouwelsz. smid en Joris Aertsz. messenmaker. De koper verkoopt aan de twee weeskinderen van Claes Jansz., verwekt bij Lijntgen Jansdr. van Eijnden, genaamd Janneken Claesdr. en Huijbert Claesz. een jaarlijkse losrente van 4 Vlaamse ponden. (akte 1 t/m 3)

12 juli 1580: Willem Willemsz., als voogd van de weeskinderen van Willem Cornelis Willemsz., zijn broer, verkoopt Dirck Huijbrechtsz. een vijfde part, dat de kinderen toekomt, in een huis, genaamd “Beaumont”, staande aan de Poortzijde bij de Nieuwbrug tussen het huis, genaamd “het Paradijs” en dat genaamd “Venlo”. (akte 4)

12 juli 1580: Dirck Huijbrechtsz. en Willem Willemsz. hellebaardier verkopen Janneken Stevensdr., onmondig weeskind van Steven Jan Verelst, de eigendom van een brief. (akte 5)

12 juli 1580: Henrick Tolvoet verleent procuratie aan mr. Ghijsbert, stadsbode te Vianen, om te vorderen 11 Vlaamse ponden, die hem toekomen van het sterfhuis van Henrick Geeritsz. schipper, die tijdens zijn leven woonde in Vianen. (akte 6)

12 juli 1580: op verzoek van Heijman Ariensz. van Werkendam, verklaren Jacob Jansz., 36 jaar oud, en Steven Evertsz., 32 jaar oud, dat zij ongeveer vier maanden tevoren geweest zijn ten huize van Steven Evertsz., waar toen mr. Jan en mr. Dirck samen aangenomen hebben te genezen Pieter Barentsz., waarbij afgesproken werd, dat indien zij hem genazen “soe dat hij daervan opstont ende geen gebreck after hadde”, zij als meesterloon zouden ontvangen 50 gl., als hij niet geheel genezen zou zijn, zij niet meer zouden krijgen dan 3 Vlaamse ponden en als hij zou sterven zij 3 Vlaamse ponden zouden krijgen.(akte 7)

12 juli 1580: op verzoek van Cleijsgen Gijsbertsdr., de vrouw van Frans Rochusz. houtkoper, verklaart Cornelis Adriaensz., schipper en kaaskoper, burger van Dordrecht, ca. 60 jaar oud, dat hij circa 5 weken tevoren aanwezig is geweest ten huize van Pieter Rochusz., waar mede present was voornoemde Frans Rochusz. en een zekere Maerten Philipsz van Alkmaar [de rest is onleesbaar] (akte 8)

14 juli 1580: Neeltgen Haecx, de vrouw van Simon Haeck, verleent procuratie aan Evert Boegel. (akte 9)

14 juli 1580: Lueven Slachmoelen, inwoner van Dordrecht, verleent procuratie aan Henrick Fibis, Johan Blickvelt en mr. Kint Willem, wonende te Wezel. (akte 10)

15 juli 1580: Cornelis Meusz. van Streefkerk verklaart gemachtigd te zijn door Tonis Adriaensz, voogd van vaderszijde van het kind van Adriaen Adriaensz., genaamd Damas Adriaensz., en Jan Damasz. van Streefkerk, voogd van moederszijde van Damas Adriaensz., en Cornelis Meusz. nog als gemachtigde van Maritge Adriaensdr. te Streefkerk en voogd en procuratie hebbende van Meus Jacobsz. en Marige Pietersdr., allen erfgenamen van Magdalena Adriaensdr., weduwe van Rochus Antonisz. Hij verklaart getransporteerd te hebben aan Michiel Jacobsz., als man van Aefke Claesdr., weduwe van Cornelis Tonisz. Hollant een schepenenschuldbrief, gepasseerd voor schepenen van de heerlijkheid Beijerland, inhoudende 25 Vlaamse ponden. (akte 11)

15 juli 1580: Jacob Alberts. Clinckert, ’s heren dienaar, verklaart, dat hij op verzoek van Rick Huijgensz., brouwer te Delft, rechtelijk gearresteerd heeft de persoon en het schip van Arien Buijr uit de Korendijk, “hem belastende van dese stede nijet te vertrecken ten zij hij pertie van zijn achterwesen hadde voldaen”. (akte 12)

15 juli 1580: op verzoek van Govert Willemsz., waard in “de Griffioen”, verklaren Rutgert Cornelisz. kleermaker, ongeveer 45 jaar oud, Jan Jacobsz. tingieter, ongeveer 41 jaar oud, Joost Joostensz. tingietersknecht, ongeveer 21 jaar oud, en Lijntgen Ariensdr., ongeveer 26 jaar oud, dat de dag tevoren een meisje met een vaatje wijn op een “cordewagen” [kruiwagen] van de Wijnbrug is af komen “cruijen” naar de Tolbrug, daarmee is voorbijgegaan voor het huis van de rekwirant en gekomen ongeveer tussen het huis “den Both” en dat van de bakker, die ernaast woont, aldaar is stil gestaan. Voor de deur van de rekwirant is toen gekomen Huijch Snouck, die zeer dronken was en tegen de rekwirant zei: “deze wijn moet hier in huis zijn. De rekwirant heeft tegen Snouck gezegd: ” Ik ken de wijn en de meid niet”, waarop Snouck zei: “gij liegt het, de wijn moet hier zijn”. Snouck heeft de rekwirant 3 of 4 keer voor leugenaar uitgemaakt, waarop die hem een vuistslag voor zijn hoofd gaf. Comp. mede Nicasius Pietersz. wijnkuiper, ongeveer 30 jaar oud, die verklaart, dat hij de wijn met zijn meid met een kruiwagen gezonden heeft om deze te brengen in de schuit van de “coop” Gribbers, liggende aan de Karnemelksteiger, zonder dat de rekwirant “eenighe wetenschap off kennisse daer van gehadt heeft”. (akte 13)

16 juli 1580: Jacob Fransz. houtvletter verkoopt aan Pieter Pieters Corssen bakker een huis omtrent de Vuilpoort aan de havenzijde, staande tussen het huis van Maerten Cornelisz. Bouffgens en dat van de erfgenamen van Ploen de lapper. Waarborg: Jan Cornelisz. Poerdoes. De koper is schuldig aan de verkoper een somma van 299 gl. Borgen: Jan Philipsz. en Pieter Jansz. tingieter. (akten 14 en 15)

16 juli 1580: Adriaen Heijthoven brouwer “constituit hem … appellant of reformant van alsulcken appointemente oft sententie als bijden Hove van Hollant opten VIIIen julij lestleden gepronunchieert is” tussen hem, comparant, “als impetrant in cas dappel”, en de erfgenamen van Thonis Woutersz. stoeldraaier en zijn vrouw Maritgen Willemsdr., wonende in Dordrecht. (akte 16)

16 juli 1580: Gijsbrecht Jansz. Coninck, dijkgraaf, Dirck Philipsz., Cornelis van Schaerlaecken Gijsbertsz. en Meijnart van Segwaert, hoogdijkheemhraden van de Alblasserwaard, voor zichzelf en mede vervangende hun mede-hoogdijkheemraden, verlenen procuratie ad lites aan Cornelis van Dam, procureur voor het Hof van Holland, contra jonkvrouwe Anna van Outheusden, weduwe van mr. Aerndt Brebel. (akte 17)

15 juli 1580: op verzoek van Jan van Ingen, schipper van Roermond, verklaart Jan Jansz. Hoochaers, 44 jaar oud, dat in april bij hem in huis gekomen is Henrick Florisz., die vroeg of hij, deposant, hem zou willen helpen aan een of tweehonderd grote kolen. De deposant zei toen tegen hem gezegd, dat hij voor hem een koopman wilde halen. Daarna heeft hij de rekwirant geroepen en zijn zij overeengekomen aangaande de koop van anderhalf honderd kolen. (akte 18)

18 juli 1580: op verzoek van Kaernt Dircksz. verklaren Marijcken Aertsdr., 65 jaar oud, en Anna Ooms Jansdr. 62 jaar oud, dat toen zij woonden als zusters in het Mariënbornklooster, de goot van de slaapzaal, de goot van de gastenkamer en de goot van het “spreeckhuijs” altijd gelopen hebben door het “spreeckhuijs” in de plaats van het convent, dat nu het weeshuis is, en voorts dat de zusteren, die in het “spreeckhuijs” sliepen, als er een slagregen viel, hun bedden hebben moeten ruimen, omdat de goten overliepen. (akte 19)

18 juli 1580: op verzoek van Pieter Romers van Amsterdam verklaart Michiel Dionijsz., schipper en burger van Dordrecht, 36 jaar oud, dat de rekwirant hem in 1573 nooit enige goederen gebracht heeft. (akte 20)

19 juli 1580: Willem Willemsz. Stolckenaer transporteert aan Grietgen Willemsdr., onmondig weeskind van Thijs Willemsz. brouwersknecht, verwekt bij Neeltgen Aertsdr., een schepenenschuldbrief, verleden door Pel Aertsz. metselaar, waarvan nog resteert 12 Vlaamse ponden. (akte 21)

26 juli 1580: Hans Terwaert, als curator van het sterfhuis van Willem Adriaensz. Snouck, verkoopt Jacob Berrits stadhouder een huis tegenover de Kruiskapel, staande tussen het huis “het Dubbelt Cruijs” en het huis, waar uithangt “de Zon”. De koper is schuldig aan de verkoper een somma van 1000 gl. (akten 22 en 23)

19 juli 1580: op verzoek van Fop Huijgen uit Nieuw-Lekkerland verklaart Cornelis Jansz., wonende in Brandwijk, ongeveer 34 jaar oud, dat in aug. 1578 bij hem in huis te Streefkerk, waar hij toen woonde, bijeengekomen zijn Cornelis Pietersz. Stam, wonende in Bergambacht, en de rekwirant en dat toen Stam “verveijlt” heeft aan de rekwirant een obligatie, verleden door Ghijsbert Jansz. te Streefkerk, inhoudende 100 schilden. Fop Huijgen heeft toen tegen Stam gezegd, dat hij geen interesse had. Daarop zijn hij, deposant, en Stam gegaan naar het huis van Ghijsbert Jansz., waar diens vrouw hen vertelde, dat haar man op het veld was. Stam heeft tegen haar gezegd: “ziet Aeltgen Ghijben dese obligatie hebben ick Fop Huijgen verveijlt maar hij en begeert die nijet te copen off het most u believen”. Waarop de vrouw zei: “wij hebben geen geld”. Zij zijn toe terug gegaan naar Fop Huijgensz., die zei: “spreek met Ghijsbert Jansz. zelf”. Aldus gedaan hebbende, zei Ghijsbert Jansz.: “ik wil niet kopen, want ik heb geen geld. Ik heb liever, dat Fop Huijgen de obligatie heeft dan Adriaen Aertsz. Haen”. Comp. mede Jan Florisz., bode te Streefkerk, ongeveer 30 jaar oud, en verklaart met Cornelis Jansz., dat hij de andere dag of twee dagen later gezien heeft, dat Fop Huijgensz. aan Cornelis Pietersz. Stam het beloofde geld betaald heeft. Daarna zijn Jan Florisz., Stam en Cornelis Jansz. naar Ghijsbert Jansz. gegaan en hebben hem gezegd: “bestelt Fop Huijgen zijne penningen weder binnen XIIII daegen, hij is daer mede te vreden”. (akte 24)

20 juli 1580: Jacob Franz. houtvletter transporteert aan Neeltgen Ariensdr. Kennip een schepenenschuldbrief, verleden door Pieter Pieter Corssen bakker, inhoudende 299 gl. (akte 25)

20 juli 1580: op verzoek van Crijn Daemasz. verklaart Marijcken Cornelisdr., ongeveer 60 jaar oud, dat voor Vastenavond zij gewoond heeft achter aan de Vest bij de Spuipoort met een vrouw, genaamd Grijetken, die tapte of herberg hield, en dat zij daar heeft zien drinken Henrick Hijesvelt met de rekwirant en andere personen en dat zij met elkaar woorden hadden aangaande een Roomse reis. De rekwirant zei toen, “dat hij hem aen de coop van de Roomsche reijs niet en begeerde te houden”, waarop Hijesvelt zei: “gij en derff daer geen woorden om maecken, ten is niet beuselarij … betaelt u gelach en gaat deur”. De rekwirant heeft zijn gelag betaalt en is heengegaan. Comp. mede Cornelis Aertsz. glasmaker, ongeveer 38 jaar oud, die verklaart, dat hij met zijn vrouw gekomen is ten huize van de rekwirant om “te neder te leggen” de kwestie tussen Hiesvelt en de rekwirant aangaande de Roomse reis en dat Hiesvelt tegen hem en zijn vrouw zei: “ten sijn maer beuselarij ende brabbelingh, ick doet maer om dat hij op een andere tijt soe veel snaps niet hebben en soude ende begeerde den coop niet”. Comp. mede mr. Cornelis Ariensz., ongeveer 37 jaar oud, die verklaart, dat hij ’s anderendaags Hiesvelt bij heeft laten halen en dat Hiesvelt gezegd heeft: “daer en sijn maer twee kannen wijns op verdroncken ende daer sijn de gasten vroom genoech toe om dat te betalen”. Hiesvelt heeft de deposant daarna mee naar buiten genomen en gezegd: “ick gecker maer mede ende tes beuselarij, ick doet maer om te sien hoe hij ende sijn huijsvrouwe haer houden souden ende om dat hijt op een ander tijt te beter laeten soude”. (akte 26)

21 juli 1580: Cornelis van Bijwaert transporteert aan Roeloff Henricxsz. een rentebrief van 24 gl. jaarlijks, verleden door Elisabeth Adriaen Beenen, hem aangekomen bij de boedelscheiding tussen hem en zijn zuster. (akte 27)

21 juli 1580: Pieter Jacobsz., als man van Marijcken Barthoutsz., verkoopt aan Chaerle Jansz. wijnkuiper, de helft van een huis, genaamd “den Blauwen Leeu”, staande in de Gravenstraat tussen het huis “Cleijn Marienborch” en het huis van Jacob de lijndraaier. Waarborgen: Geertruijt de Bie Pietersdr., weduwe van Bartholomeus Geeritsz., en Cornelis Jacobsz. Gijselaer. (akte 28)

21 juli 1580: Roerende de dood van Weijntken Cornelisdr. Steven Willemsz. Rijsberch, weduwnaar van Weijntken Cornelisdr., enerzijds en Jan van Malsen van Utrecht, als man van Adriaentken Cornelisdr. en Baetken Cornelisdr., elk voor zichzelf en tevens vervangende Janneken Cornelisdr., als oom en tantes van Anneken en Marijcken Fransdr., anderzijds, verdelen de nalatenschap van Weijntken Cornelisdr. Bij de huwelijkse voorwaarden tussen Steven en Weijntken, gepasseerd op 23 juni 1572 ten overstaan van notaris Willem Joosten, is bepaald, dat de 1300 gl., die Weijntken bij het aangaan van het huwelijk zou inbrengen en die haar erfgenamen volgens haar testament ontvangen zouden, heeft Steven Willemsz. een bedrag van 1154 gl. ontvangen. Waartegen Steven aan mr. Joost Cornelisz. chirurgijn, de broer van Weijntken, voogd van de weeskinderen, heeft betaald een somma van 200 gl., waarmee gekocht is een rentebrief van 14 gl. jaarlijks, verzekerd op 4 mogen land in Wijngaarden. Steven komt bovendien toe wegens zeven jaar en drie maanden mondkost, kleding en “reding” van de weeskinderen tot 12 ponden jaarlijks, makende samen 522 gl. Steven heeft voor de kinderen voorgeschoten wegens verteerde kosten, reisgeld, doodschuld etc. een bedrag van 40 gl. Hij moet de kinderen betalen een bedrag van 392 gl. in vier jaar, alle jaren een vierde part. Jan van Malsen zal Steven restitueren twee gouden ringen met gesteenten. De weeskinderen zijn nog aanbedeeld aan de schulden, die het sterfhuis toekomen van Georgius Lesanien, nl. 25 Vlaamse ponden, en nog van Adriaen Busselaer Cornelisz. te Geervliet 134 gl. Steven verbindt voor de voldoening van de 392 gl. zijn huis in de Vriesestraat, in welk huis hij woont, staande tussen het huis van Willem Geeritsz. de varkensslager en de tuin van Pieter Cornelisz. Alle overige goederen van de boedel komen toe aan Steven Willemsz. Rijsberch. (akte 29)

21 juli 1580: Henrick van Nispen voor zichzelf en tevens procuratie hebbende van zijn zusters Margaretha en Sophia van Nispen, samen voor drie vierde delen, en Henrick van Nispen nog als oom en voogd van de vier onmondige kinderen van Gerardt van Nispen voor een vierde part, transporteert aan Adriaen Ockersz. sledenaar een huisje, staande over de Mennebrug [Vriesebrug] tussen de gang en de huisjes van Henrick van Nispen aan de ene zijde en het huis van Jan Meeusz. leertouwer aan de andere, strekkende van de straat tot aan de heining van Van Nispen, in welk huis eertijds gewoond heeft Jan Willemsz. sledenaar en waar nu een speldenmaker in woont. Waarborg: Aert Jansz. De koper is schuldig 80 Rijnse gl. Borg: Willem [NN]. (akten 30 en 31)

21 juli 1580: Jan Cornelisz. Poerdoes verleent procuratie aan zijn zwager Jacob Fransz. houtvletter om voor hem te innen de 31 gl., die hij tegoed heeft van Jacob Cornelisz. alias Haexgroen van Nieuwerkerk als rest van de koop van hout, alsmede 14 gl., die hem toekomt van Pieter Willemsz. en Cornelis Ockersz., molenaars van de Nessepolder te Nieuwerkerk. Tot verzekerdheid daarvan heeft Jacob Fransz. aan Jan Cornelisz. overgedragen een obligatie ten laste van Claes Fransz. Duijff, inhoudende 41 gl. (akte 32)

21 juli 1580: Geleijn Raboudt de jonge, wonende te Nieuwpoort en Jeronimus Gerardt, al ma van Baijchgen Vos, wonende te Middelburg, erfgenamen van Jacob Rabaut van Nieuwpoort, die is overleden in Dordrecht, verklaren ontvangen te hebben van Jacob Govertsz., burger van Dordrecht, het hiernavolgende geld, dat Jacob Rabaut hem in bewaring heeft gegeven. Namelijk: 9 dubbel “Mileressen”, 43 halve “Mileressen”, een dubbele Sasborgse dukaat, 8 pistoletten, 9 gouden koningsdaalders, 18 1/2 Rijksdaalders, een “valsche” Rijsdaalder, 2 Batenborgse daalders, een zilveren karolusgulden, een penning van 9 stuivers, een “quaert oort dalers”, en “aen palmend IX stuivers ende een bl.”. (akte 33)

22 juli 1580: Cornelis Jansz., molenaar te Delft verleent procuratie aan Aernt Wernaertsz. snijder, wonende te Delft, om te vorderen de 12 Vlaamse ponden, die hem, Cornelis, toekomt van Cornelis Corssensz. te Delft wegens de koop van een halve molen, genaamd “de Sprangmoelen”, staande aan de Schiedamse poort. (akte 34)

22 juli 1580: Henrick Pietersz. Vuijthouck schilder verkoopt Catharina Wouterszdr., weeskind van Wouter Jansz. kuiper een jaarlijkse losrente van 9 gl., verzekerd op een huis, staande omtrent de Grote Kerk aan de havenzijde tussen het huis van Siond Lus en dat van Claes van Bemont (akte 35)

27 juli 1580: Frans Rochusz. houtkoper, Willem de Jonge, als man van Neeltgen Mellen Dirixdr. en Anthonis van Haerlem [doorgehaald: als mede-erfgenamen van Gijsbert Jansz. van Haerlem], voor zichzelf, allen burgers van Dordrecht, verlenen procuratie aan Thomas Huijbrechtsz., burger te Zierikzee, om in ontvangst te nemen hetgeen men hen en het sterfhuis van Ghijsbert Jansz. van Haerlem schuldig is. (akte 36)

26 juli 1580: Jan Jansz. Hoechaers, burger van Dordrecht, verklaart, dat hij hetgeen hij schuldig is wegens de koop van de grote kolen, geladen in het schip van Lange Ghijs, onder zich zal houden en aan niemand zal overdragen, tenzij hij daartoe toestemming krijgt van Mathijs van der Moelen van Luik. (akte 37)

26 juli 1580: Jacob Eensz. transporteert aan Jan Henricxsz. schipper een rentebrief van 4 gl. jaarlijks, verleden door Cornelis Rochusz. schipper, welke rentebrief aan hem gemaakt is in het testament van heer Frans Jacobsz., en als Jan Henricxsz. schipper “eenige molestatie quaeme te geschijden vande moeder van hem comparant” heeft Jan Henricxsz. tingieter zich ervoor borg gesteld. (akte 38)

27 juli 1580: Willem Jacobsz. Roub schipper, wonende te Dordrecht, en zijn vrouw Brecht Pietersdr. verlenen procuratie aan Fijtgen Cornelisdr. en Aeltgen Adriaensdr., beiden wonende te Amsterdam, om hetgeen men hen schuldig is in te vorderen en de huisraad, die zij in Amsterdam hebben staan, te verkopen. (akte 39)

27 juli 1580: Adriaen Jansz. lakenkoper transporteert aan Willem Stoop Dircxsz., Govert Jansz. van Bemont, Adriaen Dircxsz. Droochgen en Adriaen Jansz. steenhouwer, als Manhuismeesters van het Oudemannenhuis te Dordrecht ten behoeve van de Oude Mannen een rentebrief van 3 Vlaamse ponden jaarlijks, verleden door Laurens Adriaensz. komen. (akte 40)

28 juli 1580: Henrick Schullinck, geboren te Wesel, verklaart, dat hem toekomt van Geerlich Cloosterman van Wesel, als borg voor Barent Cloosterman, zijn broer, 22 Rijksdaalders, door hem aan Barent in Geerlichs schip geleend, welke 22 Rijksdaalders hij getransporteerd heeft aan Daem van Zevener wijnkuiper en dat in mindering van hetgeen hij Daem schuldig is. (akte 41)

