Van den Steen

[I. Emanuel van den Steen Johansz., jong gezel te Dordrecht (1595),trouwde Gerecht Dordrecht (onderscheiden gezindten: kath.; beiden wonende te Dordrecht, de bruid geassisteerd met haar ouders Jacob van Driel en Cornelia Screvelsdr.) 24 april/21 mei 1595 Elisabeth van Driel Jacobsdr., kleindochter van Cornelis van Driel en Grietgen Wenssen. Cornelis van Driel Nicolaasz., schepen van Dordrecht, overleden in 1555, werd op 28 mrt. 1539 door Karel V beleend met “het Huys Leeuwenburg”, in Dordrecht beter bekend als Mijnsherenherberg. (Balen, o.c., deel II, p. 1045).

De graaf van Holland verkocht in 1389 het huis Henegouwen in de Wijnstraat aan particulieren en nam na die tijd zijn intrek in een gebouw aan de Voorstraat. Dit huis had uitgangen aan de Nieuwstraat en Kolfstraat. Het wordt voor het eerst vermeld in 1385, toen het werd bewoond door Reijnout Sarisz. Onderwater, die het vermoedelijk hield als leengoed van de graaf van Holland. “In latere tijd werd het huis steeds Mijnsherenherberg, dat wil zeggen “de herberg van mijn heere de graaf van Holland” genoemd … [Het gebouw] bleef in leenverband en werd als zodanig in 1538 [Balen schrijft 18 mrt. 1538, ”vóór Pasen”. In Dordrecht werd tot 1577 in het algemeen de Paasstijl gebruikt en dus is het jaartal niet 1538 maar 1539.] verleden of op naam gesteld van Cornelis van Driel, wiens kleindochter Elisabeth van Driel [dochter van zijn zoon Jakob van Driel] trouwde met Emanuel van der Steen, die in 1613 opheffing van het leenverband kreeg, waardoor het gebouw gewoon particulier eigendom werd. In 1616 werd op het achtergelegen terrein de Steenstraat gebouwd.” (Lips, o.c., deel II, p. 324-325) “Het Huys, en Erve van Myns- Heeren-Herberg … is by de Heeren Staten van Holland, en West-Vriesland, den 13 Maart 1613. weer veranderd in Vry-Allodiaal Goed, werdende toen Bezeten by Emanuel van den Steen, en Joffr. Elisabeth van Driel voorsz, door welkers Erff gemaakt is een Straat, by Hemluyden voor’t meerendeel Betimmerd, en genoemd de Steen-Straat.” (Balen o.c., deel II, p. 1046-1047) De Mijnsherenherberg stond in de Voorstraat tussen de Kolfstraat en Nieuwstraat en kwam achter uit in de Steenstraat. Het huis staat afgebeeld op de plattegrond van Braun en Hogenberg uit ca. 1575 (zie de uitsnede hieronder: het grote huis onder de rode M): 

 Kinderen (volgorde onzeker):

 a. Johan van den Steen Emanuelsz., volgt II 

b. Wilhelmina van den Steen, geboren naar schatting ca. 1605,jonge dochter van Dordrecht (1629), trouwde Gerecht Dordrecht (onderscheiden gezindten: kath.; de bruidegom geassisteerd met Aper Adriaensz. van Mariënborch, zijn zwager, en de bruid met Elijsabeth van Driel, haar moeder) 11/28 jan. 1629 Revert van Beverwijck, jongman van Dordrecht (1629) 

II. Johan van den Steen Emanuelsz., geboren naar schatting ca. 1600, jongman van Dordrecht (1624), dijkgraaf van Bonavontura, Oost-Zomerland, Oud- en Nieuw-Kleijburg, Mookhoek en Trekdam, eigenaar van de boerderij “Rustenburg” in de Oostzomerlandse Polder (Puttershoek), gebouwd ca. 1640, trouwde Gerecht Dordrecht (onderscheiden gezindten: kath.; in tegenwoordigheid van Cornelis Back Jacobsz. en Maerten de Boeffkens Cornelisz., schepenen van Dordrecht, de bruidegom geassisteerd met mr. Willem Boucquet en de bruid met Catharina Boucquet, weduwe van Hermen Oom, haar moeder)14 aug./8 sept. 1624 Maria Oem, jonge dochter [van Dordrecht] (1624), dochter van Herman Oem Hermansz. en Katharina Boucquet Johansdr. 

Kinderen (volgorde onzeker): 

a. Emanuel van den Steen Johansz., volgt III 

b. Johan van denSteen, jongman geboren en wonende te Dordrecht (1660), trouwde Gerecht Dordrecht (onderscheiden gezindten: kath.; de bruidegom geassisteerd met zijn vader, de heer dijkgraafVan den Steen, de bruid met Alardt van Rijn, haar vader, en diens vrouw, Maria van Benschop) 3/23 nov. 1660 Maria van Rijn, jonge dochter geboren en wonende te Dordrecht (1660) 

c. Margaretha van den Steen, trouwde Blasius van Haarlem Blasiusz. (Balen, o.c., deel II, p. 1046) 

d. Catharina van den Steen 

III. Emanuel van den Steen Johansz., geboren naar schatting ca. 1630,jongman van Dordrecht (1653),hoogdijkheemraad van de Alblasserwaard (1668), van Mijnsheerenland van Moerkerken etc., trouwde Gerecht Dordrecht (onderscheiden gezindten: kath.; de bruidegom geassisteerd met Johan van der Steen, zijn vader, de bruid met Johan van Slingelant , haar broer) 30 okt./18 nov. 1653 Maria van Slingeland Dirksdr., jonge dochter van Dordrecht (1653), dochter van Dirk van Slingeland en Maria van der Eyk Cornelisdr. (zie Balen, o.c., deel II, p. 1047) 

Weeskamer Dordrecht inv. 28, f. 136v: extract uit het testament van Maria van Slingeland, weduwe van Emanuel van den Steen, gepasseerd ten overstaan van notaris H. van Dijck op 25 aug. 1678 en gecollationeerd op 10 juli 1687. De testatrice heeft tot executeurs-testamentair en voogden over haar minderjarige erfgenamen benoemd haar behuwd zoon Jacome van Colen [Jacob van Ceulen], Catharina van den Steen, haar behuwd zuster, en mr. Heijdenrijck, advocaat te Mechelen, haar “neve”. 