28 juli 1580: roerende de dood van Willem Cornelisz. Koenraet korenmeter. Marijcken Geeritsdr., weduwe van Willem Cornelisz. korenmeter, enerzijds en Cornelis Coenraet, wonende te Bergen op Zoom, als grootvader en voogd van Geerit Willemsz. Coenraet, 5 jaar oud, en Geertruijt Willemsdr., mede 5 jaar oud, beiden kinderen van Willem Cornelisz., door hem verwekt bij Marijcken Geeritsdr., anderzijds, verdelen de boedel, t.w. dat Marijcken Geeritsdr. bedeeld is aan alle goederen, die haar man heeft nagelaten, terwijl Cornelis Coenraet namens de twee kinderen is aanbedeeld hun alimentatie en onderhoud, totdat zij 18 jaar worden. Gezien de sobere staat van de boedel is hij niet gehouden hun dan iets uit te reiken. (akte 42)

29 juli 1580: Maerten Cornelisz. Seijreth te Streefkerk stelt zich borg voor Cornelis Jansz. van Streefkerk, om, indien Cornelis Jansz. in gebreke blijft te betalen aan Marijcken Hermans een somma van 8 Vlaamse ponden, men die aan hem mag verhalen. (akte 43)

30 juli 1580: op verzoek van Jan Fransz. schoenlapper verklaren Truijchgen Pietersdr., weduwe van Jan Herculesz., ongeveer 40 jaar oud, en Lijntgen Willemsdr., de vrouw van Jan Jansz. lapper, 37 jaar oud, dat zij voor en na de Ommegang met de vrouw van de rekwirant zijn geweest ten huize van Cornelis Willemsz. bakker en dat daar de vrouw van de rekwirant aan de vrouw van Cornelis Willemsz. bakker gepresenteerd heeft het geld van een half jaar huishuur, maar dat de vrouw van Cornelis toen gezegd heeft, dat haar man niet wilde, dat zij het geld in ontvangst zou nemen. De deposanten verklaren voorts, dat ongeveer drie weken voor de Ommegang gehoord hebben, dat de vrouw van de rekwirant Cornelis Willemsz. heeft nageroepen en gezegd heeft: “Cornelis, haalt toch u gelt en geeft mij mijn quitantie”, en dat Cornelis toen gezegd heeft: “ick en wilt nijet haelen, brengt het mij.” Lijntgen Willemsdr. voegt daaraan nog toe, dat zij gehoord heeft, dat de rekwirant tegen Cornelis gezegd heeft: “geeft mij quitantie ende bent ghij verlegen ick sal u tgeheele jaer betaelen hoewel dat nijet verschenen en is”. (akte 44)

30 juli 1580: Jan Cornelisz. schoenmaker en Marijcken Cornelisdr. transporteren aan Adriaen Roerom Cornelisz. een jaarlijkse losrente van 9 gl., hen comparanten in een rentebrief van 18 gl., verleden door Simon Andriesz. kramer, aangekomen door overlijden van Aeltgen Cornelisdr., hun tante, als mede-erfgenaam van Franchois van Waelwijck. (akte 45)

30 juli 1580: Neeltgen Herberts., de vrouw van Cornelis Ariensz. teerkoper, verklaart, dat de 10 last Rijssche teer en drie last pek, die zij ongeveer een maand eerder gekocht heeft in Amsterdam, in Dordrecht op 2 of drie last na “vuijtgebracht” zijn. (akte 46)

30 juli 1580: jonkheer Cornelis van der Mijle, ambachtsheer van St. Anthonispolder, verleent procuratie aan Daemas [NN] om te gaan naar Noordeloos om daar van de stadhouder van de gravin van Arenberch, als vrouwe van Noordeloos, te “verheffen”, hulde te doen etc. van zekere 2 lenen, elk van 4 morgen land, gelegen in Alblas. (akte 47)

2 aug. 1580: Cornelis Willemsz. bakker transporteert aan Govert Jansz. van Beaumont olieslager een schepenenschuldbrief, verleden door Jan Hillebrantsz., waarvan nog resteert 373 gl., verbindende daarvoor het huis, waarin hij woont, staande in de Kolfstraat tussen het huis van de weduwe van Nachtegael en dat van Lambert Dircxse. (akte 48)

2 aug. 1580: Brechgen Ariensdr., weduwe van Govert Jacobsz., is schuldig aan Pieter Pietersz. Corssen bakker wegens de koop van zijn aandeel in zeker land, door Pieter aan haar overgedragen en aangekomen bij overlijden van Adriaen Braeber en Neel Braber, de grootvader en grootmoeder van Pieters vrouw, welk land is gelegen in Oud-Gastel in het Nieuweland van Gastel. (akte 49)

2 aug. 1580: Brechgen Ariensdr., weduwe van Govert Jacobsz., verkoopt aan Jan Apersz. visser een “vuijcke waters”, liggende in de Krabbe, verbindende haar huis in de Dwarsgang van de Nieuwkerk bij de Heer Heijmansuijsstraat tussen het huis van Hilleken Heijn IJeven en Thielman Houck schipper. (akte 50)

30 juli 1580: Dirck Huijbertsz. voor zichzelf, Adriaen Laurensz. bakker, als man van Jaepgen Huijbertsdr., Jacob Govertsz., als man van Anneken Huijbertsdr., voor zichzelf en tevens vervangende Aert Jansz., als man van Maritgen Huijbertsdr., Willem Cot Dircxsz., de erfgenamen van Baertgen Dircxsdr., Sijcken Cornelisdr., weduwe van Andries Joosten muntenaar, Henrick Jansz. kleermaker, als man van Aerjaentgen Joosten, vervangende Adriaen Joosten muntenaar en de weeskinderen van Jan Joostensz., die gewoond heeft in Middelburg, allen erfgenamen van heer Cornelis Adriaensz., prior van de abdij te Middelburg, en zijn zuster Beatricx Adriaensdr., verlenen procuratie aan Jan Fiot Jansz., hun mede-erfgenaam, ad recipienda debita alle inschulden, die het sterfhuis toekomen, te innen en in het bijzonder te verkopen een huis in Schoonhoven, staande aan de Lopickerpoort omtrent de Gulden Waech. (akte 51)

1 aug. 1580: Marijcken Dircxsdr., weduwe van Jan Dircxsz. de Haen, waardin in “Sint Eeuwout”, verklaart, dat zij van de erfgenamen van haar man, gekocht heeft alle inschulden van het sterfhuis van haan man volgens contract dd 3 juni 1580, voor zekere somma geld, verbindende haar huis, genaamd “Sint Eeuwout”, staande tussen het huis van Cornelis van Bemont en dat van Herman van Houten. (akte 52)

3 aug. 1580: op verzoek van Neeltgen de Kennip Ariensdr. verklaart Aert Denisz., ongeveer 67 jaar oud, burger van Dordrecht, dat omtrent Kerstmis en Allerheiligen hij door de rekwirant verzocht is om met haar te compareren voor Goede Mannen contra Dirck Melisz. en Robert Sagaerde c.s., erfgenamen van Arien Ariensz. Kennip., en dat hij, deposant met hen gecompareerd is in de Augustijnen en daarna te huize van Dirck Melisz., maar dat zij niet tot een overeenkomst zijn gekomen met Cornelis Egbertsz., als “gecoeren” van de zijde van voornoemde erfgenamen. Hij weet ook niet waarom het “geschil niet gedecideert en werde”. (akte 53)

3 aug. 1580: Herman Jansz. van de Wolde stelt zich borg voor Niclaes Vierlinck, als man van Maria Porquijn, die eerder getrouwd is geweest met mr. Niclaes Speck, rentmeester van de stad en het land van Steenbergen, voor de actie, die de weduwe van Jan Dircxsz. in Sint Eeuwout toekomt van voornoemde Vierlinck. (akte 54)

5 juli 1580: Matthijs Ritter van Straatsburg, als gemachtigde van de erfgenamen van Mathijs Dreffingher, koopman van Straatsburg, die in Dordrecht is overleden, verklaart voldaan te zijn door Adam Schepper van hetgeen Adam in zijn beheer heeft gehad van de goederen en wijnen van Mathijs Dreffinger. (akte 55)

6 aug. 1580: mr. Laurens Mock, licentiaat in beide rechten, als procuratie hebbende van Jeronimus Bruijnseels, wonende te Middelburg, welke procuratie als inhoud heeft: op 26 juli 1580 comp. voor Pieter Quirijnsz. Vuijten Wijngaerde, notaris te Middelburg, Jeronimus Bruijnseels, wonende te Middelburg, die procuratie verleent aan mr. Laurens Mock,, om namens hem te “diffenderen [in Dordrecht] … veur alle heeren hoven wetten bancken ofte elders … alsulcken apprehensie als aen sijnen persoon bij den schoudt van Dort namelijk jonckheer Willem van Niuevelt gedaen is geweest”. De notaris heeft in zijn plaats Franchois de Buijlere, procureur voor de Kamer Juditieel van Dordrecht. (akte 56)

8 aug. 1580: Lenert Thonisz. en Egbert Cornelis Huijbertsz. te Alblas constitueren [?] beiden hun zaak uit het geding van heden en 14 dagen op hoop van akkoord. (akte 57)

6 aug. 1580: Jan van Nuijssenburg constituit “den selven continulijck hare zaeck ut supra”. (akte 58)

6 aug. 1580: Sijbert Jansz., koopman van wijnen en burger van Dordrecht, verleent procuratie aan Cornelis Blasius Boucquet ad recipienda debita. (akte 59)

6 aug. 1580: Adriaen Jobsz. en Damas Woutersz., koopman en burger van Dordrecht, verlenen procuratie ad lites aan Gerit Claesz. van den Borch, procureur voor het Hof van Holland. (akte 60)

8 aug. 1580: Jan Lambrechtsz. schipper stelt zich borg voor Lambert Lambertsz., schipper van Nijmegen, gearresteerde, zijn vader, opdat, zodra hij, Lambert Lambertsz., zijn goederen gelost heeft met zijn schip in Dordrecht weer in arrest komen zal en voor Hans van Twist, als procuratie hebbende van Willem Jansz. Oliphant, burgemeester te Reimerswaal, dan voldoen zal een actie van genoemde burgemeester, zijnde 319 gl. (akte 61)

9 aug. 1580: Henrick Gillisz. huistimmerman verkoopt Adriaen Soetmansz. een huis op de Hil, staande tussen het erf van Sint Laurens en het huis van Claes de zakkendrager. Waarborg: Bastiaen Ghijsbertsz. molenaar. (akte 62)

9 aug. 1580: Adriaen Soetmansz. is schuldig aan de verkoper een somma van 335 gl. De comparant stemt erin toe, dat Henrick Gillisz. de schuld zal mogen verhalen op Jan Pietersz. komen van hetgeen hem toekomt wegens de koop van een huis, genaamd “de Jesus”. (akte 63)

9 aug. 1580: op verzoek van Anthonis Lambertsz., als pachter van de grote kolen, verklaren Jan Toebast, schipper van Gent, 32 jaar oud, en Anthonis van Vossel van Antwerpen, ongeveer 50 jaar oud, dat van Dordrecht gevaren zijn in de voorgaande week vele schepen naar [NN] om daar turf te laden en dat die schepen te Dordrecht ingeladen zouden hebben grote kolen, maar dat niet gedaan hebben, aangezien Jan Crooswijk, konvooimeester te Dordrecht, van hen eister 2 gl. op iedere “hondert waegen”. Jan Toebast verklaart, dat daarom zijn eigen schip mede van Dordrecht “torff gevaeren is”. (akte 64)

9 aug. 1580: Jan Adriaensz., schipper en burger van Dordrecht, als man van Marichgen Meusdr., transporteert aan Anneken Ockersdr., weeskind van Ocker Adriaensz., een rentebrief van 3 gl. jaarlijks, verleden door Maerten Cornelisz. Boucksack., aan Anneken Ockersdr. een rentebrief, verleden door Geerichgen Fransdr., weduwe van Adriaen Reijersz., en aan Geertgen Dircxsdr., weeskind van Dirck Michielsz. een rentebrief van 3 gl. jaarlijks, verleden door Geerichgen Fransdr. (akte 65 t/m 67)

11 aug. 1580: Goossens Geeritsz., kaaskoper te Dordrecht, verklaart, dat in het laatst van juli 1580 hij te Gouda gekocht heeft en te Dordrecht ontvangen heeft uit het schip van Pieter Jansz., schipper van Dordrecht, 20.000 pond witte en groene kaas om die te Dordrecht aan de burgers e.a. te verkopen. (akte 68)

29 juli 1580: Marijcken Queeckels, de vrouw van Walich Fransz., als procuratie hebbende van haar man, verklaart schuldig te zijn aan Gabriel de Blom, wonende te Dordrecht, 25 Vlaamse ponden wegens geleend geld, stellende in handen van Gabriel de goederen, die haar zijn aangekomen bij overlijden van Aert Schilmansz., haar oom, waarvan volgens testament van 23 jan. 1569 zijn weduwe het vruchtgebruik heeft, en al haar overige goederen. (akte 69)

11 aug. 1580: Damas Woutersz. en Dirck Claesz. droogscheerder verkopen Sebastiaen Henricxsz. schoenlapper een huis in de Pelserstraat, staande tussen het huis van Cent Barthoutsz. schipper en het lege erf van Arien Jansz. Brouwer. (akte 70)

11 aug. 1580: op verzoek van Michiel Michielsz. hoefsmid verklaren Aerjaentgen Bartoutsdr., ongeveer 40 jaar oud, Thomas Jacobsz., 36 jaar oud, en Vreechgen Woutersdr., 30 jaar oud, dat zij op maandag jongstleden, staande voor hun deur, gehoord hebben, dat Lijs Goossensdr., de vrouw van Wouter de bierdrager, zonder dat de rekwirant haar iets “misseijde”, zeer kwalijk heeft toegesproken en heeft geroepen: “ghij stuck dieff, ghij stuck schelm, loopt bij u consistorie nemende [?] de selve oneerlijcke confestorie … ghij steect u hant recht vuijt ende haeltse crom weder nae u. Ick moet spreecken daer ghij moet swijgen”. Verklaren zij voorts, dat Lijs de rekwirant zo dagelijks toespreekt, zodat het hen verwondert, dat de rekwirant het kon verdragen. (akte 71)

11 aug. 1580: op verzoek van Jan Pietersz., schipper en burger van Dordrecht, verklaart Jan Crooswijck Cornelisz., konvooimeester te Dordrecht, dat hij Jan Pietersz. op 12 april 1580 zekere konvooibrief heeft gegeven, waarbij Jan uitgevoerd heeft tien zeventienders, 6 zestienders en 8 vijftienders, om vervoerd te worden in zijn schip naar St. Omaars en dat hem deposant het volledige recht van het inkomen en uitvaren van de konvooien van genoemde molenstenen betaald is. (akte 72)

12 aug. 1580: op verzoek van Henrick Hoedenmaker van Nijmegen, verklaart Aelbert Adriaensz. den Dorst van Nijmegen, 37 jaar oud, dat hij ongeveer drie weken of een maand tevoren geweest is in het huis, waar uithangt “het Witte Paert”, waar woont de zoon van Jan Jansz., koopman te Dordrecht, waar mede aanwezig waren Jan Jansz. koopman en de rekwirant, en dat de rekwirant gekocht heeft van Jan Jansz., als faktoor van Henrick Lambertsz. zekere 1000den Naams ijzer, waarvoor de rekwirant zou betalen, zoveel als Jan van Goesieck moest betalen, als Henrick Lambertsz. van Nijmegen, aan wie het ijzer toekwam,, zij schip laden zou. De deposant verklaart voorts, dat de rekwirant van Jan Jansz. gekocht heeft zekere 1000den “gemeen” ijzer, welke ijzer de rekwirant ontvangen heeft op voorwaarde, dat, indien Henrick Lambertsz. ijzer voor de rekwirant gebracht had “soe goet wesende als tselve ontvangen gemeen ijser” en dat Jan Jansz. in dat geval in plaats van het “gemeen” ijzer weer zoveel er nemen zou en voor zover Henrick Lambertsz. geen ijzer voor de rekwirant van Luik gebracht zou hebben, zo zouden de rekwirant en Henrik Lambertsz. “van tselve ontfangen gemeen ijser tsamen accorderen”. (akte 73)

12 aug. 1580: op verzoek van idem verklaart Cornelis Clo[en]s van Eisden, 50 jaar oud, hetzelfde als in voorgaande akte staat, en voorts, dat hij drie dagen tevoren hij met de rekwirant aanwezig is geweest ten huize van Jan Jansz. koopman, waar de rekwirant met Jan Jansz. overeengekomen is, dat de rekwirant hem weer zoveel “gemeen” ijzer zou leveren als hij ontvangen had en dat hij op elke honderd toegeven zou 3 stuiver. (akte 74)

13 aug. 1580: Aert Bastiaensz. zeilmaker stelt zich borg voor Roeloff ter Harsse van Wesel voor de actie, die Jan Luijten beweert tegoed te hebben van Roeloff, eertijds zijn schippersknecht, waarvoor hij zijn schip in de Boom heeft laten houden. (akte 75)

11 aug. 1580: op verzoek van Jacob Jansz. schoenlapper verklaart Marijcken Jacobsdr., 53 jaar oud, dat ongeveer een jaar tevoren de moeder van de rekwirant tegen haar gezegd heeft: ik heb driehonderd gl aan brieven aan mijn zoon ten huwelijk gegeven en hij mag daarmee doen wat hij wil”. (akte 76)

13 aug. 1580: Geerit Pluijm ’s herendienaar verklaart, dat hij op verzoek van Jacob Frans Wittesz. rechtelijk gearresteerd heeft een zekere Lambert Dircxsz. van Meeuwen, hem bevelende niet uit de stad te vertrekken, tenzij hij Jacob Frans Wittesz. voldaan heeft “met recht of gemoede”. Borg: Jan Ockersz., schout van Alblas. (akte 77)

13 aug. 1580: Thonis Henricxsz. Stoel belooft te betalen aan Floris Lenertsz. korenkoper de 26 gl. 15 st., die hij “ten achteren” is aan Jacob Aert Woutersz. uit Rijsoord. (akte 78)

15 aug. 1580: Adriaen Jacobsz. Heijthoven brouwer is schuldig Lenert Barentsz., molenaar wonende te Rotterdam, 264 Rijnse gl. wegens de koop van de helft van een windmolen, staande buiten de Vuilpoort, genaamd “de Backerinne”. (akte 79)

15 aug. 1580: ter instantie van Berbera Henricxs, weduwe van Henrick Mathijsz. van Sittard, verklaren Anthoni Lambrechts zijdenlakenkoper, ongeveer 40 jaar oud, en Lieven Lievensz. hoedenmaker, ongeveer 30 jaar oud, burgers van Dordrecht, dat zij zeer goed gekend hebben voornoemde Henrick Mathijsz., dat de rekwirant zijn echtgenote is geweest en dat Henrick gedurende hun huwelijk een dochtertje verwekt heeft, genaamd Marijcken Henricxsdr. Henrick is overleden te Dordrecht ongeveer 12 dagen eerder en begraven op het kerkhof van de Grote Kerk. (akte 80)

15 aug. 1580: Adriaen Zoetmansz. verkoopt Jan Pietersz. Dorpman een huis, genaamd “de Jesus”, staande tegenover de Visbrug tussen het huis van de weduwe en erfgenamen van Evert Ariensz. brouwer en dat van Pieter Roelen. Waarborg: Ocker Laurensz. brouwersknecht. De koper is schuldig aan de verkoper een somma van 800 gl. Borg: Jacob Simonsz. de oude. (akten 81 en 82)

16 aug. 1580: Arien Willemsz. Bouff drager verkoopt Niclaes Jansz. kruidenier een jaarlijkse losrente van 2 gl., verzekerd op een huis in de Kolfstraat, staande tussen het huis van Brechgen Ariensdr. en dat van Arent Willemsz. (akte 83)

16 aug. 1580: Jacob Fransz. houtvletter verkoopt aan Marijchgen Ariensdr., onmondig weeskind van Arien Jansz. Schot, door hem verwekt bij Adriaentgen Thonisdr., een jaarlijkse losrente van 3 gl., verzekerd op een huis in de Heer Heijmansuijsstraat, staande tussen het huis van Dirck Cornelisz. Keijer en dat van Jan Pietersz. wijnschroijer. (akte 85)

17 aug. 1580: op verzoek van Floris Pietersz., wonende te Woerden, verklaart Thonis Michielsz., houtkoper en burger te Dordrecht, ongeveer 39 jaar oud, dat 7 of 8 jaar tevoren Jacob Hermansz. te Woerden aan hem schuldig was ca. 80 gl. of meer wegens de koop van hout en in betaling daarvan heeft willen geven zekere waterbrief, inhoudende ongeveer 83 of 84 gl., maar dat hij deposant daarmee niet tevreden was en wenste een nieuwe waterbrief, door de rekwirant verleden, te krijgen, verzekerd op zijn schuit. De rekwirant heeft een nieuwe waterbrief van dezelfde som verleden op voorwaarde, dat de oude waterbrief door Jacob Hermansz. zou worden gecasseerd. De deposant verklaart, dat hij door de rekwirant van de nieuwe brief volledig is voldaan. (akte 86)

18 aug. 1580: Cornelis Henricxsz. sledenaar verkoopt Jasper Cornelisz. en Floris van Cuijl, als voogden van Cornelis Melchiorsz., onmondig weeskind van wijlen Mels Cornelisz. korenkoper een jaarlijkse losrente van 6 gl., verzekerd op een huis in de Nieuwstraat, staande tussen het huis van Gillis Barentsz. kleermaker en dat van Grietge Ariens. (akte 87)

18 aug. 1580: Pieter Crijps van Keulen is schuldig aan Aert Sebastiaensz., burger van Dordrecht, 350 gl. Keuls geld wegens geleend geld, de daalder gerekend tot 52 Albes Keuls “weeringe”, stellende in handen van Aert Sebastiaensz. de 400 “souts Zeeuwssche maete”, die hij heeft liggen in het schip van Jan Alertsz. Borgen: Alert Ghijsbrechtsz. van Nijmegen en Jan Alertsz. schipper, die het zout geladen heeft. (akte 88)

19 aug. 1580: Jan Mathijsz. huidenvetter, Jan Lupaert, burgers van Dordrecht, en Hans van Alten van Bergen op Zoom, verlenen procuratie ad lites aan Jasper van Aalst, burger van Antwerpen, contra Adriaen Adriaensz., burger te Middelburg. (akte 89)

18 aug. 1580: Cornelis Geeritsz. van Nispen, als man van Marijcken Jansdr. van Dort, en Wouter Jansz. van Dort verkopen aan Jan Cornelisz. schoenmaker een huis op de Riedijk, staande tussen het huis van Jan Heemanschen en dat van Cornelis Boet, hen aangekomen bij overlijden van Henrick Woutersz. van Dort, hun oom. Jan Cornelisz. schoenmaker is schuldig aan de verkopers 17 Vlaamse ponden. Borg: Cornelis Claesz. stoeldraaier, zijn schoonvader, verbindende zijn huis op de Riedijk, staande tussen het huis, waar “de Orangieboom” uithangt, en het huis van Frans van Diemen. De koper bekent tevens verkopers verkocht te hebben een jaarlijkse losrente van 2 Vlaamse ponden (borg: idem), een jaarlijkse losrente van 1 Vlaams pond, en heeft tot zekerheid van de borgtocht, die zijn schoonvader voor hem heeft gedaan, verbonden 13 morgen land, gelegen omtrent “Moort” bij Gouda, drie gl. jaarlijks, hem toekomende van de “spijcker” van Ghijsbert Jansz. Coninck, 11 ponden 3 sch. 4 d. Vlaams, die hem toekomt wegens een schepenenschuldbrief ten laste van Dirck Braem, en twee koeien, alles hem aangekomen bij overlijden van zijn tante Marijcken Ockersdr. (akten 90 t/m 94)

15 aug. 1580: op verzoek van Fop Huijgesz. verklaren Joost Huijbertsz. uit Brandwijk, 46 jaar oud, Adriaen Claesz. van Streefkerk, 40 jaar oud en Pieter Jansz. van Lekkerkerk, ongeveer 34 jaar oud, dat zij diezelfde dag, staande voor de Kamer Juditieel van Dordrecht, hebben gehoord, dat Leenert Ariensz. tegen Fop Huijgesz. zei: “ghij sijt mij twaelff jaer renten schuldich ende ghij en wilt mij nijet een penning geven”. Fop zei daarop: “ick en ben u nijet schuldich”, waarop Lenert weer zei: “ghij hebt onder ende quitantie selven geteijckent als de scrijnwerckers zeggen”. (akte 95)

20 aug. 1580: op verzoek van Arien Aertsz. Haen van Streefkerk verklaart Fop Huijgesz. uit Nieuw-Lekkerland, ongeveer 40 jaar oud, dat hij ongeveer 16 of 17 [dagen] tevoren aanwezig is geweest ten huize van Cornelis Jan Ockersz. [schout van Alblas, 62 jaar oud], staande op code Riedijk te Dordrecht, waar mede aanwezig waren Cornelis Ariensz. teerkoper, Thomas Damasz. en de rekwirant, die met elkaar zeker geschil hadden over een jaar landpacht over het jaar 1579, “welcke questie zijluijden gebleven hebbende aen den requirant” en hen, deposanten, te weten, dat de rekwirant zou betalen de halve pacht, waaraan gekort zou worden, wat hij bij het gerecht van Streefkerk zou kunnen bewijzen”. (akte 96)

21 aug. 1580: “Wij Ren. [sic]”, als procuratie hebbende van de erfgenamen van Anna Pijpegaech, eisers, en Pieter Damen namens de kerkmeesters van Kijfhoek continueren hun zaak van maandag aanstaande 8 dagen. (akte 97)

18 aug. 1580: Cornelis van Nes Claesz., deurwaarder van het Hof van Holland, wonende te Dordrecht, voor zichzelf en als procuratie hebbende van zijn zusters en broeders, “constituit” Claes Adriaensz., wonende aan de Dussen, om over te dragen voor het gerecht van de Dussen, aan Henrick Pietersz. Neerenborch hun aandeel in anderhalve morgen 1 hont en 12 1/2 roeden land, gelegen aan de Dussen in de Grote en Kleine Brassert, hen aangekomen bij overlijden van hun oom Reijer van Nes. (akte 98)

18 aug. 1580: Eeuwout Willigen en Franchois de Buijlere, als procuratie hebbende van Dirck Michielsz., koopman te Middelburg, als man van Geertruijt Jansdr. en tevens vervangende de zuster van zijn vrouw, Marijcken Jansdr., verkopen aan Geerit Aertsz. schipper twee derde parten van een huis op het Groothoofd, staande tussen het huis van de erfgenamen van Adriaen de Both en dat van de weduwe van Hans Pijnssen. Waarborg: Eeuwout Willigen. De koper is schuldig aan verkopers een somma van 498 gl. 13 st. Borgen: Bouwen Geritsz. schilder en Jacob Jansz. lijndraaier. (akte 99 en 100)

20 aug. 1580: op verzoek van Dirck Kouck Cornelisz., wonende te Schoonhoven, verklaart Frans Egberts., bakker en burger van Dordrecht, ongeveer 24 jaar oud, dat hij met zijn consorten sprekende heeft op zeker land, genaamd Alijechgen, gelegen onder Goudriaan, groot “vijfthalff” morgen, een rente van 105 gl. hoofdgeld, welk land toebehoord heeft aan een weduwe, genaamd Ael. Aangezien die weduwe dat land wilde laten “drijven” voor de renten, die erop stonden, zijn hij, deposant, op Vastenavond of in de Vasten, samen met Geerte Dircksdr., de zuster van Marijchgen Dircxdr., en de rekwirant, als rentmeester van St. Agnieten te Schoonhoven, als “rentiers” en hypothecarissen op het voornoemde land, overeengekomen alle verlopen renten kwijt te schelden. De deposant verklaart voorts, gezegd zijnde, dat Ael zulks niet wenste te doen, maar gezegd zou hebben: “schenct mij vijff dalers voor mijn vijff hondert schilden die ick daerop betaald hebben ick sal u den eigen [sic] overgeven”. Daarop hebben Geerte Dircxsdr. en de rentmeester beraad gehouden en zij hij, deposant, met de rentmeester en Geerte Dircxsdr. namens haar zuster overeengekomen, dat de rentmeester het land zou aanvaarden, dat alle verlopen renten kwijtgescholden zouden worden en dat de rentmeester hun voortaan alle renten op hun verschijndag zou betalen. (akte 101)

23 aug. 1580: op verzoek van Jan Jacobsz. verklaren Jan Pietersz. Dorpman, 37 jaar oud, en Willem Blasiusz. Boucquet, ongeveer 40 jaar oud, dat ongeveer 2 jaar eerder zij aanwezig zijn geweest in “de Colff” te Dordrecht, waar de rekwirant verkocht heeft aan Steven Dionijsz. brouwer, burger van Dordrecht 5 koeien voor 16 Vlaamse ponden, te betalen op Vastenavond 1578 of op Pasen daarna, en dat, indien Steven in gebreke zou blijven dat geld te betalen op Pasen, hij voor elk beest 3 gl. meer zou betalen. (akte 102)

24 aug. 1580: op verzoek van Joris Jansz. schipper, burger van Dordrecht, verklaren Aernt Hermansz. in de Wilde Zee, 65 jaar oud, Frans Cornelisz. schipper, 60 jaar oud, Henrick Wolffertsz., 38 jaar oud, en Adriaen Huijbertsz. schipper, 28 jaar oud, dat omtrent aug. 1579 de rekwirant bevracht is geweest door Bartholomeeus Worm van “Lin” met zekere koopmansgoederen naar “Lin” en wederom van “Lin” met mout naar Holland. Zij verklaren voorts, dat de rekwirant met Jan Bartholomeeusz. en Bartholomeus Worm woorden hebben van de profijten van twee lasten mout, die volgens de rekwirant hem toekwamen, zodat zij, deposanten, op verzoek van beide partijen bijeengekomen zijn in herberg “de Toelast”, waar mede aanwezig was Gerit IJsbrantsz. en waar partijen de kwestie voorgelegd hebben aan hen, deposanten, een Gerit IJsbrantsz. De deposanten zijn overeengekomen, dat Jan Bartholomeeusz. de twee lasten mout zou behouden en aan de rekwirant een bedrag van 16 gl. zou uitreiken. (akte 103)

24 aug. 1580: op verzoek van Jan Claesz. van Enkhuizen, verklaart Mariken Govertsdr., dienstmaagd wonende bij Willem [Claesz.] in Gorcum, ongeveer 33 jaar oud, dat op woensdag ten huize van haar meester bijeengekomen zijn de vrouw van Frans Hermansz. van Nijmegen en de rekwirant en dat zij, zittende op de vloer van het huis, heeft gehoord, dat de vrouw van Frans Hermansz. en de rekwirant woorden hadden over de koop van zeker zout en dat de koop eenmaal geschied zijnde Willem Claesz. tegen de rekwirant zei: deze obligatie, bedoelende daarmee de obligatie, die de zoon van de vrouw uit het schip halen zou, “zult ghij nemen in minderinge van de bethaling vant sout en daer salmen u voort penningen optellen” en dat de rekwirant tegen de vrouw zei: “brengt morgen de penningen soe sall ick de specie opteeckenen op dat ghij dan u man moet verthoenen als hij thuijs coempt”. (akte 104)

25 aug. 1580: Joris Claesz. messenmaker belooft Roeloff Pietersz. linnenwever te “vrijen” het huis, dat hij aan Roeloff heeft verkocht, staande in het Achterom in Den Haag, genaamd “de Zeehaven”. Als Roeloff “gemoeid werde van eenige vorderen lasten dan voorschreven es”, mag hij die verhalen aan Joris’ huis in de Visstraat, staande tussen het zouthuis van Goossen Geritsz. viskoper en het huis van Thonis Thonisz. comen. (akte 105)

25 aug. 1580: op verzoek van Michijel Smit en Jan Englisseij, kooplieden van Londen, verklaart Adriaen Henricxsz. in de Harinck, factoor van de Engelse kooplieden te Dordrecht, dat hij ongeveer in april laatstleden ontvangen heeft 500 stuks “rasijnen”, die hem door de rekwiranten van Antwerpen waren toegezonden, dat hij daarvan te Dordrecht 93 of 94 stuks verkocht heeft, dat in Dordrecht nog in het pakhuis staan 89 stuks “rasijnen” en dat de rest door hem naar Amsterdam gezonden zijn. (akte 106)

25 aug. 1580: Frans Jansz. in den Both stelt zich borg voor Hans van Loo van Gent voor de actie, die Thonis Adriaensz. Luetering beweert hem toe te komen van Hans van Loo wegens een ton zalm, waarvoor hij hem heeft laten arresteren en die aan de vader van de gearresteerde is toegezonden. (akte 107)

26 aug. 1580: op verzoek van Willem Jacobsz. verklaart mr. Sijmon Barentsz. chirurgijn, ongeveer 58 jaar oud, dat hij ongeveer twee maanden eerder behandeld heeft Jan Cornelisz. schippersknecht, die een wond in zijn arm had, en dat Jan tegen hem gezegd heeft, dat als hij kwam te overlijden, “dat hij niet en soude sterven vande quetsure maer deur de sijecte die den Heere hem daertoe verleent hadde.” De deposant verklaart voorts, dat hij wel weet, dat Jan niet door de wond is gestorven, maar alleen van een natuurlijke ziekte. (akte 108)

26 aug. 1580: Ghijsbert Helmich, waard in “de Zwaen”, stelt zich borg voor Willem Ambrosiusz. van Den Bosch voor de actie, die Adriaen Huijbrechtsz. hem beweert toe te komen op zeker ijzer, dat is geladen in het schip van Meijnaert Sijbertsz. van Amsterdam. (akte 109)

27 aug. 1580: Steven Dionijsz. brouwer verkoopt Stijntken Willemsdr., onmondig weeskind van Willem Gheeritsz., molenaar aan de Blaak in Mijnsheerenland, van welk kind moeder was Fijchgen Gijsbertsdr., een jaarlijkse losrente van 3 Vlaamse ponden, verzekerd op drie vierde delen van een huis en brouwerij, staande omtrent de Lombardbrug tussen de Lombardstraat en het huis van Steven Nijsensz., op voorwaarde, dat, als het kind 20 jaar wordt, getrouwd zal zijn of komt te overlijden, de comparant of zijn erfgenamen de renten, die op het huis staan, zal moeten lossen, “mits hem tselve jaer te vooren kennelijk opgeseijt sijnde”. (akte 110)

15 juli 1580: op verzoek van Cornelis Jansz. brouwer verklaren Maerijcken Cornelissen., ca. 54 jaar oud, en Lijsgen Pietersdr., 40 jaar oud, dat zij ongeveer een half jaar eerder geweest zijn in het huis, waarin zij toen met elkaar woonden, staande in de Pelserstraat, waar Steven Willemsz. Rijsborch toen aan de rekwirant verkocht heeft een huis in de Pelserstraat, staande tussen het huis van mr. Jacob Ponterius en het pakhuis van Jan Pietersz., dat Jan Pietersz. aan Cornelis Jansz. met gereed geld geven zou 10 Vlaamse ponden, waarop Steven beloofde het huis te “vrijen” van alle renten, die van het huis uitgingen, met uitzondering van een stoter jaarlijks aan paapponden. (akte 111)

26 aug. 1580: op verzoek van de erfgenamen van Pieterken Jansdr., de vrouw van Dirck Joosten, wonende in Den Haag, verklaren Soetgen Geeritsdr., weduwe van Balthasar Jansz., ca. 80 jaar oud, Ariaentgen Evertsdr., ongeveer 70 jaar oud, Marichgen Waelen, de vrouw van Willem Tolvoet, 66 jaar oud, en Pieterken Waelen, de vrouw van Govert van Beaumont, 56 jaar oud, allen burgeressen van Dordrecht, dat zij goed gekend hebben Jan van Herdichsvelt, in zijn leven wonende op de Vismarkt te Dordrecht, die koopman van beroep was, en dat hij drie kinderen had bij een zekere Berbera, van wie zij de vadersnaam niet kenden, genaamd Maerijcken, Jacob en Pieterken Jansz., dat genoemde Marijcken Jansdr. een dochter heeft, genaamd Berbera, van wie de vader was Jacob van Griecken. Deposanten verklaren voorts, dat Jacob heeft nagelaten een zoon, genaamd Cornelis Jacobsz., die mede gekregen heeft twee kinderen. Na het overlijden van Berbera is Jan van Herdichsvelt hertrouwt met een zekere Truijchgen Jansdr., bij wie hij verwekt heeft Marijchen Jansdr., de vrouw van Cornelis van Nes Lambrechtsz., Pieter Jansz., in zijn leven wonende te Rotterdam, en Berbera Jansdr., weduwe van Simon Cornelisz. de oude. (akte 112)

27 aug. 1580: Evert Boegel, als gemachtigde van het gerecht van Bergambacht, gedaagde, en Pieter Baertsz., als man van Marichgen Mathijsdr., uit Bergambacht, eiser “continueren hun zaecke vuijten gedinge van huijden acht daegen”. (akte 113)

27 aug. 1580: Adriaen Maertensz. lakenkoper verklaart, dat toen hij getrouwd was met wijlen Marijcken Jacob Gribbersdr., “zijnen boedel ofte staet meer ten achteren dan te boven is gecomen”, maar dat hij niettemin beloofd heeft zijn dochter Catharijna Ariensdr., verwekt bij genoemde Marijchgen, haar voogden of erfgenamen “nijet te eijsschen, moeijen of molesteren” zal. (akte 114)

27 aug. 1580: Jan Jansz. Hoegaers, als oom en voogd van de weeskinderen van wijlen Lijsgen Jansdr., zijn zuster, verkoopt Cornelis Dircksz. huistimmerman een erf op de Nieuwe Haven omtrent St. Joost, staande tussen het huis van Neeltgen Maes en het erf van Evert Willemsz. smid, strekkende van voren van de straat tot achter aan de oude muur. Waarborg: Jan Jansz. Hoechaers. Cornelis Dircksz. verkoopt Jan Jansz. Hoochaers, als voogd van de weeskinderen, een jaarlijkse losrente van 2 Vlaamse ponden. De koper is schuldig aan de verkoper een somma van 200 gl. Borg: Evert Willemsz. smid. (akten 115, 116 en 117)

27 aug. 1580: Jan Jansz. Hoegaers, als oom en voogd van de weeskinderen van zijn zuster Lijsgen Jansdr., verkoopt Evert Willemsz. smid een erf op de Nieuwe Haven omtrent St. Joost, beginnend van het erf door hem verkocht aan Cornelis Dircksz. huistimmerman, strekkende van de straat tot achter aan de heining, op welk erf Evert reeds zijn huis heeft laten bouwen. Waarborg: Jan Jansz. Hoegaers. Evert Willemsz. is schuldig aan de verkoper een somma van 205 gl. Borg: Cornelis Dircksz. huistimmerman. (akten 118 en 119)

27 aug. 1580: op verzoek van Anthoni Lambertsz. kramer verklaart Dorothea Balochius, weduwe van Aert van den Eijnden, stadhouder van de schout van Dordrecht, ongeveer 33 jaar oud, dat ongeveer op 2 mei laatstleden haar man in Utrecht ziek in bed lag ten huize van Pieter van Reenen, waard in “de Prins van Orangien”, en dat mede daar is komen logeren een jongman van Antwerpen met nog een andere jongman, Bruijn van Overstichte, die zeiden te Dordrecht “in rechten te staan” tegen de rekwirant, “ende hebben naerstelijcken aen haer deposante vervorent dat zij haeren voorsch. man zoude willen induceren ende hem voorhouden dat hij zoude willen confirmeren de getuijgenisse van zijn jonckwijff die zij hadde gedaen in Ooltgensplaet”, namelijk dat haar man de rekwirant gewaarschuwd zou hebben, dat hij van de kooplieden, die in zijn huis gelogeerd waren en “spigilie” en koorden te koop hadden, niets van hen zou kopen, aangezien het gestolen waar was. De deposante heeft dat tegen haar man gezegd en die heeft verklaart: “heeft het jonckwijff het soe getuijcht zoe moege zij haer omgecocht hebben”. Daarna is bij haar gekomen de waard van het huis, die zei, dat “zij haren man totte selven getuijgenisse soude willen induceren want het geheele proces vande voorschr. persoonen daer aen hangende was.” Haar man bleef echter bij zijn getuigenis en is kort daarna overleden. (akte 120)

1 sept. 1580: ter instantie van Daem Thijsz., als man van Anneken Ghijsbertsz., verklaart Anna Jacobsdr. van Griecken, wonende op het Zwijndrechtse Veer, 50 jaar oud, dat omtrent “derdalff” jaar tevoren bij haar in huis gelogeerd heeft de dochter van Mees van IJsendoorn met haar man, en dat bij die dochter is gekomen Huijbert Thielen, inmiddels overleden, die met elkaar woorden hadden over zekere rente, sprekende op de boomgaard aan de Zandelingen, dat de dochter van Van IJsendoorn tegen Huijbert zei: “ick hebben wel horen seggen datter een oude vrouwe is geweest die deze rente mede plach te betaelen”. Daarop zei Huijbert: “ick en kenne de vrouwe nijet”. De deposante verklaart meer niet te weten, aangezien zij daarna van de kamer is gegaan. (akte 121)

1 sept. 1580: roerende de dood van Huijman Augustijnsz. Comp. Geertruijt Cornelisdr, weduwe van Huijman Augustijnsz. viskoper, enerzijds en Henricxgen Huijmansdr., Augustijn Huijmansz., voor zichzelf, en Anneken Huijmansdr., samen vervangende hun broer Stoffel Huijmansz., en Augustijn Huijmansz. als broer en Cornelis Daniëlsz. als van de naaste verwanten van Dirck Huijmansz. en Maeijcken Huijmansdr., beiden onmondig, allen kinderen van Huijman Augustijnsz. De comparanten verdelen de boedel, die Huijman heeft nagelaten. De weduwe behoudt alle goederen, mits zij gehouden zal zijn de kinderen van de uitschulden vrij te houden. Zij belooft Marijchgen Huijmansdr. te onderhouden tot mei 1581 en dan aan de twee jongste kinderen uit te reiken een bedrag van 16 Rijnse gl. Zij zal tevens het nakind, bij haar verwekt door Huijman Augustijnsz., onderhouden. (akte 122)

31 aug. 1580: op verzoek van Claes Jansz. van Wesel verklaart Jan Jansz., wonende in Somersdijck, ongeveer 29 jaar oud, dat hij in het begin van de Vasten in Somersdijck is geweest ten huize van Thonis Cornelisz., waar mede aanwezig waren de rekwirant en een zekere Wijnant van Breedae, die aan de rekwirant beloofde te zullen leveren 11 balen mede, en dat de rekwirant aan Wijnant betaald heeft 15 Vlaamse ponden. De rekwirant heeft hem deposant met die mede bevracht om die te vervoeren naar Dordrecht en hij heeft de mede gebracht achter zijn huis. (akte 123)

3 sept. 1580: Meijnaert van Zegwaert, achtraad van Dordrecht, verklaart, dat hij ter voldoening van een uitspraak, die is gedaan door Artus van Brederoede, raad in het Hof van Holland, van 1 juli 1580, verkocht heeft aan Marijcken Meijnertsdr., zijn natuurlijke dochter, van wie moeder was Neeltgen Cornelisdr., een jaarlijkse losrente van 22 gl., verzekerd op een vierde deel van een huis, staande in de Houttuin [deel van de Voorstraat] tussen het huis van Michiel van Beveren, rentmeester van Zuid-Holland, en dat van Huijch Jobsz. (akte 124)

3 sept. 1580: Jan Mathijsz., burger van Dordrecht, verleent procuratie aan Adriaen Adriaensz. de Oude, burger van Dordrecht, om te vorderen al hetgeen men hem schuldig mag zijn. (akte 125)

7 sept. 1580: Willem Joosten, als gemachtigde van Dirck van Nuijssenborch Dircksz., voor de ene helft, en Joachim Hesterberch, voor de andere helft, transporteren aan Damas van Blienburch Heijmansz. een rentebrief van 170 Engelse nobels jaarlijks, sprekende op de goederen en renten van de heerlijkheid Strijen, gedateerd 23 jan. 1580. (akte 127)

7 sept. 1580: Damas van Blienburch Heijmansz. transporteert aan Jacob Willemsz. dekker uit Wijngaarden een jaarlijkse losrentebrief van 15 schilden, verleden door Huijbert Joosten ten overstaan van de schout en heemraden van Molenaarsgraaf. (akte 128)