Kinderen (volgorde onzeker): 

a. Maria Johanna van den Steen, geboren naar schatting ca. 1655, jonge dochter van Dordrecht (1677), weduwe (1690), trouwde 1e Gerecht Dordrecht (onderscheiden gezindten: kath.; de bruid geassisteerd met haar moeder, Maria van Slingelant) 19 juli/17 aug. 1677 Jacob van Ceulen, jongman geboortig van Antwerpen (1677), 2e Gerecht Dordrecht (onderscheiden gezindten: kath.) 16 febr./4 mrt. 1690 mr. Pieter Jacob (Petrus Jacques) van Heijdenrijck, advocaat voor de Hoge Raad te Mechelen en regerende schepen ald., weduwnaar (1690)

Trouwboek Oud-Kath.kerk Dordrecht (Voorstraat) 11 mrt. 1690: Petrus Jacobus van Heijdenrijk en Maria Johanna van den Steen (getuigen: Johan van den Steen, Loys van der Putten)

Kind:

a-1. Maria Catharina Theresia van Heijdenrijck, gedoopt Mechelen 14 april 1691, overleden Brussel 16 nov. 1738, trouwde in 1721 Johan de Witt (kleinzoon van raadpensionaris Johan de Witt en Wendela Bicker)

ORA Dordrecht inv. 820, f. 51 e.v.: op 3 okt. 1741 verkoopt Jan Matthe, tuinman wonende onder Puttershoek, als procuratie hebbende van Johan de Witt, raadsheer van de Raad van State en president van de beide Rekenkamers van de Oostenrijkse Nederlanden, als aangestelde voogd van zijn minderjarige kinderen, Johan en Maria Wilhelmina de Witt, verwekt bij Maria Catharina van Heijdenrijck, volgens testament van Johan Ferdinand van Heijdenrijck, [halfbroer van Maria Catharina van Heijdenrijck], in zijn leven thesaurier van de stad Mechelen, gepasseerd voor notaris Gasper Mars te Brussel op 8 juni 1740, volgens procuratie gepasseerd voor dezelfde notaris op 25 sept. 1741, voor 2400 gl. aan Jan Eusebius Voet, medicinae doctor te Dordrecht, een geheel huis, genaamd “Mijnsherenherberg”, staande op de Voorstraat, strekkende voor van de straat tot achter tegen de Steenstraat, met een gang uitkomende in de Steenstraat, belend aan de ene zijde door het huis van de erfgenamen van Gerard Muijs en aan de andere door het huis van Pieter de Vos. De koper betaalt deels contant en deels met het verlijden van een schuldbrief van 1300 gl. 

ORA Dordrecht inv. 1670, f. 122v: op 24 dec. 1778 verkoopt Carel Borchart Voet, inspecteur van de comptoiren van ’s landsmiddelen en rechten bij collecte in het Zuiderkwartier van Holland, wonende te Dordrecht, voor 7000 gl. aan Abraham Blussé, boekhandelaar wonende te Dordrecht, een huis met koetshuis erachter, vanouds genaamd “Mijnsherenherberg”, staande op de Voorstraat tussen de Nieuwstraat en Kolfstraat, belend door het huis van Willem Kloens aan de ene zijde en dat van Pieter Smits aan de andere. 

b. Johan van den Steen, ongehuwd, geboren naar schatting ca. 1660, overleden in 1709 (OSP)

24 mrt. 1708: testament van Johan van den Steen, wonende te Dordrecht. Hij legateert aan Anna-Geertruijd de Veer een bedrag van 2000 gl., een jaarlijkse uitkering tot aan haar overlijden van 50 gl., een “dubbelden rouw, naar ’t fatsoen van den heer testateur” en een bepaalde hoeveelheid meubels, huisraad en linnengoed etc., welke hij naderheeft beschreven in eenapart lijstje. Hij legateert aan Cornelis Sas, “zijn getrouwen dienaar” een bedrag van 500 gl., op voorwaarde dat hetgeen Sas van hem nog tegoed heeft daarmee is vereffend. Tot erfgenaam van al zijn overige goederen benoemt hij zijn zuster Maria-Johanna van den Steen, echtgenote van Pieter-Jacques van Heijdenrijck, raadsheer van Zijne Majesteits Grote Raad te Mechelen, of bij vooroverlijden haar kinderen. Tot voogd over zijn minderjarige erfgenamen benoemt hij Pieter-Jacques van Heijdenrijck. Hij wenst niets na te laten aan de NG diaconie-armen van Dordrecht. (ONA Dordrecht inv. 713, akte 58)

Begraafboek Augustijnenkerk Dordrecht 6 mrt. 1709: Johan van der Steen jongman woont in ‘Seeren herberg (Mijnsherenherberg), met koetsen, zes boven het getal, een wapenbord, een “kamer behange”.]