6 sept. 1580: roerende de dood van Neeltgen Willemsdr. Jacob Geeritsz. mette Baert, weduwnaar van Neeltgen Willemsdr., en Joosgen Geeritsdr., zij huidige vrouw, enerzijds, en Simon Cornelisz. en Willemtie Cornelisdr., als broer en zuster van Machtelt Jacobsdr., 12 jaar oud, en Gerit Jacobsz., ongeveer 9 1/2 jaar oud, geassisteerd met Willem Dionijsz., beiden kinderen van Jacob Geeritsz., door hem verwekt bij Neeltgen Willemsdr., anderzijds, verdelen de boedel, die Neeltgen heeft nagelaten. Jacob Geeritsz. zal behouden alle goederen, die de kinderen bij overlijden van hun moeder zijn aangekomen, alsmede een somma van 50, die aan Machtelt is gelegateerd in het testament van Steven Buijs, en de ongeveer 50 gl., die beide kinderen zijn aangekomen bij overlijden van Steven Buijs. Jacob Geeritsz. verklaart, dat Willem Dircxsz. hem alle brieven en bescheiden aangaande voornoemde kinderen heeft overhandigd. De kinderen zijn aanbedeeld aan hun alimentatie tot hun 18e jaar. Jacob Geeritsz. moet dan aan Machtelt uitkeren een somma van 16 Vlaamse ponden en aan Gerit 8 Vlaamse ponden en dat ter vergoeding van de 50 gl., die aan Machtelt zijn gemaakt in het testament van Steven Buijs. Als de kinderen komen te overlijden voor hun 18e jaar zullen Jacob of zijn erfgenamen aan de erfgenamen van Machtelt een jaar na haar overlijden een bedrag van 13 Vlaamse ponden en aan die van Gerit een bedrag van 7 Vlaamse ponden een jaar na zijn overlijden uitkeren. Jacob Geritsz. en zijn vrouw verbinden voor de nakoming hiervan een huis aan de Landzijde [Voorstraat], staande tussen de Lombardsteiger en het huis van Aert Gleijnesz. (akte 129)

6 sept. 1580: Willem Thonisz. wijnkuiper, inwonende burger van Dordrecht, verleent procuratie aan Geerloff Willemsz., zijn zoon, om in ontvangst te nemen hetgeen men hem schuldig is en om te verkopen een huis in Zierikzee in de Potstraat, genaamd “de Maecht van Mechelen”. (akte 130)

5 sept. 1580: op verzoek van Anthoni Lambertsz. kramer verklaart Maximiliaen de Heve kramer, ongeveer 46 jaar oud, inwonende burger van Dordrecht, dat in april of mei twee jaar eerder, voor de winkel van hem, deposant, op de hoek van het Steegoversloot, is geweest een manspersoon, wiens naam hij niet kent, en “dan wel wetende dat het een vande partijen was van de requirant, zijnde de kortste van die personen “hebbende eenen rossen off blancken baert”, die zeer klaagde over de schade, die hij en zijn zwager geleden hadden van het goed, dat hem afhandig gemaakt was. De deposant zei toen: “U schaede is mijn leedt”, waarop de man zei: “wout gij mijn behulpich sijn ick sal u hondert gul. geven”. De deposant heeft daarop gevraagd, op welke manier hij hem behulpzaam zou zijn, waarop de man zei: “vande saecke van Anthonij”, waarmee hij de rekwirant bedoelde, “vant goet dat hij gecoft heeft”. De deposant heeft toe gezegd: “als ick beropen ben om getuijgenisse der waerheijt te geven sal ick tuijgen als recht is ende ick begeer mijn sijel niet te besmetten of belasten om Anthonijs wille noch om uwen wille noch om nijemans wille”. (akte 131)

8 sept. 1580: Cornelia Guidos, schoonmoeder van Martijn van de Donck genaamd Blommert, stelt zich voor hem borg voor de actie, die aan Jacques Schijnen de kramer of zijn zoon toekomt van Maerten Blommert, waarvoor hij hem te Dordrecht heeft laten arresteren. (akte 132)

6 sept. 1580: Henrick van Nispen Adriaensz. stelt zich borg voor Pieter Sonneville voor een somma van 50 gl., die Mathijs Berck toekomt van Sonneville, waarvoor hij hem te Dordrecht heeft laten arresteren. (akte 133)

8 sept. 1580: roerende de dood van Pieter Cornelisz. schipper. Aeltgen Pietersdr., weduwe van Pieter Cornelisz. schipper, enerzijds en Geerit Cornelisz. stoeldraaier en Aert Cornelisz. stoeldraaier, als ooms en voogden van Joosgen Pietersdr., 4 jaar oud, weeskind van Pieter Cornelisz. en Aeltgen Pietersdr., anderzijds, verdelen de boedel, die Aeltgen heeft nagelaten. De weduwe behoudt alle goederen, mits zij het kind alle uitschulden kwijtscheldt. Het kind heeft recht op haar alimentatie tot haar 18e jaar en haar moeder zal haar dan uitkeren een bedrag van 2 Vlaamse ponden. (akte 134)

8 sept. 1580: Digna Huijgen verklaart wegens de goede en getrouwe diensten, die haar dienstmeid Lijsbeth Cornelisdr. haar bewezen heeft en nog bewezen zal, en ter betaling van het geld dat Lijsbeth haar geleend heeft, aan haar over te dragen een rentebrief van 21 gl. jaarlijks, verleden door Pieter Adriaensz., kramer te Gorinchem, welke rentebrief haar, Digna, is aangekomen bij overlijden van Thielman Huijgen, haar broer. (akte 135)

9 sept. 1580: Aeltgen Willemsdr., weduwe van Adriaen Jansz. Cant, transporteert aan Digna Jacobsdr., de huisbrief van een huis in de Grotekerksbuurt. (akte 137)

9 sept. 1580: Huijbrecht Jongh Adriaensz., schepen in wette van Dordrecht, verklaart ontvangen te hebben van Johan Boucquet Willemsz. een bedrag van 122 Rijnse gl. 5 st. “ende eenen halve ende ses mijster”, die geconsigneerd zijn onder Willem Bouquet, Johans vader. De tweede helft van 244 gl 11 st. is gelicht door Jacob Adriaensz. Heijthoven tijdens diens leven uit handen van Willem Boucquet op 12 okt. 1562. (akte 139)

9 sept. 1580: op verzoek van Pieter Rochusz. verklaart Willem Stoop Dircxsz. de jonge, waard in “de Drie Coningen”, ongeveer 40 jaar oud, dat omtrent 10 jaar eerder hij met een stuurman van Brouwershaven in Rotterdam gekocht heeft van Henrick Jan Sijbertsz. een os voor 10 Vlaamse ponden, met als voorwaarde, dat men in Brouwershaven weer zou preken “het Woord Godts op de jegenwoordige religie”. Stoop verklaart voorts, dat de os geleverd is aan de “baeck” en dat hij het geld betaald heeft met de leverantie van haring, die de rekwirant van hem gekocht heeft. (akte 140)

10 sept. 1580: roerende de dood van Grietgen Bouwensdr. Jan ten Brinck, weduwnaar van Grietgen Bouwensdr., enerzijds en Jan Bouwensz. en Adriaen Jansz. steenhouwer, als ooms en voogden van Elsgen Jansdr., 5 1/2 jaar oud, kind van Jan ten Brinck en Grietgen Bouwensdr., verdelen de boedel, die Grietgen nagelaten heeft. Jan ten Brinck krijgt alle goederen, mits hij het kind schadeloos houdt van alle uitschulden, hij het kind zal onderhouden tot haar 18e jaar en haar dan een somma van 300 gl. zal uitreiken. Als het kind voor haar 18e jaar komt te overlijden, moet haar vader aan haar erfgenamen de helft van die 300 gl. uitkeren en mag hij de wederhelft behouden. Na zijn overlijden zal zijn helft weer komen aan de erfgenamen van Elsgen, maar als zij komt te overlijden na haar 18e jaar zonder kinderen na te laten, zal de helft van de 300 gl. komen aan haar erfgenamen en zal de wederhelft eigendom blijven van Jan ten Brinck en na zijn overlijden aan de erfgenamen van zijn dochter. Jan verbindt voor de nakoming hiervan zijn huis op de Nieuwbrug, genaamd “de Groote Bel”, waar nu uithangt “de Stadt Wesel”. (akte 141)

10 sept. 1580: Blasius Brouwer Ariensz. stelt zich borg voor Matheus van Valckenborch voor de lichting van twee spijkervaten, die in het huis “Pauwesteijn” liggen, getekend nr. 14 en 15, die aan Matheus als factoor zijn gezonden en gearresteerd door Lange Thijs en Mathijs Coekener. (akte 142)

12 sept. 1580: Meijnsgen Ghijsbertsdr., de vrouw van Engel Corssen, die in het buitenland verblijft, verklaart, dat de kraam, die zij heeft, toebehoort aan haar vader Gijsbrecht Fransz., die de kraam van haar man gekocht heeft tijdens Pinksteren 1579 voor 16 Vlaamse ponden. Haar vader heeft daarvan aan Engel betaald 8 Vlaamse ponden. Zij behoudt “aende selve crame …[niet] dan alleenlijck daarinne is sittende ende selve crame bewaerende om den coste voer haer ende haer klein kindeken”. Comp. mede Ghijsbert Fransz., die belooft “sonder laste” van zijn dochter of haar kind te betalen aan Aerjaentgen Thonisdr., weduwe van Adriaen Jansz. Schot, een bedrag van 6 Vlaamse ponden en twee Vlaamse ponden, die hij schuldig is aan Aert Jansz. alias Bommelaer wegens de huishuur, die tot Bamisdag verschijnen zal en dat ter betaling van de overige 8 Vlaamse ponden, die hij voor de kraam nog moet betalen. (akte 143)

13 sept. 1580: Margariete die Deijne, weduwe van Cornelis Cloribus van Brugge, wonende te Dordrecht, verleent procuratie aan Goris, Augustijn en Jan Cloribus, haar zoons, om te vorderen al hetgeen men haar schuldig is en in het bijzonder te verkopen haar huis in Brugge in de Groenstraat en al haar overige goederen. (akte 144)

12 sept. 1580: Willem Stoop Dircxsz., burgemeester van Dordrecht, als Heiligegeestmeester van de Grote Kerk, voor zichzelf en vervangende de overige Heiligegeestmeesters van de Grote Kerk, en Huijbrecht Jong Adriaensz., als gasthuismeester van het Sacramentsgasthuis, vervangende de overige gasthuismeesters van Dordrecht, verlenen procuratie ad lites aan mr. Adriaen Dircxsz., procureur postulant voor het Hof van Holland. (akte 145)

13 sept. 1580: jonkvrouw Maria Quarre verleent procuratie aan Lubbert van Duijn, haar man, om te verkopen een vijfde part, haar aangekomen bij overlijden van haar ouders, in een hofstede of woning met een huis, berging, keten, schuren etc. met 36 mrg. 128 roeden en 8 voeten land, liggende in Cromstrijen of Klaaswaal, met nog een vierde part in “veertiendalve” mrg. land, gelegen in het bedijkte land van Beijerland onder Klaaswaal, alsmede haar aandeel in Numansgors. (akte 146)

13 sept. 1580: Arie Soetmans, burger van Dordrecht, verleent procuratie ad lites aan zijn vrouw Joosgen Cornelisdr., om te ontvangen van Marichgen Ingens en Lenert [NN], wonende te Ouderkerk, en te ontvangen hetgeen zij aan hem schuldig zijn.(akte 147)

21 sept. 1580: Frans Willemsz. verkoopt Jan Cornelisz. Pot een huis op de Kleine Vismarkt, genaamd “de Plouch”, staande tussen het huis van Anneken de hekelster en dat van Dirck Dircksz. brouwer. Waarborg: Willem Pietersz. comen. De koper transporteert aan de verkoper een schepenenschuldbrief, verleden door Geerit Thonisz. vogelvanger, inhoudende 700 gl. De koper is schuldig aan de verkoper een somma van 94 gl. Borg: Dirck Jansz. constabel. (akten 148 t/m 150)

21 sept. 1580: Willem Rademaecker, inwonende burger van Dordrecht, is schuldig aan Henrick Cornelisz., wonende te Rotterdam, een somma van 125 Vlaamse ponden wegens hem “in sijnen noot” geleend geld, verbindende 630 Vlaamse kazen, staande in het huis van Cornelis Molen Fransz. in het Leerhuisstraatje [Schrijversstraat]. (akte 151)

12 sept. 1580: Neeltgen Huijgendr., weduwe van Jan Dircxsz. schipper, geassisteerd met Frans Scheij, haar voogd, in aanwezigheid van Lambert Pietersz. kuiper, wonende te Alblasserdam, stelt zich borg voor Theeus Jansz., haar zoon, voor een somma van 25 gl., die haar zoon moet betalen aan Jan Thonisz. in de Bruijnvisch. (akte 152)

15 sept. 1580: Floris Willemsz. en Hans Verbeeck, inwonende burgers van Dordrecht, stellen zich waarborg voor David de Leu voor het geval, dat David het huis “den Hont”, staande op de Groenmarkt, door hem gekocht van Siond Lus, belast heeft en zij aan hem mogen betalen een bedrag van 300 gl. (akte 153)

15 sept. 1580: op verzoek van Aert Jansz. van Gorinchem verklaren Floris Willemsz., 29 jaar oud, en Jacob Herbaertsz., 28 jaar oud, beiden van Amsterdam, dat zij een dag eerder aanwezig zijn geweest op het Cawet [de Grote Appelsteiger], staande op hun “schijetschuijt”, waar de rekwirant lag met zijn schuit geladen met peren, en dat zij toen gehoord hebben, dat Thonis Baerentsz. aan de rekwirant vroeg: “is dit koopmansgoed”, waarop de rekwirant zei: “wat leijter u aen”. Thonis heeft daarop geantwoord: “soude ick mij daer mede niet moeijen ofte en soudt mij niet aen geen ick hebber part ende deel in”. (akte 154)

15 sept. 1580: op verzoek van de gemeenschappelijke crediteuren van wijlen mr. Dirck Busgijeter verklaart Pieter Jansz., 50 jaar oud, dat anderhalf jaar tevoren hij geweest is in de herberg “Sint Jacob” in Antwerpen, waar toe ziek in bed lag mr. Dirck Busgijeter en dat hij, deposant, tegen hem gezegd heeft: “gij sijt al geheel sijeckelijck, het waer goet dat gij u saecke te kennen gaeff hoe die selve al in Hollant en elders staen. Geeffdij mij te kennen. Gij sult daer om te eer niet sterven ende geeft gij dat selve niet te kennen gij en sulter niet te langer om leven”. Waarop mr. Dirck zei: “heeft Jan Willemsz. mijn schult betaelt gelijck hij mij belooft heeft soe en comt mij van hem niet veel”. De deposant verklaart, dat mr. Dirck geen uur daarna meer leefde en stierf aan de pest. (akte 154)

15 sept. 1580: Balten Cornelisz. schipper transporteert aan Jan Dircxsz. van Aelst alias Vliegenthert een schepenenschuldbrief, sprekende op Jan Willemsz. (akte 155)

17 sept. 1580: Rut Jansz. sledenaar verkoopt aan Neeltgen Heijmansdr. een losrente van 3 gl. jaarlijks, verzekerd op een huis voor het Bagijnhof, staande tussen het huis van Cornelis Aertsz. van de Graeff en dat van Luijcas de molenaar. (akte 157)

17 sept. 1580: roerende de dood van Simon Dircxsz. schipper. Heijltgen Geritsdr., weduwe van Simon Fransz., enerzijds en Pieter Mathijsz. schipper, als oom en voogd van Dirck Simonsz., ongeveer 15 of 16 jaar oud, kind van Simon Dircxsz., van wie moeder was Maijcken Thijsdr., anderzijds verklaren, dat zij wegens de sobere en armelijke staat van de boedel van Simon Dircxsz. zij elkaar dienaangaande kwijtgescholden hebben. (akte 158)

17 sept. 1580: op verzoek van Jan Mathijsz. Soters van ‘s-Hertogenbosch, thans wonende te Dordrecht, verklaren Daniël van Vlierden, ongeveer 50 jaar oud, en Elias Walscappel. ongeveer 40 jaar oud, beiden van Den Bosch en thans wonende te Dordrecht, dat Jan Mathijsz. voortdurend in Dordrecht gewoond heeft sedert de burgers van Den Bosch uit die stad gevlucht zijn, wat al langer dan een jaar geleden gebeurd is. (akte 159)

17 sept. 1580: Anthonis Anthonisz. Eelinck stelt zich borg voor Cornelis Jansz. Striecost van Veere, voor hetgeen Pieter Alewijnsz. van hem tegoed heeft en waarvoor hij hem heeft laten arresteren en zijn schip in de Boom heeft doen houden. (akte 160)

19 sept. 1580: Willem Willemsz. apotheker te Dordrecht, als pachter van de “vier gul. over de ses maenden”, ingaande op 1 april, op elke honderd zout, welke door de Staten van Holland erop gesteld is, verklaart, dat hij volgens de genoemde ordonnantie van de Staten ontvangen heeft van Joost Bouwensz. pannenman te Hulst het recht van een kwart Zeeuws zout, dat te Dordrecht geleverd is aan Willem Clerck op 3 aug. en dat hij betaald is door Joost van het recht van 100 zout, dat te Dordrecht geleverd is aan Aernt Reijniersz. van Orsou. (akte 161)

13 sept. 1580: Cornelis Thonis Loijcxsz., wonende in Arien Pietersambacht, verklaart gepacht te hebben van Jacob van Beveren, als ontvanger van de pachten van de goederen, door “die van Dordrecht” in pandschap genomen, 22 morgen land in Arien Pietersambacht, dat toebehoord heeft aan Willem Schoock, westwaarts naast de hofstede van Cornelis Thonis Loijcxsz., voor 118 gl. per jaar. (akte 162)

17 sept. 1580: Ploen Huijgen, wonende te Mijnsheerenland, verklaart gepacht te hebben van Jacob van Beveren, als ontvanger van de pachten van de goederen, door “die van Dordrecht” in pandschap genomen, 5 morgen 3 hont 65 roeden en 8 of 10 voeten land in het nieuw bedijkte land van Mijnsheerenland op grond van Moerkerken, welk land toebehoord heeft aan Jacob Pijnse van Steenhuijsen, voor 30 gl. per jaar. (akte 163)

20 sept. 1580: op verzoek van Aelbert Aelbertsz. kraankind verklaren Pieter Pietersz. lakenkoper, ca. 51 jaar oud, Jan Pietersz., ca. 40 jaar oud, en Geerit Jan Sijbertsz., ca. 40 jaar oud, allen burgers van Dordrecht, dat op 14 sept. zij hebben laten verzetten hun molenstenen, staande omtrent Kraan Rodermond, en dat bij het verzetten van de laatste steen met Cornelis Jansz. en Dirck Jacobsz., die eraan medewerkten, zij niet in staat waren om die steen overeind te houden. Zij hebben die steen “ontsprongen” en de andere gasten gewaarschuwd, “dat zij vuijten weege wijcken zouden”. De steen is echter gevallen en heeft Dirck Jacobsz. geplet. Zij verklaren voorts, dat de rekwirant, staande met een “speeck” in zijn hand, de steen uit de “rol” stootte en dat zij gezien hebben, dat de rekwirant aan het voorval niet schuldig is en niet meer ervan beschuldigd kan worden dan de anderen, die eraan werkten. (akte 164)

21 sept. 1580: Cornelis Aertsz. vleeshouwer, als eraan gekomen zijnde bij overlijden van Joetgen Jacobsdr., weduwe van Aert van de Poel, zijn nicht, transporteert aan Cornelis Jacobsz. boogmaker een rentebrief van 3 Vlaamse ponden jaarlijks, sprekende op de stad Dordrecht. (akte 165)

21 sept. 1580: Lijntgen Ockersdr. en Dirck Claesz. continueren hun zaak “van Heijden acht daegen”. (akte 166)

17 sept. 1580: Grietgen Cornelisdr., weduwe van Pieter Willemsz. Bengelroede, brouwer te Dordrecht, verklaart, dat zij op de twee last Delfts mout, die haar man op 10 juli 1571 ontvangen heeft van Claes van Beveren voor 18 gl. 10 st. de hoed, op 10 juni 1572 aan Dirck Verhoog, dienaar van Adam Woutersz., betaald heeft 19 gl. (akte 167)

20 sept/ 1580: Otto Stijperiaen, schipper van Nijmegen, verleent procuratie ad lites aan Heijman Andriesz., procureur voor het gerecht van Dordrecht. (akte 168)

21 sept. 1580: Willem Tack Eliasz., burger van Dordrecht, verleent procuratie ad lites aan Niclaes van de Corput Mercelisz.. procureur wonende te Breda op de Veemarkt in “Rodenborch”, contra Dionijs Piggen, wonende te Breda. (akte 170)

21 sept. 1580: Cornelis Adriaensz. schipper, inwonende burger van Dordrecht, verleent procuratie ad lites aan Jan Geerit Claesz. van de Borch, procureur voor het Hof van Holland. (akte 171)

21 sept. 1580: Anna van Nuijssenburch, de vrouw van Hans Hoijers, verklaart, dat van twee jaar pacht als zij of Johan Hesterbachs “van haerentwege actie hebbende ten achteren is aen Marijcken Dirck Lenertsz., verschenen Petri in Selle” 1578 stilo Curiae Hollandiae, Marijcken noch Jan van Nuijssenburch Willemsz. haar daarvan iets betaald hebben. (akte 172)

22 sept. 1580: Dirck Huijbertsz. ijzerkoper verleent procuratie ad lites aan Geerit Jansz. Poep. procureur voor het gerecht van Den Haag, en verklaart, dat de schulden vermeld in zijn register “oprecht ende deuchdelijk” zijn en dat het geld, dat wordt vermeld in het extract van zijn register hem “deuchdelijk” toekomt van mr. Adriaen Huijbertsz. smid op het Hof te Den Haag. (akte 173)

21 sept. 1580: Meijnert van Segwaert Bartholomeusz., achtraad van Dordrecht, pacht van Jacob van Beveren Pietersz., als ontvanger van de pachten van de goederen, die “bij die van Dordrecht” in pandschap genomen zijn, 7 mrg. anderhalve hont land in het Oudeland van Mijnsheerenland, dat toebehoort heeft aan mr. Reijnier van der Duijn, jaarlijks voor 9 gl. de morgen. (akte 174)

21 sept. 1580: op verzoek van Adriaen Claesz., burger van Dordrecht, en Henrick van Alten van Wesel verklaren Jan Cramer wijnkoper, 42 jaar oud, en Barent Jansz. wijnkoper, 44 jaar oud, beiden burgers van Dordrecht, dat omtrent nov. 1579 zij in Brussel zijn geweest in het huis “de Gulden Hoet” op de Veemarkt, waar logeerde en ziek lag mr. Jan Beer, burger van “Dousborch” in het Land van Kleef, en dat zij hebben gehoord, dat Adriaen Claesz. tegen mr. Jan Beer zei: “off den Heer zijnen wil met u dede ghij moet immers bekennen dat ghij mij schuldich zijt” een somma van 90 gl. 8 st. Daarop heeft mr. Jan Beer bevestigd, dat hij dat geld aan hem schuldig was. Voorts verklaren de deposanten, dat mr. Jan Beer twee of drie dagen daarna is overleden. (akte 175)

21 sept. 1580: ter instantie van idem verklaart Jan Wanner, dat hij tijdens Lichtmis een jaar geleden is geweest is in “Duijsborch” in het Land van Kleeft om voor de rekwiranten af te rekenen met Henrick Corthaegen van “Duijsborch” van hetgeen hij hen schuldig was. (akte 176)

22 spet. 1580: Jan Cornelisz. Pot verkoopt Willem Aertsz. linnenwever een huis in de Kromme Elleboog, staande tussen het huis van Cornelis de kramer en dat van Jan Danckertsz. De koper is schuldig aan de verkoper een somma van 164 gl. Borgen: Merten Aertsz. en Claes Jansz. linnenwevers. (akten 177 en 178)

22 sept. 1580: op verzoek van Jacob van Leijen en Willem van Dilsen verklaren Marten Rijcken, inwonende burger van Dordrecht, en Peter Roeijen, burger van Roermond, dat zij ongeveer 8 of 10 dagen tevoren gezien hebben, dat in Dordrecht uit het schip van Jacob van Leijen gelost zijn 23 ponden zoetemelkse kaas, die opgeslagen zijn in het huis van Willem Moelen Fransz. burger van Dordrecht. (akte 179)

24 sept. 1580: Wijventgen Ariensdr., weduwe van Egbert Adriaensz., wonende in Krimpen, transporteert aan Govert Jansz. van Bemont olieslager een rentebrief van 18 schilden jaarlijks, verleden door Adriaen Henricxsz. en gepasseerd voor schout een heemraden van Streefkerk. (akte 180)

10 sept. 1580: op verzoek van mr. Jan Daniëlsz. verklaren Jan Mathijsz., 50 jaar oud, en Anthonis Jan Mathijsz., 22 jaar oud, dat zij ongeveer 2 maanden eerder aanwezig geweest zijn in “het Vlies”, samen met de rekwirant, waar zij woorden gehad hebben aangaande de “echijs” en uitkoop, maar dat zij niet gehoord hebben, dat het toen tot een overeenkomst is gekomen. Zij zijn uit elkaar gegaan, terwijl mr. Jan beloofde, dat hij niemand part noch deel in de pacht zou geven, maar dat zijn compagnie daarbij voor zou gaan. Mr. Jan heeft dat opgetekend in het tafelboekje van Anthoni Lambertsz. De deposanten verklaren van de overige artikelen niets te weten. (akte 181)

24 sept. 1580: Jan Pietersz. van den Borch, brouwer en inwonende poorter van Dordrecht, verklaart, dat Chaerle Emmerickx de jonge van Antwerpen wegens het arrest door de comparant aan Chaerle gedaan, “omme de betalinge van huijshuer bij sijnen vaeder aen hem comparant ghehuijert ende bij henluijden beijden bewoont alhier sal nu ende dan bij ontslaginge van wederomme in arreste te comen, in arreste gelegen heeft den tijde van acht daegen”. (akte 182)

26 sept. 1580: Jan Wiltens, wonende in “de Orangeboom” te Dordrecht, Anthoni Wiltens schoenmaker en Simon Wiltens, kramer wonende te Dordrecht, voor zichzelf en tevens samen vervangende hun broer Herman Wiltens, die in Breda woont, ooms en voogden van de kinderen van Goossen Henricxsz., hun halfbroer, die tijdens zijn leven in Breda gewoond heeft, verklaren volledig voldaan te zijn door Joris Fen, koopman van Antwerpen, van het beheer, dat hij gehad heeft van de goederen van de weeskinderen, volgens twee procuraties, de ene van 12 jan. 1580 en de tweede van 11 mei 1580, beroerende het testament van Huijbrecht Wiltens, die is overleden in Engeland. (akte 183)

26 sept. 1580: Reijer Pietersz., waard in “de Hoppesack” te Dordrecht stelt zich borg voor Geerit Jansz. paardenkoper, burger van Dordrecht, voor een bedrag van 32 gl., waartoe Geerit op diezelfde dag door het Hof van Holland is veroordeeld te betalen aan de weduwe van mr. Arent Coebel. (akte 184)

27 sept. 1580: Simon Putte verklaart te “appeleren” van het besluit, dat een dag tevoren is gewezen door de Kamer Juditiaal tussen [NN] van Enkhuizen en hem, comparant, als verweerder. (akte 185)

26 sept. 1580: op verzoek van Balthasar van Den Bosch verklaart Mels Cornelisz., schipper en burger van Dordrecht, dat meer dan een jaar tevoren Willem Woutersz. schipper aan hem, deposant, heeft overgedaan een vracht wol en brandhout om die te vervoeren van Dordrecht naar Middelburg, waarvoor hij hem zou betalen twee Vlaamse ponden. Willem heeft hem daarvan nooit iets betaald. De rekwirant heeft echter de volledige som aan hem voldaan. (akte 186)

27 sept. 1580: Henrick Rutgersz. van Boer in Westphalen verleent procuratie aan zijn broer Jan Rutten van Boer om te transporteren aan Herber Lucasz., wonende te Boer, zijn aandeel van een huis te Boer, staande naast het huis van Herber Lucasz., hem, comparant, aangekomen door overlijden van zijn ouders Rutger Hulscher en Grietgen Hulscher, alsmede de koper daarin te “vestigen” volgens het gebruik van de stad Recklinghausen of elders. (akte 187)

24 sept. 1580: op verzoek van Jan Adriaensz. uit Barendrecht verklaart Jacob Dircxsz. Absou, brouwer en inwonende poorter van Dordrecht, ongeveer 30 jaar oud, dat hij omtrent Kerstmis 1576 aan de rekwirant schuldig is geweest 5 Vlaamse ponden wegens de koop van gerst. Daarop heeft hij deposant “bewesen” die 5 Vlaamse ponden te ontvangen aan mijnheer van Heerjansdam, aangezien de rekwirant hem geld schuldig was wegens verlopen landpachten en mijnheer van Heerjansdam hem, deposant, schuldig was wegens de leverantie van bier. Daartoe heeft hij, deposant, zijn vrouw met de rekwirant gestuurd naar het huis van de heer van Heerjansdam, en toen die teruggekomen waren heeft zijn vrouw tegen hem gezegd: “ick heb mijnheer van Heerjansdam gevraecht off hij te vreden was de vijff ponden Vlaems die wij Jan Adriaensz. … schuldich sijn aen sijn pachten te willen laten strecken ende soude hem wederom aen sijn gehaelde bieren offslach ende betalinge aen ons strecken”. De heer van Heerjansdam verklaarde toe, dat hij daarmee tevreden was. De dienstmaagd van de heer van Heerjansdam is naderhand gekomen met de kerfstok om af te rekenen, bedragende 10 Vlaamse ponden. De deposant heeft daarvan 5 Vlaamse ponden afgetrokken en de kerfstok doen “outstucken [sic] snijden”. (akte 188)

27 sept. 1580: Thomas Ruselaer muntenaar verkoopt aan Franchois de Buijlere een huis in de Willem Oskensstraat [Weeshuisstraat], staande tussen het huis van Gerbrant Dircxsz. Stoep en dat van Gijelis Jansz. wever. Waarborg: Caerle van Ruijsborgh, provoost van de Munt te Dordrecht. De koper is schuldig aan de verkoper een bedrag van 462 gl. Borg: Henrijck Andriesz. (f. 48v)

16 sept. 1581 [sic] Jan Pietersz. Dorpman heeft tot ontlasting van het huis, genaamd “de Goudsblom”, door hem verkocht aan Pieter Gillisz. huistimmerman, hetwelk verbonden staat voor de alimentatie van zijn kinderen, door hem verwekt bij Marijchgen Maertens, zijn overleden vrouw, verbonden te hebben in plaats van het huis “de Goudsblom” twee huizen achter in de Vriesestraat, staande naast elkaar tussen het Leprooshuis en het huis van Henrick van Nispen. (f. 48v)

27 sept. 1580: Passchier Wijnantsz. van Maastricht verklaart, dat hij te Dordrecht weer in arrest zal komen en compareren tijdens de Dordtse Beestenmarkt. Hij zal aan Jan Jansz. in het Moerjaenshooft voldoen de rest van de schuld, die hij heeft, of bij gebreke daarvan mag men hem in gijzeling houden. (f. 49)

27sept. 1580: op verzoek van Neeltgen Jansdr. van Maastricht verklaart Jan Jansz. Hoogaers, inwonende burger van Dordrecht, hem voorgelezen zijn de attestatie door hem gedaan ten overstaan van notaris Herman Spijegel, dat hij bij de inhoud aandien zal “persisteren”. Hij verklaart voorts, dat Wouter van Emmerich Cour zowel de kamer bewoond heeft als zijn vrouw Lijntgen van Bredae. Comp. mede Margrijet Reijnouts Thuijtsdr. van Maastricht, ongeveer 34 jaar oud, dat zij aan haar verklaring, gedaan voor voornoemde notaris, zal “persisteren”. Zij verklaart ook, dat Wouter van Emmerich Cour de kamer, de bedden en de inboedel zo wel gebruikt heeft als zijn vrouw Lijntgen van Bredae. Dat wordt bevestigd door Lijntgen Jansdr., weduwe van Cornelis Joosten, ongeveer 70 jaar oud, en Corssen Claesdr., weduwe van Dirck Dircxsz. kleermaker, poorters van Dordrecht, 36 jaar oud. (f. 49)

28 sept. 1580: Jacob Geeritsz. metten Baert verkoopt Adriaen Thomasz. alias Cappel schipper een huis aan de Landzijde [Voorstraat], staande tussen de Lomabrdbrug en het huis van Aert Geleijnsz. kleermaker. De koper is schuldig aan de verkoper een somma van 518 gl. (f. 49v)

28 sept. 1580: op verzoek van Mercelis ter Cruijs, burger van Dordrecht, verklaart Jan Jansz. Harnaschveger, schipper van Tiel, ca. 40 jaar oud, dat hij in juni gekocht heeft van de rekwirant een last Noorse tarwe. (f. 50)

21 sept. 1580: op verzoek van Balthasar van den Bosch, koopman te Middelburg, verklaart Herman van de Wolde Jansz., waard in “het Vosken”, ongeveer 32 jaar oud, dat hij in het begin van april hij als factoor van de rekwirant ontvangen heeft een brief, waarin hij hem verzocht te leveren aan Geerit van Meeckeren, koopman van Nijmegen, 150.000 “schaliën” en daarvoor van Geerit te ontvangen een bedrag van ca. 800 gl. Hij heeft de “schaliën” twee of drie maal aan Geerit aangeboden op straat in aanwezigheid van de vader van zijn vrouw, genaamd Willem van Gorchum. Geerit van Meeckeren heeft aan dat bedrag willen korten zekere somma geld. De deposant heeft toe gezegd, dat hij daarvoor van de rekwirant geen toestemming had, waarop Geerit heeft gezegd, dat hij het goed niet wilde ontvangen, tenzij de deposant aan het genoemde bedrag iets wilde korten, niettegenstaande het feit, dat de deposant hem voorstelde zich borg te stellen voor hetgeen hij op Balthasar aangaande de genoemde korting zou mogen hebben te “spreken”. Geerit is op 28 april uit Dordrecht vertrokken, op welke dag de rekwirant daarna in de stad aangekomen is. De rekwirant heeft grote schade daardoor geleden, omdat hij naar Grave heeft moeten gaan en zijn handel daardoor stil heeft gestaan. (f. 50)

29 sept. 1580: op verzoek van Lijsgen Jansdr., weduwe van Jan de Bruijn huistimmerman, verklaart Reijer de Jonge Reijersz., ongeveer 50 jaar oud, dat hij goed gekend heeft Jasper Jansz., de broer van de rekwirante, die ’s herendienaar was in Den Haag, en dat hij wel weet, dat Jasper met een zekere persoon woorden gekregen heeft en met hem is gaan vechten. Jasper is toen dood gebleven en de ander is mede als gevolg van de vechtpartij overleden. De deposant zegt, dat hij met Jasper op school gezeten heeft. (f. 50v)

29 sept. 1580: op verzoek van Simon Joosten van Brussel kramer verklaren Henrick Florisz. korenmeter, ongeveer 50 jaar oud, en Jan Pietersz. van Den Bosch arbeider, 65 jaar oud, burgers van Dordrecht, dat zij de rekwirant goed kennen en dat hij gedurende omtrent 7 jaar in Dordrecht gewoond heeft en in die tijd zich “eerlijk ende vromelijk” gedragen heeft. De eerste deposant verklaart, dat de rekwirant in zijn huis gewoond heeft en Jan Pietersz. zegt, dat hij en de rekwirant jaren lang in de zelfde buurt gewoond hebben. (f. 50v)

29 sept. 1580: Jan Fransz., Cornelis Fransz. en Corstiaen Fransz., voor zichzelf en Frans van Diemen Henricxsz., als man van Fijchgen Fransdr., transporteren aan Marijcken Fransdr. vier vijfde delen van een rentebrief van 1 Vlaamse pond jaarlijks, verleden door Rochus Aertsz. en gepasseerd voor schout en heemraden in het ambacht Ridderkerk, waarvan Marijcken Fransdr. het resterende vijf deel bezit. (f. 51)

29 sept. 1580: Adam Schepper, waard in “de Gulden Arent”, inwonende burger van Dordrecht, verleent procuratie aan Huijch Jobsz. Dancke, koopman en burger van Dordrecht. (f. 51v)

29 sept. 1580: Hector Jansz. van Vianen belooft “sonder laste van Pieter van de Bootseler”, te betalen alle renten op het huis “de Bruinvisch”, staande in de Visstraat, gekocht door Pieter van de Bootseler, en aan Dirck Henricxsz. te betalen hetgeen die op het huis sprekende heeft. Als daaraan iets ontbreekt is Gillis Verbeeck borg. (f. 52)

30 sept. 1580: Pieter Lucasz., waard in “de Gulden Swaen” op de Riedijk, stelt zich borg voor Cornelia Jansdr., weduwe van kapitein Cornelis, voor de lichting van 40 gl., berustende onder Jan Ghijsbertsz. de Jonge, welke 40 gl. gearresteerd zijn door Hans Tewoort. (f. 52)

17 sept. 1580: ter instantie van Goossen Segersz. brouwersknecht verklaart Maerijcken Lambertsdr., ongeveer 30 jaar oud, dat ca. 4 jaar tevoren, toen zij woonde in de brouwerij van Neeltgen Everts brouwer, aldaar mede is komen wonen Lijsbet Cornelisdr., die daar 8 of 14 dagen gewoond hebbende heeft zij, deposante “bevonden des nachts den requirant op haer bedde bij … Lijsbet Cornelisdr. twelck sij deposante gewaer worden[de] heeft haer sijelken aengetrocken ende is vant bedde gegaen”. (f. 52)

1 sept. 1580: Thonis Cornelisz. de jonge Oudeclem schipper, als oom en bloedvoogd van Jacob Jacobsz., weeskind van Jacob Jacobsz. schipper, verleent procuratie aan Evert Boegel. (f. 52v)

1 okt. 1580: Cornelis Adriaensz. teerkoper transporteert aan Aeltgen Fransdr. een rentebrief van 30 st. jaarlijks, gepasseerd voor schout en heemraden van Hendrik-Ido-Ambacht en verleden door Joris Cleijsz., zijn vrouw aangekomen door overlijden van Heiltgen Jan Wijnesz. (f. 52v)

1 okt. 1580: Aeltgen Fransdr. transporteert aan Cornelis Adriaensz. teerkoper een rentebrief van 6 gl. jaarlijks, gepasseerd voor schout en heemraden van Sliedrecht en verleden door Neeltgen [NN], de weduwe van Cornelis Hermansz., haar aangekomen door overlijden van haar vader Frans Jansz. in de Luijt. (f. 53)

4 okt. 1580: mr. Gillis Verbeeck stelt zich borg voor Daniël Waelen voor een bedrag van 7 gl., die hij schuldig is aan de vrouw van Remmet de schoenlapper, waarvoor hij zijn huisraad heeft laten arresteren. (f. 53)

4 okt. 1580: Meijnert van Zegwaert, raad in wette, verkoopt Henrick Jansz. schipper een huis in de Mariënbornstraat, staande tussen het huis van Thijs de Schaeff schipper en Eelant Cornelisz. metselaar. Waarborg: Ocker Willemsz. De koper is schuldig aan de verkoper 20 Vlaamse ponden. Borgen: Cornelis Cornelisz. glasmaker en Dirck Bastiaensz. bode. (f. 53v)

6 okt. 1580: Jannechgen Dircxdr., weduwe van Cornelis Pietersz. goudsmid, verkoopt Lijsbet Hermansdr. een jaarlijkse losrente van 2 gl., verzekerd op een huis op het Bijsterveld, staande bij het Steegoversloot tussen het huis van Anna Bouwensz. en dat van Casper Becx. In margine: comp. Jan Bastiaensz., die zei de rentebrief afgelost te hebben. Derhalve geroyeerd op 28 aug. 1614. (f. 53v)

6 okt. 1580: Jan van de Veecken, burger te Mechelen, verleent procuratie aan Jacob Cornelisz. Block, burger van Dordrecht, om voor hem, als actie hebbende van Herman van Houtte, te vorderen van Marijcken Dircxdr., weduwe van Jan Dircxsz. de Haen, waardin in “St. Eeuwout”, een bedrag van 61 Vlaamse ponden, die zij aan hem schuldig is wegens de leverantie van wijn door Herman van Houtte. (f. 54)

6 okt. 1580: Cornelis Thonisz. Kennip viskoper verkoopt Willem Andriesz. brouwersknecht een huis voor het Bagijnhof, staande tussen het huis van Adriaen Molenaar en dat van Adriaen Theunisz. kuiper. Waarborgen: Maerten Aertsz. en Dirck Melisz. De koper is schuldig aan de verkoper een somma van 80 Vlaamse ponden. Borgen: Jan Pietersz. van den Burch en Adriaen Vranken. (f. 54)

3 okt. 1580: Steven Dionijsz. brouwer transporteert aan Jacob van Diemen Cornelisz. de jonge een rentebrief van 6 gl. jaarlijks, verleden door Adriaen Jansz. Cant, en een rentebrief van “achtalve” gl., verleden door Hester Pietersdr. (f. 54v)

6 okt. 1580: op verzoek van Frederick Quirijnen bakker verklaart Janneken Roelen, weduwe van Jan Ghijsbertsz. bakker, ongeveer 50 jaar oud, dat zij ongeveer 12 jaar geleden gedurende 2 jaar gehuurd heeft het huis, dat nu eigendom is van de rekwirant, staande in de Gravenstraat, en dat toen tussen dit huis en het huis van Janneken Paijen, dat nu toebehoort aan Jan Jansz. in het Moerjaenshooft, een put stond. Comp. mede Cornelis Pietersz., koster van de Grote Kerk, 60 jaar oud, en Jacob Jansz. in de Thuijmelaer, 36 jaar oud, die verklaren, dat hetgeen Janneken Roelen getuigd heeft, juist is. Cornelis Pietersz. verklaart, dat hij ongeveer 10 jaar tevoren het huis van de rekwirant gekocht heeft van Floris de zeilmaker en Digna Jansdr. en het huis bewoond heeft van Jacobi tot Martini. Jacob Jansz. verklaart nog, dat hij gedurende 17 of 18 jaar in het huis van de rekwirant gewoond heeft. (f. 54v)

6 okt. 1580: Geertruijt van Beveren, weduwe van Herman Bacharach, transporteert aan Jaepge Stevensdr., weduwe van Govert Aertsz., ter betaling van “meerder somme”, die zij, Geertruijt, schuldig is aan de erfgenamen van Neeltge Louven een obligatie van 500 Vlaamse ponden 12 sch. 6 penn., gepasseerd door Anthonis de Lalaing, graaf van Hoogstraten. (f. 55)

6 okt. 1580: Franchois Wolffraet, als man van Marijcken Dircxsdr., transporteert aan Marijcken, Michiel, Aeltgen en Neeltgen Cornelis, onmondige kinderen van wijlen Cornelis Michielsz. schipper, door hem verwekt bij Hilleken Henricxsdr., een rentebrief van 3 gl. jaarlijkse losrente, verleden door Jacobmina Maertensdr., welke rentbrief zijn vrouw is aangekomen bij overlijden van haar grootvader Aert Pietersz. schiptimmerman. (f. 55v)

7 okt. 1580: Dirck Bastiaensz. stadsbode verklaart, dat hij op verzoek van Cornelis Jacobsz., als gemachtigde van de Heilige Geest, en Willem Ran, als gemachtigde van het Sacramentsgasthuis, een “weet” gedaan heeft aan Joost Jansz. van de Dussen. (f. 56)

11 okt. 1580: Adriaen Back [Adriaensz.] Back viskoper verkoopt aan Jasper van Diepenbeeck een huis in het Riedijkstraatje, staande tussen het huis van Cornelis Hartcooren en dat van Jacob Ket Willemsz. De koper is schuldig aan de verkoper een bedrag van 12 Vlaamse ponden en verkoopt aan de verkoper een jaarlijkse losrente van 1 Vlaams pond. (f. 56)

11 okt. 1580: roerende de door van Herman Willemsz. Haesgen Lasarusdr., weduwe van Hermans Willemsz., enerzijds en Willem Thonisz. wijnkuiper, als grootvader en voogd van Anthonis Hermansz., onmondig weeskind van Herman Willemsz. en Haesgen Lasarusdr., anderzijds, verdelen de goederen, die Herman heeft nagelaten. Haesgen is toebedeeld een rentebrief van 27 gl. jaarlijkse losrente, verzekerd op een huis aan de Poortzijde [Wijnstraat] omtrent de Wijnkoperskapel, waarvan eigenaar is Eeuwout Willegen, een rentebrief van 1 Vlaams pond jaarlijkse losrente, verzekerd op het huis van wijlen Balten Jacobsz. bakker, een rentebrief van 3 Rijnse gl. jaarlijks, sprekende op Marijcken Tolvoets, de helft van 10 mrg. land in Lekkerkerk, de helft van 1 mrg. land in Rijsoord en de helft van de inschulden van het sterfhuis, bedragende 628 gl. 9 st. Aan Willem Thonis, als voogd van het weeskind, is aanbedeeld een rentebrief van 2 Vlaamse ponden jaarlijks, sprekende op het huis van wijlen Claes Jansz. van de Graeff, een rentebrief van 9 Rijnse gl. jaarlijks op hetzelfde huis, een rentebrief van 9 Rijnse gl. jaarlijks, sprekende op Pieter Dircxsz. in Barendrecht, een rentebrief van 1 Vlaams pond, sprekende op het huis van Cornelis Ariensz. bakker, staande bij het Steegoversloot, de wederhelft van 10 mrg. land in Lekkerkerk, de wederhelft van 1 mrg. land in Rijsoord en de helft voor voornoemde 628 gl. 9 st. De comparanten is aanbedeeld elk de helft van de opbrengst van de verkochte inboedel en huisraad. (f. 57v)

11 okt. 1580: Gillis Jacobsz. uit de Korendijk is schuldig aan Omart de Montangij een bedrag van 11 gl. wegens “verteerde costen” en geleend geld, verbindende i.h.b. zijn schuit, liggende in Dordrecht. (f 58)

15 okt. 1580: Elijsabet van Duijvenvoerde verleent procuratie ad recipienda debita aan Franchois de Buijlere Willemsz., procureur voor de Kamer Juditiaal te Dordrecht, en aan zijn zoon Franchois de Buijlere de jonge (f. 58)

15 okt. 1580: Willem Thonisz. mandenmaker zal aan Frans van Diemen Henricxsz. betalen en bedrag van 128 gl., welke Guillaume de Rore aan Frans schuldig is wegens de koop van een huis. (f. 58v)

15 okt. 1580: Pieter Ghijsbrechtsz. portier verkoopt aan Maerten Jansz. schoenmaker een huis in de Kromme Elleboog, staande tussen de stadsgracht en het vethuis van Cornelis Jansz. schoenmaker. Waarborgen: Willem Stoop Dircxsz., burgemeester van Dordrecht, en Gerbrant Dircxsz. Stoop. De koper is schuldig aan de verkoper een somma van 31 Vlaamse ponden 6 sch. en 8 groten. Borg: Dirck Bastiaensz. (f. 58v)

15 okt. 1580: Willem Thonisz. mandenmaker zal aan Frans van Diemen Henricxsz. betalen een somma van 128 gl., welke Guillaume de Rore aan Frans schuldig is wegens de koop van een huis. (f. 58v)

13 okt. 1580: Pieter Claesz. schipper verkoopt Truijchgen Thonisdr., weduwe van Thonis Corssen een jaarlijkse losrente van 3 gl., verzekerd op een huis in de Vleeshouwersstraat, staande tussen het huis van Anna Lauwen en dat van de weduwe van Cornelis van Doenen. (f. 59)

6 okt. 1580: op verzoek van Jan Jansz. in het Moerjaenshooft verklaren Laurens Jansz. Schot, 40 jaar oud, en Cornelis Jansz. Schot, 38 jaar oud, beiden schippers en burgers van Dordrecht, dat zij opgevoed zijn in het huis van de rekwirant in de Gravenstraat, staande achter “het Moerjaenshooft”, dat toentertijd eigendom was van hun vader Jan Jansz. Schot, en dat zij gedurende ongeveer 16 of 18 jaar in dat huis gewoond hebben. Hun vader heeft het huis achter geheel nieuw opgebouwd tot aan de voorgevel toe, “mitsgaeders oock de privaets ofte back daerop sijlieden gingen” op twee plaatsen, boven en beneden, “sonder te weten off oijt gehoort te hebben datter de possesseurs van de huijse van Frederick Quijrijnen opgegaan hebben”. (f. 59v)

12 okt. 1580: op verzoek van Simon Waelen verklaart Philips de Haes, boekbinder, ongeveer 30 jaar oud, dat hij ongeveer 14 dagen tevoren, staande in de winkel van zijn meester Jan Kaen, gehoord heeft, dat de rekwirant, die met Nicasius Pietersz. stond voor de kelder van Thonis in den Wijngaert, “groote twistelijke woorden gehadt hebben”, dat echter niet weet waarover dat ging, maar dat hij gezien heeft, dat Nicasius Sijmon eerst geslagen heeft, hebbende een briefje in zijn hand en dat de rekwirant geen briefje in zijn hand had. (f. 59v)

16 okt. 1580: Adriaen Jacobsz. Heijthoven brouwer verkoopt aan Truijchgen Thonisdr. een jaarlijkse losrente van 2 Vlaamse ponden, verzekerd op een huis en brouwerij in de Kannenkopersbuurt [deel van de Voorstraat], staande tussen het huis “den Bonten Osch” en het huis van de erfgenamen van Ghijsbert van Haerlem. (f. 60)

16 okt. 1580: Maerten Jansz. schoenmaker verkoopt Ghijsbert Bastiaensz. schoenmaker een vethuis in de Kromme Elleboog, staande tussen de stadsgracht en het vethuis van Cornelis Jansz. schoenmaker. Waarborg: Dirck Bastiaensz. De koper is schuldig aan de verkoper een bedrag van 31 ponden 6 sch. 8 groten Vlaams. Borg: Jan Cornelisz. (f. 60)

15 okt. 1580: Jan Loo in Lier verklaart, dat krachtens zekere procuratie op hem gepasseerd, Cathelijne Loo Jansdr., dochter van wijlen Anthonia Dircxs, de wettige dochter van wijlen Reijnier Dircx, met haar consorten in zijn plaats gesteld heeft Jan Henricxsz. tingieter en Marijchgen [NN], de vrouw van Michiel de bode “opten houck”, om in ontvangst te nemen alle goederen, die hem, comparant, aangekomen zijn van de kinderen van de zuster van wijlen Cornelis Eeuwoutsz. (f. 60v)

11 okt. 1580: op verzoek van Lijsbet Cornelisdr. verklaart Neeltgen Willemsdr., weduwe van Evert Adriaensz., 70 jaar oud, dat Lijsken Adriaensdr. bij haar in huis gekomen is, en dat er gesproken is “zoals inden interrogatoire aen desen gehecht”, maar dat Goosen brouwersknecht daarbij altijd gezegd heeft “als hij sulcke woorden gesproecken hadde soo verre als sij … Lijsbet Cornelisdr. … met nijemant anders vvstaende en hadde ende haer eerlicke gedraegen hadde”. (f. 60v)

5 sept. 1580: Willem Joosten, als gemachtigd door jonkvrouw Maria van Burch bij open brieven van procuratie onder het zegel van de burgemeester, schepenen en raad van Beverwijk dd 29 aug. 1580, verkoopt aan jonkheer Johan van de Mijle, ambachtsheer van Kijfhoek en Dubbeldam, twee huizen aan de noordzijde bij de Grote Kerk, waarin gewoond hebben in het laatst van hun leven wijlen jonkheer Anthonis van Burch en Cornelia van Muijlwijck, alsmede het huis ernaast, dat verhuurd is met een gekocht erfje op de Nieuwe Haven, dat erachter ligt, belend de drie huizen door het huis van Jacob Frans Wittesz. aan de ene zijde en het huis van Ariaentgen van Muijlwijck, gekocht door Frans van Diemen, aan de andere zijde. (f. 61)

19 okt. 1580: Anthoni Sucquet, als man van Adriana van de Linde Ogiersdr., transporteert aan Henrick Jobsz. een rentebrief van 19 Rijnse gl. jaarlijks, verzekerd op land in Barendrecht, dat eigendom is van Bastiaen Lauwen, en een rentebrief van 11 gl. jaarlijks. (f. 61v)

17 nov. 1580: Jan Henricxsz. schipper verkoopt Thonis Lenertsz. Polder huistimmerman de helft van een huis in de dwarsgang van de Nieuwe Gracht, staande tussen het huis van Neeltgen Roothaer en het huis van de koper. Waarborg: Jan Danckertsz. metselaar. De koper is schuldig aan de verkoper 3 Vlaamse ponden. (f. 61v)

20 okt. 1580: Aeltgen Cornelisdr., weduwe van Dirck Adriaensz., voor haarzelf en tevens procuratie hebbende van mr. Cornelis Dircxsz., haar zoon, transporteert aan Lijntgen Cleijsdr., onmondig weeskind van wijlen Cleijs Geeritsz., een schepenenschuldbrief, verleden door Geerit Geeritsz. Schut kuiper, waarvan nog resteert 368 gl. (f. 62)

21 okt. 1580: Dirck Gerbrantsz. Stoop, burger van Dordrecht, verklaart op verzoek van Lieven Cornelisz., als baljuw van Poortvliet, gevraagd zijnde “op wat voet” hij met Pieter Jacobsz. Tswaert, als gemachtigde van Anthonis Lodewijcx, “geaccordeert is” te Poortvliet, “dat deurdien … Pieter Tswaert den … deposant gefraudeert hadde deur tachterhouden van zekere missive aen den selve Stoop gescreven bij Ghijsbrecht Nicasius van de Cruce”, hij, deposant op 13 aug. 1580 geweest is in Poortvliet om te “accorderen” met Van de Cruijce aangaande zeker bedrag, dat hij hem schuldig was. Hij, deposant, is diezelfde dag gegaan naar Pieter Jacobsz. Tswaert om hem te vragen, waarom hij de brief, die Van de Cruce aan hem geschreven had, niet aan hem doorgegeven had. De deposant verklaart voorts, dat hij niet van plan was om het akkoord met hem van wege Anthonis Lodewijcx te Dordrecht “te houden ten waere hij met hem deposant overquame wat hij voer die reijssen van costen ende reijssen ende voort langer verbeij van zijnen gelde zoude hebben”. Hij, deposant, Pieter Jacobsz. Tswaert en Toen Lodewijcxsz. zijn bijeengekomen en hebben afgesproken, dat hij, deposant, in plaats van 5 zakken beste witte tarwe, die hij tevoren gehad zou hebben, voor zijn kosten en moeiten ontvangen zou 9 zakken tarwe. Pieter Jacobsz. Tswaert zou toen tegen hem gezegd hebben, dat toen hij in Dordrecht aan het Hoofd kwam, hem de schipper gevraagd heeft, aan wie de voornoemde brief toebehoorde, en dat hij daarop geantwoord heeft: “houdt die brieff bij u en brengt hem Cruijsman weder. Ick hebbe u gehuijrt om mij ende nijet om een ander te dienen”, Daarom is de brief niet in zijn bezit gekomen dan 14 dagen later en is aan hem toen overgedragen door de vrouw van Ghijsbert van de Cruijce. (f. 62)

21 okt. 1580: Rochus Aertsz. molenaar verkoopt Jan Apersz. visser zekere “vuijcke” water, gelegen in de Crabbe, verbinden i.p.v waarborg zijn huis in de Augustijnenkamp, staande tussen het huis van Jan de stopper en dat van Thonis de kuiper. (f. 62v)

21 okt. 1580: Pieter Cornelisz. lakenkoper, eiser, verklaart dat hij de zaak, die hij voor het Hof van Holland uitstaande heeft contra Wouter Jansz, biervoerder van Streefkerk, “in state” gesteld heeft tot dinsdag eerstkomende 8 dagen. (f. 62v)

24 okt. 1580: Jan Cramer, koopman van wijnen en burger van Dordrecht, verleent procuratie ad recipienda debita aan Adriaen Claesz., burger van Dordrecht, om te innen al hetgeen men hem in Brussel, Antwerpen, of elders in Brabant schuldig is. (f. 63)

24 okt. 1580: op verzoek van Reijnier Geritsz. van Wessem verklaren Thijs Hoens van Wessum, ongeveer 36 jaar oud, en Gillis Mols, 28 jaar oud, burgers van Roermond, dat zij wel weten, dat Reijnier eveneens een burger van Roermond is, dat hij sedert de laatste belegering van Roermond “hem gehouden geweest ende gehanteert heeft ende noch hanterende es binnen Hollant ende andere landen en steden die bij den viant niet en zijn geoccupeerd sonder binnen de selven tijde eenige woonplaetse binnen … Remunt gehouden te hebben”. (f. 63)

21 okt. 1580: Willem Lambrechtsz., burger van Breda, verleent procuratie aan Jan Willemsz., waard in “de Orangeboom” en Neeltgen Jansdr. van Leijden, de vrouw van Jan Jacobsz. van de Biestraat, om te innen den somma van 240 gl., die hij tegoed heeft van wijlen Cornelis Cornelisz. de Coninck, brouwer te Rotterdam. (f. 63v)

6 okt. 1580: Govert van de Steen en Adriaen de Vlaminck verklaren krachtens een procuratie, gepasseerd op 8 okt. 1580 [sic] voor burgemeester, schepenen en raad van Antwerpen door jonkheer Jacob van Lissen, verbonden te hebben aan jonkheer Arnd van Dorp een erfelijke rente van 150 gl. jaarlijks, die jonkheer Van Lissen sprekende heeft op de koninklijke domeinen in Zuid-Holland en in het algemeen op de domeinen van Holland. (f. 64)

26 okt. 1580: Sebastiaen Jansz., voor zichzelf en samen met Maerten Andriesz. voogd over het onmondig weeskind van jonge Jan Jansz., en Bastiaen Jansz. nog als voogd van het weeskind van Cornelis Jansz., Huijch Hermansz., als man van Lijntgen Sebastiaensdr., die eerder weduwe was van Cornelis Jansz., Jan Holst, als man van Marijchen Jansdr., en Bastiaen Jansz. nog namens Pieterken Woutersdr., weduwe van Jan Jansz., zijn moeder, allen wonende in Papendrecht, erfgenamen van Aerjaentgen Jansdr., weduwe van Jan Huijgensz. van Alblas, transporteren aan Cornelis Jansz. zeilmaker de helft van een rentebrief van 9 gl. jaarlijks, verleden door Cornelis Willemsz. en gepasseerd voor schout en heemraden van Bleskensgraaf. (f. 64v)

6 okt. 1584: op verzoek van Joost Jansz. hoefsmid verklaren Aert Jansz. van de Graeff, ongeveer 50 jaar oud, en Aelbert Govertsz. smid, 28 jaar oud, dat ongeveer 10 weken eerder zij geweest zijn ten huize van Fransgen Fransdr., weduwe van Jan Adriaensz. van der Ept, waar bijeengekomen waren de crediteuren, die op de windmolen (laatst per decreet verkocht) “sprekende hebben”, met een van de eigenaars van de molen, om tot een overeenkomst te komen aangaande op welke termijn men de molen zou verkopen ten behoeve van genoemde crediteuren. Overeengekomen werd, dat men de molen zou verkopen voor 300 gl. en 200 gl. jaarlijks. (f. 64v)

26 okt. 1580: op verzoek van Huijbrecht Pietersz. verklaart Jan Huijbrechtsz. schipper, burger van Dordecht, ongeveer 62 jaar oud, dat hij ongeveer 12 jaar eerder van een man uit Amsterdam, wiens naam hij vergeten is, gekocht heeft een “crevelschip”, en dat hij met die man afgesproken heeft, dat de man het schip terugnemen zou en hem zijn geld zou teruggeven, wat ook gebeurd is. De deposant verklaart voorts, dat op het schip waren 7 bomen, 3 “gijeters”, een zeil, “ende socq, tros ende lint”. Ongeveer 14 dagen tevoren, nadat hij het schip overgedragen had, heeft de rekwirant het schip weer gekocht van de man uit Amsterdam. (f. 65)

6 okt. 1580: op verzoek van Neeltgen Goodtschacksdr. verklaart Neeltgen Willemsdr. uit Oudenbosch, ongeveer 58 jaar oud, dat ongeveer tussen de 4 en 5 jaar eerder, zij met Soetge Cornelisdr., de dochter van de rekwirante, gegaan naar de lommerd met ettelijke lommerdbriefjes van zekere kleren, toebehorende aan Magdalena Cornelisdr. van der Heijden, om die kleren te lossen. Zij heeft tegen Sion Lus gezegd, dat zij de kleren wilde lossen. Lus heeft haar gezegd, dat die kleren al gelost waren door een lange brouwer met een Bredase huik. De deposante heeft daarop gezegd: “losmen de cleren sonder brijeffkens”. Lus heeft toen gelachen en is weggegaan, terwijl hij de deposante en Soetgen voor in het huis liet staan. (f. 65)

26 okt. 1580: Joris Oostermans, chirurgijn van Zijne Excellentie, verleent procuratie ad lites aan mr. Jeronimus van de Water, advocaat in de Raad van Brabant, mr. Henrick Cockaert, mr. Joos de Greve, en mr. Nicasius de Pietere, procureur in de Raad van Brabant, contra Jannen Sprenck. (f. 65v)

27 okt. 1580: Jan Mathijsz. huidenvetter, inwonende burger van Dordrecht, verleent procuratie ad lites aan Cornelis Jansz. de Larijns, procureur voor het gerecht van Rotterdam, wonende op de Achterweg, contra Cornelis Joppen schoenmaker, wonende te Rotterdam in de Kerkstraat (f. 65v).

29 okt. 1580: Geerit Jansz. glasmaker verkoopt Neeltgen Laurensdr. de oude en Neeltgen Laurensdr de jonge, weeskinderen van Adriana Soetmansdr. een jaarlijkse losrente van 4 gl. 10 st., verzekerd op een huis aan de Landzijde tegenover Mijnsheerenherberg, staande tussen het huis van wijlen Hans Pincxen en dat van Simon Maertensz. schoenmaker. (f. 66)

24 okt. 1580: Pieter Jansz., raad in wette van Dordrecht, en Pieter Pietersz., burger van Dordrecht, verlenen procuratie ad recipienda debita aan Cornelis Evertsz., wonende te Breda. (f. 66v)

1 nov. 1580: Jop Cornelisz. wagenmaker als man van Neeltgen Jansdr., en Ploentgen Jansdr., weduwe van Cornelis Jacobsz. visser, verkopen Adriaen Jansz. brouwer twee zevende delen van een huis achter in de Suikerstraat, staande tussen de tuin van de Cellebroeders en de rosmolen van Cornelis de molenaar. (f. 66v)

1 nov. 1580: Agatha Schellaerts, weduwe van Geeraert van Nispen, en Henrijck van Nispen, mede als oom en voogd van de onmondige kinderen van Gerrit van Nispen, verleren procuratie aan Willaert Wetken, koopman van “Homborch”, om te innen hetgeen men hen schuldig is in Husum in het land van Holsten van de erfgenamen van jonkvrouw Margareta Smedes, echtgenote van Johannes Cail. (f. 66v)

1 nov. 1580: Robrecht Cornelisz. kleermaker transporteert aan Govert Jansz. van Bemont olieslager een schepenenschuldbrief, verleden door Ghijsbert Jordensz. metselaar, waarvan nog resteert 27 Vlaamse ponden. (f. 67)

3 nov. 1580: Hendrick Leijers leertouwer, burger van Dordrecht, en zijn vrouw Lijntgen van Mechelen, transporteren aan Jacob van Oproeijen, wonende te Antwerpen, de helft van een rentebrief van 26 Rijnse gl. jaarlijks, sprekende op Gijsbrecht van Alsaen, schout van Brecht, berustende onder Jacob van Oproijen. (f. 67v)

3 nov. 1580: Joris Oosterman stadschirurgijn verleent procuratie aan mr. Frederick Sprenckel, mr. Niclaes Piermans advocaat, Henrick van Laer en Cornelis Joppen, zijn dienaar, om tot een overeenkomst te komen met de scholtes van Zundert aangaande een bedrag van 340 gl., die genoemde schout aan hem schuldig is. (f. 67v)

8 nov. 1580: op verzoek van Jan Frunttrop van Recklinghausen, verklaren Anna Jansdr. van Dorsten, 61 jaar oud, Marijcken Michielsdr., de vrouw van Willem Pouwelsz. visknecht, 50 jaar oud, en Geertgen Fransdr., geboren van Recklinghausen, 44 jaar oud, burgeressen van Dordrecht, dat de rekwirant in Dordrecht gekomen is op 1 nov., dat hij 4 dagen daar is geweest om de dochter van zijn zuster te zoeken, en dat zij, deposanten, in de hele stad naar haar hebben gezocht, maar haar niet hebben gevonden. Zij hebben begrepen, dat zij naar een andere stad vertrokken is. (f. 68)

5 nov. 1580: Mathijs Cornelisz. Balen kramer is schuldig aan Jan Perbusien, curator van de nalatenschap van Sion Siongis, wegens de koop van een huis op de Visbrug, staande tussen die brug en het huis van Neeltgen Louven, bij decreet gekocht op 16 mrt. 1579, een somma van 1905 gl. Borg: Jan Ambrosius maaldrier. (f. 68)

5 nov. 1580: op verzoek van Adriaen Maertsz., als deken van de vierde kavel van de Heelhaaksschutterij, verklaren Adriaen Hallinck, 28 jaar oud, en Thomas Jansz., ca. 56 jaar oud, beiden wachthouders binnen de poorten van Dordrecht, dat op donderdag jongstleden, toen zij de wacht hielden in de Riedijkspoort, de rekwirant in die poort is gekomen, en dat zij gehoord hebben, dat de rekwirant en Cornelis Schot woorden hadden, die zij niet verstaan hebben, maar “dat de selve Cornelis Schot zeijde van schijtten of cacken”. Thomas Jansz. alleen verklaart nog, dat de rekwirant daarop tegen Schot zei: “ick sal u dat schijtten en cacken verleeren”. (f. 68v)

9 nov. 1580: Cornelis Danen metselaar, voor zichzelf en Pieter Stoffelsz., als man van Berbara Danen, samen erfgenamen van Jan Danen, verklaren voldaan te zijn door Neeltgen Cornelisdr., weduwe van Jan Danen, van hetgeen hen aangekomen is bij overlijden van Jan Danen, hun broer. (f. 68v)

9 nov. 1580: Joost Vastertsz. uit Molenaarsgraaf, wonende te Lekkerkerk, transporteert aan Damas van Blienburch een rentebrief van 12 gl. jaarlijks, verleden door Jacob Jansz. en Jacob Florisz. c.s., gezworenen van de noordzijde van Noordeloos, gepasseerd voor schout en schepenen van Noordeloos, hem, comparant, aangekomen bij overlijden van zijn vader Vas Cornelisz., die rentebrief heeft gekregen van Cornelis Vastersz., zijn grootvader. (f. 68v)

9 nov. 1580: Jacob van Diemen Cornelisz. verkoopt Cornelis Danckersz. Brassert een huis in de Breestraat, staande tussen het huis “’t Fonteijncken” en het huis van mr. Eeuwout Aertsz. Waarborg: Ghijsbert van Diemen. (f. 69)

9 nov. 1580: Cornelis Danckersz., als grootvader en voogd van Aert Danckers en Heijmentgen Danckers, weeskinderen van Danckert Cornelisz., transporteert aan Jacob van Diemen Cornelisz., een rentebrief van 2 Vlaamse ponden jaarlijks, verleden door Grietgen Cornelisdr. van Driel, weduwe van Claes [NN], gepasseerd voor schout en heemraden van West-Barendrecht. (f. 69)

9 nov. 1580: Frans Willemsz., als weduwnaar van Pieterken Cornelisdr., transporteert aan Jacob van Diemen Cornelisz. een rentebrief van 2 Vlaamse ponden jaarlijks, verleden door Grietgen van Driel en gepasseerd voor schout en heemraden van West-Barendrecht. Als hier iets aan ontbreekt verbindt Cornelis Danckersz. daarvoor zijn huis in de Breestraat. De koper is schuldig aan Ghijsbert van Diemen een somma van 200 gl. Borg: Frans Willemsz. (f. 69v)

9 nov. 1580: Adriaen Verheij Adriaensz., burger van Dordrecht, verklaart dat hij ongeveer 10 jaar eerder hij voor drie jaar gepacht heeft van Pouwels Buijs, wonende te Almkerk, 12 “geerden” land, en dat hij de laatste twee jaren heeft overgedaan aan Willem Dunnen, Pieter Dunnen, Aert Dunnen en Lange Neel, allen wonende te Dongen, maar dat hij nooit van hen daarvan betaling heeft ontvangen. (f. 69v)

10 nov. 1580: Anthonis Willemsz., koopman van wijnen te Dordrecht, verkoopt Johan IJzewijn Michielsz. en diens vrouw Johanna Boele een tuin met een huis erin en een huisje voor aan de straat, staande en liggende in de Mariënbornstraat, eerder eigendom geweest van Adriaen Dircxsz. Coninck, liggende tussen de tuin van Adriaen Cornelisz. en de tuin van Huijbert van Dorren. Waarborg: een huis aan de Landzijde achter een erf van de stad, staande tussen het huis van Marijcken Dircxdr. c.s. en dat van Reijer Jacobsz. (f. 70)

10 nov. 1580: Cornelis van Scherlaecken Ghijsbertsz., voor zichzelf en als borg voor de erfgenamen van vaderszijde van Jan van Colster, verkoopt aan Loijs Vataller, als voogd van zijn kinderen, een jaarlijkse losrente van 9 Rijnse gl., verzekerd op het elfde erf van het Nieuwe Werk. (f. 70)

10 nov. 1580: Goosen Geritsz. viskoper verkoopt Cornelis Rutgers van Bijwaert een jaarlijkse losrente van 6 gl., verzekerd op een huis in de Visstraat, staande tussen het huis van Joris de messenmaker en dat van Adriaen Tonisz. (f. 70v)

10 nov. 1580: roerende de dood van Brechgen Ariensdr. Neeltgen Govertsdr. voor haarzelf voor de eerste “cluchte”, Cornelis Govertsz. voor zichzelf voor de tweede “cluchte”, Govert Joppen schipper voor zichzelf en Cornelis Nannincxsz., als man van Neeltgen Joppendr., samen vervangende Thonis Joppen, en Jacob Joppen, voor de derde “cluchte”, en Daniël Henricxsz., als man van Soetgen Adriaensdr., voor zichzelf en tevens vervangende Maerijcken Jacobsdr., de halfzuster van zijn vrouw, voor de vierde “cluchte”, samen erfgenamen van Brechgen Ariensdr., verdelen haar nalatenschap. Neeltgen Govertsz. is aanbedeeld een vierde part van een huis in de Kolfstraat, staande tussen het huis van Arien Willemsz. Bouff de zakkendrager en de tuin van Jan Adriaensz. kruidenier, een vierde part van de huis in de Mariënbornstraat, staande tussen het huis van de weduwe van Jan Govertsz. en dat van Eeuwout Geritsz. drager, een vierde part van de helft van een timmerwerf met een loods staande aan de Nieuwe Haven achter het Tolbrugstraatje, waar Maerten Jan Bosch op woont, een vierde part van 1 Vlaams pond jaarlijkse losrente, sprekende op het huis van Cornelis Mes Jan, een vierde part van 3 gl. jaarlijks, sprekende op het huis van Lijs Tijssen in Oud Gastel, een vierde part van een deel van twee huizen in de Heer Heymansuysstraat, gekomen van heer Adriaen de Goeden Heer, een vierde deel van een huis in het Steegoversloot tegenover de Grote Doelen, gekomen van wijlen Stijntgen Ariensdr., en een vierde deel van 11 gemeten en 100 roeden land in Oud-Gastel. (f. 70v)

11 nov. Huijgo Snouck stelt zich borg voor Jacob Bol Jansz. zeepzieder, indien Bol in gebreke blijft te betalen een bedrag van 300 gl., waartoe hij door de Kamer Juditiaal is veroordeeld te voldoen tussen 11 nov. en Kerstmis 1580. (f. 70v)

12 nov. 1580: roerende de dood van Geertgen Stoffelsdr. Cornelis Dircxsz. drager en arbeider op de straat, enerzijds en Cornelis Cornelisz. Stoel metselaar en Lenert Stoffelsz., beiden voogden van Dirck Cornelisz., 3 jaar oud, onmondig kind van Cornelis Dircxsz. en Geertgen Stoffelsdr., anderzijds, verdelen de nalatenschap van Geertgen Stoffelsdr. Conelis Dircxsz. krijgt alle goederen, mits hij zijn kind van alle uitschulden schadeloos houdt. De voogden krijgen ten behoeve van het kind diens alimentatie tot zijn 18e jaar zonder het kind dan wegens de sobere staat van de boedel iets te hoeven uitreiken. (f. 73)

12 nov. 1580: roerende de dood van Lenertgen Ghijsbertsdr. Wouter Stevensz. stadswerkman enerzijds voor zichzelf en als voogd van Ghijsbert Woutersz., over de 13 jaar oud, en Steven Woutersz., ca. 11 jaar oud, weeskinderen van Wouter Stevensz. en Lenertgen Ghijsbertsdr., anderzijds, verdelen de goederen, die Lenertgen heeft nagelaten. Wouter Stevensz. krijgt alle goederen, op voorwaarde, dat hij zijn kinderen van alle uitschulden schadeloos houdt. Hij zal hen onderhouden tot hun 18e jaar en hoeft hun dan niets uit te reiken wegens de sobere staat van de boedel. (f. 73)

10 nov. 1580: Michijel van Beveren Pietersz. en Dirck Berck, als kerkmeesters van de Nieuwkerk, tevens vervangende Mathijs Matheusz. en Lenert Quirijnen, mede kerkmeesters van de Nieuwkerk, transporteren aan Cornelis Jansz. glasmaker een rentebrief van 4 Rijnse gl. jaarlijks. (f. 73v)

14 nov. 1580: Emmichgen Jansdr., weduwe van Jan Meusz. leertouwer, verkoopt aan Cornelis Pouwelsz. schoenmaker een huis tegenover de Mennebrug [Vriesebrug], staande tussen het huis van de erfgenamen van Adriaen van Nispen en dat van Jan Gerritsz. de kalkdrager. (f. 73v)

14 nov. 1580: de koper is schuldig aan Jan Geerits. sledenaar, als man van Lijsgen Engelen, wegens de koop van het in de voorgaande akte vermelde huis een bedrag van 21 Vlaamse ponden 8 sch. 4 groten. Borg: Gillis Henricxsz. schoenmaker. De koper is schuldig aan Joost Engelen sledenaar wegens koop van het huis een somma van 20 Vlaamse ponden 8 sch. 4 groten aan Anneken Jansdr. een bedrag van 10 Vlaamse ponden 3 sch. 4 groten. Borg: idem. (f. 73v)

14 nov. 1580: Adriana Pietersdr., inwonende poorteres van Dordrecht, verleent procuratie ad lites aan Geerit Claesz. van de Borch, procureur voor het Hof van Holland, in het bijzonder om te “vervolgen” een losrente van 3 gl. jaarlijks, die zij sprekende heeft op een huis in Dordrecht, dat toebehoort aan mr. Willem Stoop. (f. 74v)

14 nov. 1580: Dirck Huijbertsz. ijzerkoper, burger van Dordrecht, verleent procuratie ad lites aan Gillis Adriaensz. Vorster, wonende te Zevenhuizen. (f. 74v)

17 nov. 1580: Daem van Zevener wijnkoper, inwonende poorter van Dordrecht, verklaart, dat hij vernomen heeft, dat zijn zuster Cellij Droochscheerders, weduwe van Lambert Meuijsken, wonende te Wesel, en al haar kinderen overleden zijn. Daarom verleent hij procuratie aan Dirck Boet, gezworen bode van Wesel, om namens hem de boedel van zijn zuster “rechtelijcken toe te slaen” en erop toe te zien, dat die goederen niet vervreemd worden, totdat hij, comparant, zelf in Wesel gekomen is. (f. 74v)

17 nov. 1580: Rochus Grijp, generaal van de Munt te Dordrecht, verleent procuratie aan Christoffel de Steur, koopman te Antwerpen, om te vorderen van Roelant Samelijncx en Jan van Meurs, wonende te Dordrecht, de helft van een bedrag van 4108 Rijnse gl. (f. 74)

18 nov. 1580: roerende de dood van Jacob Cleijsz. visser. Geerichgen Cornelisdr., weduwe van Jacob Cleijsz. visser, enerzijds en Cornelis Pietersz. van Geertruidenberg, als man van Marijcken Cleijsdr., namens zijn vrouw oom en voogd van IJchgen Jacobsdr., ca. 11 jaar oud, anderzijds, verdelen de goederen, die Jacob Cleijsz. heeft nagelaten. De weduwe is aanbedeeld alle goederen, op voorwaarde, dat zij haar kind vrij houdt van alle uitschulden. De voogd is ten behoeve van het kind aanbedeeld haar alimentatie tot haar 18e jaar en zal haar dan uitkeren een somma van 10 Vlaamse ponden. Dat bedrag moet, als het kind komt te overlijden voor haar 18e jaar, komen aan haar erfgenamen. (f. 75)

15 nov. 1580: op verzoek van Martijntgen Augustijnsz., weduwe van Willem Jansz. kramer, verklaren Jan Pietersz. Dorpsman, ongeveer 38 jaar oud, en Thonis Thonisz., 33 jaar oud, beiden kramers en inwonende burgers van Dordrecht, dat zij op zondag op verzoek van de rekwirant “gevisiteert” hebben de gehele “crame” van de rekwirant, dat zij bevonden hebben die waard te zijn ongeveer 650 gl. en dat zij daarvoor niet zoveel zouden willen geven. (f. 75v)

16 nov. 1580: op verzoek van Thonis Lenertsz. scheepsslijter verklaart Willem Jansz. Tholvoet, schipper en inwonende burger van Dordrecht, 65 jaar oud, dat hij ongeveer 4 maanden eerder is geweest ten huize van Marijcken int Visschip, waar mede aanwezig waren de rekwirant en Jop de schipper, die aan de rekwirant verkocht heeft de helft van een huis in de dwarsgang van de Kromme Elleboog voor 6 Vlaamse ponden. (f. 75v)

16 nov. 1580: Henrick Hiesvelt is schuldig aan Jan Huijgen koekenbakker wegens die koop van 11 ossen een somma van 29 Vlaamse ponden. (f. 76)

16 nov. 1580: Joachum Pronder, diamantslijper van Antwerpen, is schuldig aan Pieter van de Bootselaer, burger van Dordrecht, een somma van 208 gl. wegens geleend geld. (f. 76v)

19 nov. 1580: Jan Cornelisz. Poerdoos stelt zich borg voor Lenert Aert Ockersz., die een schuld heeft bij Willem Joosten. (f. 76v)

21 nov. 1580: de dekens van het Spoeijgilde te Dordrecht verlenen procuratie aan Franchoijs de Buijlere en Henrick Andriesz. (f. 76v)

24 nov. 1580: Heiligen Pietersdr., 20 jaar oud, dochter van wijlen Pieter van Bree, geassisteerd met Jan Barentsz. wijnkuiper, als man van Marijcken Cornelisdr. van Bree, haar tante, en met Neeltgen Cornelisdr. van Bree, eveneens haar tante, verklaart volledig voldaan te zijn door Cornelis Claesz. stoeldraaier, haar oom, van het beheer, dat hij gehad heeft over de goederen, die haar zijn aanbestorven bij overlijden van Aechgen Claesdr., haar moeder, en door Marijcken Joosten, weduwe van Pieter Cornelisz. van Bree, haar stiefmoeder, van het beheer, dat haar stiefmoeder gehad heeft van de goederen, die haar zijn aangekomen bij overlijden van haar vader Pieter Cornelisz. van Bree. (f. 77)

21 nov. 1580: Joris Cornelisz. houtvletter is schuldig aan Adriaen Fransz., wonende in Zwijndrecht, een bedrag van 37 gl. 10 st., welk bedrag Adriaen voor hem als borg betaald heeft aan Jacob Pietersz. Monick en Cornelis Thomasz. bakker, wegens de koop van een os, daarvoor verbindende zijn “schortschuijt” en zijn inboedel en huisraad. (f. 77v)

23 nov. 1580: Willem Pijetersz., als man van Marijcken Jansdr., en Jan Jansz. kleermaker, voor zichzelf, beiden erfgenamen van Heiligen Bouwensz., verkopen Lenert Cristoffelsz. en Neeltgen Jansdr, elk voor de helft een huis aan de stadsvest, staande tussen de Kleine Spuistraat en het huis van Reijer Jacobsz. c.s. Waarborg: Steven Cornelisz. schipper. De kopers zijn schuldig elk voor de helft 33 Vlaamse ponden. Borg voor Lenert Stoffelsz.: Cornelis Stoel metselaar. (f. 77v)

23 nov. 1580: op verzoek van Joriaen van Reemach, bode van Zijne Excellentie, wonende te Keulen, verklaart Pieter Cornelisz. koopman, inwonende burger van Dordrecht, ongeveer 26 jaar oud, dat hij op vrijdag laatstleden van de rekwirant heeft gekocht 16 zakken kastanjes. (f. 78)

25 nov. 1580: roerende de dood van Grietgen Roockendr. Aert Geeritsz. Schut kuiper, weduwnaar van Grietgen Roockendr., enerzijds en Jan Roocken als [haar] broer en Henrick Jansz. van Gelee, als een van de naaste verwanten van Jan Aertsz., ca. 8 jaar oud, Aert Aertsz., 6 jaar oud, Abraham Aertsz., 5 jaar oud, Roock Aertsz., 2 jaar oud, en Eeuwout Aertsz., 8 weken oud, allen kinderen van Grietgen Roockendr., anderzijds, verdelen de goederen, die Grietgen heeft nagelaten. De weduwnaar krijgt alle goederen en belooft zijn kinderen te onderhouden tot zij 18 jaar zijn geworden. Hij zal dan in verband met de sobere staat van de boedel niet gehouden zijn aan hen iets uit te reiken. Hij verbindt zijn huis in de Breestraat, staande tussen het huis van Pieter Faber en dat van Herber Jansz. wever. (f. 78v)

25 nov. 1580: op verzoek van Willem Willemsz. smid verklaart Jan Woutersz. smid, ongeveer 34 jaar oud, dat zekere tijd na de Ommegang de rekwirant, zijn stiefvader en hij zelf woorden gehad hebben en dat de rekwirant hem toe dreigde te slaan. Hij heeft dat echter kunnen ontwijken, maar is gevallen tegen een “staff coudt ijser”, waarbij hij een gat in zijn hoofd heeft gekregen. Hij verklaart voorts, dat de rekwirant er niet mee heeft gegooid. (f. 79)

2 dec. 1580: Neeltgen Govertsdr., weduwe van Roeloff Henricxsz. sledenaar, voor haarzelf en als transport hebbende van de kinderen van wijlen Frans de Sleg, verklaart verkocht te hebben aan Jan Adriaensz. Mesian schiptimmerman de helft van een timmerwerf en loods, liggende en staande achter het Tolbrugstraatje op de Nieuwe Haven tussen een erf van de stad en het huis van Lijn inde Claus, gekocht door haar moeder zaliger van Adriaen en Willem Laurisz., met nog een deel van dezelfde werf, door haar moeder gekocht van Adriaen Adriaen Claesz. de oude. (f. 79)

28 nov. 1580: Jan Adriaensz. Mesian verkoopt Neeltgen Govertsdr. een vierde part in een derde part van een huis in het Steegoversloot, staande tegenover de Grote Doelen tussen het huis van de erfgenamen van Ghijsbert van Haerlem en dat van de weduwe van Adriaen Legstil, welk huis hem is aangekomen bij overlijden van Stijntgen Adriaensdr., de vrouw van mr. Jan de boogmaker, zijn tante. (f. 79v)

29 nov. 1580: Neeltgen Jansdr., weduwe van Evert Boegel, verklaart dat zij ter voldoening van een legaat van 3 Vlaamse ponden, dat haar man in zijn testament heeft gemaakt aan Trijntgen Andriesdr. en van een somma van 20 gl., die haar man schuldig was aan Trijntgen, overdraagt aan Trijntgen een rentebrief van 3 Rijnse gl. jaarlijks losrente, verleden door Adriaen Cornelisz. kuiper. (f. 79v)

28 nov. 1580: Herman Soetmansz. verleent procuratie aan zijn zwagers Adriaen Snouck en Jan Bongert houtkopers om namens hem te gaan naar Den Haag en daar te compareren voor commissarissen in de zaak, die hij uitstaande heeft tegen Joost Fransz. van der Dussen en de erfgenamen van Aert Wolaerts. (f. 79v)

1 dec. 1580: Jop Teunisz. schipper verkoopt Thonis Lenertsz. Polder huistimmerman de helft van een huis in de dwarsgang van de Nieuwe Gracht, staande tussen het huis van Neeltgen Roothaer en dat van Thonis Lenertsz. De koper is schuldig aan verkoper 5 Vlaamse ponden. (f. 80)

1 dec. 1580: Jan Anthonisz. inden Bruijnvisch verkoopt aan Mels Ghijsbertsz. kaaskoper een huis in de Visstraat, staande tussen het huis “de Bruijnvisch” en het huis van Pieter de Boer. (f. 80)

3 dec. 1580: Schrevel Cornelisz. schipper, als man van Heijltgen Jacobsdr., transporteert aan Jacob Willemsz. glasmaker een rentebrief van 2 Vlaamse ponden jaarlijks, verleden door Cornelis Jansz. bakker. (f. 80)

3 dec. 1580: op verzoek van de Arien Soetmansz. verklaart Marijcken Cornelisdr., de vrouw van Cornelis Claesz., 36 jaar oud, dat zij omtrent 3 jaar eerder, zittende ten huize van Arien Soetmansz. bij het vuur, heeft gezien, dat Joosgen [NN], de vrouw van de rekwirant, aan zekere landvrouw, die een wollen “foijken” op het hoofd had en haar kleren van achteren opgeschort, een bundeltje brieven gaf en dat Joosgen zei, dat zij dat bundeltje had gevonden boven in de “hals balcken”. De deposante verklaart voorts, dat de vrouw “van geen meerder goet vermaende”. Comp. mede Neeltgen Govertsz., weduwe van Roeloff Henricxsz., ca. 56 jaar oud, dat ongeveer 2 jaar eerder ten huize van haar moeder is gekomen [NN] de Haen van Streefkerk, zijn vrouw en Geerit Fransz. uit Wijngaarden, die haar vroegen of zij in het huis van Soetman in de Jesus geen ton met tin had zien staan, waarop de deposante verklaarde, dat zij bij het schrobben niet meer had gevonden dan een rok, een “casack” met een vrouwenrok of tabberd, een witte aarden kruik, een rode ketel en twee stukjes gerookt vlees, hetwelk zij bij het schrobben gegeten hadden. De vrouw van De Haen zei daarop: “dat goet hebben wij al wech”. (f. 80v)

1 dec. 1580: Jan Anthonisz. in de Bruijnvisch, als grootvader en voogd van het onmondige weeskind van Neeltgen Jansdr., bij haar verwekt door Barent van Steenbeeck, verleent procuratie aan Thonis Jansz. om in ontvangst te nemen van Barent hetgeen het kind is aangekomen bij overlijden van haar moeder. (f. 81)

5 dec. 1580: op verzoek van Goossen Zegersz. brouwersknecht verklaren Wouter Woutersz. bierdrager, ca. 25 jaar oud, en Ocker Laurensz. brouwersknecht, ca. 30 jaar oud, dat zij op vrijdag tevoren met de rekwirant geweest zijn ten huize van Michiel de lakenkoper bij de dienstmeid, die daar woonde, genaamd Lijsbet Cornelisdr. Zij hebben gehoord, dat de rekwirant tegen Lijsbet zei: “waerom bent ghij mij dus hinderlijck”, waarop Lijsbet zei: “ghij hebt mij genouch gelooft”. De rekwirant zei daarop: “ghij hebt mij oock gelooft dat ghij met nijemant te doen of vuijtstaende hadt ende daerenboven hebt ghij noch een kijnt bij een gehijlict man gehadt.” Lijsbet zei toen weer: “dat es voor u tijt geschiet”, waarop de rekwirant zei: “ghij hebt dat metten eersten voor mij besaeckt ende geseijt dat dselve u sister was”. Lijsbet zei vervolgens: “dat is al voor u tijt geschiet”. (f. 81)

5 dec. 1580: Pieter Bouwensz. koperslager stelt zich borg voor Pieter IJsbrantsz. voor een somma van 12 Vlaamse ponden, die Pieter IJsbantsz. tot Vastenavond moet betalen aan Floris Willemsz. (f. 81v)

6 dec. 1580: Anneken Geeritsdr., weduwe van Mon Thomasz., als boedelhoudster, geassisteerd met mr. Herman Thomasz., als oom en Steven Dionijsz., als oom namens zijn vrouw, transporteert aan Jan Dircxsz. van Aelst alias Vliegenthert een brief en anderhalve morgen land, daarin vermeld. (f. 81v)

7 dec. 1580: roerende de dood van Henricxgen Huijbertsdr. Lenert Fransz. brouwersknecht, haar weduwnaar, enerzijds en Jacob Willemsz. glasmaker, als oom en voogd van Huijbert Adriaensz. [sic], 3 jaar oud, kind van Heijltgen Huijbertsdr., bij haar verwekt door Lenert Fransz., anderzijds, verdelen de goederen, die Heijltgen heeft nagelaten. Lenert krijgt alle goederen en belooft het kind van alle uitschulden vrij te houden. Het kind is aanbedeeld aan een bedrag van 4 Vlaamse ponden jaarlijks en zijn alimentatie tot aan zijn 18e jaar. (f. 81)

8 dec. 1580: Cornelis Pauwelsz. verkoopt Maerten Jansz. schoenmaker een huis en “vetterij” in de Kromme Elleboog, staande tussen het vethuis van Henrick Snouck en de stadsgracht. Waarborg: Jan van Eijnde. De koper is schuldig aan de verkoper 350 gl. Borg: Jan Woutersz. linnenwever. (f. 82)

5 dec. 1580: op verzoek van Philips Payman verklaart Lenert Cornelisz. van Bleskensgraaf, wonende te Dordrecht, 42 jaar oud, dat hij omtrent een jaar voor de Schiedamse paardenmarkt met de rekwirant van Dordrecht naar Nieuw-Lekkerland is gegaan om daar enig land te pachten om beesten op te laten weiden. Gekomen omtrent de nes van juffrouw Goebels hebben zij daar aangetroffen een landman, genaamd Jan Aertsz., wonende op de voornoemde nes, die hen gevraagd heeft waar zij heen wilden. De deposant heeft geantwoord: wij komen zien of wij enig land kunnen pachten om beesten op te laten weiden. Jan Aertsz. zei daarop: ick hebbe wel wat te huer … het is goet claer lant om [beesten] … vet op te weijden daeren is geen oncruijt nochte hermoet in … ick looff den mergen voor dertien cgl.”. De deposant zei toen: het is te veel. Waarop Jan toe zei: “ick heb daer selver noch geen fixe hier aen ende ick hebt gehuert op mijn beraet. Ick sal bij mijn joffr. Coebels in Den Haech trecken ende soe haest als ick wederom coem sal ick u alle bescheidt seggen ende sal tzelve lant anders niemant verhueren dan u”. (f. 82v)

22 nov. 1580: op verzoek van Nicasius Pietersz., burger van Dordrecht, verklaren Balten Cornelisz. Knuijt, waard in “de Wolsack”, ca. 55 jaar oud en zijn vrouw Janneken Fransdr., 38 jaar oud, dat ongeveer 4 jaar eerder Simon Waelen van hen geëist heeft 5 Rijnse gl. wegens wijnaccijns. Omdat zij echter niet bereid waren dat te betalen, omdat zij hem zoveel niet schuldig waren, is Simon met de stadhouder [van de schout] naar hun huis gekomen om “haer goet op doen schrijven”. Zij hebben hem toen de hele som betaald. Daarna heeft Simon geconstateerd, dat hij teveel ontvangen had een heeft hun een oude daalder van ongeveer 36 st. terugbetaald. Anneken is een dag of drie, vier daarna bevallen van een dood kind. (f. 82v)

8 dec. 1580: Geertgen Dircxsdr., weduwe van Claes Willemsz., verleent procuratie aan Francois van Hamel, koopman en burger van Antwerpen, om te vorderen een somma van 25 Vlaamse ponden, die zij tegoed heeft van Noel Pierpont, koopman te Antwerpen, wegens leverantie van ijzer. (f. 83)

8 dec. 1580: Jan Ariensz. schiptimmerman, voor zichzelf, en Zeger Pietersz. kalkdrager, als man van Neeltgen Adriaensdr., samen vervangende Jacob Adriaensz., wonende te Bommel, en Aerjaentgen Adriaensdr., hun broer en zuster, mede-erfgenamen van Margareta Ockersdr., hun grootmoeder, verkopen Doeij Cornelisz. schipper een vierde part van een huis, staande tussen de Halsteiger [bij het stadhuis] en het huis van Neeltgen Thomas. De koper is schuldig aan Jan Adriaensz., Jacob Adriaensz. en Adriaentgen Adriaensdr. een somma van 12 Vlaamse ponden. (f. 83)

8 dec. 1580: Henrick Simonsz. en Herbert Hermansz. uit Krimpen, als voogd van het weeskind van Ael Heijn., continueren hun zaak “vuijten gedinge der 1e rechten nae Corsmis”. (f. 83v)

8 dec. 1580: Simon Lenertsz. ponjaardmaker en Geerit Govertsz. glasmaker stellen zich borg voor Joost Jansz. smid voor de lichting van 7 Vlaamse ponden, waarvoor Joost door de Kamer Juditiaal van Dordrecht toestemming heeft gekregen om die lichten in mindering van een bedrag van 64 gl. 14 st., die hij tegoed heeft wegens zeker ijzerwerk, door hem geleverd aan de kleine windmolen, die gestaan heeft bij de Vuilpoort en verplaatst is naar de stadsvest achter de Nieuwkerk, welke molen bij decreet is gekocht door Franchois de Buijlere voor Fransgen Fransdr. (f. 83v)

10 dec. 1580: Blasius Brouwer, als procuratie gehad hebbende van Dirck de Leeu, gepasseerd voor burgemeester, schepenen en raad van Schoonhoven, om te vorderen hetgeen men Dirck schuldig is, stelt in zijn plaats aan Adriaen Jansz. Banck, schipper van Delfshaven. (f. 83v)

13 dec. 1580: Geerit Daniëlsz. kruidenier stelt zich borg voor Rochus Ghijsbertsz., voor hetgeen Blasius Brouwer pretendeert, dat Rochus hem schuldig is. (f. 84)

13 dec. 1580: Dirck Pel van Gorinchem verleent procuratie ad lites aan Heijndrick Adriaensz., procureur voor de Kamer Juditiaal te Dordrecht. (f. 84)

15 dec. 1580: Adriaen Snouck Govertsz. voor twee delen en Herman Soetmansz. voor een derde part, transporteren aan Lenert Adriaensz. een rentebrief van 3 Vlaamse ponden jaarlijks, verleden door Adriaen Jacobsz. Heijthoven brouwer. (f. 84v)

12 dec. 1580: Jacob Woutersz., voor zichzelf en tevens vervangende Wouter Ariensz. met zijn overige broers en zusters, mede vervangende Adriaen Jacobsz. namens zijn moeder en Maerten Florisz., als man van Ploentgen Ariensdr., voor zichzelf, samen voor een vierde part, en Gerit Thonisz., als procuratie hebbende van mr. Jop Cornelisz., voor een vierde part, samen erfgenamen van Thonis Woutersz. stoeldraaier, verkopen aan Jan Adriaensz. de helft van een huis, genaamd “den Bonten Os”, staande omtrent de St. Annasteiger [Distelsteiger] tussen het huis van Adriaen Jacobsz. Heijthoven en dat van Pieter Moelen. De koper is schuldig een somma van 205 gl. (f. 84v)

15 dec. 1580: op verzoek van Willem Jacobsz. Rop, schipper en burger van Dordrecht, verklaren Dirck Cornelisz., 26 jaar oud, Willem Pijetersz., 23 jaar, beiden van Amsterdam, en Joeriaen Hercksz. van Eemden, 22 jaar oud, allen schippersknechts en bootsgezellen, dat zij als knechts op het schip van de rekwirant gediend hebben om te varen van Zeeland op “Lin” en van “Lint” [sic] op “Zonderlant” {Sunderland?]. Daar gekomen hebben zij smeekolen geladen en varende van “Zonderlant” naar “Lin”, gekomen omtrent “Scharenborch” [Scarborough?], hebben zij hun anker uitgezet om ’s morgens in de haven te zeilen. Omtrent middernacht is er zulk een storm op komen zetten, dat zij met de rekwirant het anker hebben gelicht en naar zee zijn gevaren. In zee gekomen hebben zij enige kolen overboord moeten gooien. “Ende niet met allen van ’t want ende zeijl connen gebergen”, hebben zij hun best gedaan met de rekwirant om in Hartlepool in de haven te komen om daar het schip te repareren en weer naar “Lin” te komen. Zij hebben echter zo’n storm gekregen, “dat zij hebben moeten loopen met het schip int Gat vande Brijel”. (f. 85)

15 dec. 1580: Maerijcken Dircksdr., weduwe van Jan Dircksz. de Haen, waard in “Sint Eeuwout”, geassisteerd met Franchoijs de Buijlere Willemsz., notaris en procureur voor de Kamer Juditiaal te Dordrecht, verleent procuratie aan Cornelis Jacob Jansz. en Herman van Groeijlant, bedien wonende te Breda, om te innen hetgeen mr. Anthonis Hosius en mr. Pieter van Vuijtrecht haar schuldig zijn. (f. 85)

15 dec. 1580: roerende de dood van Zeger Cornelisz. bierdrager. Aeffgen Hermansdr., zijn weduwe, enerzijds en Screvel Zegersz. bierdrager voor zichzelf en nog als broer, geassisteerd met Aert Geeritsz. Schut kuiper, namens Cornelis Zegersz., ca. 18 jaar oud, en Anneken Zegersdr., ca. 15 jaar oud, allen voorkinderen van Seger Cornelisz., door hem verwekt bij Janneken Screvelsdr., en Screvel Zegersz. nog als broer en voogd van Marijchgen Zegersdr., ca. 3/4 jaar oud, nakind van Zeger Cornelisz., verwekt bij Aeffgen Hermansdr., anderzijds, verdelen de goederen, die Zeger heeft nagelaten. De drie voorkinderen is aanbedeeld 3/8 parten van een huis, staande achter in de Vriesestraat tussen het huis van Jan Cornelisz. kuiper en dat van de weduwe van Thomas Adriaensz. metselaar. Anneken Zegersdr. krijgt een bedrag van 38 gl. wegens haar verdere alimentatie, die haar vader haar beloofd heeft te doen van haar moederlijke goederen. Cornelis Zegersz. krijgt 26 gl. voor dezelfde alimentatie. Het nakind krijgt haar alimentatie tot haar 18e jaar, welke Aeffgen Hermansdr. beloofd heeft te doen. Als het kind komt te overlijden binnen drie jaar na 5 aug. laatstleden zal zij de erfgenamen van haar kind een bedrag van 2 Vlaamse ponden uitkeren. Screvel Zegersz. voor zichzelf en als broer en voogd, geassisteerd met Aert Gerritsz. Schut, als een van de naaste verwanten van Anneken Zegersz, voor de kinderen van Seger Cornelisz. bierdrager, verwekt bij Janneken Screvelsdr., verkoopt Aeffgen Hermansdr. 3/8 parten van een huis in de Vriesestraat, belenders als voren. Aeffgen is schuldig aan Screvel Zegersz., Anneken Zegersdr. en Cornelis Zegersz. een somma van 106 gl. 10 st. (f. 85v)

17 dec. 1580: Henrick Hijsvelt stelt zich appelant voor het Hof van Holland van het vonnis, dat is uitgesproken door de Kamer Juditiaal tussen Dirck [NN], dienaar van Aelbert Aertsz. van Coppenhagen en hem, comparant. (f. 86)

19 dec. 1580: Sijbert Sijbertsz. transporteert aan Adriaen Lambertsz., als voogd van de drie kinderen van Maerten Jansz., een rentebrief van 2 Vlaamse ponden jaarlijkse losrente, verleden door Janneken Pietersdr., weduwe van Cornelis Jacobsz. Borg: Anthonis Cornelisz. wagenmaker. (f. 86v)

17 dec. 1580: Willem Jan Wittesz. transporteert aan de erfgenamen van Cornelis Suijs, heer van Rijswijk, zodanige actie aan 10 mrg. land in het Oudeland van Strijen, “dewelcke dvoorschreven erfgenamen vvt den pantschappe gelost en gekweten hebben” door mr. Cornelis de Jonge, heer van Baardwijk, van hem, comparant, “ende hem comparant de penningen die hij daer vooren opgebracht heeft gehadt”, bedragende 98 gl. 10 st. gerestitueerd. (f. 87)

26 aug. 1580 [sic]: Arent Maertensz. van Delft, als man van Anna Coel Idodr., verklaart volledig voldaan te zijn door Jacob Coel Adriaensz., thesaurier van Dordrecht, van het beheer, dat Jacob en zijn vrouw hebben gehad van de vaderlijke goederen van Anna Coel Idodr. (f. 87)

17 dec. 1580: Digna Huijgendr., inwonende poorteres van Dordrecht, verleent procuratie aan Franchois de Buijlere de oude en Franchoijs de Buijlere, zijn zoon, om te transporteren, haar aandeel in het Noordse Zomerland, haar aangekomen door overlijden van haar broer Thielman Huijgen en Adriaen Joppen of de koper daarin te “vesten”. Waarborg t.b.v. Adriaen Joppen 6 mrg. 3 hont land in het Nieuweland van Mijnsheerenland, haar aangekomen bij overlijden van haar zuster Marichgen Huijgen, die getrouw is geweest met Dirck Dircxsz. brouwer. (f. 87)

17 dec. 1580: Roelant Olifiersz., inwonende burger van Dordrecht, verleent procuratie aan Hans Quijrijnsz. en Maerten Damasz., kooplieden te Antwerpen, om hetgeen te innen, dat men hem daar en elders schuldig is. (f. 87)

20 dec. 1580: Damas van Blienburch Heijmansz., voor zichzelf en voor de overige erfgenamen van Heijman Adriaensz. van Blienburch, stelt zich appelant aan het Hof van Holland van het vonnis, dat is gewezen door de Kamer Juditiaal van Dordrecht tussen hem, comparant, als gedaagde en Lieven Slachmoelen, als eiser. (f. 87v)

17 dec. 1580 (deze akte is doorgehaald): Adriaen Thonisz. Kennip, voor zichzelf en Jan Claesz. schipper, als man van Marijcken Thonisdr. de Kennip, verkopen aan Joachum Michielsz. timmerman een huis voor het Bagijnhof, staande tussen het huis van Willem Andriesz. drager en de gang of het huis, genaamd “het Poortken”, dat “om Godtwillen” bewoond wordt door [NN]. Waarborgen: Dirck Melisz. kleermaker en Jan Claesz. De koper is schuldig aan de verkopers een bedrag van 324 Rijnse gl. Borgen: Jan Adriaensz. Kennip en Adriaen Ockersz. (f. 87v)

21 dec. 1580: Adriaen Joosten, voor zichzelf en namens de schout en heemraden van Heerjansdam, en Cornelis Dircksz., namens “de gemeenen bueren aldaer”, verlenen procuratie aan Henrick Andriesz. procureur. (f. 88)

27 nov. 1580: Willem Bastiaensz., wonende te Hendrik-Ido-Ambacht, pacht van Jacob van Beveren Pietersz., als ontvanger van de pacht van de goederen, die “bij die van Dordrecht in pachtschap [zijn] genomen” 7 1/2 morgen land in het Volgerland van Schobbelandsambacht, gekomen van mr. Willem Schoock, voor 44 gl. per jaar. (f. 88v)

23 dec. 1580: op verzoek van Anthoni Lambertsz. kramer verklaren Jan Vos kramer, ca. 32 jaar oud, en Hans Vierling, kramer en passementwerker, ca. 32 jaar oud, burgers van Dordrecht, dat zij ongeveer anderhalf jaar eerder en ook onlangs op verzoek van de rekwirant “gevisiteert” hebben 10 stukken trijpfluweel, “waar onder sommige geroyeert was”, die de rekwirant zei gekocht te hebben van drie hem onbekende manspersonen. De deposanten verklaren, dat zij elk stuk trijp niet meer waard te zijn dan 41 Vlaamse schellingen en dat zij het daarvoor niet wilden kopen. (f. 89)

23 dec. 1580: Ploentgen Jansdr., weduwe van Cornelis Jacobsz. visser, verklaart, dat zij haar kinderen, bij haar door Cornelis Jacobsz. verwekt, genaamd Jan, Willem, Rooxgen, Aerjaentgen en Marijcken Cornelis, niet genoeg voor hun vaderlijke goederen gegeven heeft. Zij belooft daarom daarom haar kinderen, als zij 18 jaar worden, een bedrag van 12 Vlaamse ponden uit te keren. Als echter al haar kinderen komen te overlijden, zal dat bedrag weer aan haar, comparante, toevallen. (f. 89v)

29 dec. 1580: Catharina van Kempen, weduwe van Cornelis van Beveren, is schuldig aan Adam Woutersz. van de Borch, koopman van Antwerpen, wonende te Amsterdam, 60 Vlaamse ponden, wegens “verteerde costen” van haar zoon Claes van Beveren en van zeker geld door Claes van Adam ontvangen, verbindende haar huis en brouwerij, staande omtrent de Hoppenbiersteiger [bij de Wijnstraat], genaamd “het Beerken”, tussen het huis van Herman van Houte en dat van Corstiaen Houffslach. (f. 89v)

29 dec. 1580: Adriaen Cornelisz. Vos schoenmaker verkoopt Lenart Thoenisz. een jaarlijkse losrente van 6 gl., verzekerd op een huis aan de Landzijde achter de Stadwaag, staande tussen het huis van de erfgenamen van Aechgen van Bree en dat van Aert Pouwelsz. smid. (f. 90)

28 dec. 1580: op verzoek van Geerit Thijsz., bode te Vianen, ten behoeve van diens zoon Thijs Geeritsz., gevangene te Bergen op Zoom, leggenJan Henricxsz. tingieter, ca. 50 jaar oud, en Dirck Melisz. kleermaker, ca. 36 jaar oud, burgers van Dordrecht, een verklaring af. Jan Henricxsz. verklaart, dat hij van jongs af aan en nog steeds goede kennis heeft aan Thijs Geeritsz., zijnde een jongman van ca. 19 jaar, dat Thijs met zijn oom Hendrick Thijsz. bij hem in huis gewoond heeft en bij hem het vak van tingieter geleerd heeft. Dirck Melisz. verklaart, dat ongeveer 3 jaar eerder Thijs met zijn oom Henrick Thijsz. bij hem in huis gewoond heeft en daar het beroep van tingieter beoefend heeft en nooit van Thijs gezien of gehoord hebben “dan alle eere deucht ende vromicheijt”. (f. 90)

28 dec. 1580: Matthijs van Nederhoven en Cornelis Willemsz. de Wit, burgers van Dordrecht, stellen zich borg voor Jan van Meuwen, collecteur van de Tol van Geervliet, voor het beheer dat Jan zal hebben van genoemde tol. (f. 90)

31 dec. 1580: Fransgen Fransdr., weduwe van Jan Adriaensz. van der Ept, verkoopt aan Rochus Aertsz., als man van Jaepgen Roeloffsdr., en Henrick Roeloffsz. een windmolen, staande aan de stadsvest achter de Nieuwkerk, door haar bij decreet gekocht van de stad Dordrecht. Waarborgen: Cornelis Adriaensz. stadsbode en Hans van Esch hoedenmaker. Rochus Aertsz. en Henrick Roeloffsz. zijn schuldig aan Fransgen Fransdr., een bedrag van 515 gl. Borg: Neeltgen Govertsdr., weduwe van Roeloff Henricksz. en Cornelis Nannincxsz. De kopers verkopen Fransgen Fransdr. een jaarlijkse losrente van 1 Vlaams pond. f. 91)

31 dec. 1580: Neeltgen Govertsdr., weduwe van Roeloff Henricxsz. sledenaar, transporteert aan Fransgen Fransdr., weduwe van Jan Adriaensz. van der Ept, een losrentebrief van 1 Vlaams pond jaarlijks, sprekende op Cornelis Jansz. schiptimmerman en verzekerd op een vierde deel van een huis op de Groenmarkt. Als deze hypotheek blijkt niet “solvent” te zijn, verbindt zij een derde part van een huis, staande tegenover de Grote Doelen [in het Steegoversloot] tussen het huis van de erfgenamen van Gijsbert Jansz. van Haerlem en dat van de weduwe van Arien Huijgen boomsluiter. De comparante draagt tevens over aan Fransgen Fransdr. een obligatie, sprekende op Jan Adriaensz. Mesian schiptimmerman, inhoudende 19 Vlaamse ponden 13 sch. en gedateerd 10 dec. 1580. (f. 91)

31 dec. 1580: Adriaen Cornelisz., burger van Dordrecht, wonende te Antwerpen, verkoopt Anthonij Wiltens schoenmaker een derde part in een huis op de Appelmarkt aan de havenzijde, staande tussen het huis van Cornelis Claesz. gortmaker en dat van Pieter Cornelisz. lakenkoper. Waarborg: Bastiaen Jansz. “leermaecker”. De koper is schuldig aan de verkoper een bedrag van 18 Vlaamse ponden. Borgen: Jan Wiltens in de Oraengieboom en Simon Wiltens, zijn broers. (f. 92)

31 dec. 1580: op verzoek van Herman Jansz. van Dieren, burger van Dordrecht, wonende te Brussel, verklaren Aert Jansz., ongeveer 40 jaar oud, en Fijt Henricxsz., ca. 41 jaar oud, beiden wijnkuipers en burgers van Dordrecht, dat zij op woensdag laatstleden in Dordrecht “gevisiteert” hebben en ook voor een deel gekocht hebben zekere “toelast” repen, die de rekwirant zei in Brussel gekocht te hebben. Zij hebben bevonden de repen “geen goet coopmans goet te zijn maer dzelve wel halff bestorven te zijn door dijen dat zij te lanck int gras hebben gelegen”. Zodoende heeft de rekwirant meer dan de helft te Dordrecht laten staan en heeft de helft ervan niet in Dordrecht kunnen verkopen. (f. 92)

29 dec. 1580: Jan Adriaensz. alias Goeden Adriaen, wonende in Cromstrijen, verklaart gepacht te hebben van Jacob van Beveren Pietersz., als ontvanger van de pachten van de goederen, “bij die van Dordrecht in pantschappe genomen”, 7 mg. land in het Oudeland van Strijen, gekomen van Jan de Henter, voor 9 gl. en 5 st. per jaar. (f. 93v).